Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6695

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
C/03/294726 / KG ZA 21-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

705 Rv, Europese erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012).

Erflater had de Nederlandse nationaliteit en woonde in België. De Nederlandse voorzieningenrechter in kort geding acht zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van de erfgenamen tot opheffing van de conservatoire beslagen op de bankrekeningen van erflater in Nederland en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen die zien op de in België gelegen woning en de zich in België bevindende auto en administratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/294726 / KG ZA 21-276

Vonnis in kort geding van 26 augustus 2021

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers,

advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 4] , in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat mr. Statnik,

gedaagde,

advocaat mr. N.M.F. Statnik te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 13

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [eisers] overgelegde producties 14 tot en met 17 en 18 tot en met 20

  • -

    de op voorhand ingediende conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 8

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 augustus 2021

  • -

    de pleitnota van [eisers]

  • -

    de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling

  • -

    de brief van de raadsvrouw van [gedaagde] van 13 augustus 2021, door de voorzieningenrechter ontvangen op 16 augustus 2021, waarbij namens [gedaagde] om vonnis wordt gevraagd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eisers] treden in dit kort geding op als de erfgenamen van [erflater] . Erflater is op [overlijdensdatum] 2021 overleden in Lanaken (België) op 78 jarige leeftijd. Erflater had de Nederlandse nationaliteit en woonde in [woonplaats 5] , België. Eiseres sub 1, (ook te noemen ( [eiseres sub 1] ) is de zus van erflater en eisers sub 2 en 3 (ook te noemen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ) zijn neven van erflater en de zonen van diens zus [zus erflater] . [gedaagde] was de partner van erflater met wie hij ruim veertig jaar een relatie had. Hij was niet met haar getrouwd, er was geen geregistreerd partnerschap en ook was er geen samenlevingsovereenkomst. [gedaagde] staat ingeschreven in Nederland, in de gemeente [woonplaats 4] , maar verblijft volgens eigen stellingen in [woonplaats 5] , België.

2.2.

Erflater was op het moment van zijn overlijden ter observatie opgenomen in het OPZ Rekem in Lanaken op grond van een vonnis van de Vrederechter van het kanton Pelt van 1 december 2021. Bij beschikking van de Vrederechter van het kanton Pelt van 11 december 2020 is een bewindvoerder-vertegenwoordiger aangesteld om erflater te vertegenwoordigen bij handelingen met betrekking tot zijn persoon en zijn goederen.

2.3.

De Belgische notaris meester Marc Topff heeft op 27 mei 2021 op verzoek van [eisers] een Europese erfrechtverklaring afgegeven. Daarin is vermeld dat [eisers] de erfgenamen van erflater zijn op grond van het laatste testament van erflater, dat hij ten overstaan van notaris Topff op 23 december 2019 heeft laten opstellen. In dat internationaal testament heeft erflater zijn eerdere testamenten herroepen en heeft hij expliciet bepaald dat [gedaagde] niets van hem erft en nooit als testamentair executeur voor hem kan noch mag optreden. Tevens heeft hij in dat testament bepaald dat uitsluitend het Nederlands recht van toepassing zal zijn op de vererving en de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Op basis van het Nederlands recht zijn de twee zussen van erflater gerechtigd tot diens nalatenschap. [zus erflater] heeft de nalatenschap verworpen, waarvan op 26 februari 2021 akte is opgemaakt door de rechtbank Limburg. Haar twee zonen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn ingevolge plaatsvervulling in haar plaats gekomen en hebben de nalatenschap aanvaard.

2.4.

[gedaagde] weigert [eisers] als de wettige erfgenamen te erkennen. Zij stelt zich op het standpunt dat het testament van 23 december 2019 nietig is omdat erflater op die datum wilsonbekwaam zou zijn geweest. Volgens [gedaagde] is het voorlaatste testament uit 2008 rechtsgeldig, waarin zij tot enig erfgenaam is benoemd.

2.5.

[gedaagde] heeft op 2 juni 2021 ten laste van [eisers] en [zus erflater] conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van erflater bij de Rabobank in Nederland, die een totaalsaldo hadden van om en nabij € 8.700.000,-. Daartoe is verlof verleend bij beschikking van 31 mei 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Vervolgens heeft [gedaagde] op 15 juni 2021 [eisers] en [zus erflater] gedagvaard in een bodemprocedure voor de rechtbank te Hasselt, België, tegen de zitting van 9 september 2021. De dagvaarding in die procedure strekt tot nietigverklaring van het internationaal testament van 23 december 2019.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad:

1. A. primair: de conservatoire derdenbeslagen opheft die op 2 juni 2021 zijn gelegd onder de coöperatieve Rabobank U.A. gevestigd te Amsterdam, mede gevestigd in Maastricht op alle gelden, vorderingen waardepapieren en/of roerende zaken die de Rabobank onder zich heeft en/of zal verkrijgen en toebehoren aan [eisers] als erfgenamen van [erflater] , erflater;

B. subsidiair: de in sub 1.A. genoemde conservatoire derdenbeslagen opheft tot een bedrag van € 5.700.000,-, althans tot een zodanig bedrag dat de voorzieningenrechter passend oordeelt gezien de door [eisers] te betalen erfbelasting en de reeds gemaakte en nog te maken boedelkosten;

2. A. Primair: [gedaagde] beveelt om binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige termijn als de voorzieningenrechter passend vindt, de woning aan de [adres] te [plaats] (België) te verlaten met medeneming van haar spullen en met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] bij haar vertrek de sleutels van de woning en van de overige opstallen af te geven;

B. Subsidiair:

1. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] vanaf 1 augustus 2021 en zolang [gedaagde] de in 2.A. genoemde woning bewoont, een gebruiksvergoeding te voldoen van € 1.200,-- per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de voorzieningenrechter passend vindt;

2. [gedaagde] veroordeelt om alle gebruikerslasten van de woning tijdig en correct te voldoen en daarvan op eerste verzoek van [eisers] betaalbewijzen te verstrekken;

3. [gedaagde] veroordeelt om de woning aan de [adres] te [plaats] op haar kosten te blijven onderhouden en [eisers] op eerste verzoek 1x per kwartaal toe te laten voor een inspectie van de woning;

4. [gedaagde] beveelt om [eisers] op hun eerste verzoek onbeperkte en ongestoorde toegang te verlenen tot de woning aan de [adres] te [plaats] voor het uitzoeken en kunnen meenemen van alle administratie en documenten van erflater, een en ander te bepalen door [eisers] ;

3. [gedaagde] beveelt eraan mee te werken dat [eisers] de auto van erflater die aanwezig is bij de woning aan de [adres] te [plaats] (België) kunnen (doen) ophalen binnen één week na betekening van het vonnis;

4. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een onmiddellijk te verbeuren en opeisbare dwangsom van € 2.500,- per dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis niet voldoet aan één of meerdere onderdelen van het te wijzen vonnis, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter passend vindt;

5. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2.

Daartoe stellen [eisers] dat [gedaagde] , ondanks meerdere verzoeken van hun advocaat en een sommatie van 25 juni 2021, weigert de woning van erflater te verlaten, [eisers] toegang te verlenen tot die woning en het erf voor het kunnen uitzoeken en meenemen van de administratie van erflater, en het kunnen meenemen van de auto van erflater. [gedaagde] heeft de politie ingeschakeld toen [eisers] zich meldden bij de woning.

Ook is [gedaagde] niet bereid om het conservatoire beslag op de Rabobankrekeningen op te heffen, ook niet voor dat deel dat nodig is om de op korte termijn te verwachten aanslag erfbelasting te kunnen betalen van rond de € 5.500.000,- en overige boedelkosten. [eisers] zijn niet in staat om die aanslag uit eigen middelen te voldoen.

3.3.

Er is volgens [eisers] geen gegronde reden om te twijfelen aan de geldigheid van het testament van 23 december 2019. Zij zijn de wettige erfgenamen en [gedaagde] verhindert door haar weigerachtige gedrag dat eisers de nalatenschap kunnen vereffenen en een juiste opgave kunnen doen aan onder meer de Belgische belastingdienst. Daardoor handelt ze onrechtmatig.

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat [eisers] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in al hun vorderingen, omdat, kort weergegeven, niet met zekerheid vaststaat dat [zus erflater] de nalatenschap (rechtsgeldig) heeft verworpen, althans in hun vordering ten aanzien van de woning, omdat de Nederlandse rechter niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat het spoedeisend belang ontbreekt. [gedaagde] voert op inhoudelijk vlak aan dat er zeer zeker redenen zijn om te twijfelen aan de geldigheid van het testament omdat erflater op 23 december 2019 niet compos mentis was.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1.

De voorzieningenrechter zal eerst het beroep van [gedaagde] op de niet-ontvankelijkheid beoordelen, daar dit het meest verstrekkende verweer is.

4.2.

[gedaagde] voert aan dat [eisers] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard,

omdat niet met zekerheid vaststaat dat [zus erflater] de nalatenschap (rechtsgeldig) heeft verworpen en dat daarmee niet vaststaat dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] erfgenamen zijn, onder meer omdat in het boedelregister is vermeld dat beneficiair is aanvaard. Omdat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, is het noodzakelijk dat in dit geding één beslissing ten aanzien van alle erfgenamen wordt genomen en daarom dient ook [eiseres sub 1] (eiseres sub 1) niet ontvankelijk worden te verklaard, aldus [gedaagde] .

4.3.

Op grond van door [eisers] overgelegde stukken ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding om te betwijfelen dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] rechtmatige erfgenamen van erflater zijn en in deze procedure in die hoedanigheid kunnen optreden. Daarvan mag worden uitgegaan op basis van de door [eisers] overgelegde Europese erfrechtverklaring die door notaris Topff op 27 mei 2021 is afgegeven. Daarin verklaart deze notaris dat op basis van het in het testament van toepassing verklaarde Nederlands recht de twee zussen van erflater gerechtigd zijn tot diens nalatenschap, dat [zus erflater] evenwel heeft verklaard dat zij de nalatenschap verwerpt, van welke verklaring op 26 februari 2021 akte is opgemaakt door de rechtbank Limburg en dat vervolgens haar twee zonen [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ingevolge plaatsvervulling in haar plaats zijn gekomen en de nalatenschap hebben aanvaard. De juistheid van die verklaring wordt ondersteund door de als productie 18 overgelegde akte van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 26 februari 2021 waarin de verklaring betreffende de verwerping van de nalatenschap door [zus erflater] is vastgelegd. Deze akte dient als uitgangspunt te gelden. Uit de door [gedaagde] overgelegde afschriften uit het boedelregister blijkt weliswaar dat de rechtbank aanvankelijk abusievelijk in het boedelregister heeft geregistreerd dat [zus erflater] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, maar dat dit later is gecorrigeerd. In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] ook vermeld dat desgevraagd door de griffie is medegedeeld dat de eerste inschrijving op een vergissing berust.

4.4.

De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat het verweer niet slaagt en dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] in deze procedure als procespartij kunnen optreden.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

4.5.

Vervolgens staat ter beoordeling of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen.

Het beslag

4.6.

In artikel 705 lid 1 Rv is bepaald dat de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter.

4.7.

De voorzieningenrechter acht zich op grond van deze bepaling bevoegd te oordelen over de vordering van [eisers] tot opheffing van het gelegde beslag, nu het verlof tot het leggen van het beslag is verleend door een Nederlandse voorzieningenrechter en is gelegd onder rekeningen van erflater bij de Rabobank in Nederland, waaronder de Rabobank in Maastricht.

4.8.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.9.

Bij de beoordeling heeft als uitgangspunt te gelden het laatste door erflater opgemaakte testament, het internationaal testament van 23 december 2019. Zolang niet in rechte is komen vast te staan dat dit testament nietig is, dient dit als het geldende testament te worden beschouwd. Daarmee geldt ook als uitgangspunt dat [eisers] de erfgenamen zijn.

4.10.

De nalatenschap van erflater valt onder de Belgische fiscale wet. Op grond van die wetgeving diende door de erfgenamen uiterlijk op 27 mei 2021 de voorlopige aangifte erfbelasting te zijn ingediend. Dit heeft [gedaagde] niet betwist. [eisers] hebben op 16 mei 2021 aangifte erfbelasting gedaan. Die aangifte is door hen overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat de aanslag erfbelasting dan binnen drie maanden volgt en de erfbelasting daarna binnen twee maanden dient te worden voldaan. Naar verwachting dient dus in september of oktober te zijn betaald. Indien daar niet aan wordt voldaan wordt een fiscale vertragingsrente verschuldigd, volgen invorderingsmaatregelen en kosten. [eisers] willen dat voorkomen en de aanslag kunnen betalen uit de beslagen banksaldi. [eisers] stellen er daarom belang bij te hebben dat zij de beschikking krijgen over het saldo op de rekeningen waarop het beslag rust, zodat zij daarvan de aanslag erfbelasting kunnen betalen van rond de € 5.500.000,- en overige boedelkosten. Zij willen deze tevens snel kunnen betalen, omdat de Rabobank negatieve rente in rekening brengt over de banksaldi.

4.11.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eisers] deze situatie over zichzelf hebben afgeroepen, ondanks dat zij hen er voor heeft gewaarschuwd dat indien op hun naam aangifte werd gedaan, een zeer hoog percentage erfbelasting verschuldigd zou worden. Zij stelt dat op haar naam aangifte had kunnen worden gedaan. Als partijen dit in onderling overleg hadden gedaan, zou de verschuldigde erfbelasting vanwege het feit dat zij de partner van erflater was, aanzienlijk lager zijn geweest. Door met haar in overleg te treden over een regeling, had de hoge aanslag kunnen worden voorkomen. Volgens [gedaagde] zou de Belgische fiscus een dergelijke dading hebben geaccepteerd. Partijen hadden dan het oordeel van de rechter over de rechtsgeldigheid van het testament van 23 december 2019 kunnen afwachten.

4.12.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient dit verweer van [gedaagde] te worden verworpen. Het testament van 23 december 2019 is geldend zolang dit niet door de rechter nietig is verklaard. Op grond van het geldende testament van erflater zijn [eisers] de erfgenamen. Zij zijn dan ook degenen die de aangifte erfbelasting moeten doen en de aanslag erfbelasting dienen te betalen. Daar komt nog bij dat [gedaagde] geen Belgische fiscale wetteksten heeft overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat een dading zoals door haar gesteld op basis van het geldende testament door de Belgische fiscus wordt geaccepteerd en dat op grond daarvan door haar aangifte erfbelasting had kunnen worden gedaan en [eisers] dan een aanzienlijk lagere erfbelasting verschuldigd zouden zijn.

4.13.

Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat door [gedaagde] niet is aangetoond dat erflater niet compos mentis was op het moment van opmaken van het internationaal testament op grond waarvan het aannemelijk moet worden geacht dat de rechtbank in de bodemzaak tot het oordeel zal komen dat het testament nietig dient te worden verklaard. Door [gedaagde] zijn geen stukken overgelegd waarmee zij haar stellingen op dit punt heeft onderbouwd. Erflater is weliswaar in december 2020 op last van de Vrederechter opgenomen in het OPZ Rekem, maar dit was ruim elf maanden na het opmaken van het testament. Dit feit zegt daarom niets over de geestelijke gesteldheid van erflater in december 2019. [eisers] merken terecht op dat het vreemd is dat [gedaagde] zolang heeft gewacht met het ondernemen van actie indien zij van mening was dat erflater bij het opmaken van het testament niet beschikkingsbevoegd was, elf maanden heeft gewacht met indienen van het verzoek bij de Vredesrechter en de familie buiten de deur heeft gehouden. De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk gemaakt dat het testament vernietigd zal worden.

4.14.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat dient te worden uitgegaan van de huidige situatie, waarbij het testament van 23 december 2019 het geldende testament is, [eisers] de erfgenamen zijn en zij binnen afzienbare termijn aan erfbelasting zo’n € 5.500.000,- dienen te betalen. Het belang van [eisers] bij opheffing van het beslag teneinde over het saldo van de tot hun erfenis behorende bankrekeningen te kunnen beschikken, acht de voorzieningenrechter daarom zwaarderwegend dan het belang van [gedaagde] bij het afwachten van de procedure waaruit zal blijken of het door haar aangevochten testament in stand blijft. De beslagen zullen daarom worden opgeheven.

De woning in [plaats] , de auto en de administratie

4.15.

Op het testament van erflater is de Europese erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012) van toepassing. Op basis van art. 4 van deze verordening is de rechter van de lidstaat van de laatste gewone verblijfplaats van de erflater bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging. Daar erflater laatstelijk woonachtig was in België is in dit geval de Belgische rechter bevoegd. Weliswaar kan deze rechter ingevolge artikel 6 van de Europese erfrechtverordening, vanwege de door de erflater ten aanzien van de erfopvolging gemaakte rechtskeuze voor het Nederlands recht, op verzoek van een van de partijen in het geding zich onbevoegd verklaren indien de Belgische rechter van oordeel is dat de Nederlandse gerechten beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zoals de gewone verblijfplaats van de partijen en de plaats waar de goederen zich bevinden. Zolang daar in de door [gedaagde] aanhangig gemaakte bodemzaak bij de rechtbank in Hasselt niet toe is beslist, dient echter als uitgangspunt te gelden dat de Belgische rechter bevoegd is en dient in dit kort geding daarvan te worden uitgegaan.

4.16.

Op grond van artikel 19 van de Europese erfrechtverordening kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Vereist is wel dat het gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen wil nemen op grond van artikel 19, hiertoe bevoegd is op grond van zijn nationale wetgeving. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof met betrekking tot vergelijkbare bepalingen in andere Europese instrumenten kan worden afgeleid dat er dan wel een reële band moet zijn tussen het onderwerp van de procedure tot verkrijging van de voorlopige of bewarende maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter, zodat langs deze weg niet een extra bevoegdheid buiten de reguliere bevoegdheidsregels om kan worden gecreëerd, zie HvJ EG 17 november 1998, C-391/95 (Van Uden/Deco-Line). Hier is bijvoorbeeld aan voldaan als zich goederen der nalatenschap in het land bevinden waar de voorlopige of bewarende maatregelen worden verzocht of gevorderd. Bovendien moet het gaan om maatregelen uit de lex fori ter verzekering van rechten waarover voor het overige in de hoofdzaak wordt geoordeeld. Zie HvJ EG 28 april 2005, C-104/03 (St. Paul Dairy Industries). Niet vereist is dat het om een geschil op tegenspraak moet gaan; ook bij een procedure ter verzekering van goederen der nalatenschap voordat vaststaat wie de erfgenamen zijn, kan de aanvullende bevoegdheid van art. 19 noodzakelijk zijn om de rechten van de eventuele erfgenamen te verzekeren.

4.17.

De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat zij vanwege het ontbreken van het voorlopige of bewarende karakter van de gevraagde voorzieningen en het ontbreken van een reële band, niet bevoegd is om te oordelen over het treffen van voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de in België gelegen woning en de zich in België bevindende auto en administratie. De voorzieningenrechter zal zich gelet op het voorgaande onbevoegd verklaren om kennis te nemen van deze vorderingen.

4.18.

Overigens ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook het spoedeisend belang. [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de lasten van de woning zal voldoen en het spoedeisend belang bij het ontvangen van een vergoeding voor het verblijf in de woning is niet gebleken. Ten aanzien van de administratie van erflater stelt [gedaagde] dat deze bij de bewindvoerder is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat [eisers] geen inzage kunnen krijgen via deze bewindvoerder.

4.19.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de op 2 juni 2021 gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de coöperatieve Rabobank U.A. gevestigd te Amsterdam, mede gevestigd in Maastricht, op alle gelden, vorderingen waardepapieren en/of roerende zaken die de Rabobank onder zich heeft en/of zal verkrijgen en toebehoren aan [eisers] als erfgenamen van [erflater] , erflater,

5.2.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2021.1

1 type: EvdS coll: