Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5625

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
C/03/292494 / JE RK 21-1089
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervallen verklaren plaatsingsbesluit gesloten jeugdhulp ex artikel 6.1.6 lid 6 jo. Artikel 6.1.7 Jeugdwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 29 juni 2021

Zaaknummer: C/03/292494 / JE RK 21-1089

Beschikking ex artikel 6.1.6 lid 6 Jeugdwet

In de zaak van:

[de moeder] ,

verder te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman, gevestigd te Heerlen,

en

Jeugdhulpaanbieder Via Jeugd,

verder te noemen de jeugdhulpaanbieder,

gevestigd te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten,

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, gevestigd te Roermond.

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

verder te noemen [minderjarige] ,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers, gevestigd te Heerlen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

verder te noemen de GI,

gevestigd te Roermond,

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, gevestigd te Roermond.

1 Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder met bijlagen van 25 mei 2021, binnengekomen bij de rechtbank op 27 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift van GI met bijlagen van 24 juni 2021, binnengekomen bij de rechtbank op 24 juni 2021.

Op 29 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. van Ek, waarnemend voor mr. Brinkman;

  • -

    de minderjarige [minderjarige] , bijgestaan door mr. Pelzer, waarnemend voor mr. Jegers;

  • -

    twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door mr. Gelissen;

  • -

    een vertegenwoordigster van de jeugdhulpaanbieder.

Mr. Gelissen is na een korte schorsing door [naam waarnemend bestuurder] , waarnemend bestuurder van de jeugdhulpaanbieder, telefonisch gemachtigd om namens de jeugdhulpaanbieder op te treden.

[minderjarige] is door de kinderrechter in afwezigheid van de belanghebbenden, maar bijgestaan door haar advocaat, gehoord.

2 De feiten

Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. Bij beschikking van de kinderrechter van 6 januari 2021 is [minderjarige] met ingang van 22 januari 2021 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Tevens werd bij voornoemde beschikking een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie zorgaanbieder verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bij beschikking van 7 april 2021 is met ingang van 7 april 2021 een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp afgegeven.

[minderjarige] is op 28 april 2021 voor de duur van een week gesloten geplaatst. De jeugdhulpaanbieder heeft op 29 april 2021 een brief opgesteld gericht aan [minderjarige] (zonder vermelding van adres en niet ondertekend) met als onderwerp: voorwaarden voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg. Op 11 mei 2021 is [minderjarige] voor de tweede keer gesloten geplaatst voor de duur van vier weken. Op 12 mei 2021 heeft de jeugdhulpaanbieder opnieuw een brief opgesteld, gericht aan [minderjarige] (zonder vermelding van adres en niet ondertekend) met als onderwerp: voorwaarden voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg. Op het moment van de zitting, 29 juni 2021, verbleef [minderjarige] nog steeds in de geslotenheid.

3 Het verzoek, het verweer en de standpunten van de belanghebbenden

3.1.

De moeder heeft, na wijziging van haar verzoek ter zitting, verzocht de plaatsingsbesluiten van de jeugdhulpaanbieder van 29 april 2021, 12 mei 2021 en 7 juni 2021, vervallen te verklaren. Anders dan in het verzoekschrift gesteld zal inderdaad niet de GI, maar de jeugdhulpaanbieder moeten worden aangemerkt als verwerende partij. De plaatsingsbesluiten zijn in strijd met de wettelijke voorwaarden, die artikel 6.1.6 lid 6 Jeugdwet (hierna: Jw) aan een plaatsingsbesluit stelt, genomen. De moeder, de minderjarige en de advocaat van de minderjarige hebben geen afschrift van de besluiten ontvangen. Het is de moeder niet bekend of de jeugdhulpaanbieder een afschrift van de besluiten naar de rechtbank heeft gezonden. Daar waar de brieven van de jeugdhulpaanbieder niet als plaatsingsbesluiten kunnen worden aangemerkt, moet de daadwerkelijke plaatsing van [minderjarige] in de geslotenheid op 28 april 2021 en 11 mei 2021 als plaatsingsbesluiten worden gezien. De plaatsingen van [minderjarige] is onrechtmatig geweest. Voor een time-out plaatsing van [minderjarige] in de geslotenheid is geen wettelijke basis. Opname van [minderjarige] in de gesloten jeugdzorg acht de moeder niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] moet uit de geslotenheid en terug naar een open groep. [minderjarige] gaat alleen maar achteruit in haar gedrag sinds zij gesloten zit. Haar problematiek wordt niet aangepakt en er wordt niet aan de moeder-kind relatie gewerkt. [minderjarige] moet behandeld worden en moet opnieuw gediagnosticeerd worden. De voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg dient te herleven.

3.2.

Mr. Gelissen heeft namens de jeugdhulpaanbieder ter zitting het volgende naar voren gebracht. De brieven van 29 april 2021 en 12 mei 2021 moeten als plaatsingsbesluiten worden gezien. Zo zien de plaatsingsbesluiten van de jeugdhulpaanbieder eruit. Deze besluiten zijn naar de minderjarige en de rechtbank verzonden, maar niet naar de advocaat van de minderjarige en niet naar de moeder, althans dat is niet na te gaan. De GI heeft het voornemen tot plaatsing van [minderjarige] in de geslotenheid wel vooraf gecommuniceerd aan [minderjarige] en de moeder en aan de moeder is per brief meegedeeld in welke groep [minderjarige] is opgenomen. [minderjarige] is op 28 april 2021 bij Via Jeugd opgenomen voor de duur van een week in het kader van een time-out. Dit moet worden gezien als schorsing van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg. Na een week is [minderjarige] terug gegaan naar de open groep. [minderjarige] heeft toen opnieuw de voorwaarden overtreden, zodat zij op 11 mei 2021 opnieuw in de geslotenheid is geplaatst, maar nu voor de duur van vier weken. Daarop ziet het plaatsingsbesluit van 12 mei 2021. Na afloop van die vier weken hebben de jeugdhulpaanbieder en de GI gezamenlijk besloten dat [minderjarige] langer gesloten moet blijven. De GI heeft daarom op 20 mei 2021 een verzoek machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdhulp bij de rechtbank ingediend. De GI is door de kinderrechter op 7 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek, omdat er op 7 april 2021 een beschikking voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp is afgegeven, die is geëffectueerd, zodat deze te gelden heeft als reguliere machtiging gesloten jeugdhulp. Vanwege die beslissing van de kinderrechter is een nieuw plaatsingsbesluit gevolgd op 7 juni 2021 waarin is bepaald dat [minderjarige] voor de maximale duur van zes maanden, te rekenen vanaf 7 juni 2021, moet worden opgenomen in een accommodatie gesloten jeugdhulp van Via Jeugd. Dit besluit moet worden herzien, omdat de termijn van zes maanden die aan de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp is gekoppeld, reeds begint te lopen op 7 april 2021. Het is voor de jeugdhulpaanbieder niet na te gaan of alle plaatsingsbesluiten naar alle belanghebbenden zijn gestuurd. De GI heeft als regievoerder wel de communicatie verzorgd met alle belanghebbenden.

3.3.

De GI heeft verweer gevoerd als volgt. De plaatsingsbesluiten van 29 april 2021 en 12 mei 2021 zijn op respectievelijk 29 april 2021 en 12 mei 2021 aan [minderjarige] uitgereikt. Ook indien de jeugdhulpaanbieder niet aan de wettelijke voorwaarden, die artikel 6.1.6 lid 6 Jw stelt, heeft voldaan, ligt er nog altijd een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp van 7 april 2021 voor. Mocht de kinderrechter beslissen dat de eerdere plaatsingsbesluiten vervallen moeten worden verklaard, dan zal direct een nieuw plaatsingsbesluit volgen teneinde [minderjarige] gesloten te houden. De GI zal de jeugdhulpaanbieder dan vragen een plaatsingsbesluit te nemen, waarbij [minderjarige] op dezelfde groep blijft als waar zij thans verblijft en voor de maximale duur. [minderjarige] is in de geslotenheid geplaatst omdat zij zich niet aan de voorwaarden, die zijn gekoppeld aan de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg, heeft gehouden. Op vraag van de kinderrechter welke voorwaarden [minderjarige] heeft overtreden, geeft de GI aan dat [minderjarige] het niet goed doet op een open groep. In eerste instantie is er sprake geweest van een time-out plaatsing van een week. De gedragsproblemen van [minderjarige] zijn echter niet afgenomen en daarna heeft [minderjarige] zich opnieuw niet aan de voorwaarden gehouden. Meerdere deskundigen hebben zich gebogen over het behandelperspectief van [minderjarige] . Er is een uniforme visie dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is. Een lichtere hulpvorm is ontoereikend en niet passend gebleken. De vrees bestaat dat [minderjarige] zich buiten de geslotenheid zal onttrekken aan de voor haar noodzakelijke hulpverlening. [minderjarige] heeft behandeling nodig. Zonder behandeling bestaat er een reëel risico dat zij een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt. [minderjarige] bagatelliseert de problematiek en legt deze buiten zichzelf, hetgeen behandeling lastig maakt. [minderjarige] gaat in een open setting ook niet naar school. Binnen de geslotenheid gaat het redelijk met [minderjarige] . Bij Icarus volgt [minderjarige] de regels en laat zij redelijk gedrag zien. Op school is dat geheel anders; daar stelt zij zich respectloos op en houdt zich nergens aan.

3.4.

[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij begrepen heeft dat er een mondelinge behandeling plaatsvindt, omdat de GI fouten zou hebben gemaakt. [minderjarige] verblijft momenteel bij Icarus. Zij zit daar vanwege de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. De voorwaarden die [minderjarige] overtreden heeft zijn het inleveren van haar telefoon en zij is ongeoorloofd naar buiten geweest. [minderjarige] wist wat de consequenties waren als zij zich niet aan de regels hield, maar het interesseerde haar op dat moment niet omdat zij meende dat zij toch wel gesloten zou worden geplaatst. Het is alleen maar erger geworden sinds de voorwaardelijke machtiging is afgegeven. [minderjarige] zit liever gesloten dan dat zij naar de vorige (open) groep waar zij verbleef terug moet. Daar waren veel escalaties en er werd niet gekeken naar wat bij [minderjarige] past. [minderjarige] ervaart veel onduidelijkheid. Zij verblijft sinds twee maanden bij Icarus en zij weet niet hoe lang zij moet blijven.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 6.1.6 lid 2 Jw neemt de jeugdhulpaanbieder de jeugdige op in een gesloten accommodatie, indien door de naleving van de voorwaarden buiten de gesloten accommodatie de ernstige belemmering van de ontwikkeling naar volwassenheid als gevolg van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, niet langer kan worden afgewend en de jeugdige zich onttrekt of door anderen wordt onttrokken aan de jeugdhulp. Daarnaast kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige ingevolge artikel 6.1.6 lid 3 Jw opnemen wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft waardoor de jeugdige ernstig wordt belemmerd in de ontwikkeling naar volwassenheid en deze ernstige belemmering niet buiten de gesloten accommodatie kan worden afgewend.

4.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.6 lid 4 Jw stelt de jeugdhulpaanbieder zich voorafgaand aan de opneming op de hoogte van de actuele toestand van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de jeugdige heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Op grond van artikel 6.1.6 lid 6 Jw stelt de jeugdhulpaanbieder, uiterlijk vier dagen na zijn beslissing de jeugdige op te nemen, de jeugdige daarvan schriftelijk in kennis onder mededeling van de redenen van de beslissing. Een afschrift van de mededeling wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de verzoeker van de machtiging, de advocaat van de jeugdige en aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend.

4.3.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.7 lid 1 Jw kan de kinderrechter de opneming als bedoeld in artikel 6.1.6, tweede of derde lid Jw op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger of de jeugdige geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

4.4.

De kinderrechter is van oordeel dat de plaatsingsbesluiten van de jeugdhulpaanbieder van 29 april 2021 en 12 mei 2021 dienen te vervallen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Op 28 april 2021 overtreedt [minderjarige] kennelijk de voorwaarden van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, zoals de kinderrechter die bij beschikking van 7 april 2021 heeft opgenomen. [minderjarige] wordt dan opgenomen voor de duur van één week binnen een accommodatie van jeugdhulpaanbieder Via Jeugd. De jeugdhulpaanbieder stelt vervolgens een brief op, gedateerd op 29 april 2021, gericht aan [minderjarige] , welke brief door de GI in de procedure is gebracht. De jeugdhulpaanbieder classificeert die brief als een plaatsingsbesluit. Echter, in de brief wordt enkel aangegeven dat [minderjarige] voorwaarden heeft overtreden, maar blijkt niet om welke voorwaarden het dan gaat. Ter zitting blijkt dat [minderjarige] wel kan aangeven om welke voorwaarden het dan kennelijk gaat, maar de jeugdhulpaanbieder en de GI niet. De brief is niet geadresseerd en is niet ondertekend. Nu [minderjarige] aangeeft die brieven niet ontvangen te hebben, is daarmee niet voldaan aan het wettelijk vereiste dat de jeugdhulpaanbieder binnen vier dagen na de beslissing [minderjarige] op te nemen, [minderjarige] daarvan schriftelijk in kennis moet stellen onder mededeling van redenen, nu ook die ontbreken. Bovendien is geen afschrift verzonden aan de rechtbank, althans de rechtbank heeft geen afschrift ontvangen, en is geen afschrift verzonden aan de advocaat van [minderjarige] en de moeder van [minderjarige] , hetgeen ook erkend wordt door de jeugdhulpaanbieder.

De jeugdhulpaanbieder geeft in het schrijven van 29 april 2021 aan dat die eerste opname van [minderjarige] moet worden gekwalificeerd als een time-out. Onder verwijzing naar de uitspraken van rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1525) en 7 oktober 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:3672), bij welke overwegingen de kinderrechter zich aansluit, overweegt de kinderrechter dat een zogeheten time-out juridisch niet bestaat, althans de Jeugdwet biedt daar geen mogelijkheden toe. Op het moment dat [minderjarige] de voorwaarden overtreedt en zij op basis van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp opgenomen wordt, wordt de voorwaardelijke machtiging geconverteerd naar een ‘reguliere’ machtiging gesloten jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 6.1.6 lid 2 Jw. Nu [minderjarige] na één week terug naar de open groep is gegaan, wordt de machtiging gesloten jeugdhulp op dat moment geschorst. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper dient op basis van artikel 6.1.12 lid 5 Jw met de schorsing in te stemmen. De schorsing kan worden ingetrokken op het moment dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Voor de schorsing geldt dezelfde meldingsplicht ex artikel 6.1.6 lid 6 Jw.

Op 11 mei 2021 is de schorsing ingetrokken doordat [minderjarige] opnieuw is opgenomen in de geslotenheid. De kinderrechter is van oordeel dat de jeugdhulpaanbieder op dat moment wederom niet heeft voldaan aan de meldingsplicht die dienaangaande op de jeugdhulpaanbieder rust op basis van artikel 6.1.6 lid 6 Jw. De jeugdhulpaanbieder heeft op 12 mei 2021 een brief opgesteld, gericht aan [minderjarige] , die niet geadresseerd en niet ondertekend is. De jeugdhulpaanbieder geeft ook hier aan dat [minderjarige] voorwaarden overtreden heeft, maar niet welke voorwaarden dat zijn. De brief is niet aan [minderjarige] verzonden, althans [minderjarige] heeft deze niet ontvangen, noch is een afschrift daarvan naar de advocaat van [minderjarige] , haar moeder en de rechtbank gestuurd. Het is van groot belang dat de advocaat van de minderjarige steeds geïnformeerd wordt over opname in gesloten jeugdhulp, zodat hij/zij daar rechtsmiddelen tegen kan aanwenden. De jeugdhulpaanbieder heeft dat nagelaten.

4.5.

De kinderrechter is van oordeel dat gelet op vorenstaande de opnames van [minderjarige] in de gesloten jeugdhulp, niet met in achtneming van de eisen die de Jeugdwet daaraan stelt hebben plaatsgevonden. Deze vaststelling brengt met zich mee dat het verzoek van de moeder om de besluiten van de jeugdhulpaanbieder van 29 april 2021 en 12 mei 2021 tot opneming geheel vervallen te verklaren, zal worden toegewezen. De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder om het plaatsingsbesluit van 7 juni 2021 vervallen te verklaren af, nu dit besluit niet in het geding is gebracht, zodat de kinderrechter daarover niet kan beslissen. Het vervallen verklaren van de eerdere plaatsingsbesluiten heeft tot gevolg dat de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp van 7 april 2021 herleeft. Dat betekent dat [minderjarige] pas opnieuw gesloten kan worden geplaatst als zij zich niet aan de voorwaarden houdt én de jeugdhulpaanbieder de weg van artikel 6.1.6 lid 6 Jw bewandelt. Momenteel is er geen titel [minderjarige] nog langer binnen de gesloten jeugdhulp te houden. De kinderrechter merkt daarbij op dat de termijn waarvoor de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp heeft te gelden op basis van artikel 6.1.12 lid 2 ten hoogste zes maanden bedraagt, te rekenen vanaf 7 april 2021, aldus tot 7 oktober 2021, en niet zoals in de beschikking van 7 april 2021 vermeld is tot 22 januari 2022, nu het om een eerste voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp gaat.

4.6.

Deze beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

5 De beslissing

De kinderrechter:

verklaart de beslissingen van de jeugdhulpaanbieder Via Jeugd, gevestigd te Cadier en Keer, van 29 april 2021 en 12 mei 2021 tot opneming van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , vervallen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. M.A.M. van Uum, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.G.J. Noelmans-Verbong, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021 en op schrift gesteld op 9 juli 2021.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.