Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5358

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
C/03/290037 / HA ZA 21-160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing provisionele vordering in het incident ex art. 223 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/290037 / HA ZA 21-160

Vonnis in incident op grond van artikel 223 Rv van 23 juni 2021

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE MONUMENTENCENTRALE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HEERLEN,

zetelend te Heerlen,

gedaagde,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. H.C. Lejeune,

2. de stichting

STICHTING ATELIER STADSREVISIE 'ASTA',

zetelend te Heerlen,

gedaagde,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck,

3. [gedaagde, verweerder in het incident sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck.

Partijen zullen hierna “ [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] ”, “de Gemeente”, “de Stichting” en “ [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de drie dagvaardingen betekend op 15 januari 2021, met daarin de incidentele vorderingen op grond van artikel 223 Rv en artikel 843a Rv,

  • -

    de akte houdende producties van [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] ,

  • -

    het antwoord in het incident ex artikel 223 Rv van de Gemeente, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van artikel 223 Rv van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ,

  • -

    het verzoek van [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] tot het nemen van een nadere akte in het incident,

  • -

    de bezwaren tegen het nemen van een nadere akte in het incident door [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] van de Gemeente,

  • -

    de bezwaren tegen het nemen van een nadere akte in het incident door [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ,

  • -

    de beslissing tot afwijzing van het verzoek van [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident op grond van artikel 223 Rv.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij het oordeel over de provisionele vordering uitgaan van de volgende feiten als voldoende aannemelijk gemaakt op basis van de ingenomen stellingen en in geding gebrachte producties.

2.2.

[gedaagde, verweerder in het incident sub 3] , ontwerper en kunstenaar, heeft een plan uitgewerkt om het aanzien van de binnenstad van Heerlen te verbeteren en te laten aansluiten op het Maankwartier, waarvoor hij als ontwerper verantwoordelijk was. Dit project met de naam ‘Atelier Stadsrevisie’ is door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders omarmd (productie 4 bij conclusie in het incident van de Gemeente). Het project ‘Atelier Stadsrevisie’ wordt door de Gemeente gezien als een kunstproject en een sociaal project (productie 4 bij conclusie in het incident van de Gemeente). Belangrijk onderdeel van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ is het bieden van oplossingen voor pandeigenaren, die de gevel van hun pand willen renoveren.

2.3.

Het jaar 2020 geldt voor de Gemeente als een proefjaar voor het project ‘Atelier Stadsrevisie’. Bij een positief resultaat zullen de werkzaamheden van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] door een in te richten stichting worden uitgevoerd in de jaren 2021 en 2022 (productie 4 bij conclusie in het incident van de Gemeente; het collegevoorstel van 8 juli 2020 inzake het inhuren van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] en productie 1 bij dagvaarding; de raadsinformatiebrief van 12 augustus 2020 inzake de werkzaamheden van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ).

2.4.

De Stichting is op 8 juli 2020 opgericht. Het doel van de Stichting wordt in artikel 2 van de oprichtingsakte omschreven als:

Het – zoveel mogelijk tezamen met alle daarbij betrokken partijen – bevorderen, ondersteunen, begeleiden en faciliteren van kunstproject “Atelier Stadsrevisie van de Heerlense kunstenaar [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] , alsmede het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn , een en ander in de ruimste zin des woords.

2.5.

In de begroting van de Gemeente wordt een bedrag van ruim € 400.000,00 gereserveerd voor renovatie van een groot aantal gevels door de Stichting.

2.6.

[gedaagde, verweerder in het incident sub 3] drijft een onderneming zonder personeel met de naam ‘ [onderneming] ’ en wordt – met terugwerkende kracht – voor de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 als ZZP-er ingehuurd door de Gemeente op basis van een payrollconstructie met [naam] ten behoeve van het project Atelier Stadsrevisie. Een en ander blijkt uit de bevestiging van de overeenkomst van 22 juli 2020 door [naam] (productie 3 bij conclusie in het incident van de Gemeente).

De overeengekomen vergoeding bedraagt € 135.000,00 ex btw voor [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] en € 7.890,00 (ex btw) voor [naam] . De kosten van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] worden door de Gemeente betaald uit het budget van het Programma Centrum, kostenplaats Uitvoeringsregeling Gevelfonds (productie 4 bij conclusie in het incident van de Gemeente). De kosten van [naam] vallen onder de raamovereenkomst van 26 november 2018 die met Driessen B.V. is gesloten in het kader van payrolling en inhuur ZZP’ers (productie 5 bij conclusie in het incident van de Gemeente).

2.7.

Met [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] is een drietal kritieke prestatie-indicatoren overeengekomen in het kader van zijn werkzaamheden in het project ‘Atelier Stadsrevisie’ (productie 2 bij dagvaarding; de bijlage bij het collegevoorstel van 8 juli 2020). Het gaat om:

I. het realiseren van minimaal zeven panden uiterlijk 31 december 2020, waaronder het pand “de Worstenhemel”,

II. het maken van een realistisch ondernemingsplan voor 2021 en 2021 uiterlijk op
1 november 2020, waarin begrepen liquiditeitsbegroting waaruit onder meer blijkt hoeveel de pandeigenaren financieren en hoeveel andere financiers betalen, een plan voor het aanboren van fondsen en subsidies en het inrichten van een zichtbaar, overtuigend en actief project ‘Atelier Stadsrevisie’ per 31 december 2020,

III. het zorgdragen voor een organisatiemodel voor het project ‘Atelier Stadsrevisie’, onder meer door het inrichten van een stichting en het oprichten van een vereniging, alsmede een model voor het baantrekken van vrijwilligers uiterlijk vóór 1 oktober 2020.

Het werk van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] zal geëvalueerd worden. De Gemeente zal daarna een besluit nemen over voortzetting van het project (productie 4 bij conclusie in het incident van de Gemeente). [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] zal bij voortzetting van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ dit uitvoeren binnen de Stichting.

2.8.

De Stichting doet een subsidieaanvraag bij de Gemeente in het kader van het project ‘Atelier Stadsrevisie’. Het betreft een bijdrage in de kosten van zes winkelpuien, de Worstenhemel en een bijdrage in de exploitatiekosten van de Stichting, alsmede een bijdrage voor het aanstellen van een project-assistent (productie 1 bij conclusie in het incident van de Gemeente).

De Gemeente geeft € 65.000,00 subsidie voor de zes winkelpuien en € 50.000,00 voor de Worstenhemel. De subsidie voor exploitatie van de Stichting en een project-medewerker wordt afgewezen, omdat in het Gevelfonds daarvoor geen budget beschikbaar is en de Gemeente ook geen andere middelen kan inzetten.

2.9.

Tot op heden heeft het project ‘Atelier Stadsrevisie’ nog geen (financieel) vervolg gekregen.

2.10.

Zowel het inhuren van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] , als het verlenen van subsidies uit het Gevelfonds zijn bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] vordert in de hoofdzaak, kort weergegeven, (1) een verklaring voor recht dat de Gemeente en/of de Stichting een overheidsopdracht inzake het project ‘Atelier Stadsrevisie’ in strijd met de Aanbestedingswet (hierna: “Aw”) en/of de beginselen van het Unieverdrag onderhands hebben gegund, en [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] vordert (2), op straffe van een dwangsom, vernietiging van rechtshandelingen tussen de Gemeente en/of de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] onder ongedaanmaking van de rechtsgevolgen daarvan.

4 De vordering in het incident op grond van artikel 223 Rv

4.1.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] vordert in dit incident dat de rechtbank op straffe van een dwangsom een voorlopige voorziening zal treffen die inhoudt dat de opdracht inzake het project ‘Atelier Stadsrevisie’ wordt opgeschort, zolang de rechtbank geen eindvonnis in de hoofdzaak heeft gewezen.

4.2.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] legt aan deze incidentele vordering het volgende ten grondslag.

Lageweg c.s stelt dat sprake is van een opdracht die aanbesteed moest worden. Volgens [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] is het kunstmatig splitsen van de opdracht in twee perioden (2020 enerzijds en 2021-2022 anderzijds) en de kunstmatige tussenkomst van de Stichting onverenigbaar met splitsingsverbod van artikel 2.14 Aw. [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] stelt dat zij belang heeft bij schorsing van de uitvoering van de opdracht, omdat zij en andere gegadigden belang hebben bij een rechtmatige gunning en de reeds verrichte werkzaamheden zich niet goed lenen voor ongedaanmaking, terwijl het upgraden van het aanzicht van de binnenstad van Heerlen objectief gezien geen spoedeisend karakter heeft.

4.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] geen belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat de dienstverlening ziet op het jaar 2020 en inmiddels is afgerond. Een (eventuele) toekomstige aanbesteding is volgens de Gemeente niet realistisch meer ongeacht of een schorsing wordt opgelegd of later een vernietiging volgt. De dienstverlening kan immers niet meer ongedaan worden gemaakt en voor de (bouwwerkzaamheden aan de) gevels geldt dat evenzeer.

De Gemeente voert voorts aan dat het systeem van de Aw zich verzet tegen opschorting, zoals gevorderd. De in de Aw aangewezen route is het instellen van een vernietigingsactie. Het wettelijk uitgangspunt voor de contracterende partijen is daarbij rechtszekerheid. De Gemeente voert tot slot aan dat er geen sprake is van schending van de aanbestedingsregels en stelt dat [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] haar stellingen daartoe onvoldoende heeft onderbouwd. Er is kort gezegd sprake van subsidiëring van pandeigenaren via een particulier (kunst)initiatief dat via de reguliere subsidieregeling van het Gevelfonds loopt. De dienstverlening door (c.q. de inhuur van) [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] om het project ‘Atelier Stadsrevisie’ vorm te geven en als pilot uit te voeren, blijft met € 142.830,00 ruim onder de aanbestedingsdrempel. Daarnaast is in oktober 2020 een subsidie toegekend aan de Stichting van € 65.000,00 voor de aanpassing van zes winkelgevels en van € 50.000,00 voor de aanpassing van het pand “de Worstenhemel” (in wezen een provinciale subsidie). Het betreft de zeven panden in de pilot van het ‘Atelier Stadsrevisie’. De Gemeente betwist aldus de bedragen die volgens [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] gemoeid zijn met het project ‘Atelier Stadsrevisie’. Daarnaast betwist de Gemeente ook dat er sprake is van meerjarige verplichtingen. Het geheel van opdrachten en subsidies is volgens de Gemeente niet te kwalificeren als een aanbestedingsplichtige overheidsopdracht.

De Gemeente verzet zich ten slotte tegen het opleggen van een dwangsom.

4.4.

De Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] voeren ook gemotiveerd verweer. De Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] betwisten dat de Stichting of [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] op een of andere wijze opdrachtgever van een aannemer zijn in het kader van de revisie van de zeven gevels in het project ‘Atelier Stadsrevisie’. De Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] betwisten dat sprake is van een aanbestedingsplicht van de Stichting, omdat de stichting alleen als intermediair en facilitator optreedt voor het project ‘Atelier Stadsrevisie’. [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] zelf is als ZZP-er via een payrollconstructie ingehuurd door de Gemeente voor het uitvoeren van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ met een drietal prestatieverplichtingen. De bedragen die gemoeid zijn met de inhuur en de subsidie blijven volgens de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] beperkt tot € 200.000,00 (ex btw) en het project is daarmee geenszins aanbestedingsplichtig. Daarnaast benadrukken de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] dat evaluatie nog niet heeft plaatsgevonden en dat er ook geen sprake is van een meerjarig project, maar van een pilot in 2020.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident op grond van artikel 223 Rv

5.1.

Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] daarbij voldoende belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld daarin gelegen zijn dat [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering in het incident moet worden afgewezen en overweegt daartoe het volgende.

5.3.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] baseert haar stellingen op enerzijds de raadsinformatiebrief van 12 augustus 2020 over de inhuur van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] (productie 1 bij dagvaarding) en anderzijds op berichten van de Gemeente en de media over de verstrekking van bedragen aan de Stichting (producties 4 en 5 bij dagvaarding). [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] stelt dat het op basis van de raadsinformatiebrief lijkt dat een overeenkomst met [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] gesloten is voor de duur van maximaal drie jaar, waarbij een vergoeding is overeengekomen van
€ 135.000,00 per jaar. [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] stelt dat aldus dat aan [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] een opdracht tot het verlenen van diensten in het kader van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ is verstrekt met een waarde van € 405.000,00, zijnde driemaal € 135.000,00.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] stelt dat de rol van de Stichting daarin niet helemaal duidelijk is, omdat niet helder is of het de Gemeente of de Stichting is die [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] een opdracht laat uitvoeren. Zij stelt dat de gelden die [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] over de periode van 2020 tot en met 2022 ontvangt en die de Stichting in die periode ter beschikking stelt aan het project ‘Atelier Stadsrevisie’ minimaal
€ 405.000,00 en maximaal € 612.000,00 belopen.

5.4.

De Gemeente voert aan dat de collegenota (productie 4 conclusie in het incident van de Gemeente) als uitgangspunt moet worden genomen in samenhang bezien met de opdracht aan [naam] voor de beoordeling of er sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht. De looptijd van deze inhuuropdracht is slechts één jaar (2020) en de hoogte van de daarmee gepaard gaande bedragen valt ruim onder de drempelwaarde. De overeenkomst met [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] bevat een proefperiode van één jaar (2020), waarvoor prestatieafspraken zijn gemaakt. De Gemeente voert aan dat de Stichting eenmalig een subsidie heeft ontvangen en verwijst daartoe naar de onderliggende collegevoorstel en de subsidiebeschikking (producties 1 en 2 bij conclusie in het incident van de Gemeente). Op basis van de evaluatie van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] dient het college te besluiten over het vervolg van subsidieverlening en subsidievoorwaarden.

5.5.

De Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] stellen dat er vanuit moet worden gegaan dat er sprake is van een éénjarig project, omdat evaluatie ten behoeve van de voorzetting waartoe door de Gemeente besloten kan worden, nog niet heeft plaatsgevonden.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat in dit incidenteel geding niet is komen vast te staan dat sprake is van een meerjarige opdracht of meerjarige financiering van het project ‘Atelier Stadvisie’. Uit zowel het collegevoorstel over de inhuur van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] als uit het collegevoorstel inzake de verlening van subsidie aan de Stichting blijkt dat pas op basis van een positief evaluatieresultaat op de drie kritische prestatie-indicatoren besluitvorming kan plaatsvinden over verdere opdrachtverlening, financiering en voorwaarden die aan te project worden gesteld. Dat uit het collegevoorstel over de inhuur van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] blijkt dat er een vergoeding van € 135.000,00 per jaar voor maximaal een periode van drie jaar is afgesproken, maakt dit oordeel niet anders, omdat daaruit eveneens blijkt dat de verlening van de opdracht voorwaardelijk is. Hetzelfde geldt mutaties mutandis voor hetgeen blijkt uit het collegevoorstel inzake de subsidieverlening en uit de subsidievoorwaarden, zoals die blijken uit de subsidiebeschikking. Dat evaluatie met een positief resultaat heeft plaatsgevonden is ook niet gesteld, wordt betwist en is ook niet anderszins gebleken.

5.7.

Alleen al om de reden dat de proefperiode van één jaar (2020) is afgerond en niet is gebleken dat ten behoeve van het project ‘Atelier Stadsrevisie’ een nieuwe opdracht en/of financiering is verstrekt, ontbreekt een feitelijke grondslag voor en dus een belang bij de schorsing, zoals gevorderd.

5.8.

De rechtbank komt zodoende op dit moment niet meer toe aan de vraag of er sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht en aan de vraag of een opdracht ten onrechte is gesplitst. Toch wenst zij in dit verband en met het oog op het vervolg van de procedure in het incident op grond van artikel 843a RV en de hoofdzaak het volgende op te merken.

5.9.

De rol van de Stichting is in ieder geval in het jaar 2020, maar mogelijk ook daarna, ambigue. De Stichting voert (voerde) naar het voorshands oordeel van de rechtbank immers mogelijk een deel van de opdracht van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] uit (zoals ook blijkt uit haar subsidieaanvraag voor een project-assistent, zoals weergegeven in het collegevoorstel terzake). Met de aan de Stichting op 15 september 2020 toegekende bedragen wordt in ieder geval bijgedragen aan het realiseren van de kritieke prestatie-indicator I in de opdracht van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] , te weten: het realiseren van zeven panden vóór 31 december 2021. De Stichting bouwt zelf niet met de toegekende bedragen, maar faciliteert [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] en de pandeigenaren die feitelijke opdrachtgever zijn. In haar eigen woorden: de Stichting “ziet toe op het vrijwilligerswerk en ziet toe op de geldstroom en figureert uitsluitend als doorgeefluik voor de Gemeente van de subsidie aan de eigenaar/huurder” (randnummer 6.7 van de conclusie in het incident van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ).

De ambiguïteit en onduidelijkheid wordt versterkt door het standpunt van het college, zoal dat blijkt uit de door de [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] overgelegde raadsinformatiebrief: “Dit bestuur zal dan met [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] een opdrachtgever/opdrachtnemer relatie onderhouden. De functie van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] kan dan ontwerper/directievoerder zijn voor de opdrachten van de Stichting.” Tegelijkertijd kan op basis van het collegevoorstel met betrekking tot de inhuur van [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ook niet worden uitgesloten dat hij in 2021 en 2022 niet door de gemeente zal worden ingehuurd en betaald.

5.10.

Naar het voorshands oordeel van de rechtbank is daarom niet uit te sluiten dat door de nauwe relatie tussen [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] en de Stichting mogelijk sprake is (geweest) van één opdracht.

Proceskosten in het incident op grond van artikel 223 Rv

5.11.

[eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van de Gemeente begroot op
€ 563,00 (1 punt tarief II) en aan de zijde van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] eveneens op
€ 563,00 (1 punt tarief II).

In het incident op grond van artikel 843a Rv en in de hoofdzaak

5.12.

De rechtbank houdt de beslissing in het incident op grond van artikel 843a Rv aan, in die zin dat de Gemeente en de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] in de gelegenheid zullen worden gesteld om tegen die vordering verweer te voeren bij het indienen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. De rechtbank zal de zaak op de rol plaatsen van 18 augustus 2021 voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden, zowel in het incident op grond van artikel 843a Rv als in de hoofdzaak.

5.13.

De rechtbank houdt de beslissing in de hoofdzaak aan.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident op grond van artikel 223 Rv

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 563,00,

6.3.

veroordeelt [eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] tot op heden begroot op € 563,00,

6.4.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident op grond van artikel 843a Rv

6.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 augustus 2021

voor conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van de Gemeente en aan de zijde van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ,

in de hoofdzaak

6.6.

bepaalt dat partijen hun verhinderdata kenbaar maken ten behoeve van de mondelinge behandeling (in de hoofdzaak en het incident op grond van artikel 843a Rv) voor de maanden januari 2022 tot en met april 2022 op de rol van 7 juli 2021,

6.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 augustus 2021

voor conclusie van antwoord aan de zijde van de Gemeente en aan de zijde van de Stichting en [gedaagde, verweerder in het incident sub 3] ,

6.8.

houdt de beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: