Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6747

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-08-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
AWB 21/1954
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van het minderjarige kind onvoldoende heeft gewogen in de besluitvorming en in redelijkheid niet van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/1954

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam] , wonende te [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten),

en

de burgemeester van de gemeente Landgraaf, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Aken).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd, die strekt tot sluiting van de woning en het bijbehorend erf gelegen aan de [straatnaam] [*] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven te wachten met het effectueren van de sluiting in afwachting van de uitspraak op de voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekster is de bewoner en eigenaar van de woning. In de bestuurlijke rapportage van de politie van 12 mei 2021 is vermeld dat er op 6 mei 2021 in de woning een in werking zijnde hennepplantage met 165 volgroeide hennepplanten is aangetroffen. Tevens is door de netwerkbeheerder geconstateerd dat er gevaar is door manipulatie aan de installatie.

2. Bij brief van 1 juni 2021 heeft verweerder verzoekster bericht voornemens te zijn de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De door verzoekster naar voren gebrachte mondelinge zienswijze heeft geen verandering gebracht in dit voornemen.

3. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in een (eventueel) bodemgeding. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de eventuele hoofdzaak kennis te nemen.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat kan worden aangenomen dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat verzoekster voor de duur van drie maanden niet in haar woning kan als uitvoering wordt gegeven aan het primaire besluit. De voorzieningenrechter gaat daarom over tot een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling van het primaire besluit.

5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor de sluiting van de woning, omdat zij geen betrokkenheid heeft gehad bij de hennepplantage. De hennepplantage is opgezet door haar ex-partner, die nog steeds de sleutels van de woning heeft. Haar kan geen verwijt worden gemaakt. Verweerder stelt ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat verzoekster niets heeft gemerkt van de aanwezigheid van de hennepplantage. Verzoekster verbleef de laatste paar maanden niet in de woning omdat zij door haar ex-partner werd bedreigd en bezig was met de verbouwing van de woning. Verweerder heeft ten onrechte geen buurtonderzoek ingesteld. Verzoekster heeft de kwestie met haar ex-partner meerdere malen besproken met de (voormalige) wijkagent. Volgens verzoekster moeten er wel degelijk mutaties zijn van de meldingen en gesprekken. Verweerder stelt ten onrechte dat verzoekster de sloten van de woning had moeten vervangen.

6. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de sluiting van de woning niet evenredig is. Sluiting van de woning zal verzoekster zwaar treffen. Verzoekster woont in de woning met haar dochtertje. Crisisopvang is niet de juiste plek voor haar kind en eerder is al een kind van verzoekster uit huis geplaatst. Verzoekster is ervan overtuigd dat haar ex-partner haar niet meer lastig zal vallen en zij wenst weer naar de woning terug te keren. Zodra de ex-partner weer in beeld komt, zal direct een kort geding straat- en contactverbod worden opgestart.

7. Verzoekster stelt zich ten slotte op het standpunt dat in het licht van het recente advies aan de Raad van State de belangenafweging in het voordeel van verzoekster moet uitvallen en niet moet worden overgegaan tot sluiting van de woning, dan wel dat moet worden volstaan met een waarschuwing.

8. Artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet luidt:

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels (Beleidsregels wet Damocles en wet Victoria gemeente Landgraaf 2020) ontwikkeld. In artikel 5 van deze beleidsregels is bepaald dat bij een eerste overtreding van het voorhanden hebben van een handelshoeveelheid softdrugs dan wel het telen, bereiden of vervaardigen van softdrugs in een woning en/of bijbehorend erf, besluit de burgemeester de woning te sluiten voor een periode van drie maanden.

9. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat de bevoegdheid van verweerder om de woning te sluiten niet wordt betwist, nu vaststaat dat een hennepplantage in de woning is aangetroffen en de hoeveelheid aangetroffen hennep een hoeveelheid is die meer dan voor eigen gebruik is. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de gebruikmaking van de bevoegdheid van verweerder niet evenredig is.

10. De voorzieningenrechter ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om over te gaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter zal hierna de noodzaak en evenredigheid van de maatregel beoordelen.

11. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840), herhaald bij uitspraken van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2924) en van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

12 . Op grond van de aangetroffen hoeveelheid planten en de aangetroffen in werking zijnde hennepkwekerij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een ernstig geval. Hierbij heeft verweerder mede in aanmerking kunnen nemen dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er vanwege manipulatie aan de installatie sprake is van gevaarzetting. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat de woning in een kwetsbare buurt ligt en dat er in het recente verleden meerdere panden zijn gesloten, waaronder zelfs een pand waar cocaïne is aangetroffen.

13. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:2018:851), persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is voor de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De maatregel van bestuursdwang ziet op het pand en niet op de persoon. Het sluiten van een pand op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een reparatoire maatregel, gericht op herstel en bedoeld om de negatieve effecten van de handel in verdovende middelen op het openbare leven en het woon- en leefklimaat te beheersen. Het betreft derhalve geen punitieve sanctie, waarvoor verwijtbaarheid vereist is. Echter, kan het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat in redelijkheid geen gebruik gemaakt kan worden van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter wijst in dat verband op de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

14. Ter zitting is gebleken dat bij de politie twee registraties c.q. aangiftes bekend zijn met betrekking tot de problematiek tussen verzoekster en haar ex-partner, die beide dateren van juli 2020. Verzoekster heeft met haar ex-partner tot omstreeks medio juli 2020 in de woning samengewoond. Verzoekster is in de woning blijven wonen tot januari 2021. Toen heeft ook zij de woning verlaten vanwege bedreigingen door haar ex-partner en de verbouwing. Zij kwam daardoor slechts sporadisch in de woning. Door verzoekster is echter niet aannemelijk gemaakt dat zij geen wetenschap heeft gehad dan wel had kunnen hebben van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Verzoekster had bovendien de sloten kunnen (laten) vervangen, zodat haar ex-partner het pand niet meer kon betreden. Verzoekster blijft immers als bewoner en eigenaar verantwoordelijk voor hetgeen zich in de woning afspeelt. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat iedere betrokkenheid bij de overtreding ontbreekt.

15. Gebleken is dat verzoekster hulp en begeleiding krijgt vanuit het jeugdteam van de gemeente Landgraaf in verband met haar minderjarige kind. Verweerder was niet op de hoogte van dit traject en is ook niet bekend met de aard van de problematiek die kennelijk speelt. Verzoekster heeft daaromtrent niet eerder dan ter zitting (enige) informatie verstrekt. Nu deze omstandigheden derhalve niet zijn meegenomen in de besluitvorming, zijn ook de mogelijke gevolgen van de sluiting van de woning voor het kind van verzoekster niet gewogen.

16. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder de belangen van het minderjarige kind onvoldoende heeft gewogen in de besluitvorming en in redelijkheid niet van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

17. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder voorts in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2021.

griffier de rechter is verhinderd te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 30 augustus 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.