Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6746

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
ROE 21/56
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag Tozo 1. Ongegrond. Eiser heeft niet voldaan aan bewijslast om aan te tonen dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/56

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Piters).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een algemene bijstandsuitkering en bijstand voor bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1) afgewezen en de verstrekte voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 17 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak ROE 21/1442, plaatsgevonden op 6 juli 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde.

Bij brief van 12 juli 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat geconstateerd werd dat eiser niet op de juiste wijze is uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. De griffier heeft eiser verzocht kenbaar te maken of hij zijn standpunten alsnog ter zitting toe wenst te lichten of hier vanaf ziet.

Bij brief van 16 juli 2021 heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij afziet van een nader onderzoek ter zitting.

Bij brief van 20 juli 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaak ROE 21/1442 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft een autoreparatiebedrijf genaamd [bedrijf 1] . Op 7 april 2020 heeft hij een aanvraag ingediend voor een algemene bijstandsuitkering en bijstand voor bedrijfskapitaal ten bedrage van € 10.000,- in de vorm van een geldlening op grond van de Tozo 1.

1.2.

Verweerder heeft op 15 april en 30 april 2020 in totaal € 2000,- aan voorschotten verstrekt aan eiser.

1.3.

Op 22 mei 2020 heeft een medewerker van het IMK eiser per e-mail verzocht om een uittreksel van de KvK, een onderbouwing van de noodzaak van het aangevraagde krediet en een ingevulde en ondertekende de minimis-verklaring te verstrekken vóór 28 mei 2020.

1.4.

Uit de rapportage bij het primaire besluit blijkt dat eiser naast [bedrijf 1] nog met twee andere BV’s bekend is bij de KvK, te weten [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Verweerder mist de volgende stukken voor de beoordeling van het recht op bijstand:

  • -

    uittreksels van de KvK;

  • -

    onderbouwing van de noodzaak van het aangevraagde krediet;

  • -

    de laatste bankafschriften van alle zakelijke rekeningen en het laatste bankafschrift van eisers privérekening.

Daarnaast heeft eiser geen opheffingsbewijzen verstrekt van twee BV’s die in de aangifte inkomstenbelasting van eiser over het belastingjaar 2019 zijn opgenomen en waarvan eiser heeft verklaard dat die zijn opgeheven, te weten [bedrijf 4] en [bedrijf 5] .

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en de verstrekte voorschotten teruggevorderd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de gevraagde gegevens niet of onvoldoende zijn aangeleverd, waardoor het recht op algemene bijstand en bijstand voor bedrijfskapitaal niet is vast te stellen.

1.6.

In bezwaar heeft eiser meerdere stukken ingebracht, waaronder een ingevulde de minimis-verklaring, de bankafschriften van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] over de kalendermaand maart 2020 en opheffingsverklaringen van de KvK van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , waaruit blijkt dat beide ondernemingen zijn ontbonden in 2019. Eiser heeft verklaard dat het niet mogelijk was om de bankafschriften van [bedrijf 4] over te leggen, omdat deze niet beschikbaar waren en deze wel bij de ING waren aangevraagd.

1.7.

Bij brief van 23 november 2020 heeft verweerder medegedeeld dat deze gegevens nog steeds onvoldoende zijn om het recht op een algemene bijstandsuitkering en bijstand voor bedrijfskapitaal op grond van de Tozo 1 te beoordelen. Verweerder meent dat uit de ingeleverde liquiditeitsprognose de liquiditeitstekorten niet kunnen worden beoordeeld en er tevens nog gevraagde bankafschriften ontbreken.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser heeft nagelaten een deugdelijke en verifieerbare liquiditeitsbegroting over te leggen, waardoor eiser heeft nagelaten de noodzaak van de aanvraag aan te tonen. Tevens is verweerder van mening dat eiser onvoldoende informatie heeft aangeleverd over de bedrijven die op zijn naam stonden, te weten [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] .

Gronden van beroep

3. Eiser is het hier niet mee eens. In beroep heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij de noodzaak van zijn aanvraag wel heeft aangetoond. Eiser heeft erop gewezen dat hij alle gevraagde informatie heeft overgelegd, behoudens een door verweerder gevraagde kolommenbalans. Eiser is niet in staat om deze zelf op te stellen en hij kan het ook niet betalen om dit door een boekhouder of accountant te laten doen. Hij is van mening dat een kolommenbalans ook niks toevoegt aan de door hem verstrekte gegevens, waaronder alle gevraagde bankafschriften.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Juridisch kader

5. De Tozo is een speciale regeling die in het leven is geroepen om zelfstandig ondernemers te helpen die door de coronacrisis en door de maatregelen van de overheid om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan in de financiële problemen zijn gekomen. Indien een zelfstandig ondernemer als gevolg van de coronacrisis niet zelf in zijn bestaan kan voorzien, dan biedt de Tozo een inkomensvoorziening. De basis voor de Tozo ligt in artikel 78f van de Participatiewet (hierna: PW) waarin, kort samengevat, staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot verlening van bijstand aan zelfstandigen en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

6. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tozo kan algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

Ingevolge artikel 5 van de Tozo wordt in de verklaring wordt door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:

  1. dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19, voorzien van een toelichting;

  2. dat hij voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd, verwacht een in aanmerking te nemen inkomen te hebben dat lager is dan de bijstandsnorm; en

  3. voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd een opgave van het inkomen dat hij heeft verworven of verwacht te gaan verwerven.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Tozo kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de zelfstandige die schriftelijk verklaart en aannemelijk maakt dat hij als gevolg van de crisis in verband met COVID-19 over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te kunnen voldoen.

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW, kan het college die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

Beoordeling door de rechtbank

8. Op grond van vaste jurisprudentie rust bij aanvragen om bijstand de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Dit geldt ook voor bijstand op grond van de Tozo. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1767.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit verband op verzoek van verweerder twee liquiditeitsbegrotingen heeft overgelegd. De eerste liquiditeitsbegroting, gedateerd op 28 mei 2020, (hierna: liquiditeitsbegroting 1) heeft eiser als bijlage bij zijn bezwaarschrift ingediend. Daaruit blijkt dat er in drie niet nader gespecificeerde aaneengesloten kalendermaanden 0 euro is ontvangen en uitgegeven door [bedrijf 1] . Nu hieruit geen financiële verplichtingen blijken, de uitgaven zijn immers op nul euro gesteld, voldoet de liquiditeitsbegroting 1 reeds daarom niet aan de in artikel 10, eerste lid, van de Tozo, opgenomen voorwaarden.

10. Eiser heeft zoals gezegd in bezwaar ook een tweede, ongedateerde en handgeschreven liquiditeitsbegroting op maandbasis ingeleverd (hierna: liquiditeitsbegroting 2). Uit de liquiditeitsbegroting blijkt niet op welke maand en welke onderneming deze ziet. Hieruit blijkt dat de inkomsten € 2.400,- bedroegen en de uitgaven € 3.710,44.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze liquiditeitsbegrotingen onvoldoende zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, omdat de daarin opgenomen inkomsten en uitgaven geenszins deugdelijk en verifieerbaar van aard zijn. Zo is in de liquiditeitsbegroting 2 bijvoorbeeld de kostenpost “huur” omschreven ten bedrage van € 600.-, maar is de onderliggende financiële verplichting (die voortvloeit uit de onderliggende huurovereenkomst) hiermee niet inzichtelijk gemaakt. Zo kan uit de enkele omschrijving van de kostenpost ‘huur’ niet worden opgemaakt op welk pand dat dit ziet. Ook is niet inzichtelijk voor welke van de ondernemingen van eiser de opgevoerde kostenposten voor rekening komen, te meer nu de in de liquiditeitsbegroting 2 opgenomen kostenposten zijn te herleiden tot de bankafschriften van verschillende bv’s van eiser. Zo komt de in de liquiditeitsbegroting 2 opgevoerde kostenpost “huur” niet terug op de bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] , maar wel op die van [bedrijf 2] . De opgevoerde kostenpost “ASR Garageverzekering” komt ook niet terug in de bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , maar wel in die van [bedrijf 3] . Eisers stelling dat een kolommenbalans (de rechtbank begrijpt: een deugdelijke liquiditeitsberekening) niets toevoegt aan de verstrekte bankafschriften kan de rechtbank daarom niet volgen. Nu de bewijslast om aan te tonen dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde op eiser rust dient dit voor zijn rekening en risico te komen.

Conclusie

12. Verweerder heeft terecht eisers aanvraag afgewezen en de verstrekte voorschotten teruggevorderd.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. K. Mestrom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 augustus 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.