Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6332

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
11-08-2021
Zaaknummer
C/03/283896 / HA ZA 20-528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat; algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/283896 / HA ZA 20-528

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

STICHTING WIJZERS IN ONDERWIJS,

gevestigd te Maasbracht, gemeente Maasgouw,

eiseres,

advocaat mr. H.A.A. Berendsen te Heerlen,

tegen

[naam advocatenkantoor] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna WIO en [naam advocatenkantoor] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 oktober 2020 met 24 producties

  • -

    de conclusie van antwoord met 15 producties

  • -

    de rolbeslissing van 7 januari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis van 21 april 2021

  • -

    de door WIO bij B8 bericht van 16 april 2021 ingebrachte aanvullende producties 25 t/m 27

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 april 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij notariële akte van bestuursoverdracht van 25 april 2018 heeft de Stichting Katholiek Onderwijs Maasdal (hierna: SKOM) het bestuur van vier basisscholen overgedragen aan de Stichting Katholiek Onderwijs Echt-Maasbracht (hierna: SKOEM). Het college van bestuur van SKOEM had al op 10 april 2018 besloten dat na de bestuurlijke fusie met SKOM de ontstane organisatie “Wijzers in onderwijs” (hierna: WIO) zal worden genaamd. Dit besluit is op 11 april 2018 goedgekeurd door de Raad van Toezicht.

2.2.

WIO is bestuurder van elf basisscholen in de regio Midden-Limburg.

2.3.

Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een school een bekostigings-bedrag ten behoeve van personeelskosten (art. 137 Wet op het primair onderwijs). Op dat bedrag wordt - voor zover in deze zaak van belang - in mindering gebracht kosten van werkloosheidsuitkeringen van gewezen personeel. Die vermindering vindt niet plaats indien de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (hierna: het Participatiefonds) op een daartoe strekkende aanvraag (een vergoedingsverzoek) van het bevoegd gezag van een school voorafgaand aan het ontslag instemt met het ten laste van het Participatiefonds brengen van de kosten van de werkloosheidsuitkering (art. 138 Wet op het primair onderwijs). Het Participatiefonds neemt bij haar besluitvorming haar Reglement in acht (Reglement 2017/2018, productie 7, dagvaarding).

2.4.

SKOM was voor werkloosheidskosten verzekerd via het Participatiefonds. Ook WIO is verzekerd via het Participatiefonds.

2.5.

SKOM heeft in verband met een arbeidsgeschil met [werknemer] , een werknemer van SKOM, [naam advocatenkantoor] opdracht gegeven tot het verlenen van juridische bijstand aan SKOM. [naam advocatenkantoor] heeft bij e-mail van 13 september 2016 (productie 1, conclusie van antwoord) de opdracht bevestigd en SKOM bericht: “Namens de heer mr. [naam betrokken advocaat] zend ik u in opgemelde zaak de opdrachtbevestiging voorzien van de algemene voorwaarden van ons kantoor”. In de bijlage bij die e-mail, de brief van 13 september 2016, is op pagina één te lezen dat [naam advocatenkantoor] het (betreffende) dossier met kenmerk “SKOM/ [werknemer] ” in behandeling neemt en dat op de opdracht en vervolgopdrachten de algemene voorwaarden van [naam advocatenkantoor] (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn.

2.6.

[naam advocatenkantoor] heeft een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 BW (productie 5 dagvaarding) opgesteld, welke op 15 maart 2017 door SKOM en [werknemer] is ondertekend. In artikel 15 van de vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen: “Werkgever zal de kosten van scholing, coaching of begeleiding van Werknemer voor haar rekening nemen tot maximaal een bedrag van EUR 6.000,- inclusief BTW na ontvangst van een op naam van Werknemer c.q. Werkgever gestelde factuur van het externe bureau. Deze kosten zullen tot 1 januari 2018 aan Werknemer worden vergoed. Na 1 januari 2018 zal een eventueel restbedrag - na inhoudingen bruto – netto - aan Werknemer worden uitgekeerd.

2.7.

De arbeidsovereenkomst tussen SKOM en [werknemer] is met wederzijds goedvinden op 1 augustus 2017 geëindigd.

2.8.

[werknemer] heeft geen gebruik gemaakt van het door de werkgever geboden outplacementtraject en op 30 januari 2018 SKOM verzocht het afgesproken bedrag over te maken op zijn bankrekening (productie 7, conclusie van antwoord). Het bedrag van € 6.000,- is in mei 2018, na aftrek bruto/netto, aan hem uitbetaald.

2.9.

Het Participatiefonds heeft WIO (voorheen SKOM) bij brief van 27 augustus 2018 (productie 6 dagvaarding) bericht dat WIO op grond van de beëindiging arbeidsovereenkomst [werknemer] tot en met 19 november 2018 een digitaal vergoedingsverzoek bij het Participatiefonds kan indienen. WIO heeft op 14 november 2018 het vergoedingsverzoek ingediend (blijkende uit productie 8, dagvaarding).

2.10.

Het Participatiefonds heeft WIO in de gelegenheid gesteld het vergoedingsverzoek aan te vullen binnen acht weken vanaf 14 november 2018. Op 5 december 2018 heeft WIO nadere informatie aan het Participatiefonds verstrekt.

2.11.

[naam advocatenkantoor] heeft WIO bij e-mail van 29 november 2018 (productie 9, dagvaarding) bericht:

(…) Met betrekking tot het aanbod ondersteuning extern is een bedrag ten behoeve van opleiding ter beschikking gesteld. Dit bedrag is hoger dan het bedrag van EUR 3.000,- waaraan het Participatiefonds in het Reglement refereert bij een dienstverband van tien jaar of korter. Het bedrag is ook uitbetaald en naar ik heb begrepen is dit zonder deugdelijke facturering gedaan zoals in de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. (…)

Van de school c.q. stichting (en overigens ook bij [werknemer] zelf) mag bekendheid met de werkwijze van het Participatiefonds worden verondersteld. De administratie had [werknemer] zoals te doen gebruikelijk de betreffende formulieren kunnen toesturen na beëindiging van het dienstverband. Daarvoor behoefde geen aparte bepaling in de vaststellingsovereenkomst te worden opgenomen.

2.12.

Het Participatiefonds heeft bij besluit van 11 december 2018 (productie 10, dagvaarding) het verzoek om vergoeding van de uitkeringskosten die voorvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [werknemer] afgewezen, omdat de werkgever niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 4:7:1 tot en met 4:7:4 Reglement 2017-2018. Het Participatiefonds heeft onder andere geoordeeld: “Met mijn brief van 14-11-2018, kenmerk [kenmerk] , heb ik u verzocht de modelverklaring “aanbod ondersteuning extern” te overleggen. Daarbij heb ik aangegeven dat wanneer u geen gebruik heeft gemaakt van deze verklaring u dan ter zake overtuigende documenten dient te overleggen waaruit blijkt dat het door u aangeboden outplacementtraject t.w.v. € 6.000,00 voorafgaand aan het ontslag heeft ingekocht. Met uw reactie van 05-12-2018 heeft u een deel van de vaststellingsovereenkomst (pagina 6, kosten scholing, 15.) overgelegd. Uit dit stuk document valt niet op te maken of de activiteit ook daadwerkelijk voorafgaand aan het ontslag is ingekocht. Dit betekent dat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4:7:4-2 van het reglement Participatiefonds.

2.13.

In artikel 4:7:4 Reglement 2017-2018 is bepaald:

Artikel 4:7:4 Ondersteuning werknemer bij verwerven werkkring buiten eigen organisatie

1. Nadat de werkgever heeft geconcludeerd dat de werknemer niet behouden kan blijven voor de eigen organisatie heeft hij de werknemer ondersteuning geboden bij het verwerven van een werkkring buiten de eigen organisatie.

2. De werkgever legt daartoe over de modelverklaring ‘aanbod ondersteuning extern’, die voor beide partijen, voor de einddatum van het dienstverband is ondertekend. Uit de verklaring blijkt welke activiteiten de werkgever heeft ingekocht om de werknemer te begeleiden naar ander werk. De waarde van de ingekochte activiteiten hangt af van de duur van het dienstverband bij de werkgever en vertegenwoordigt een bedrag van:

a. minstens € 3.000,- bij een dienstverband van 10 jaar of korter;

b. minstens € 4.000,- bij een dienstverband langer dan 10 jaar maar korter dan 20 jaar;

c. minstens € 5.000,- bij een dienstverband van 20 jaar of langer.

3. Als de werknemer geen gebruik heeft gemaakt van de in dit artikel genoemde aangeboden ondersteuning bij het verwerven van een werkkring buiten de eigen organisatie, dan verlengt de werkgever het ondersteuningsaanbod tot drie maanden na de eerste WW-dag van de werknemer.

4. (…)

5. Weigert de werknemer de verklaring als bedoeld in lid 2 van dit artikel te ondertekenen dan overlegt de werkgever andere ter zake overtuigende documenten waaruit blijkt dat de werkgever activiteiten heeft ingekocht om de werknemer te begeleiden naar ander werk, zoals een offerte en factuur, waarbij de waarde van de ingekochte activiteiten minstens overeenkomt met de bedragen zoals genoemd in lid 2 van dit artikel.

2.14.

[naam advocatenkantoor] heeft namens WIO tegen het besluit van het Participatiefonds van 11 december 2018 op 21 januari 2019 pro forma bezwaar gemaakt en de gronden van het bezwaarschrift aangevuld op 19 maart 2019.

2.15.

Het Participatiefonds heeft dit bezwaar op 3 juli 2019 ongegrond verklaard, het bestreden besluit in stand gelaten en beslist dat de uitkeringskosten die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [werknemer] per 1 augustus 2017 niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Het Participatiefonds heeft daartoe onder andere overwogen (productie 13 dagvaarding):

Er is namelijk niet met andere documenten aangetoond dat er sprake is van een aanbod ondersteuning extern (…). Daar komt nog bij dat de ingestuurde vaststellingsovereenkomst van 15 maart 2017 op pagina 6 onder punt 15 op een essentieel punt conflicteert met artikel 4:7:4 van het reglement. Het gaat daarbij om de volgende zinsnede.

‘(…) Deze kosten zullen tot 1 januari 2018 aan werknemer worden vergoed. Na 1 januari 2018 zal een eventueel restbedrag - na inhoudingen bruto-netto - aan werknemer worden vergoed.’

Zoals al eerder is vermeld onder het kopje ‘De feiten die hebben geleid tot het bestreden besluit’ kan uit de aangehaalde zinssnede niet worden afgeleid dat de activiteit voor de ontslagdatum van 1 augustus 2017 is ingekocht voor de betrokken werknemer.

Daar komt bij dat de werknemer geen vrij besteedbaar bedrag mag ontvangen. Een bedrag ter vrije besteding kan niet worden aangemerkt als een ondersteuningsaanbod, omdat het niet gericht is op het verwerven van een nieuwe baan.¹

(…)

¹Zie hierover ook de uitspraak (…) onder rechtsoverweging 5.4 (ECLI:NL:RVS:2018:773).

2.16.

WIO heeft tegen de bovenstaande beslissing op 8 augustus 2019 bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: RvS) een pro forma beroepschrift ingediend. Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend. De gronden van het beroep heeft WIO aangevuld op 5 september 2019.

2.17.

De RvS heeft op 27 mei 2020 het beroep van WIO ongegrond verklaard (productie 16 dagvaarding). De RvS heeft in rov. 5.1 onder meer geoordeeld:

Verder is in punt 15 van de vaststellingsovereenkomst van 15 maart 2017 het volgende opgenomen: “Werkgever zal de kosten van scholing, coaching of begeleiding van werknemer voor haar rekening nemen tot maximaal een bedrag van EUR 6.000,- inclusief BTW na ontvangst van een op naam van werknemer c.q. werkgever gestelde factuur van het externe bureau. Deze kosten zullen tot 1 januari 2018 aan werknemer worden vergoed. Na 1 januari 2018 zal een eventueel restbedrag - na inhoudingen bruto – netto - aan werknemer worden uitgekeerd.” Het alleen beschikbaar stellen van een bedrag voor scholing, coaching of begeleiding, het verstrekken van een positief getuigschrift en de toezegging dat een positieve referentie zou worden gegeven, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de stichting in materiële zin heeft voldaan aan de in artikel 4.7.4, eerste lid, neergelegde verplichting om de werknemer ondersteuning te bieden bij het verwerven van een werkkring buiten de eigen organisatie. De stichting had meer inspanningen moeten verrichten. (…) Ook had zij in de vaststellingsovereenkomst meer waarborgen kunnen opnemen om ervoor te zorgen dat [werknemer] daadwerkelijk gebruik zou maken van de mogelijkheid om zelf de scholing, coaching of begeleiding in te kopen. De stichting heeft dit niet gedaan. Gelet op het voorgaande heeft het Participatiefonds de afwijzing van het vergoedingsverzoek terecht gehandhaafd.

2.18.

WIO heeft [naam advocatenkantoor] bij aangetekende brief van 17 juni 2020 (productie 17 dagvaarding) aansprakelijk gesteld (art. 7:401 BW). In die brief is op pagina 4, tweede alinea, te lezen dat het vergoedingsverzoek is afgewezen omdat artikel 15 vaststellingsovereenkomst strijdig is met artikel 4:7:4 Reglement.

3 Het geschil

3.1.

WIO stelt - samengevat - dat [naam advocatenkantoor] te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht van 13 september 2016, alsmede dat WIO daardoor schade heeft geleden. WIO vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [naam advocatenkantoor] veroordeelt om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis € 253.848,74 + P.M. aan schadevergoeding te betalen aan WIO wegens tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht bestaande uit:

a. € 182.460,42, gelijk aan de uitkeringslasten van [werknemer] die die WIO heeft moeten dragen;

b. € 58.316,08, zijnde een bedrag gelijk aan de facturen die WIO heeft betaald aan [naam advocatenkantoor] inzake de kwestie tegen [werknemer] ;

c. € 13.072,24, zijnde een bedrag gelijk aan de facturen die WIO heeft betaald aan [naam advocatenkantoor] inzake de kwestie tegen het Participatiefonds;

d. een bedrag van P.M., zijnde een bedrag gelijk aan de facturen die het Onderwijskantoor in rekening heeft gebracht aan WIO, ter zake de kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid;

althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

2. [naam advocatenkantoor] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.930,65.

3. [naam advocatenkantoor] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de advocaat van WIO, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf de achtste dag dat [naam advocatenkantoor] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft met betaling van de in het vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling, zulks tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[naam advocatenkantoor] betwist - samengevat - dat zij een beroepsfout heeft gemaakt. Voor zover zij al tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en daardoor aansprakelijk zou zijn voor schade, betwist [naam advocatenkantoor] de omvang van de schade en doet zij een beroep op artikel 6:101 BW; de schade dient naar de stelling van [naam advocatenkantoor] geheel dan wel gedeeltelijk voor eigen rekening van WIO te blijven. Tevens doet [naam advocatenkantoor] een beroep op artikel 5 algemene voorwaarden. Ook doordat de aansprakelijkstelling van [naam advocatenkantoor] niet tijdig is gedaan, dienen de vorderingen van WIO - naar de stelling van [naam advocatenkantoor] - te worden afgewezen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Er wordt recht gedaan met inachtneming van de vermeerdering van eis (zie proces-verbaal van 29 april 2021).

Tussen partijen is op 13 september 2016 een overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 BW tot stand gekomen. [naam advocatenkantoor] heeft op grond van die overeenkomst WIO (voorheen SKOM) tot medio 2020 als juridisch adviseur en advocaat bijgestaan.

Op de overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van [naam advocatenkantoor] van toepassing (zie de verklaring van mr. Berendsen in het proces-verbaal mondelinge behandeling van 29 april 2021).

4.2.

[naam advocatenkantoor] diende op grond van de overeenkomst van opdracht van 13 september 2016 haar werkzaamheden te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (artikel 7:401 BW). Ter discussie staat of [naam advocatenkantoor] bij de nakoming van die overeenkomst is opgetreden op een wijze die aan deze maatstaf beantwoordt dan wel dat zij toerekenbaar tekort is gekomen / een beroepsfout heeft gemaakt.

Is sprake van een beroepsfout?

4.3.

Niet ter discussie staat dat [naam advocatenkantoor] in de zaak “SKOM/ [werknemer] ” door de opdrachtgever als advocaat is ingezet vanwege haar bijzondere kennis van het onderwijs- en arbeidsrecht. SKOM respectievelijk WIO is bestuurder van basisscholen en bij de uitvoering van haar taken, ook wat betreft het ontslag van een werknemer, gebonden aan de Wet op het primair onderwijs en het Reglement. Die bijzondere positie van de opdrachtgever en de concrete casus (de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de werknemer [werknemer] ) brengt met zich dat [naam advocatenkantoor] bij de advisering de relevante wet- en regelgeving in acht moet nemen. Voor zover [naam advocatenkantoor] het juridisch kader niet uit hoofde van haar specialisme paraat had, moest zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat actief onderzoek verrichten naar de van toepassing zijnde specifieke wet- en regelgeving, zodat zij de opdrachtgever bij de beëindiging van de arbeidsrelatie met [werknemer] voldoende zou kunnen adviseren. De opdrachtgever wordt als bestuurder van basisscholen geacht bekend te zijn met de Wet op het primair onderwijs en het Reglement, maar ook dan moet de advocaat als juridisch specialist zich ervan vergewissen of voor de opdrachtgever ook de (verstrekkende) gevolgen van bepaalde keuzes voldoende helder en duidelijk zijn. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat dient een en ander bij zijn client te controleren.

4.4.

De vaststellingsovereenkomst is opgesteld door mr. [naam betrokken advocaat] van [naam advocatenkantoor] . Artikel 15 vaststellingsovereenkomst, het artikel dat de outplacement-vergoeding voor [werknemer] ten laste van SKOM (WIO) regelt, is tekstueel anders dan artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 waarin (eveneens) de ondersteuning door de werkgever van de werknemer bij verwerven van een werkkring buiten eigen de organisatie en de (scholings)vergoeding is geregeld. [naam advocatenkantoor] , die de tekst van artikel 4:7:4 niet 1 op 1 in de vaststellingsovereenkomst heeft overgenomen, had WIO (SKOM) moeten wijzen op de afwijkende formulering van artikel 15 vaststellingsovereenkomst en de (eventuele) rechtsgevolgen ervan in verhouding tot artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018. WIO heeft voldoende onderbouwd dat [naam advocatenkantoor] dit niet heeft gedaan. Feit is immers dat [werknemer] op 30 januari 2018 een beroep op de laatste volzin van artikel 15 vaststellings-overeenkomst (welke luidt: “Na 1 januari 2018 zal een eventueel restbedrag - na inhoudingen bruto – netto - aan werknemer worden uitgekeerd”) heeft gedaan en dat WIO conform die bepaling in mei 2018 een vrij besteedbaar bedrag aan [werknemer] heeft betaald, terwijl artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 voor een dergelijke uitkering geen enkele ruimte biedt.

[naam advocatenkantoor] heeft aangevoerd dat mr. [naam betrokken advocaat] de advocaat van [werknemer] al per e-mail van 21 februari 2017 (productie 7, conclusie van antwoord) had bericht dat een eventueel restbedrag van € 6.000,- beschikbaar wordt gesteld voor scholing ca, doch in die e-mail is niet gerefereerd aan artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 en de strekking ervan is ook niet terug te vinden in de formulering van artikel 15 vaststellingsovereenkomst. Die e-mail is dan ook onvoldoende ter onderbouwing van de stelling dat de betaling aan [werknemer] in mei 2018 in afwijking van artikel 15 vaststellingsovereenkomst heeft plaatsgevonden. De nadien door mr. [naam betrokken advocaat] gegeven toelichting in het e-mailbericht van 8 februari 2018 (productie 9 conclusie van antwoord) dat geen uitbetaling van het scholingsbedrag kan plaatsvinden als geen sprake is van scholing, doet daar niet aan af. De vaststellingsovereenkomst is immers het leidende document tussen de contractspartijen en daar waar in artikel 15 vaststellingsovereenkomst, eerste twee volzinnen, de kosten voor scholing e.d. en de vergoeding van die kosten tot 1 januari 2018 is geregeld, is in de laatste volzin van dat artikel 15 nu juist geregeld dat indien het bedrag van € 6.000,- niet dan wel niet volledig is besteed aan scholingskosten, het restbedrag na 1 januari 2018 (vrij besteedbaar) aan de werknemer wordt uitgekeerd. Materieel gezien kan de werknemer aan artikel 15 (laatste volzin) vaststellingsovereenkomst voldoen zonder dat hij een outplacementtraject heeft gevolgd. De in dat geval ter beschikking gestelde gelden kunnen worden uitgekeerd, terwijl zoals hiervoor is overwogen artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 een dergelijke mogelijkheid tot uitbetaling van een vergoeding anders dan een vergoeding voor scholing, coaching of begeleiding, niet bevat. Partijen zijn het er, met inachtneming van hetgeen zij ter mondelinge behandeling hebben aangevoerd, ook over eens dat om aan artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 te kunnen voldoen de bewuste € 6.000,- niet forfaitair had mogen worden uitgekeerd. Door gelden bedoeld voor scholing, coaching en begeleiding van de (ex) werknemer naar ander werk toch forfaitair uit te keren heeft WIO niet conform artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 gehandeld. Zoals onder de rechtsoverwegingen 2.12, 2.15 en 2.17 is overwogen is daardoor het vergoedingsverzoek van de opdrachtgever (tot in laatste instantie) afgewezen. Kosten van de werkloosheidsuitkering van [werknemer] zijn daardoor voor rekening en risico van de opdrachtgever gebleven (art. 138 Wet op het primair onderwijs).

4.5.

Slotsom is dat de formulering van artikel 15 vaststellingsovereenkomst niet de formulering is die mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat, met de beweerdelijke specifieke onderwijsrechtelijke kennis. Uit de laatste volzin van artikel 15 vaststellingsovereenkomst blijkt immers niet dat mr. [naam betrokken advocaat] ten tijde van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst, bij de formulering van artikel 15, op de hoogte was van artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018, terwijl hij dat als beweerdelijk specialist wel had moeten zijn. Daarmee staat de aan de vordering ten grondslag gelegde beroepsfout vast. [naam advocatenkantoor] heeft onvoldoende voldaan aan de verplichting om haar werkzaamheden te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

Eigenschuld-verweer

4.6.

Het verweer van [naam advocatenkantoor] op de mondelinge behandeling dat WIO (SKOM) in de periode na de vaststellingsovereenkomst van 15 maart 2017 tot het einde van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] (1 augustus 2017) viereneenhalve maand de tijd had om scholing in te kopen en (toch) te handelen in overeenstemming met artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018, wordt gekwalificeerd als een eigenschuld-verweer (art. 6:101 BW). Dit verweer komt, indien nodig, hierna aan bod bij de beoordeling van de schade. De rechtbank overweegt daarbij op voorhand dat voor zover al sprake is van eigen schuld aan de zijde van WIO, die eigen schuld in ieder geval niet maakt dat vergoedingsplicht van [naam advocatenkantoor] geheel vervalt, gelet op de door haar gemaakte beroepsfout. Daarvoor is de fout te groot.

Vorderingsrecht WIO

4.7.

[naam advocatenkantoor] is in beginsel aansprakelijk voor de door WIO door de beroepsfout van [naam advocatenkantoor] geleden en te lijden schade. WIO heeft gesteld dat zij door de beroepsfout van [naam advocatenkantoor] schade heeft geleden die in hoofdzaak bestaat uit de uitkeringslasten van [werknemer] die WIO zelf moet dragen.

4.8.

[naam advocatenkantoor] heeft een beroep op artikel 5 van haar algemene voorwaarden gedaan en gesteld dat gelet op het bepaalde in dit artikel 5 het vorderingsrecht van WIO, dat niet tijdig is ingesteld, is vervallen. Artikel 5 algemene voorwaarden luidt - voor zover van belang -: “… Onverminderd het bepaalde in artikel 6:89 BW, vervalt ieder vorderingsrecht in elk geval 12 maanden na het tijdstip waarop het ontstaan van de aansprakelijkheid redelijkerwijs bekend had moeten zijn en (zo dat niet kan worden vastgesteld) in ieder geval 2 jaren na de datum van de laatste factuur. Het in dit artikel bepaalde geldt ook jegens de Opdrachtgever indien een derde (tevens) schadevergoeding vordert in verband met een door [naam advocatenkantoor] aan Opdrachtgever verleende dienst.

4.9.

Zoals in rov. 4.1 is vastgesteld, zijn de algemene voorwaarden van [naam advocatenkantoor] van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst. [naam advocatenkantoor] heeft verder terecht aangevoerd dat WIO al op 11 december 2018 wist dat artikel 15 vaststellingsovereenkomst fout was. Het Participatiefonds had al bij besluit van 11 december 2018 (zie rov. 2.12) geoordeeld dat met artikel 15 vaststellingsovereenkomst niet is voldaan aan artikel 4:7:4-2 Reglement 2017/2018. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend schoolbestuurder had zich op dat moment moeten realiseren dat (de strekking van) artikel 15 vaststellingsovereenkomst (deels) strijdig is met artikel 4:7:4 Reglement 2017/2018 en dat het bedrag van € 6.000,- niet forfaitair had mogen worden uitgekeerd.

Voor een (gegrond) beroep op het vervalbeding geldt derhalve 11 december 2018 als aanvang van de in artikel 5 van de algemene voorwaarden helder en duidelijk verwoorde vervaltermijn. Er geldt een concrete termijn - voor zover van belang - van uiterlijk 12 maanden na het tijdstip waarop het ontstaan van de aansprakelijkheid redelijkerwijs bekend had moeten zijn. WIO heeft [naam advocatenkantoor] eerst op 17 juni 2020 (rov. 2.18) aansprakelijk gesteld wegens wanprestatie en de daardoor ontstane schade. Dit is ruim anderhalf jaar nadat het ontstaan van de aansprakelijkheid van [naam advocatenkantoor] redelijkerwijs bij WIO bekend was, en dus te laat volgens de termijn van 12 maanden in artikel 5 van de algemene voorwaarden.

4.10.

De stelling van WIO dat het beroep van [naam advocatenkantoor] op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wordt verworpen. Partijen zijn professionele contractspartijen en een door de advocaat bij een overeenkomst van opdracht overeengekomen helder geformuleerd vervalbeding, met een concrete verval-termijn zoals hiervoor vermeld is niet ongebruikelijk en zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ook niet onredelijk.

4.11.

Het beroep op het vervalbeding in artikel 5 algemene voorwaarden slaagt derhalve en maakt dat de gevorderde schadevergoeding, alsmede de nevenvorderingen, op grond daarvan moeten worden afgewezen.

4.12.

WIO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam advocatenkantoor] worden begroot op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat € 4.982,00 (2,0 punten × tarief VI ad € 2.491,00)

totaal € 9.113,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt WIO in de proceskosten, aan de zijde van [naam advocatenkantoor] tot op heden begroot op € 9.113,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.1

1 type: CM