Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6842

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/03/290083 / FA RK 21-1114
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Meerderjarigverklaring op grond van artikel 1:253ha BW. Kinderrechter belast de moeder met het gezag. Expliciet verzoek van de moeder om met het gezag te worden belast is niet nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer: C/03/290083 / FA RK 21-1114

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

beschikking meerderjarigverklaring

[de moeder] ,

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. Frins, thans mr. V.C.C. Luijten, kantoorhoudend in Heerlen,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de voogdes] ,

verder te noemen: de voogdes,

wonend in [woonplaats] .

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, hierna te noemen:

de raad, gevestigd te Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoek van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2021;

  • -

    het F2 formulier van de moeder, binnengekomen op 2 augustus 2021;

  • -

    de door de moeder ter zitting overgelegde verklaring van 2 augustus 2021 van de voogdes.

Op 2 augustus 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de raad.

De voogdes is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

Bij F9 formulier heeft de moeder op 3 augustus 2021 nog stukken ingediend, waaronder een aanvullend verzoekschrift.

2 De feiten

De moeder is geboren op [geboortedatum 1] en derhalve op dit moment minderjarig.

Uit de moeder is op [geboortedatum 2] in Heerlen geboren: [minderjarige] , verder te noemen: [minderjarige] .

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 augustus 2019 (zaaknummer: C/03/267343) is [de voogdes] , oma moederszijde, belast met de voogdij over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft bij de moeder en de voogdes.

Uit de door de moeder overgelegde geboorteakte, 1A1562 van het jaar 2019, blijkt dat [minderjarige] op 19 januari 2021 met toestemming van de moeder is erkend door [naam] .

3 Het verzoek

De moeder heeft verzocht om – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – haar meerderjarig te verklaren.

Bij aanvullend verzoek, ingediend na de mondelinge behandeling, heeft de moeder nog verzocht om haar met de voogdij te belasten. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een voorwaardelijk verzoek.

Ter onderbouwing heeft de moeder gesteld dat zij, nu zij zeventien jaar is, voldoet aan het eerste vereiste van artikel 1:253ha van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voogdes is op de hoogte van het verzoek en ondersteunt het verzoek. De moeder en de voogdes zijn van mening dat de moeder ondanks haar minderjarigheid in staat is om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De moeder is zich van haar verantwoordelijkheid bewust en is bereid zich opofferingen te getroosten in het licht van haar ouderschap, zoals zij al heeft gedaan. De moeder heeft de verzorging van [minderjarige] adequaat en verantwoord verricht en is zeer betrokken bij het kind. Verder wordt de moeder gesteund door haar netwerk, waaronder de voogdes. Voor zover de moeder bekend is, bestaan er geen bezwaren of contra-indicaties om de moeder meerderjarig te verklaren. Het dient daarom in het belang van de moeder en het kind te worden geacht dat het verzoek wordt ingewilligd.

De moeder heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd. Toen [minderjarige] werd geboren, was zij met 15 jaar nog te jong om het verzoek tot meerderjarigverklaring te doen. Zij heeft de opvoeding samen met de voogdes gedaan, met ondersteuning van Plinthos. Zij had afgesproken dit verzoek in te dienen als zij de hulpverlening van Plinthos had afgerond. De moeder weet wat het gezag inhoudt, zoals het nemen van formele beslissingen en het informeren van de vader. Zij heeft met behulp van Plinthos geprobeerd een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader te treffen, maar de vader wilde daar niet aan meewerken en stelde zijn eigen voorwaarden. De vader heeft inmiddels zelf een procedure gestart.

De raad heeft geen bezwaar tegen toewijzing van het verzochte. Tijdens het onderzoek in 2019 was sprake van dreiging vanuit de vader, maar dat is nu kennelijk niet meer aan de orde. De moeder was destijds afhankelijk van de hulpverlening, maar ze staat nu steviger in haar schoenen. Daarnaast blijkt dat ze een goede samenwerking met haar familie heeft, die haar verder zou kunnen ondersteunen.

Volgens de raad zou de moeder nog het verzoek moeten doen om het gezag over [minderjarige] te verkrijgen.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 1:245 lid 1 BW is bepaald dat minderjarigen onder gezag staan. In artikel 1:246 BW is, voor zover hier van belang, bepaald dat minderjarigen onbevoegd zijn tot het gezag.

Op grond van artikel 1:253ha lid 1 BW kan de minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft haar kind wenst te verzorgen en op te voeden, indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter verzoeken haar meerderjarig te verklaren.

Op grond van lid 4 van dit artikel willigt de kinderrechter het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de moeder daarmee belast.

Op grond van artikel 1:281, lid 1 sub b, BW eindigt de voogdij op de dag, waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij het gezag over de onder zijn voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen. In lid 2 van voornoemd artikel is opgenomen dat, indien een beschikking als in het eerste lid bedoeld, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, de voogdij dan eindigt daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

De raad heeft aangegeven dat de moeder, nu het gezag over [minderjarige] bij een ander berust, zou moeten verzoeken om de oma te ontslaan uit de voogdij en de moeder met het gezag te belasten. De rechtbank volgt de raad niet in deze redenering.

De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de tekst van artikel 1:253ha lid 1 BW volgt dat de moeder het verzoek tot meerderjarigverklaring slechts kan doen indien zij met het gezag wenst te worden belast, zodat zij als gezaghebbend ouder haar kind kan verzorgen en opvoeden. Naar het oordeel van de rechtbank is een expliciet verzoek met betrekking tot het gezag daarom niet nodig.

De rechtbank verwijst verder naar Tekst en Commentaar bij artikel 1:253ha BW, waarbij is aangegeven dat, in het geval een ander met de voogdij is belast, niet de weg van artikel 1:253b BW hoeft te worden gevolgd.

4.2.

Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de kinderrechter gebleken dat de meerderjarigverklaring in het belang van de moeder, die inmiddels 17 jaar oud is, en haar kind wenselijk is.

De moeder heeft, voldoende onderbouwd, gesteld dat zij in de afgelopen periode van Plinthos ondersteuning bij de opvoeding heeft gekregen en dat deze ondersteuning met goed gevolg is afgerond. De moeder heeft aangegeven dat zij daarnaast in toenemende mate de taken van een ouder met gezag heeft uitgeoefend. Zo heeft zij zelf de vader over [minderjarige] geïnformeerd, heeft zij foto’s van [minderjarige] aan de vader gestuurd en heeft zij het initiatief genomen om tot een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] te komen.

Uit de schriftelijke verklaring van de voogdes blijkt dat zij de moeder in staat acht om zelfstandig het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Ook de raad is deze mening toegedaan.

Uit de overgelegde geboorteakte van [minderjarige] blijkt dat de moeder zelf toestemming heeft gegeven voor de erkenning van [minderjarige] door de vader. De kinderrechter overweegt dat verzoekster blijk ervan heeft gegeven dat zij wil en kan voldoen aan de verplichtingen die zij op grond van artikel 1: 247 BW als gezaghebbend ouder heeft.

4.3.

De kinderrechter zal daarom overeenkomstig artikel 1:253ha BW de moeder meerderjarig verklaren. Aangezien het gezag (de voogdij) nu bij een ander berust, zal de kinderrechter de moeder met het gezag belasten.

4.4.

De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Overeenkomstig artikel 1:281 lid 2 BW eindigt in dat geval de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

4.5.

De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

4.6.

Nu de kinderrechter de moeder op grond van artikel 1:253ha lid 4 BW belast met het gezag, hoeft niet meer te worden beslist op het aanvullend verzoek van de moeder.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verklaart [de moeder] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , meerderjarig;

5.2.

belast de moeder, [de moeder] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , met het gezag over haar minderjarige zoon [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats] ;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Groen-Witvliet, griffier.
BGW

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.