Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5356

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
C/03/287386 / HA ZA 21-31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Toepasselijkheid gezag van gewijsde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/287386 / HA ZA 21-31

Vonnis in incident van 23 juni 2021

in de zaak van

1 de besloten vennootschap GENERAL MOBILITY SERVICES & IMPORT B.V.,

statutair gevestigd te Veenendaal,

2. de besloten vennootschap [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident sub 2],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1 de vennootschap naar Frans recht LIGIER GROUP S.A.,

gevestigd te Abrest, Frankrijk,

gedaagde sub 1,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap [gedaagde sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

3. de vennootschap naar Belgisch recht [gedaagde sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

gedaagden sub 2 en 3,

advocaat: mr. C.O. Wenckebach te Haarlem.

Partijen zullen hierna “GMS c.s.”, “Ligier” en “ [gedaagden sub 2 en 3] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 18 en 20 november 2020,

  • -

    de Europese betekeningsexploten van 25 november 2020,

  • -

    de akte houdende overlegging van de producties 1 tot en met 22 van GMS c.s.,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden sub 2 en 3] met de producties 1 en 2,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid van Ligier met de producties 1 t/m 9,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van GMS c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Feiten

2.1.

GMS c.s. is importeur en distributeur van Microcar (sinds 1998) en van Ligier brommobielen (sinds 2014). Producent van Microcar en Ligier brommobielen is Ligier. Vanaf 2014 is ook [gedaagden sub 2 en 3] importeur en distributeur van de merken Microcar en Ligier.

2.2.

In de distributieovereenkomst van 17 februari 2004 (productie 7 dagvaarding), gesloten tussen (de rechtsvoorganger van) Ligier en GMS c.s., is onder andere te lezen:

(…)

ARTICLE XVI – APPLICABLE LAW

This Contract shall be governed by and interpreted in accordance with the laws of France.

ARTICLE XVII – JURISDICTION

In the event of any dispute between the parties, the parties expressly agree to submit such dispute for resolution before the Commercial Court of La Roche sur Yon.

2.3.

Ligier heeft GMS c.s. op 17 oktober 2014 (productie 8 dagvaarding) onder andere bericht: “We will sent (…) a European distribution contract that will be signed by each importer.

2.4.

GMS c.s. en Ligier zijn ter zake van hun distributierelatie - in ieder geval vanaf - 2017 jaarlijks “Annual Objectives” overeengekomen (productie 9 dagvaarding).

2.5.

Ligier heeft bij brief van 2 september 2019 (productie 17 dagvaarding) het einde van de distributieovereenkomst (hierna: “de distributieovereenkomst”) met GMS c.s. tegen 2 september 2021 aangezegd.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

GMS c.s. vordert gelet hierop, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de schriftelijke opzegging door Ligier van de distributie-overeenkomsten met GMS c.s. van 2 september 2019 nietig is, althans dat de opzegging zijdens Ligier niet tot beëindiging van de distributieovereenkomsten met GMS c.s. heeft geleid;

II. Ligier te gebieden om de bestaande distributierelatie ook na september 2021 gestand te doen en aan GMS c.s. te blijven leveren, conform voorwaarden die gelijk zijn aan de voorwaarden die Ligier in 2021 hanteert voor [gedaagden sub 2 en 3] en eventuele andere distributeurs in

Nederland, althans te gebieden aan GMS c.s. te blijven leveren conform de voorwaarden van de distributieovereenkomsten die Ligier aan GMS c.s. schriftelijk van 2 september 2019

heeft opgezegd;

III. Ligier te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij verzuimt de bevelen hierboven genoemd sub II geheel of gedeelte-lijk na te komen, althans een in goede justitie vast te stellen dwangsom;

IV. Ligier, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] alle hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. Ligier, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4000,- en de nog vast te stellen kosten van het voorlopige getuigenverhoor; en

VI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met de

nakosten.

3.2.

GMS c.s. stelt zich primair op het standpunt dat de opzegging van de distributieovereenkomst nietig is, omdat zij strijdig is met artikel 6 Mededingingswet (“Mw”), omdat die opzegging voortkomt uit onderling afgestemde gedragingen van Ligier en [gedaagden sub 2 en 3] , die ertoe strekken, of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd of beperkt. Daarnaast stelt GMS c.s. dat Ligier misbruik maakt van haar machtspositie ex artikel 24 Mw, onder meer door distribiteurs van GMS c.s. enerzijds en [gedaagden sub 2 en 3] anderzijds ongelijk te behandelen. Voorts stelt GMS c.s. dat Ligier onrechtmatig handelt, omdat zij GMS c.s. onder druk heeft gezet om een voor GMS onvoordelige transactie aan te gaan met [gedaagden sub 2 en 3] . Ten slotte doet GMS c.s. een beroep op de redelijkheid en billijkheid. GMS c.s. heeft door de opzegging van de distributieovereenkomst door Ligier haar marktaandeel aan [gedaagden sub 2 en 3] verloren. [gedaagden sub 2 en 3] heeft - kort gezegd - door aan die handelwijze van Ligier mee te werken, onrechtmatig jegens GMS c.s. gehandeld. Dat geldt temeer nu GMS c.s., als gevolg van de opzegging haar marktaandeel aan [gedaagden sub 2 en 3] verloren heeft, zonder dat [gedaagden sub 2 en 3] daarvoor een redelijke vergoeding aan GMS c.s. heeft voldaan.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

4 Het geschil in het incident Ligier - GMS c.s.

4.1.

Ligier vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het door GMS c.s. aanhangig gemaakte geschil, omdat zij van mening is dat de Franse rechter bij uitsluiting bevoegd is. Ligier stelt dat, nu GMS c.s. de rechtsgeldigheid van de opzegging van de distributieovereenkomst ter discussie stelt, GMS c.s. op grond van artikel XVII van de distributieovereenkomst van 17 februari 2004 Ligier voor de Franse rechter had moeten dagvaarden. Ligier stelt dat ook ten aanzien van de (nieuwe) afspraken vanaf 2014 dit forumkeuzebeding gelding heeft. Subsidiair voert Ligier aan dat, voor zover het forumkeuzebeding geen gelding zou hebben, dat de Franse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil op grond van artikel 5 van de algemene voorwaarden van Ligier, zoals vermeld op haar facturen aan GMS c.s. (productie 8 incident). Ligier stelt meer subsidiair dat op grond van artikel 4 Brussel I-bis-Verordening ook zonder forumkeuze de Franse rechter bevoegd is en dat van een uitzonderingsgrond op die hoofdregel geen sprake is.

4.2.

GMS c.s. voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en daarmee of zij bevoegd is om van de vorderingen van GMS c.s. kennis te nemen.

Kracht van gewijsde?

5.2.

GMS c.s. heeft aangevoerd dat al vaststaat dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van haar vorderingen kennis te nemen. GMS c.s. heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen naar de beschikking van deze rechtbank (ECLI:NL:RBLIM:2020:8870) naar aanleiding van haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. GMS c.s. stelt dat in het betreffende verzoek dezelfde rechtsbetrekking tussen haar en Ligier al voorlag en dat deze rechtbank reeds heeft geoordeeld dat zij bevoegd is. Tegen die beschikking is geen hoger beroep ingesteld, zodat zij kracht van gewijsde heeft gekregen. Zij heeft, op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv ook gezag van gewijsde tussen GMS c.s. en Ligier. Daaruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is van haar vorderingen kennis te nemen, aldus GMS c.s.

5.3.

Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. De ratio van artikel 236 Rv is dat het ongewenst is dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld. Wanneer een partij zich niet in een beslissing kan vinden, dient zij (cassatie)beroep aan te tekenen. Wanneer zij dat niet doet, krijgt de beslissing kracht van gewijsde. Met ‘de rechtsbetrekking in geschil’ wordt gedoeld op het geschilpunt, de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt. Artikel 236 lid 1 Rv is ook van toepassing op beschikkingen, waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in het geschil (HR 30 oktober 1998, NJ 1999/83).

5.4.

Deze rechtbank heeft in haar beschikking van 30 november 2020 een beslissing genomen omtrent haar bevoegdheid en kort gezegd een voorlopig getuigenverhoor gelast. In die verzoekschriftprocedure is de gestelde grondslag van de vorderingen van GMS c.s. door de rechtbank niet inhoudelijk onderzocht en heeft zij dientengevolge over de ‘rechtsbetrekking in geschil’, in de zin van artikel 236 lid 1 Rv, ook geen inhoudelijke beslissing gegeven. De rechtbank heeft immers alleen een beslissing gegeven over de bevoegdheidskwestie en over de vraag of al dan niet een voorlopig getuigenverhoor moet worden gelast. De bevoegdheidskwestie kan in dit verband, ook ten aanzien van hetzelfde geschil, dan ook niet worden beschouwd als de ‘rechtsbetrekking in geschil’. Reeds om deze reden faalt het beroep van GMS c.s. op artikel 236 lid 1 Rv.

Forumkeuze?

5.5.

Ligier vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de hoofdzaak kennis te nemen, omdat zij van mening is dat alleen de Franse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen, allereerst vanwege een door partijen overeengekomen forumbeding.

5.6.

Het beroep van Ligier op het forumkeuzebeding in de distributieovereenkomst, althans in haar algemene voorwaarden, kan niet slagen. GMS c.s. grondt haar vordering in de hoofdzaak immers niet op die distributieovereenkomst. De rechtbank laat daarbij overigens in het midden of het forumkeuzebeding ook gold ter zake van de nieuwe (mondelinge) afspraken vanaf 2014. GMS c.s. beroept zich immers uitsluitend op een haars inziens door Ligier jegens haar gepleegde onrechtmatigde daad, die bestaat uit daden van oneerlijke concurrentie en daden die de concurrentie in Nederland beperken, alsmede daarin is gelegen dat GMS c.s. door Ligier onder druk gezet is om een onvoordelige transactie aan te gaan. De feiten die GMS c.s. ter onderbouwing van die onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag legt, vallen buiten de reikwijdte van de distributieovereenkomst.

Brussel I-bis-Verordening

5.7.

Niet ter discussie staat dat de Brussel I-bis-Verordening (hierna: “de Verordening”) van toepassing is op de rechtsverhouding van partijen. De in dit incident ter discussie staande bevoegdheidskwestie dient te worden beslecht op basis van de Verordening.

5.8.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Voor Ligier zou dit betekenen dat de Franse rechter bevoegd is. Op het uitgangspunt van artikel 4 van de Verordening gelden echter een aantal uitzonderingen. Eén van die uitzonderingen is neergelegd in artikel 7 aanhef en onder 2 van de Verordening. Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in een andere lidstaat worden opgeroepen ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Die uitzondering doet zich, gelet op de door GMS c.s. aangevoerde grondslag van de vorderingen in de hoofdzaak, voor. Het schadeveroorzakende feit waarop GMS c.s. zich beroept heeft zich in Nederland voorgedaan en kan zich nog in Nederland voordoen (gevolgschade), zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van GMS c.s. kennis te nemen.

5.9.

De rechtbank is gezien al het voorgaande van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak en dat gelet hierop de incidentele vordering moet worden afgewezen.

5.10.

Ligier zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van GMS c.s. in het incident (1 punt x tarief II € 563,-) worden veroordeeld.

6 De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

Nu vastgesteld is dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen, dient het inhoudelijke debat in de hoofdzaak tussen partijen voortgezet te worden.

De rechtbank zal daartoe een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden en de zaak verwijzen naar de rol van 7 juli 2021 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten. De rechtbank bepaalt dat dat verhinderdagen over de periode januari tot en met april 2022 opgegeven dienen te worden.

6.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

6.3.

In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen, die niet langer mogen duren dan 15 minuten. Uitgebreidere mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

6.4.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

wijst het gevorderde af,

7.2.

veroordeelt Ligier in de kosten van het incident, aan de zijde van GMS c.s. tot op heden begroot op € 563,-,

in de hoofdzaak

7.3.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. V.E.J. Noelmans in het gerechtsgebouw te Maastricht aan St. Annadal 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

7.4.

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

7.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 juli 2021 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2022, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

7.6.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

7.7.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

7.8.

wijst partijen er op, dat voor de zitting 2,5 uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM