Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6573

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
ROE 21/35
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over een omgevingsvergunning voor de inwoning van de ouders van vergunninghouder. Inwoning is in strijd met de bestemming, maar het bestemmingsplan kent een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden waaronder het college inwoning toch kan toestaan. Dat is met name het geval omdat in deze situatie geen sprake is van de voor inwoning benodigde afhankelijkheid. Er is volgens eiser in feite sprake van woningsplitsing, aangezien in de woning van vergunninghouder sprake is van twee zelfstandige wooneenheden. De rechtbank acht het beroep ongegrond. Er is sprake van een onherroepelijke bouwvergunning op grond waarvan vergunninghouder de woning inclusief indeling in twee zelfstandige wooneenheden mocht bouwen en daarvan is eerder geoordeeld dat van woningsplitsing geen sprake is. Voor het overige zijn er geen ruimtelijke bezwaren door eiser tegen inwoning naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/35


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2021 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H.J. Pietermans).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [vergunninghouder], te [woonplaats] .

(gemachtigde: mr. M.M. van Rooijen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan [vergunninghouder] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het inwonen van de ouders van vergunninghouder aan het adres [adres 1] te [plaats] .

Bij besluit van 1 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser woont aan de [adres 2] te [woonplaats] en hij is de buurman van vergunninghouder die aan de [adres 1] woont. De ouders van vergunninghouder wonen eveneens op het adres [adres 1] . De locatie [adres 1] is het volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Stedelijk gebied”, vastgesteld op 26 mei 2016, bestemd voor “Wonen”. Op grond van de bestemming is inwoning door een ander huishouden niet toegestaan.

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning om voor de inwoning van zijn ouders af te mogen wijken van het bestemmingsplan. Bouwactiviteiten zijn voor de inwoning niet benodigd. Het betreft aldus een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij besluit van 21 juli 2020 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dat bezwaar is door verweerder in het bestreden besluit van 30 november 2020 ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens in beroep gegaan tegen het bestreden besluit.

Juridische kader

3. De rechtbank gaat uit van het volgende juridische kader voor zover relevant voor deze zaak.

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan.

3.2. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo kan een aanvraag voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo slechts worden verleend, indien die activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3.3. Ingevolge artikel 25.1 van de planregels zijn de voor “Wonen” aangewezen gronden bestemd voor wonen (onder a), met de daarbij behorende tuinen, erven en verhardingen (onder g), alsmede overige voorzieningen (onder h).

3.4. Ingevolge artikel 42.1 van de planregels is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming.

3.5. Ingevolge artikel 25.5.1 (verboden gebruik) van de planregels wordt onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 42.1 in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  1. permanente of tijdelijke bewoning van bijbehorende bouwwerken door een huishouden anders dan dat van en de hoofdeigenaar/gebruiker;

  2. kamerbewoning;

  3. inwoning.

3.6. In artikel 1.61 van de planregels is “inwoning” gedefinieerd als: “het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is, met dien verstande dat dit slechts toegestaan is in het hoofdgebouw, dan wel in met het hoofdgebouw verbonden bijbehorende bouwwerken.

3.7. Ingevolge artikel 25.6.3 van de planregels (Afhankelijke woonruimte) kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 25.5.1 van de planregels voor het gebruik van een deel van de woning of bijbehorende bouwwerken bij een woning als afhankelijke woonruimte (inwoning), onder de volgende voorwaarden:

  1. De bebouwingsmogelijkheden worden met maximaal 30m2 in één bouwlaag overschreden.

  2. De afhankelijke woning is met de hoofdwoning verbonden en er is geen sprake van woningsplitsing.

  3. Het karakter van de omringende bouwstructuur wordt niet aangetast.

  4. Het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen wordt niet onevenredig aangetast.

  5. De bereikbaarheid van algemene en nutsvoorzieningen is gewaarborgd, evenals de bereikbaarheid voor hulpdiensten.

  6. Er is voldoende parkeergelegenheid aanwezig.

3.8. Ingevolge artikel 25.2.1 onder c van de planregels (bouwregels voor hoofdgebouwen) is bepaald dat het aantal woningen niet mag toenemen en splitsing van bestaande woningen in twee of meer afzonderlijke woningen niet is toegestaan.

Beoordeling

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling/ABRvS) volgt dat afwijking van het bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid is. De rechter moet zich beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om, in dit geval, de omgevingsvergunning te verlenen.1 De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid van verweerder om mee te werken aan een omgevingsvergunning voor inwoning wordt gevormd door de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 25.6.3 van de planregels, een goede ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wanneer aan de voorwaarden a tot en met f van artikel 25.6.3 van de planregels is voldaan en verlening niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, kan een omgevingsvergunning door verweerder worden verleend.

5. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende uitgangspunten. Voor het bouwen van de woning van vergunninghouder is op 23 juni 2003 een bouwvergunning verleend die is onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat vergunninghouder de woning zoals die destijds is vergund mocht bouwen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de woning conform bouwvergunning is gebouwd. Uit de bouwtekeningen bij de bouwvergunning van 23 juni 2003 en de foto’s van verweerder die gemaakt zijn bij een handhavingscontrole maakt de rechtbank op dat het deel van de woning waar de ouders van vergunninghouder nu wonen vrijwel identiek is aan het deel dat door vergunninghouder zelf wordt bewoond. Beide wooneenheden zijn voor zelfstandige bewoning geschikt en ingericht (eigen keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, eigen entree direct van buiten). De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 april 2020 geoordeeld dat ondanks de uit de bouwtekeningen op te maken indeling in twee wooneenheden in 2003 één woning is vergund en ook die uitspraak is onherroepelijk. Dat betekent dat van woningsplitsing (verandering van een bestaande woning waardoor van één woning twee woningen worden gemaakt) in de zin van artikel 25.2.1 onder c van de planregels geen sprake is. Aangezien er ten behoeve van de inwoning door de ouders van vergunninghouder bovendien geen nieuwe bouwactiviteiten zijn aangevraagd of vergund, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat thans wel sprake zou zijn van woningsplitsing.

6. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat verweerder aan vergunninghouder geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wabo had mogen verlenen. Eiser stelt dat aan de voorwaarden uit artikel 25.6.3 van de planregels niet is voldaan, zodat er voor verweerder geen mogelijkheid is om van het bestemmingsplan af te wijken. Het beroep beperkt zich tot vraag of verweerder ervan uit mocht gaan dat aan de voorwaarde onder a en de voorwaarde onder b van artikel 25.6.3 van de planregels is voldaan.

Voorwaarde a: De bebouwingsmogelijkheden worden met maximaal 30m2 in één bouwlaag overschreden.

7. Eiser stelt dat uit voorwaarde a kan worden opgemaakt dat de inwoning, voor wat betreft het aantal m2 dat het inwonende huishouden gebruikt, ondergeschikt moet blijven ten opzichte van het huishouden van de hoofdwoning.

7.1. De rechtbank is van oordeel dat uit de voorwaarde in kwestie geen gebruiksbeperking volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat van bouwactiviteiten geen sprake is en daardoor mist deze voorwaarde toepassing. Voorwaarde a van artikel 25.6.3 van de planregels staat daarom aan vergunningverlening niet in de weg. Onder voorwaarde a moet dus niet worden verstaan hetgeen eiser daarover aanvoert, waardoor de grond niet slaagt. Voor zover de stelling van eiser gelezen moet worden als een ondersteuning van zijn standpunt over voorwaarde b, dan verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna wordt overwogen over die voorwaarde.

Voorwaarde b: de afhankelijke woning is met de hoofdwoning verbonden en er is geen sprake van woningsplitsing.

8. Eiser voert in beroep over voorwaarde b aan dat omdat de woning van vergunninghouder twee gelijkwaardige zelfstandig functionerende wooneenheden bevat er geen sprake is van een afhankelijke inwoningssituatie. Er valt, aldus eiser, geen onderscheid te maken tussen de hoofdwoning en het afhankelijke inwoningsdeel, waardoor de facto van woningsplitsing sprake is. Daarmee is dus niet voldaan aan voorwaarde b van artikel 25.6.3 van de planregels en heeft verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. Verweerder voert aan dat de vraag hoe de inwoning in de woning is gerealiseerd niet relevant is voor de vraag of aan voorwaarde b is voldaan. Relevant is volgens verweerder slechts dat er een bouwtechnische connectie bestaat tussen de afhankelijke woning en de hoofdwoning.

8.1. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat voorwaarde b uit twee delen bestaat. Enerzijds dient de afhankelijke woning met de hoofdwoning verbonden te zijn en anderzijds mag er geen sprake zijn van woningsplitsing. Zoals onder rechtsoverweging 5 al is aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat van woningsplitsing geen sprake is, aangezien door eiser niet is gesteld of onderbouwd dat de woning die door vergunninghouder thans is gerealiseerd afwijkt van de vergunde situatie op grond van de bouwvergunning van 23 juni 2003.

8.2. De rechtbank acht het mede gelet op de toelichting op de planregels aannemelijk dat met ‘afhankelijke woning’ en ‘verbondenheid’ wordt gedoeld op de aanwezigheid van een (bepaalde) mate van ondergeschiktheid en verbondenheid van het verblijf van het inwonende huishouden (‘de afhankelijke woning’) ten opzichte van het verblijf van de hoofdeigenaar (‘de hoofdwoning’). Het gaat dus niet alleen om een zuivere bouwtechnische connectie, maar ook om enige mate van afhankelijkheid van het inwonende huishouden ten opzichte van de hoofdwoning. Uit de indeling van de woning kan de rechtbank die afhankelijkheid niet opmaken. Er is immers sprake van twee zelfvoorzienende wooneenheden. Verder is niet gesteld of gebleken dat vergunninghouder mantelzorg verleent aan zijn ouders. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat geen of in zeer beperkte mate sprake is van de in de planregels bedoelde afhankelijkheid en verbondenheid tussen de ouders van vergunninghouder en vergunninghouder zelf.

8.3. De strikte uitleg van de planregels zoals weergegeven onder rechtsoverweging 8.2. zou in deze zaak tot gevolg hebben dat vergunninghouder weliswaar legaal zijn woning heeft gebouwd, maar deze woning enkel vanwege de indeling ervan niet kan gebruiken voor inwoning door zijn ouders. Het beroep van eiser leunt immers vooral op het standpunt dat de indeling van de woning van vergunninghouder inwoning onmogelijk maakt. Uitgangspunt in de zaak is zoals gezegd dat vergunninghouder zijn woning met daarin twee zelfstandige wooneenheden mocht bouwen en dat betekent ook dat ruimtelijke bezwaren van eiser die op die indeling zien, al zijn meegenomen in de onherroepelijke uitspraak van 9 juni 2020 en de daaropvolgende nieuwe beslissing op bezwaar van verweerder. Eiser is tegen die nieuwe beslissing op bezwaar niet meer opgekomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de planregels voor inwoning bovendien met name bedoeld voor het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening bij inwoning en juist over de ruimtelijke effecten van inwoning (en dus niet woningsplitsing) heeft eiser geen gronden aangevoerd. Desgevraagd ter zitting heeft eiser enkel persoonlijke motieven aangevoerd tegen inwoning door de ouders van vergunninghouder.

Conclusie

9 De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond.

10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 20 augustus 2021.

de griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 augustus 2021

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie onder meer: ABRvS 26 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2811