Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6524

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
03/225438-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel binnendringen van het lichaam van een meisje van 14 jaar door stiefvader. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek voorarrest en een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0680
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/225438-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A. Dronkers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 04 augustus 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn 14-jarige stiefdochter, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2: gedurende langere tijd ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Daartoe heeft de officier van justitie – zoals opgenomen in het overgelegde schriftelijke requisitoir – aangevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer niet alleen betrouwbaar zijn, maar er daarbij ook sprake is van voldoende steunbewijs uit andere bron.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde ontbreekt wettig en overtuigend bewijs voor het seksueel binnendringen van het lichaam. De verklaring van het slachtoffer is in de visie van de verdediging onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. Bovendien ontbreekt steunbewijs. De aangetroffen DNA-sporen zijn daartoe onvoldoende. Het sporenbeeld en het aangetroffen DNA-materiaal zijn volstrekt niet in overeenstemming te brengen met de verklaringen van het slachtoffer over het intensief, langdurig en intiem seksueel contact dat zou hebben plaatsgevonden. In de visie van de verdediging is er slechts sprake van twee relevante mengprofielen, die ook verklaard zouden kunnen worden door secundaire DNA-overdracht in huiselijke kring.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bewijsminimum niet wordt gehaald. Bij gebrek aan enig steunbewijs en gezien de ernstige twijfel over het waarheidsgehalte van de verklaring van het slachtoffer, is een bewezenverklaring voor dit feit niet mogelijk.

De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs nader worden weergegeven dan wel impliciet worden besproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Het juridisch kader

Veel zedenzaken kenmerken zich door de situatie dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de beweerdelijke seksuele handelingen: de persoon die hiervan stelt slachtoffer te zijn geweest en de persoon die het feit zou hebben gepleegd. Dit is ook het geval in deze zaak. Er zijn geen andere personen die uit eigen waarneming kunnen verklaren over de aan de verdachte verweten ontuchtige handelingen.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover, kan de rechter niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van een aangifte bewezen verklaren dat een verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan. Er kan dus niet tot een bewezenverklaring worden gekomen wanneer de door één getuige/aangever verklaarde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Aan het vereiste bewijsminimum is evenmin voldaan indien de verschillende getuigenverklaringen uit een dossier alle terug te voeren zijn naar dezelfde bron.

In een geval als het onderhavige, waarin de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte tegenover elkaar staan – dient de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te beoordelen en daarnaast te bepalen of voor hetgeen het slachtoffer verklaart voldoende steunbewijs uit (een) onafhankelijke bron(nen) in het dossier aanwezig is.

3.3.2

Bewijsmiddelen 1

Verklaring van [naam moeder] , de moeder van [slachtoffer] . 2

[verdachte] en ik zijn al 6 jaar samen waarvan een jaar getrouwd. Mijn kinderen [slachtoffer] en [broer slachtoffer] wonen een deel van de week bij ons en een deel van de week bij hun vader. Op 5 september 2020 hebben we de verjaardagen van [slachtoffer] en [zoon slachtoffer] , de zoon van [verdachte] , gevierd in onze woning in de gemeente Venray. Ik ging rond 22.30 uur naar bed. Op 6 september 2020 rond 3.30 uur werd ik wakker en ik hoorde dat [verdachte] zei: " [slachtoffer] heeft overgegeven van zattigheid". Ik ben naar beneden gelopen omdat [verdachte] zei dat [slachtoffer] beneden op de bank lag. Beneden gekomen zag ik [slachtoffer] echter niet op de bank liggen. Op dat moment kwam [slachtoffer] huilend de kamer in. Volgens mij kwam ze uit de kelder. Op een gegeven moment gaf [slachtoffer] aan dat ’ [verdachte] alles met seks met haar heeft gedaan’.

Verklaring [slachtoffer] 3

Op 5 september 2020 hebben we mijn verjaardag gevierd thuis in Venray. Ik ben gaan drinken toen mama naar bed ging. We hebben met zijn vieren een drankspelletje gedaan Dat waren [verdachte] , [zoon slachtoffer] , [broer slachtoffer] en ik. Tegen middernacht kwam [naam] , de vriendin van [zoon slachtoffer] . Op 6 september 2020 ging ik rond kwart over twaalf naar bed, de rest was nog beneden. In bed moest ik overgeven. Vervolgens hebben [naam] , [verdachte] en [zoon slachtoffer] mij naar beneden gehaald en heb ik op de bank gelegen. Volgens mij ben ik meteen gaan slapen want ik heb niet meegekregen wat de rest ging doen. Van mama hoorde ik dat [naam] en [zoon slachtoffer] rond 2.00 uur zijn weggegaan. Dat had zij gezien op de camera. Het eerste wat ik vervolgens merkte, is dat [verdachte] er was en dingen aan het doen was, aanraken en zo, vervolgens heeft hij mij gevingerd, gebeft en seks met mij gehad. [verdachte] raakte mij aan, aan mijn borsten en vagina. Hij trok mijn onderbroek uit en schoof mijn hemd en trui naar boven. Hij wreef met zijn hand over mijn blote borsten en vagina. Daarna ging hij met zijn vingers in mijn vagina. Dat deed pijn. Ik had de hele tijd mijn ogen dicht, omdat ik deed alsof ik sliep, omdat ik bang was. Ik weet dat het [verdachte] was. Er was geen andere man in huis. Ik voelde zijn buik met haar. [verdachte] begon met kleine stappen. Hij vingerde mij en hij likte met zijn tong aan mijn vagina. Vervolgens heeft hij gewoon seks met mij. Ik voel dat hij zijn piemel in mijn vagina steekt. Hij gaat een aantal keren op en neer. Daarna ging hij weer vingeren en beffen. Er zat geen volgorde in, hij begon steeds opnieuw. Hij heeft ook nog met zijn tong aan mijn borsten gelikt. Hij heeft ook zijn piemel in mijn anus gestopt. Hij ging een aantal keren op en neer, maar niet zo vaak als vaginaal. Hij draaide mij steeds om, zo kon hij bij mijn anus. Hij heeft zich afgetrokken en is klaargekomen op mijn billen.

Proces verbaal relaas forensische onderzoeken zedenmisdrijf.4

Forensisch medisch onderzoek, veiligstellen onderbroek en afname referentiemateriaal,

slachtoffer [slachtoffer]

Op zondag 6 september 2020 omstreeks 15:30 uur werd in de onderzoeksruimte van het

Centrum Seksueel Geweld (CSG) van het MUMC+ ziekenhuis bij het slachtoffer [slachtoffer]

een forensisch medisch onderzoek ingesteld. De bemonsteringen werden middels een

zedenkit veiliggesteld [SIN ZAAD1268NL]. Tevens werd de onderbroek [SIN AANZ1474NL] en referentiemateriaal (wangslijmvlies) van het slachtoffer veiliggesteld [SIN WAAE2966NL].

Forensisch medisch onderzoek, verdachte [verdachte]

Op zondag 6 september 2020 omstreeks 20:00 uur werd in een onderzoeksruimte binnen

het cellencomplex van de politie in Roermond, een forensisch medisch onderzoek

ingesteld bij de verdachte [verdachte] .

Op maandag 7 september 2020 werd van de verdachte [verdachte] wangslijmvlies

afgenomen.

Extern forensisch onderzoek (TMFI)

Op vrijdag 11 september 2020 werden de volgende sporen t.b.v. een DNA-onderzoek

verzonden aan het TMFI:

SIN-nummer spoor omschrijving

ZAAD1306NL zedenkit, verdachte [verdachte]

ZAAD1268NL zedenkit, slachtoffer [slachtoffer]

WAAE2318NL wangslijmvlies, verdachte [verdachte]

WAAE2966NL wangslijmvlies, slachtoffer [slachtoffer]

Deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek 5

Door The Maastricht Forensic Institute, (hierna TMFI) is forensisch DNA-onderzoek verricht. Hierbij zijn de opgestelde DNA-profielen vergeleken met de DNA-profielen van verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] . Uit dit onderzoek zijn een viertal resultaten verkregen:

1. Resultaat van het DNA-onderzoek aan de zedenkit van verdachte [verdachte] .

- Penishuid (ZAAD1306NL#03), Verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] kunnen donor zijn van celmateriaal.

- Scrotum (ZAAD1306NL#04), Verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] kunnen donor zijn van celmateriaal.

2. Resultaat van het DNA-onderzoek aan zedenkit van slachtoffer [slachtoffer] .

- Buitenste schaamlippen Epitheelcelfractie (ZAAD1268NL#01EF), Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] kunnen donor zijn van celmateriaal.

- Om de anus Epitheelcelfractie (ZAAD1268NL#04EF), Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] kunnen donor zijn van celmateriaal.

Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van slachtoffer [slachtoffer] in de bemonstering penishuid ZAAD1306NL#03 is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en

slachtoffer [slachtoffer] .

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en een onbekende, niet verwante persoon.

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van de verdachte [verdachte] in de bemonstering epitheelcelfractie buitenste schaamlippen ZAAD1268NL#01 is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] .

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en een

onbekende, niet verwante persoon.

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is

3.3.2

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Het onder 1 ten laste gelegde

Gelet op voorgaand bewijsmiddelenoverzicht is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn 14-jarige stiefdochter, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Betrouwbaarheid

Anders dat de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] als betrouwbaar zijn aan te merken. Haar eerste verklaring bij het informatief gesprek stemt overeen met haar verklaring een aantal dagen later, waarin zij op vragen van de verbalisanten gedetailleerder vertelt over de handelingen die hebben plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat [slachtoffer] haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Integendeel, zij geeft eerlijk aan het antwoord op bepaalde vragen niet te weten of niet zeker te weten.

Haar verklaring over de seksuele handelingen door de verdachte vindt voorts bevestiging in de uitslagen van het forensisch DNA onderzoek. Er is op 4 plaatsen, te weten op de buitenste schaamlippen, rond de anus, penishuid en scrotum, een DNA mengprofiel aangetroffen met celmateriaal van zowel de verdachte als [slachtoffer] . Daarnaast wordt geconstateerd dat er geen andere mengprofielen zijn aangetroffen op overige plaatsen op de lichamen van de verdachte dan wel [slachtoffer] en dat er bovendien ook geen sporen zijn aangetroffen van de overige huisgenoten. Hieruit volgt dat er geen begin van aannemelijkheid is voor de stelling van de verdediging dat het aangetroffen DNA het gevolg zou kunnen zijn van secundaire ofwel onschuldige DNA overdracht.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Dat is anders voor het onder 2 ten laste gelegde. In het dossier bevinden zich ten aanzien van dit feit geen verklaringen of andere bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen. De verklaringen van de moeder, vader en stiefzus, zoals door de officier van justitie aangehaald kunnen daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet dienen, nu deze enkel zien op de context waarin de verklaring van [slachtoffer] naar voren is gekomen. Evenmin kan de ‘modus operandi’ die veel overeenkomsten zou vertonen met het onder 1 ten laste gelegde dienen als steunbewijs, nu ook deze voornamelijk is gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer] , zodat slechts sprake is van bewijs afkomstig uit één bron, waardoor niet wordt voldaan aan het in het Wetboek van Strafvordering genoemde wettelijk bewijsminimum. De verdachte zal daarom voor het onder feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1

op 6 september 2020 in de gemeente Venray, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en anus van die [slachtoffer] en

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en

- het likken aan de vagina van die [slachtoffer]

terwijl die [slachtoffer] een kind is dat hij, verdachte verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorende tot zijn gezin;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering. De officier van justitie heeft tevens verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 14e van het Wetboek van Wetboek van Strafrecht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 6 september 2020 seks gehad met zijn stiefdochter van nog geen 15 jaren oud. Er is sprake geweest van diverse ontuchtige handelingen en van anale en vaginale penetratie. Het slachtoffer verklaart dat zij bang was en daarom deed alsof ze sliep. Zij heeft door het gedrag van de verdachte een zeer nare ervaring gehad. Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik een grote impact heeft op de slachtoffers daarvan en, zeker bij kinderen, tot psychische en relationele problemen kan leiden op latere leeftijd.

De verdachte heeft op zeer ernstige wijze het vertrouwen dat als echtgenoot en stiefvader in hem gesteld mag worden geschonden. De verdachte diende als stiefvader en verzorger van het slachtoffer juist een beschermende rol te vervullen, haar een veilig thuis te bieden en iemand te zijn op wie het slachtoffer had moeten kunnen vertrouwen op weg naar haar volwassenheid. Die rol heeft de verdachte niet waargemaakt, hetgeen blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring nog steeds een grote impact heeft op het slachtoffer.

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte en zijn stiefdochter een heel goede band hadden. Zij zag hem als haar tweede vader. Het blijft onduidelijk waarom de verdachte is overgegaan tot het misbruiken van zijn stiefdochter. Mogelijk dat zijn aanzienlijke alcoholconsumptie daarin een rol heeft gespeeld.

De rechtbank houdt voorts rekening met de over verdachte opgemaakte reclasserings-rapportage. Hoewel de inschatting van het recidiverisico, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is, acht de reclassering in geval van een veroordeling reclasseringstoezicht en een (nieuwe) intake bij een forensische polikliniek geïndiceerd. Enerzijds om de verdachte te ondersteunen bij het opnieuw opbouwen van zijn leven en om nader onderzoek te doen naar de houding van de verdachte ten opzichte van het delict en het slachtoffer, en op het gebied van middelengebruik in combinatie met de mogelijke risico’s. Anderzijds om in te zetten op controle, gezien de ernst van het feit en de kwetsbaarheid van het minderjarige slachtoffer. In dat kader wordt een contact- en locatieverbod geadviseerd.

Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste strafmodaliteit, te weten een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, passend is en een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal bij het bepalen van de duur van de straf afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij één strafbaar feit minder heeft bewezenverklaard. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer alsmede een locatieverbod voor het gebied in Venray waarbinnen het sociale leven van het slachtoffer zich afspeelt.

Anders dan de officier van justitie heeft verzocht, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, zodat de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden niet kan worden bevolen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst sinds 8 december 2020.

De rechtbank overweegt dat uit de bewezenverklaring volgt dat de rechtbank nog immer ernstige bezwaren en de recidivegrond aanwezig acht voor de voorlopige hechtenis voor het in het vonnis van heden bewezenverklaard feit. De vraag waarvoor de rechtbank zich nu ambtshalve gesteld ziet, is of deze schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven of kan voortduren tot het moment dat het oordeel in deze zaak onherroepelijk wordt. Alles afwegende acht de rechtbank geen termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank zal wel de voorwaarden die door de rechtbank zijn verbonden aan de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis ambtshalve wijzigen in die zin, dat deze overeenkomen met de in dit vonnis aan het voorwaardelijke strafdeel verbonden bijzondere voorwaarden, met betrekking tot het contact- en gebiedsverbod.

De beslissing van de rechtbank, strekkende tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden, is apart geminuteerd.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van in totaal 15.621,68 euro, waarvan 57,68 euro voor gemaakte reiskosten en 384,72 euro proceskosten. Verder wordt een bedrag van 5.564 euro gevorderd als verplaatste schade, zijnde inkomensderving van haar vader [vader slachtoffer] . Daarnaast een bedrag van 10.000 euro voor geleden immateriële schade. Alle genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

[vader slachtoffer] heeft zich, op zitting, voorwaardelijk gesteld als benadeelde partij ter zake van het bedrag van 5.564 euro aan materiële schade, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat hij zelf de door hem gedragen schade moet vorderen, in plaats van deze als verplaatste schade aan te merken.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht de vordering van [slachtoffer] voldoende onderbouwd en redelijk, zodat deze geheel kan worden toegewezen met wettelijke rente en de verzochte proceskosten met oplegging van de schademaatregel.

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vorderingen (gedeeltelijk) toewijzen en overweegt daartoe als volgt:

Materiële schade

De gemaakte reiskosten zijn kosten gemaakt ten behoeve van het vervoer van [slachtoffer] naar CSG, ziekenhuis, therapeut politie en openbaar ministerie, ten bedrage van 212,24 euro. De proceskosten ten bedrage van 230,30 euro zijn gemaakt voor afspraken voor [slachtoffer] bij de advocaat en de diverse zittingen bij de rechtbank. Beide bedragen acht de rechtbank toewijsbaar nu deze rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit.

Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de inkomstenderving van [vader slachtoffer] ten bedrage van 5.564 euro, zowel in de primaire variant van verplaatste schade als ook in de voorwaardelijke variant, waarbij [vader slachtoffer] zich heeft gesteld als benadeelde partij, overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat vader verlet heeft gehad en daardoor inkomstenderving, echter de mate waarin en de hoogte van het bedrag per uur verdient nader onderzoek. Inkomstenderving van een B.V. en van een V.O.F. is als zodanig immers nog geen inkomstenderving van vader in persoon. Een dergelijk nader onderzoek levert een echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze schade slechts bij de burgerlijke rechter kan indienen.

Immateriële schade

De vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade (smartengeld) voor een bedrag van 10.000 euro is door de raadsman niet betwist. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar. De verdachte is civielrechtelijk aansprakelijk op basis van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek en zal de schade moeten vergoeden.

De rechtbank zal het totale schadebedrag thans vaststellen op 10.212,24 euro te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 6 september 2020 tot de dag der algehele voldoening

Daarbij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen, zodat de Staat het innen van de vordering op zich zal nemen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op 230,30 euro.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. De verdachte meldt zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Nederland op het adres Slachthuisstraat 31 te Roermond. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

  2. De verdachte laat zich behandelen door FPP Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

  3. De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit

verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

De verdachte bevindt zich niet in Venray, binnen het [gebied] en het woonadres van vader van het slachtoffer, de heer [vader slachtoffer] , [adres 2] Venray, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.

  • -

    geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van feit 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen 10.212,24 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 6 september 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘inkomstenderving’ ad 5.564 euro niet-ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op 230,30 euro;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van 10.212,24 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 6 september 2020 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 86 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.T.H. Peute, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en

mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 augustus 2021.

Mr. M.J.A.G. van Baal en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 6 september 2020 in de gemeente Venray, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, tong in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het likken aan de vagina van die [slachtoffer]

terwijl die [slachtoffer] een kind is dat hij, verdachte verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

( art 245 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 5 september 2020 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (telkens) betasten van en/of voelen aan en/of wrijven over de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] een kind is dat hij, verdachte verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

( art 247 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst regionale recherche, Afdeling thematische opsporing, Team zeden, proces-verbaalnummer PL2379-2020143322, gesloten d.d. 26 november 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 213

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 9 en 15.

3 Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, pagina 29 tot en met 38.

4 Proces-verbaal relaas forensische onderzoeken zedenmisdrijf, pagina 143 tot en met 145.

5 TMFI, deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek, zaaknummer TMFI: 2020.4131, pagina 211 tot en met 213.