Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6613

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
ROE 21/2078
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de woning kunnen sluiten. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid hennep en overige attributen mag verweerder er van uitgaan dat het pand waar verzoekster woont een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd.

Verzoekster heeft betoogd dat zij niets afwist van de drugs in haar woning en dat deze van haar ex waren. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoekster verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er zich in haar woning afspeelt. Van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen. Gelet op haar eigen verklaringen hadden verzoekster en haar ex immers lange tijd een relatie met elkaar en had hij spullen bij haar in de woning liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/2078


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2021 in de zaak tussen

[Naam 1] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),

en

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder(gemachtigde: J. Vincken).

Procesverloop

In het besluit van 27 juli 2021 heeft verweerder de sluiting gelast van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer] te [woonplaats] voor de duur van negen maanden, ingaande 10 augustus 2021 om 15.00 uur.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [naam 2], als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staan vermeld. In dit artikel is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste is voldaan, nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

4. Gelet op de aard van de zaak, een woningsluiting, neemt de voorzieningenrechter ook onverwijlde spoed aan en gaat zij over tot de inhoudelijke behandeling van het bestreden besluit.

5. De voorzieningenrechter zal zich een voorlopig oordeel dienen te vormen over de rechtmatigheid van het besluit inzake de woningsluiting. Daarbij acht de voorzieningenrechter de volgende feiten van belang. Op 31 mei 2021 heeft de politie naar aanleiding van binnengekomen informatie over de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen een onderzoek ingesteld in de woning gelegen aan [straatnaam] [huisnummer] te [woonplaats] . Hierbij werden in de woning 597 gram hennep, gripzakjes en een weegschaal aangetroffen. De burgemeester is hiervan op 10 juni 2021 met een bestuurlijke rapportage op de hoogte gesteld.

6. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien te gelasten de woning te sluiten voor de duur van negen maanden. Hij doet dit op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, omdat in de woning middelen als bedoeld in lijst I van deze wet aanwezig waren.

7. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft (samengevat weergegeven) aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet in overweging heeft genomen dat er geen overlast is veroorzaakt vanuit haar woning. Zij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning en de politie heeft deze enkel gevonden nadat verzoekster op 31 mei 2021, na een heftige en gewelddadige ruzie, aangifte heeft gedaan tegen haar ex. Nadat haar ex werd afgevoerd, ging de politie in de woning op zoek naar eventuele wapens en trof daarbij toevallig de drugs en bijbehorende spullen aan in en op kledingkasten. Uit niets blijkt dat er criminele overlastveroorzakende aanloop was of dat er vanuit de woning werd gehandeld. Dit is enkel een vermoeden, dat door verweerder niet is onderbouwd. Sluiting van de woning is niet nodig want de relatie is verbroken en haar ex is uit de woning geweerd.

8. De voorzieningenrechter stelt op basis van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de burgemeester op basis van de aangetroffen drugs (en bijbehorende attributen) bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan.

9. De bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft hierin dus beleidsruimte. Dit betekent dat verweerder de betrokken belangen dient af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid gebruik te maken. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en bezien of deze op zichzelf dan wel samen met andere omstandigheden, zogenoemde bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De Afdeling is in haar uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) ingegaan op het toetsingskader dat zij hanteert om dit te beoordelen.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, alles afwegende, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot sluiting van de woning van verzoeker voor de periode van negen maanden. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe allereerst dat het – gelet op de aangetroffen hoeveelheid hennep en overige attributen - niet aan verweerder is om met bewijsmiddelen aan te tonen dat er sprake is van ‘loop’ naar/van de woning van verzoekster. Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt immers dat, als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd.

11. Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet met zich brengt dat verzoekster daarom geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat verzoekster verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er zich in haar woning afspeelt. Van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen. De voorzieningenrechter wijst in dit kader op bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat verweerder het op goede gronden niet aannemelijk heeft kunnen vinden dat verzoekster niets van de drugs afwist. Gelet op haar eigen verklaringen hadden verzoekster en haar ex immers lange tijd een relatie met elkaar en had hij spullen bij haar in de woning liggen.

12. Verweerder heeft daarom het standpunt mogen innemen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had moeten afzien van de woningsluiting. Te meer nu verweerder ter zitting nog heeft benadrukt dat de gemeente Venlo, als grensgemeente, een bijzondere positie inneemt en dat op grond hiervan verweerders strenge(re) beleid (“one strike you’re out”) gerechtvaardigd is (ECLI:NL:RVS:2019:627).

13. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd verweerder niet had moeten nopen tot afwijking van het gevoerde beleid. Gelet op vorenstaande overwegingen zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

14. Omdat de termijn waarop verzoekster de woning dient te verlaten eindigt op de datum van de onderhavige uitspraak, acht de voorzieningenrechter wel termen aanwezig om bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit te schorsen tot twee weken na verzending van deze uitspraak. Verzoekster heeft dan nog tijd om zelf maatregelen te treffen en alsnog aan de last te voldoen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Beckers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

24 augustus 2021.

griffier

voorzieningenrechter

de griffier is niet in de gelegenheid

te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 augustus 2021.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.