Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6742

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
ROE 21/1442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag Tozo 2. Ongegrond. Eiser heeft niet voldaan aan bewijslast om aan te tonen dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/1442

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Piters).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een algemene bijstandsuitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 2) buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 6 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bij volledige bestuurlijke heroverweging de aanvraag alsnog in behandeling genomen en deze afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak ROE 21/56, plaatsgevonden op 6 juli 2021. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 12 juli 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat geconstateerd werd dat eiser niet op de juiste wijze is uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. De griffier heeft eiser verzocht kenbaar te maken of hij zijn standpunten alsnog ter zitting toe wenst te lichten of hier vanaf ziet.

Bij brief van 16 juli 2021 heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat hij afziet van een nader onderzoek ter zitting.

Bij brief van 20 juli 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaak ROE 21/56 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft een autoreparatiebedrijf genaamd [bedrijf] . Op 30 september 2020 heeft hij een aanvraag ingediend voor een algemene bijstandsuitkering op grond van de Tozo 2.

1.2.

Verweerder heeft eiser in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag verzocht om nadere informatie aan te leveren en hem daartoe op 26 en 27 oktober 2020 een hersteltermijn geboden.

1.3.

Eiser heeft daarop een inkomstenopgave ingeleverd waarin hij over de periode juni tot en met september 2020 heeft verklaard iedere maand € 53,20 als inkomen te hebben ontvangen. Tevens heeft hij een ongedateerde en handgeschreven liquiditeitsbegroting op maandbasis ingeleverd. Uit de liquiditeitsbegroting blijkt niet op welke maand en welke onderneming deze ziet. Hieruit blijkt dat de inkomsten € 2.400,- bedroegen en de uitgaven € 3.710,44.

1.4.

Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals opgenomen onder het kopje “Procesverloop”.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een algemene bijstandsuitkering op grond van de Tozo 2, omdat hij enerzijds een te hoog inkomen heeft genoten en anderzijds niet voldoet aan het urencriterium om aangemerkt te worden als een zelfstandige. Tevens heeft hij volgens verweerder onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële positie.

3. Eiser is het hier niet mee eens. In beroep heeft hij aangevoerd dat de loongegevens uit Suwinet niet juist zijn en daarom niet uit Suwinet kunnen zijn gebleken, en als dat wel het geval is, verweerder deze gegevens aan het dossier had moeten toevoegen, wat volgens eiser niet is gebeurd. Ook is eiser van mening dat hij wel voldoet aan het urencriterium. Tenslotte heeft hij erop gewezen dat verweerder aan hem dwangsommen toe had moeten kennen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Juridisch kader

5. De Tozo is een speciale regeling die in het leven is geroepen om zelfstandig ondernemers te helpen die door de coronacrisis en door de maatregelen van de overheid om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan in de financiële problemen zijn gekomen. Indien een zelfstandig ondernemer als gevolg van de coronacrisis niet zelf in zijn bestaan kan voorzien, dan biedt de Tozo een inkomensvoorziening. De basis voor de Tozo ligt in artikel 78f van de Participatiewet (hierna: PW) waarin, kort samengevat, staat dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot verlening van bijstand aan zelfstandigen en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

6. Ingevolge artikel 1 van de Tozo wordt in de Tozo en de daarop berustende bepalingen verstaan onder zelfstandige: de rechthebbende, bedoeld in artikel 11, van de PW, die achttien jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die;

  1. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;

  2. ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig beroep; en

  3. alleen of samen met degene met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tozo kan algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

Ingevolge artikel 5 van de Tozo wordt in de verklaring wordt door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt:

  1. dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19, voorzien van een toelichting;

  2. dat hij voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd, verwacht een in aanmerking te nemen inkomen te hebben dat lager is dan de bijstandsnorm; en

  3. voor de kalendermaanden waarover algemene bijstand wordt aangevraagd een opgave van het inkomen dat hij heeft verworven of verwacht te gaan verwerven.

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

8. Op grond van vaste jurisprudentie rust bij aanvragen om bijstand de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Dit geldt ook voor bijstand op grond van de Tozo. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1767.

Inkomen

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het dossier een uitdraai uit Suwinet heeft opgenomen, gedateerd op 11 januari 2021. Nu deze in het dossier zit is deze ook aan eiser ter beschikking gesteld. Het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Uit deze Suwinet-uitdraai valt op te maken dat eiser in de maanden juli tot en met oktober 2020 loon heeft ontvangen van zijn onderneming [bedrijf] ter hoogte van € 7.201,66 per maand. Dit inkomen ligt fors hoger dan de voor eiser geldende bijstandsnorm. Verweerder heeft zich daarom ten opzichte van deze periode terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht had op een algemene bijstandsuitkering op grond van de Tozo 2 wegens een inkomen dat hoger ligt dan de voor eiser geldende bijstandsnorm.

10. Uit voornoemde Suwinet-uitdraai blijkt voorts dat eiser in de maand juni 2020 van zijn onderneming [bedrijf] loon heeft ontvangen ter hoogte van € 766,67. Dit inkomen ligt beneden de voor eiser geldende bijstandsnorm. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat hij daarom ook recht heeft op een aanvullende algemene bijstandsuitkering op grond van de Tozo 2 over deze maand. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank immers terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser recht heeft op bijstand, omdat de financiële positie van eiser niet duidelijk is. De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van zijn inkomsten en uitgaven twee ongedateerde liquiditeitsbegrotingen heeft overgelegd, met daarin niet te verifiëren inkomsten en uitgaven per maand. Daarvan is echter niet duidelijk op welke maanden dat deze zien omdat dit niet nader is gespecificeerd. Ook is niet duidelijk op welke van de diverse ondernemingen van eiser deze liquiditeitsbegroting ziet, en wat dan het inkomen uit de andere ondernemingen van eiser is geweest. Tevens valt uit de bankafschriften op te maken dat de opgevoerde kosten zien op verschillende ondernemingen van eiser en zijn sommige kostenposten geenszins tot de bankafschriften van eiser te herleiden. Nu de bewijslast om aan te tonen dat hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde op eiser rust dient dit voor zijn rekening en risico te komen.

11. Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder aan hem dwangsommen verschuldigd is, overweegt de rechtbank dat dit niet in deze procedure betrokken kan worden. De besluitvorming en ingediende klacht die ten grondslag liggen aan de door eiser ingediende ingebrekestellingen zijn namelijk niet te relateren aan de besluitvorming die ten grondslag ligt in deze procedure. Reeds daarom behoeft deze beroepsgrond geen nadere bespreking meer.

Conclusie

12. Uit het voorgaande blijkt dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. K. Mestrom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021 .

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 augustus 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.