Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5626

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
C/03/291908 / JE RK 21-949
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin van de pleegouders toe voor een kortere duur dan verzocht, te weten vijf maanden, onder aanhouding van de resterende termijn. De GI heeft het afgelopen jaar onderzoek laten doen naar de kindeigen problematiek en daarmee samenhangende opvoedings- en ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige. Hoewel het positief is dat daarover duidelijkheid is ontstaan, maakt dat niet dat het perspectief van de minderjarige daarmee zonder meer duidelijk is geworden. De GI heeft desgevraagd namelijk niet kunnen uitleggen wat zij in navolging van de opdracht van de kinderrechter heeft ondernomen om de pedagogische mogelijkheden van de ouders in relatie tot de specifieke behoeften van de minderjarige te onderzoeken. De kinderrechter verwacht dat de GI na de termijn van vijf maanden in concrete bewoordingen kan uitleggen wat zij heeft ondernomen om te onderzoeken of de ouders in staat zijn invulling te geven aan hun opvoedingstaken en wat dit concreet betekent voor het perspectief van de minderjarige, nu dit het afgelopen jaar onderbelicht is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Maastricht

Zaaknummer: C/03/291908 / JE RK 21-949

Datum uitspraak: 30 juni 2021

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Amsterdam,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz, kantoorhoudend in Landgraaf,

[de vader] , hierna te noemen: de vader,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.M.E. van den Heuvel, kantoorhoudend in Landgraaf,

[de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder,

en

[de pleegvader] , hierna te noemen: de pleegvader,

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,

beiden wonend in [woonplaats] .

1 Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 april 2021, binnengekomen bij de griffie op 11 mei 2021;

  • -

    het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige] van Jeugdtrauma Herstel Limburg van 9 april 2021, overlegd door de GI en binnengekomen bij de griffie op 16 juni 2021.

Ter mondelinge behandeling van 16 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld, waar zijn gehoord:

  • -

    de minderjarige [minderjarige] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de pleegouders;

  • -

    een vertegenwoordigster van de GI.

Mr. van den Heuvel heeft ter mondelinge behandeling van 16 juni 2021 een pleitnota overgelegd en voorgedragen, welke pleitnota is toegevoegd aan het procesdossier.

2 De feiten

Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders, zijnde oom en tante vaderszijde.

Bij beschikking van 2 juli 2020 is [minderjarige] met ingang van 2 juli 2020 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, aldus tot 2 juli 2021. Voorts is bij voornoemde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in het netwerkpleeggezin van de pleegouders, met ingang van 2 juli 2020 voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 2 juli 2021.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 juli 2021 te verlengen voor de duur van een jaar, aldus tot 2 juli 2022. Voorts heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de pleegouders te verlengen, met ingang van 2 juli 2021 voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot

2 juli 2021. Tevens wordt verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing heeft de GI gesteld dat [minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] kent een belaste voorgeschiedenis. Gedurende de periode dat zij nog bij de ouders opgroeide, werd zij in haar opvoedingssituatie regelmatig geconfronteerd met drugsgebruik en hevige conflicten tussen de ouders. Als gevolg van de zorgen die bestonden over de instabiliteit in de opvoedingsomgeving van [minderjarige] , haar fysieke verzorging en haar sociaal-emotioneel welbevinden, is zij omstreeks oktober 2016 op vrijwillige basis bij de grootouders vaderzijde gaan wonen. Sinds februari 2017 verblijft zij in het huidige pleeggezin. Dit betrof eerst een vrijwillige pleegzorgplaatsing via Xonar en betreft sinds

juli 2020 een plaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling.

Jeugdtrauma Herstel Limburg heeft de afgelopen maanden diagnostiek verricht bij [minderjarige] . Daaruit is gebleken dat [minderjarige] met een totaal IQ van 65 functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Zij heeft hierdoor moeite situaties en de gevolgen van haar gedrag te overzien. Zij vindt het daarnaast moeilijk om sociale contacten aan te gaan en te onderhouden en voelt zich vaak gespannen, faalangstig en somber. Als gevolg daarvan heeft [minderjarige] meer dan gemiddelde leeftijdsgenoten behoefte aan rust, voorspelbaarheid en structuur. De ouders kampen echter beiden tot op heden met psychische problematiek en zijn hierdoor onmachtig hun verantwoordelijkheid als opvoeder te nemen en invulling te geven aan het ouderlijk gezag. De ouders tonen onvoldoende inzicht in de specifieke behoeften van [minderjarige] en zijn niet in staat in haar belang te handelen. De moeder weigert door middel van psychologisch onderzoek inzicht te bieden in haar problematiek, zodat onvoldoende duidelijk is geworden op welke wijze deze problematiek haar belemmert in de zorg voor [minderjarige] en op welke wijze zij daarin zou kunnen worden ondersteund. Daarnaast is gebleken dat het de moeder niet lukt de praktische zaken rondom [minderjarige] te regelen. Ook de vader blijft last houden van psychische klachten en is daardoor niet stabiel genoeg om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor zijn rekening te nemen. Beide ouders hebben de hulpverlening die betrokken was in verband met hun persoonlijke problematiek daarnaast vroegtijdig beëindigd. [minderjarige] ziet zowel de moeder als de vader momenteel één weekend per drie weken. Beide ouders accepteren niet dat [minderjarige] bij de pleegouders woont en blijven hierdoor bewust dan wel onbewust aan haar trekken. Als gevolg daarvan kampt [minderjarige] met een loyaliteitsconflict en zit zij sterk klem tussen de belangrijke volwassenen in haar leven. Zij wordt zodanig belast met volwassenenproblematiek dat zij zich onvoldoende kan richten op haar eigen ontwikkelingstaken. [minderjarige] maakt zich bovendien grote zorgen om de volwassenen om haar heen en is sterk geneigd zich aan te passen aan hun belangen en behoeften, hetgeen een bedreiging vormt voor haar verdere identiteitsvorming. De klempositie van [minderjarige] is zodanig ernstig dat zij niet langer in het pleeggezin wenst te wonen en zich tegen de pleegouders afzet, waardoor deze belangrijke relatie onder druk komt te staan.

[minderjarige] verblijft inmiddels ruim vier jaar in haar huidige pleeggezin. De pleegouders zijn in staat [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden en aan te sluiten bij haar ontwikkelingsbehoeften. Jeugdtrauma Herstel Limburg heeft het advies gegeven om duidelijkheid te creëren over het perspectief van [minderjarige] . De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is gelegen en is voornemens een verzoek in te dienen bij de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn in de tussenliggende periode nog noodzakelijk om regie te kunnen nemen in het complexe systeem en het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders te waarborgen.

3.2.

De moeder stemt in met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij voert verweer tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en concludeert tot afwijzing daarvan.

Ter onderbouwing stelt de moeder – samengevat – het volgende. Het uitgangspunt van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is dat binnen deze kaders dient te worden toegewerkt naar de thuisplaatsing van de minderjarige bij (een van) de ouders. De GI heeft het afgelopen jaar echter nauwelijks stappen ondernomen om te kunnen onderzoeken of het perspectief van [minderjarige] wellicht bij één van de ouders is gelegen. De moeder heeft in het verleden eenmalig te kennen gegeven psychische problematiek te hebben en daar wordt nu door de GI telkens naar teruggegrepen. De moeder voelt zich echter stabiel en ervaart momenteel geen psychische problemen. Zij heeft haar eigen woning en kan in haar eigen onderhoud voorzien. Nergens blijkt concreet uit dat de moeder niet beschikt over de noodzakelijke opvoedingscapaciteiten om de opvoeding van [minderjarige] te dragen. De moeder betwist tevens dat zij aan [minderjarige] trekt of haar anderszins onder druk zet om weer bij haar te komen wonen. Het klopt dat [minderjarige] zich momenteel in een spagaat bevindt tussen de ouders en de pleegouders, maar het is niet aan de moeder te wijten dat [minderjarige] zich negatief uit over de pleegouders. [minderjarige] is inmiddels veertien jaar en heeft daarmee een eigen beleving bij de huidige situatie. De GI stelt dat de moeder de noodzakelijke hulpverlening niet accepteert, maar er wordt geheel niet door de GI geconcretiseerd van de moeder wordt verwacht en welke hulpverlening dan nodig zou zijn om de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk te maken.

3.3.

De vader voert geen verweer tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij voert wel verweer tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoekt primair dit verzoek af te wijzen en subsidiair de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen voor een termijn van zes maanden, binnen welke termijn dient te worden toegewerkt naar de thuisplaatsing van [minderjarige] bij hem.

Ter onderbouwing stelt de vader – samengevat – het volgende. Bij beschikking van

2 juli 2020 is nadrukkelijk door de kinderrechter overwogen dat de mogelijkheid voor een thuisplaatsing bij de vader en/of de moeder het komende jaar door de GI diende te worden onderzocht. Ondanks deze uitdrukkelijke opdracht van de kinderrechter heeft de GI het afgelopen jaar geheel niets gedaan om zicht te krijgen op de situatie bij de vader en zijn mogelijkheden de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Tijdens de weekenden dat [minderjarige] bij de vader was, is door de GI geen begeleiding ingezet. Ook is de GI nooit op bezoek geweest tijdens de omgangsmomenten om te kunnen onderzoeken hoe deze verlopen en of wellicht ondersteuning nodig is waarmee kan worden gezorgd dat [minderjarige] weer bij de vader kan wonen. Wel wordt door de GI opgemerkt dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader fijn verlopen en sprake is van een ontspannen contact. In het door de GI overlegde verzoekschrift wordt niettemin gesteld dat beide ouders hun best hebben gedaan, maar vanwege onmacht [minderjarige] geen stabiele opvoeding en veilige en evenwichtige thuissituatie kunnen bieden. Het is de vader een compleet raadsel hoe de GI zonder gedegen onderzoek tot deze harde conclusie heeft kunnen komen. De door de GI overlegde stukken bevatten voor een deel verouderde en reeds beoordeelde informatie. Er staat bovendien vrijwel niets vermeld over de problemen aan de zijde van de vader dan wel zaken die hij niet op orde heeft of waaraan hij niet meewerkt. De GI voert aan dat de vader veel persoonlijke problematiek heeft, evenals problemen met het reguleren van zijn emoties. Dit wordt door de GI echter niet onderbouwd met enig voorbeeld of concreet feit. De problemen die de vader heeft gehad, waren een gevolg van het verbreken van een relatie, het verlies van zijn baan en het verlies van een dierbare. De vader is momenteel stabiel. Hij heeft een eigen woning en heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering die hem in staat stelt beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Hij heeft rust in zijn leven. Behoudens het verdriet dat hij ervaart om de huidige situatie rondom zijn dochter voelt hij zich goed. Hij beschikt ook over een steunend netwerk waar [minderjarige] goed contact mee heeft en graag verblijft. Ondanks dat de vader dit heel moeilijk vindt, werkt hij mee aan de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders. Nergens blijkt uit dat hij haar belast met zijn ideeën en wensen hierover. Dat de vader tijdens de rondetafeloverleggen in het bijzijn van de hulpverleningsinstanties kenbaar maakt dat hij wil dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen, maakt dit niet anders. Dat is als vader immers zijn goed recht. Het verweten gebrek aan pedagogische vaardigheden strookt ook niet met de werkelijkheid, te meer nu blijkt dat de vader door de GI wordt ingeschakeld om [minderjarige] te laten kalmeren als zij vanuit de moeder weigert terug te keren naar de pleegouders. De vader is wel degelijk in staat [minderjarige] de rust, regelmaat en duidelijke dagstructuur te bieden die zij nodig heeft. Mocht de GI van mening zijn dat de vader op dat gebied verdere ondersteuning behoeft, is hij uiteraard bereid deze hulpverlening te accepteren. De vader heeft ten slotte enkele zorgen over het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin. Zo is zij sinds het jaar dat zij bij de pleegouders woont meer dan twintig kilo aangekomen. [minderjarige] heeft tevens nog geen eigen slaapkamer bij de pleegouders. Zij heeft daarnaast laten weten last te hebben van de drukte in het pleeggezin. Bij de vader is zij alleen samen met de vader in een rustige omgeving, waar zij beter zal gedijen.

3.4.

De pleegouders merken dat [minderjarige] het moeilijk vindt dat er nog geen duidelijkheid bestaat over haar perspectief. Het is niet aan de pleegouders om dat perspectief te bepalen, maar aan de professionele instanties. Mochten zij van mening zijn dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt, is [minderjarige] welkom. Het is dan wel belangrijk dat [minderjarige] zelf ook bij de pleegouders wil wonen. [minderjarige] onttrekt zich momenteel aan het gezin van de pleegouders en het gezin lijdt daaronder. Dat is niet wenselijk en ook niet in het belang van [minderjarige] . De pleegouders zijn op de hoogte van de wens van [minderjarige] om een eigen kamer te hebben. Zij hebben echter met [minderjarige] besproken dat zij pas een muur in de kamer plaatsen zodra zij zekerheid hebben dat [minderjarige] ook daadwerkelijk bij hen blijft wonen, aangezien een dergelijke verbouwing een flinke investering betreft. Met betrekking tot het gewicht van [minderjarige] laten de pleegouders weten dat zij gezond eten en [minderjarige] regelmatig vragen of zij mee gaat wandelen. [minderjarige] weigert dit echter consequent.

3.5.

De minderjarige [minderjarige] is ter zitting gehoord, buiten de aanwezigheid van de overige aanwezigen. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven aan de belanghebbenden, waarna zij de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. [minderjarige] vertelt dat zij momenteel bij de pleegouders woont en zowel de vader als de moeder één weekend per drie weken ziet. Zij vond de afgelopen vier jaren behoorlijk zwaar. Het verblijf bij de pleegouders is moeilijk voor [minderjarige] . Dat komt mede door haar eigen gedrag, aangezien zij behoorlijk aan het puberen is en soms een grote mond kan hebben tegen de pleegouders. [minderjarige] vindt het verder lastig dat zij een kamer moet delen met haar nichtje, aangezien zij behoefte heeft aan een eigen plek. Hoewel het de bedoeling was dat een muur zou worden gebouwd in de slaapkamer van [minderjarige] en haar nichtje, is dat nog niet gebeurd. [minderjarige] herkent dat de volwassenen om haar heen aan haar trekken. Zij maakt zich ook veel zorgen om deze volwassenen. Dat is al het geval sinds zij erg jong is en zij weet daarom niet beter. [minderjarige] gaat naar het Praktijkonderwijs Parkstad Limburg. Zij vindt het fijn om naar school te gaan, aangezien zij daar puur bezig kan zijn met school en zich niet druk hoeft te maken om haar thuissituatie. [minderjarige] heeft een goede band met haar huidige mentor. Zij vindt het daarom jammer dat zij volgend jaar een nieuwe mentor krijgt, omdat zij naar een andere klas gaat.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1:260 BW in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 1:255 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders of ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat aan de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Gebleken is dat [minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Op 9 april 2021 is door Jeugdtrauma Herstel Limburg een verslag opgesteld naar aanleiding van het uitgevoerde psychodiagnostisch onderzoek bij [minderjarige] . Daaruit is gebleken dat [minderjarige] met een totaal IQ van 65 functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Zij is mede hierdoor onvoldoende in staat de consequenties van haar handelen te overzien en haar leven zelfstandig op orde te brengen en daaraan structuur te geven. [minderjarige] voelt zich daarnaast regelmatig gespannen, faalangstig en somber en heeft moeite om haar emoties op adequate wijze te uiten. Zij heeft een laag zelfbeeld en vindt het mede door de onzekerheid die zij veelal ervaart moeilijk sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Daar komt bij dat [minderjarige] momenteel fors klem zit tussen de belangrijke volwassenen in haar leven, onder wie de moeder, de vader en de pleegouders. Zij bevindt zich hierdoor in een fors loyaliteitsconflict en wordt zodanig belast met volwassenenproblematiek dat zij niet de rust ervaart om zich vrij en leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Zij wordt tevens in haar ontwikkeling belemmerd doordat reeds langdurig onduidelijk is bij wie zij woont en waar zij verder zal opgroeien.

De ouders ervaren beiden beperkingen en zijn hierdoor onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de voornoemde ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] weg te nemen. Op basis van de diagnostiek door Jeugdtrauma Herstel Limburg is advies gegeven over het verdere hulpverleningstraject van [minderjarige] . Zo is voorlopig nog psychologische begeleiding nodig vanuit Jens om haar zelfbeeld en zelfvertrouwen te verbeteren. Daarnaast is dramatherapie en weerbaarheidstraining geadviseerd. Gezien de complexiteit van de problematiek van [minderjarige] is de ondersteuning vanuit de GI voorlopig nog nodig om de verschillende trajecten op te starten en op elkaar af te stemmen. Hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom voorlopig nog noodzakelijk.

De kinderrechter zal de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden toewijzen, aangezien deze termijn, gelet op de hiervoor genoemde bedreigingen van [minderjarige] , gerechtvaardigd wordt geacht.

4.2.

Voorts kan de kinderrechter ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders verleend voor de duur van een jaar. De kinderrechter overwoog daarbij nadrukkelijk dat haar niet was gebleken dat een thuisplaatsing op termijn niet meer tot de mogelijkheden behoorde en dat zij ervan uitging dat de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] (bij de vader en/of de moeder) het komende jaar zouden worden onderzocht. De GI heeft ter zitting verklaard dat zij zich in het kader van de perspectiefbepaling van [minderjarige] heeft gericht op het laten plaatsvinden van diagnostiek bij [minderjarige] om op die manier helder te krijgen wat zij nodig heeft vanuit haar opvoedingssituatie om zich leeftijdsadequaat te kunnen ontwikkelen. Zoals hierboven reeds is overwogen, is door het psychodiagnostisch onderzoek vanuit Jeugdtrauma Herstel Limburg zicht gekomen op hetgeen [minderjarige] nodig heeft om rust en stabiliteit te ervaren en toe te komen aan haar ontwikkelingstaken. Hoewel de kinderrechter het positief acht dat duidelijkheid is ontstaan over de kindeigen problematiek en daarmee samenhangende opvoedings- en ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] , stelt de kinderrechter ook vast dat met dit enkele onderzoek gericht op de mogelijkheden en beperkingen van [minderjarige] haar perspectief niet zonder meer duidelijk is geworden. De GI heeft immers desgevraagd niet kunnen uitleggen wat zij in navolging van de opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 2 juli 2020 heeft ondernomen om de pedagogische mogelijkheden van de ouders in relatie tot de specifieke behoeften van [minderjarige] te onderzoeken. Daarmee is het afgelopen jaar geen zicht ontstaan op de mogelijkheden van de ouders hun verantwoordelijkheid als opvoeder te nemen en op adequate wijze invulling te geven aan de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] . De GI stelt zich weliswaar op het standpunt dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de ouders ligt doordat zij niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor hun rekening te nemen, maar heeft desgevraagd niet kunnen onderbouwen op welke concrete bevindingen dit standpunt gebaseerd is. Dit blijkt ook niet uit de stukken.

Vast staat dat de ouders in het verleden niet in staat waren [minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig had. [minderjarige] is daarom in oktober 2016 bij eerst bij de grootouders vaderszijde gaan wonen en verblijft sinds februari 2017 in het huidige pleeggezin. Gebleken is dat [minderjarige] bij de pleegouders de voorspelbaarheid en structuur krijgt geboden die zij nodig heeft en mede daardoor op school goed functioneert. Dat is ook door geen van de belanghebbenden betwist. Het voorgaande brengt met zich mee dat [minderjarige] reeds geruime tijd niet meer bij één van de ouders woont. Hoewel eerst sprake was van een ruime omgangsregeling, waarbij [minderjarige] wekelijks van woensdag tot en met zondag bij de ouders verbleef, bleek deze regeling niet langer haalbaar. De frequentie van de omgangsregeling is daarom anderhalf jaar geleden verminderd en [minderjarige] verblijft momenteel één weekend per drie weken bij de moeder en één weekend per drie weken bij de vader. Zowel de moeder als de vader willen dat [minderjarige] bij hen komt wonen en omgang heeft met een andere ouder op basis van een regeling. Beide ouders hebben echter in zodanig algemene bewoordingen gesteld dat zij in staat zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen dat daarmee niet kan worden vastgesteld dat het nu in het belang van [minderjarige] is om bij de vader of de moeder te gaan wonen. Wel is gebleken dat de ouders van mening verschillen over de vraag bij welke ouder [minderjarige] verder op dient te groeien. Dat de ouders daarmee lijnrecht tegenover elkaar staan is zorgelijk, zeker nu [minderjarige] gezien haar kindeigen problematiek en klempositie juist behoefte heeft aan afstemming en duidelijkheid vanuit haar gezaghebbende ouders.

Alles tegen elkaar afwegende is de kinderrechter van oordeel dat momenteel onvoldoende is gebleken dat de ouders in staat zijn [minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij gezien haar kindeigen problematiek nodig heeft, waardoor de thuisplaatsing van [minderjarige] bij (een van) de ouders nu nog niet mogelijk is. Anderzijds is de kinderrechter evenmin gebleken dat dat de ouders daartoe niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn. Wel staat vast dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij binnen een zo kort mogelijke termijn duidelijkheid krijgt geboden over haar perspectief en de plek waar zij verder duurzaam zal opgroeien. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders verlengen voor de duur van vijf maanden, onder aanhouding van de resterende termijn. Gedurende de komende maanden dienen voor [minderjarige] de therapieën en trainingen te worden opgestart die volgens Jeugdtrauma Herstel Limburg noodzakelijk zijn om haar ontwikkelingsbedreigingen weg te kunnen nemen. De kinderrechter verwacht daarnaast dat de GI in concrete bewoordingen uitlegt wat zij heeft ondernomen om te onderzoeken of de ouders in staat zijn invulling te geven aan hun opvoedingstaken en wat dit concreet betekent voor het perspectief van [minderjarige] , nu dit het afgelopen jaar onderbelicht is gebleven. Het is aan de GI om de kinderrechter uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de termijn schriftelijk te informeren omtrent de stand van zaken en het al dan niet handhaven van het verzoek. Op het moment dat de GI deze voortgangsrapportage overlegt, dient duidelijk te zijn waar het perspectief van [minderjarige] gelegen is en welke concrete argumenten gebaseerd op gedegen onderzoek die stelling onderbouwen.

5 De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] , geboren op

[geboortedatum] in [geboorteplaats] , met ingang van 2 juli 2021 voor de duur van een jaar, aldus tot 2 juli 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de voornoemde [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de pleegouders, met ingang van 2 juli 2021 voor de duur van vijf maanden, aldus tot 2 december 2021;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk op 4 november 2021 schriftelijk informeert omtrent de stand van zaken en het al dan niet handhaven van het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.H.J.M. Jacobs, als griffier en in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.