Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6329

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
C/03/256769 / HA ZA 18-551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/256769 / HA ZA 18-551

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WULRO FOOD GROUP B.V.,

gevestigd te Weert,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEMA WEERT B.V.,

gevestigd te Weert,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAPRO B.V.,

gevestigd te Weert,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTEROVO B.V.,

gevestigd te Weert,
5. [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5],

wonend te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweersters in reconventie,

advocaat mr. S.H.O. Aben;

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOENEN EN CO AUDIT EN ASSURANCE B.V. (gedagvaard als “ KOENEN EN CO CONTROLE B.V. ”,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen ,
2. de maatschap

MAATSCHAP KOENEN EN CO,

gevestigd te Maastricht ,

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

advocaat mr. P.H. Bossema-de Greef.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 mei 2019;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 oktober 2019;

  • -

    de akte uitlaten contra-enquête van 23 oktober 2019;

  • -

    de bij brief van 25 maart 2020 door Koenen en Co in het geding gebrachte producties 12 t/m 16;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 februari 2021;

  • -

    de conclusie na enquête van Wulro Food Group;

  • -

    de conclusie na enquête van Koenen en Co ;

  • -

    de akte uitlaten van Wulro Food Group.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

In conventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 8 mei 2019 is Wulro Food Group toegelaten te bewijzen dat Koenen en Co tijdens de jaarlijkse besprekingen met Wulro Food Group niet heeft (Rb: lees “hebben”) gesproken over de (onzekerheden in) btw-posities en de daaruit volgende suppletieaangiften.

2.2.

Wulro Food Group heeft daartoe vijf getuigen doen horen. Koenen en Co hebben in contra-enquête één getuige doen horen.

2.3.

Partijgetuige [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat zijn onderneming al sedert 1997 zaken doet met Koenen en Co en dat sedert die tijd steeds Zusterzeel als accountant kwam. Één keer per jaar vond de jaarlijkse balansbespreking plaats. Dat was altijd in de maand maart van het betreffende jaar. Welke feitelijke administratieve handelingen Koenen en Co verrichtte aan de hand waarvan zij de concept-jaarstukken opmaakte weet de getuige niet. [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] verklaart verder zich niet te kunnen herinneren dat er ooit een schriftelijk verslag van een dergelijke jaarlijkse bespreking naar Wulro Food Group is gestuurd noch of van die bespreking schriftelijke verslagen werden opgemaakt. De hem door de rechter getoonde twee gespreksverslagen, één van 13 maart 2013 en het andere van 27 februari 2014 (overlegd als productie 3 bij antwoord in conventie), kent de getuige niet. Hij ziet dat op het tweede verslag een viertal namen staat. Het kan volgens hem heel goed kloppen dat de bijeenkomst waarbij de concept-jaarstukken zijn besproken in 2014 heeft plaatsgevonden met de genoemde personen. Zusterzeel was in elk geval bij alle besprekingen aanwezig. De getuige verklaart verder geen herinnering te hebben aan de precieze data van de besprekingen, dus hij kan niet zeggen of de data in de gespreksverslagen correct zijn. Tijdens de besprekingen zijn de btw-posities en de daarmee verband houdende suppletieaangiften nooit aan de orde geweest.

2.4.

Getuige [getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Hij is sinds 2016 [functie 1] bij Wulro Food Group. Hij heeft twee besprekingen bijgewoond waarbij de jaarstukken met Koenen en Co werden besproken. De eerste in 2018, die, naar hij meent in mei/juni was. Toen zijn de btw-posities en suppletieaangiften aan de orde geweest. Hij heeft toen namelijk al onderzoek gedaan naar die twee zaken en hij wilde dat onderzoek toelichten, alsmede de stand van die btw-posities en de suppletieaangiftes. De getuige verklaart geen verslagen te kennen van vóór zijn tijd bij Wulro Food Group. Bij zijn onderzoek heeft hij suppletieaangiftes aangetroffen; naar hij meent over de jaren 2012 en 2014. Als hij het zich goed herinnert betreft het over elk jaar een aangifte van Food en een aangifte van International. De aangiftes zijn gemaakt door [getuige 2] . [getuige 1] verklaart verder een e-mailbericht te hebben gevonden van een medewerker van Koenen en Co , te weten [getuige 3] . In die e-mail schreef [getuige 3] [getuige 2] dat die aangiftes moesten worden opgemaakt. Verder verklaart [getuige 1] nog een suppletieaangifte te hebben aangetroffen over, naar hij meent, 2013, die door Koenen en Co was opgemaakt en betrekking had op de rechtspersoon Lema Weert. Die aangifte was volgens hem door Koenen en Co opgemaakt, omdat hij een begeleidend schrijven heeft aangetroffen dat door Koenen en Co was opgemaakt.

2.5.

Getuige [getuige 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Hij heeft, naar hij meent in 2013, in opdracht van [getuige 3] van Koenen en Co twee suppletieaangiftes gemaakt ter zake btw betreffende Wulro Food Group over de jaren 2011 en 2012. Een jaar later heeft hij nog in opdracht van [getuige 3] een correctieaangifte gedaan. De getuige was niet aanwezig bij de jaarlijkse besprekingen met Koenen en Co . [getuige 2] verrichtte wel de voorbereidende werkzaamheden. Die hielden in dat Koenen en Co omstreeks het einde van het jaar met een man langs kwam voor de interne controle. Alle informatie werd meegenomen. In het begin van het jaar daarop, zo omstreeks maart, kwam Koenen en Co weer en dan soms met een man of drie en dan werd de jaarrekening samengesteld. Bij de besprekingen was [getuige 2] niet aanwezig.

2.6.

Getuige Zusterzeel heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Hij heeft bij Koenen en Co Wulro Food Group als klant bediend in de hoedanigheid van accountant tot 2016. Één keer per jaar werd de jaarstukken besproken die waren opgemaakt aan de hand van voorbereidende werkzaamheden. Volgens de getuige maakte de assistent van elke bespreking een verslag op. Dat verslag werd in elk geval in het bij Koenen liggende dossier gestopt en voor zover de getuige weet ook per e-mail naar Wulro Food Group gestuurd. Zusterzeel stuurde dat verslag niet zelf, dus hij kan niet feitelijk zeggen dat Wulro Food Group de verslagen heeft ontvangen. De verslagen die de assistent maakte werden eerst aan Zusterzeel voorgelegd en hij keurde deze goed. Van de door de rechter aan Zusterzeel getoonde verslagen, die door Koenen en Co bij conclusie van antwoord als productie 3 zijn overgelegd kan de getuige niet zeggen dat ze feitelijk zijn verstuurd naar Wulro Food Group. Hij ziet in elk verslag een passage staan over de omzetbelasting. Zoals het daar staat is het volgens Zusterzeel ook besproken. [getuige 2] van Wulro Food Group moest de cijfers opstellen wat btw en zo betrof. Koenen en Co deed de controle. Koenen en Co heeft volgens de getuige verschillende malen met het bestuur van Wulro Food Group gesproken dat de btw en omzet op elkaar moesten aansluiten. Daar had Wulro Food Group volgens Zusterzeel problemen mee en daar heeft Koenen en Co volgens hem ook op gewezen, zoals blijkt uit de twee schriftelijke verslagen. Koenen en Co heeft verschillende malen met het bestuur van Wulro Food Group erover gesproken dat de btw-cijfers moesten aansluiten op de omzetcijfers. Dat was volgens Zusterzeel de taak van [getuige 2] , die daar door Koenen en Co ook op is gewezen. [getuige 3] heeft [getuige 2] daar volgens de getuige ook op gewezen. Productie 50 bij de conclusie van antwoord in reconventie is volgens Zusterzeel de agenda voor de jaarlijkse besprekingen. Gelet op de datum van 11 maart in dat bericht zouden de jaarstukken op 14 maart 2014 worden besproken. De getuige heeft geen feitelijke herinnering of de bespreking toen ook op 14 maart 2014 is gehouden, of dat later een andere datum is vastgesteld.

2.7.

De laatste door Wulro Food Group gehoorde getuige, [getuige 4] , heeft – zakelijk weergeven – het volgende verklaard. Naar zijn weten is hij vanaf 2009 aanwezig geweest bij de jaarlijkse besprekingen van de jaarstukken. Hij heeft een en ander nagekeken en was mogelijk niet aanwezig in de jaren 2015 en 2016. De bespreking van de jaarstukken 2012 was volgens zijn agenda op 22 augustus 2013. Toen waren volgens hem aanwezig [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [achternaam] , Zusterzeel , mevrouw [naam 2] en de fiscalisten [fiscalist 1] en [fiscalist 2] uit Weert en hijzelf. De getuige verklaart dat Zusterzeel af en toe een assistent meenam bij de besprekingen van de jaarstukken, maar dat hij vrij zeker is dat op 22 augustus 2013 Zusterzeel geen assistent bij zich had. In 2014 was de getuige ook aanwezig bij de jaarlijkse bespreking. Toen waren volgens [getuige 4] in elk geval aanwezig [voorletter 1] . en [voorletter 2] . [achternaam] , Zusterzeel en, naar hij meent, een assistent van deze en hijzelf. De jaarstukken van 2013 zijn volgens de getuige besproken tijdens die jaarlijkse besprekingen. Hij heeft de stellige overtuiging dat bij de besprekingen nooit een btw-positie is besproken. Er zijn van de besprekingen volgens hem geen notulen gemaakt. Wat gebeurde was dat op de conceptjaarrekeningen de betreffende opmerkingen werden gemaakt en geplaatst. Dat gebeurde door iemand van Koenen en Co .

2.8.

De enige in contra-enquête door Koenen en Co gehoorde getuige, [getuige 3] , heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Hij was van 2008 tot en met 2015 in dienst bij Koenen en Co . Hij was daar [functie 2] en in die functie hielp hij onder andere Zusterzeel . Hij hielp Zusterzeel ook bij de jaarverslagen van Koenen en Co . Zij deden daar de jaarlijkse controle van de jaarrekening. Die controle bestond uit het inzien van de administratie van Wulro Food Group, waarbij zij ook desgevraagd administratieve gegevens kregen. Vervolgens stelden zij de concept jaarrekening op en werd die besproken. [getuige 3] is twee keer bij dergelijke besprekingen aanwezig geweest en hij heeft van die besprekingen ook telkens een verslag gemaakt. Omdat hij als voorbereiding op het getuigenverhoor de verslagen van Koenen en Co heeft ontvangen weet de getuige op welke dagen die verslagen zijn gedateerd: het eerste verslag is van 13 maart 2012 en het tweede is van 27 februari 2014. [getuige 3] weet vrij zeker dat bij de eerste bijeenkomst in elk geval aanwezig waren tweemaal [achternaam] , Zusterzeel en hijzelf. Hij heeft geen herinnering aan de aanwezigheid van anderen. De getuige kan niet zeggen of [getuige 4] in 2013 aanwezig is geweest. In 2014 is [getuige 4] volgens [getuige 3] niet aanwezig geweest, want hij heeft in het verslag opgenomen wie toen allemaal aanwezig waren. Hij weet niet beter dan dat hij alle aanwezigen heeft vermeld. Hij maakte de verslagen digitaal op en daarna voegde hij de digitale versie in het betreffende dossier bij Koenen en Co . Er was dus geen fysieke ondertekening, maar uit de inhoudsopgave van dat dossier valt te halen wie een bepaalde digitaal stuk aan het dossier toevoegde en op welke datum dat gebeurde. De verslagen die aan hem zijn overhandigd zijn volgens hem de verslagen zoals hij die heeft opgesteld. Hij herinnert zich de verslagen te hebben opgemaakt en dat hem niets in die verslagen vreemd overkomt, in die zin dat dat er dingen uit zijn gelaten of toegevoegd. Volgens de getuige zijn het inderdaad de verslagen die hij heeft opgemaakt. In het verslag van maart 2013 is een passage vermeld over omzetbelasting.

De wijze waarop Wulro Food Group in haar eigen administratie omging met de omzetbelasting was volgens de getuige nogal rommelig: het was niet altijd duidelijk welke omzetbelasting bij welke post hoorde. Om dat allemaal in orde te krijgen was een karwei. De problematiek van de btw kwam aan de orde als de jaarstukken werden besproken, omdat de btw nu eenmaal een positie was in de jaarrekening. De betreffende btw-positie moest door de eigen administratie van Wulro Food Group in orde worden gebracht. Koenen en Co signaleerde wat betreft die positie eventuele onduidelijkheden en gaf die aan. Koenen en Co gaf ook wel eens advies hoe Wulro Food Group die moest oplossen, maar de uitvoering was aan Wulro Food Group. Koenen en Co maakte geen journaalposten op. Koenen en Co adviseerde wel eens dat er correctiejournaalposten opgemaakt zouden moeten worden en deed daartoe ook wel eens tekstvoorstellen die door Wulro Food Group verwerkt werden in de administratie. De taak van Koenen en Co was het signaleren van en constateren, maar dit soort administratieve dingen oplossen behoorde niet tot de taak van Koenen en Co .

In het tweede verslag staat ook iets over omzetbelasting. Dat was een herhaling van de al in 2013 gesignaleerde problematiek. Uit die opmerking in het tweede verslag blijkt dat Wulro Food Group het in 2013 gegeven commentaar over de omzetbelasting niet goed had opgepakt, want Koenen en Co struikelde er weer over. De verklaring van getuige [getuige 2] , dat hij in 2013 in opdracht van [getuige 3] van Koenen en Co twee suppletieaangiftes heeft gemaakt ter zake btw, die Wulro Food Group betroffen en betrekking hadden op de jaren 2011 en 2012 en dat [getuige 2] een jaar later in opdracht van [getuige 3] nog een correctieaangifte heeft gemaakt op de suppletieaangiftes, klopt volgens [getuige 3] in die zin niet dat Koenen en Co geen opdracht gaf. Koenen en Co signaleerde en adviseerde slechts.

2.9.

Na beoordeling van de afgelegde getuigenverklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat Wulro Food Group niet is geslaagd in het bewijs waartoe zij is toegelaten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

2.10.

Getuige [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] heeft als partijgetuige verklaard dat tijdens de jaarlijkse balansbesprekingen nooit btw-posities en ook niet de daaruit volgende suppletieaangiften aan de orde zijn geweest.

2.11.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij niet aanwezig is geweest tijdens de jaarlijkse balansbesprekingen met Koenen en Co . De verklaring van getuige [getuige 2] dat hij, naar hij meent in 2013, in opdracht van [getuige 3] van Koenen en Co twee suppletieaangiftes heeft gemaakt ter zake btw die Wulro over de jaren 2011 en 2012 betroffen, en dat hij een jaar later in opdracht van [getuige 3] nog een correctieaangifte heeft gemaakt op die suppletieaangiftes, wordt door getuige [getuige 3] weersproken. De rechtbank kan niet vaststellen wie wat dit betreft het juiste verhaal heeft verteld. Er bestaat dus geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van getuige van [getuige 3] . Aldus kan niet tot het oordeel worden gekomen dat het de taak van Koenen en Co was om te zorgen voor de btw-posities en suppletieaangiftes.

2.12.

De verklaring van partijgetuige [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] wordt wel ondersteund door de verklaring van de als getuige gehoorde advocaat, [getuige 4] . Die heeft verklaard dat hij vanaf 2009, met uitzondering van mogelijk 2015 en 2016, aanwezig is geweest bij de jaarlijkse bespreking van de jaarstukken en dat de btw-posities en suppletieaangiften tijdens die besprekingen nooit aan de orde zijn geweest.

2.13.

Tegenover de verklaringen van partijgetuige [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] en [getuige 4] staat dat de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de omzetbelasting bij Wulro een uitdagende positie was die aandacht behoefde en dat deze problematiek aan de orde kwam als de jaarstukken werden besproken, omdat de btw nu eenmaal een positie was in de jaarrekening. Uit de verklaring van [getuige 3] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de positie door de eigen administratie van Wulro in orde moest worden gemaakt en Koenen en Co slechts een signalerende functie hadden. Koenen en Co gaven advies hoe Wulro het moest oplossen, maar de uitvoering was aan Wulro. Koenen en Co maakten geen journaalposten, maar adviseerden wel eens dat correctie journaalposten opgemaakt zouden moeten worden en deden daartoe tekstvoorstellen. Taak van Koenen en Co was het signaleren en constateren, maar het oplossen van dit soort administratieve dingen behoorde niet tot de taak van Koenen en Co .

2.14.

De verklaring van [getuige 3] vindt verder ondersteuning in de verklaring van getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat tijdens twee besprekingen die hij heeft bijgewoond en waarbij jaarstukken met Koenen en Co werden besproken btw-posities en suppletieaangiftes aan de orde zijn geweest.

2.15.

De verklaring van partijgetuige [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] wordt ook weersproken door de getuige Zusterzeel . Hij verklaart immers dat van de jaarlijkse besprekingen van de jaarstukken een verslag wordt opgemaakt door zijn assistent en dat dat verslag vervolgens door hem wordt beoordeeld. Uit de in het geding gebrachte verslagen, die als productie 3 bij het antwoord in conventie in het geding zijn gebracht, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de suppleties omzetbelasting door Wulro zelf zou worden ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van getuigen [getuige 3] en Zusterzeel . De verslagen zijn dus een getrouwe weergave van hetgeen tijdens de besprekingen is besproken.

2.16.

Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat Wulro Food Group niet is geslaagd in het leveren van bewijs waartoe zij was toegelaten, zodat de vordering in conventie moet worden afgewezen en Wulro Food Group als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten moet worden veroordeeld.

2.17.

Wulro Food Group zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Koenen en Co worden begroot op:

- griffierecht € 626,00;

- salaris advocaat € 2.884,00 (4,0 punten × tarief € 721,00);

Totaal € 3.510,00.

In reconventie

2.18.

Uit het in conventie geoordeelde volgt dat Koenen en Co niet toerekenbaar tekort zijn geschoten noch dat Koenen en Co onrechtmatig hebben gehandeld. Gelet op hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 4.7. heeft overwogen, volgt derhalve dat gedaagden geen recht toekomt op opschorting van betaling van de facturen waarvan in reconventie betaling wordt gevorderd. Nu gedaagden verder geen grond hebben aangevoerd op grond waarvan zij niet zou zijn gehouden tot betaling (thans) van die facturen, ligt de vordering in reconventie voor toewijzing gereed. Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank op dat de reconventionele vordering niet is gericht tegen [eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 5] in persoon.

2.19.

Wulro Food Group, Lema Weert, Mapro en Interovo zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Koenen en Co . worden begroot op:

- salaris advocaat € 721,00 (1,0 punt × tarief € 721,00);

Totaal € 721,00.

3 De beslissing

De rechtbank:

In conventie

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt Wulro Food Group c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Koenen en Co tot op heden begroot op € 3.510,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

In reconventie

3.3.

veroordeelt Wulro Food Group om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Koenen en Co Audit en Assurance te betalen € 6.048,37 inclusief btw, te vermeerderen met € 1.023,12 aan wettelijke handelsrente;

3.4.

veroordeelt Lema Weert, Mapro en Interovo hoofdelijk, des de een betalende de

anderen zullen zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maatschap Coenen en Co te betalen € 14.032,56 inclusief btw, te vermeerderen met € 2.258,04 aan wettelijke handelsrente;

3.5.

veroordeelt Wulro Food Group, Lema Weert, Mapro en Interovo hoofdelijk, des de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Koenen en Co te betalen € 2.282,00;

3.6.

veroordeelt Wulro Food Group, Lema Weert, Mapro en Interovo in de proceskosten, aan de zijde van Koenen en Co tot op heden begroot op € 721,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

In conventie en in reconventie

3.7.

veroordeelt Wulro Food Group c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Wulro Food Group c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

3.8.

verklaart de in dit vonnis uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT