Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5301

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
20/1255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vergunninghoudster exploiteert een bemand tankstation. Het college heeft haar een omgevingsvergunning voor de e-activiteit (milieuvergunning) verleend die het mogelijk maakt dat het tankstation ook onbemand kan worden geëxploiteerd. Omwonenden hebben hiertegen beroep ingesteld. Zij hebben zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Niet in geschil is dat het geldende bestemmingsplan ter plaatse niet (meer) voorziet in de verkoop van brandstoffen. Partijen verschillen van mening over de vraag of het overgangsrecht van het bestemmingsplan van toepassing is. Op grond van het overgangsrecht is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Omdat de mogelijkheden om te tanken met een uur per dag en op feestdagen worden verruimd, is eerder sprake van een vergroting dan een verkleining van de afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het overgangsrecht toepassing mist. De omgevingsvergunning voor de e-activiteit had niet kunnen worden aangevraagd / verleend zonder tevens een omgevingsvergunning voor de c-activiteit aan te vragen / te verlenen. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 20/1255

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2021 in de zaak tussen

[Naam 1] en [naam 2] , te [plaatsnaam] , eisers

(gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, verweerder (gemachtigden: A.P.F. Rompen, X.H.E. Rijnders en mr. D.H.A.S. Gidding).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: LUKOIL Netherlands B.V. te Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel

2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het oprichten van een tankstation aan de [straatnaam] [nr.] te [plaatsnaam] , waarvan zowel bemand als onbemand tussen 7.00 en 21.00 uur gebruik kan worden gemaakt.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021. Zowel eisers als hun gemachtigde zijn, zoals vooraf is aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder [naam 3] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Vergunninghoudster exploiteert een (bemand) tankstation aan de [straatnaam] [nr.] te [plaatsnaam] (de inrichting). Voor de inrichting is op 31 december 1991 een vergunning verleend op grond van de Hinderwet voor een herstelinrichting voor motorvoertuigen en een tankstation. Vergunninghoudster heeft op 18 januari 1996 een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer en op 16 november 2006 een melding op grond van het Besluit tankstations milieubeheer gedaan. Sinds 1 januari 2008 valt de inrichting onder de werking van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim). Met ingang van 1 januari 2013 is de citeertitel van het Barim gewijzigd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).

2. Op 25 november 2019 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning die het mogelijk maakt dat van haar tankstation niet alleen bemand maar ook onbemand gebruik kan worden gemaakt (tussen 7.00 en 21.00 uur).

3. Van deze aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo maken (onder meer) deel uit: de Notitie Beoordeling onbemand opereren benzinetankstation van Aviv van 15 februari 2019, de Niet-technische samenvatting en milieukundige onderbouwing van Jacobs Omgevingsadvies B.V. van 20 november 2019, een akoestisch onderzoek van Kragten van 22 november 2019 en de Leveringsprocedure Lukoil Netherlands.

4. Voor (gedeeltelijk) onbemande tankstations is, anders dan voor volledig bemande tankstations, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1° en 3°, van de Wabo vereist. Dat volgt uit artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met bijlage I, onderdeel C, categorie 5.4, aanhef en onder e, van het Bor op grond waarvan inrichtingen die vloeibare brandstoffen afleveren ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en waarbij er minder dan 20 meter afstand tussen de afleverzuil en een woning is, vergunningplichtig zijn.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften verleend. Verweerder heeft in zijn besluit de in artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo genoemde milieuaspecten betrokken en geconcludeerd dat de inrichting op dit punt voldoet aan de beste beschikbare technieken (artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Verweerder heeft de aanvraag tevens beschouwd als een melding op grond van het Activiteitenbesluit.

5.1.

Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en op grond daarvan heeft hij geconcludeerd dat de activiteiten van de inrichting niet worden genoemd in artikel 2 van het Bevi. Het Bevi is daarom niet van toepassing.

5.2.

Op de inrichting is het naast de verleende omgevingsvergunning ook het Activiteitenbesluit van toepassing. Verweerder heeft de aanvraag onder meer getoetst aan de brandveiligheidsregels van de afdelingen 3.3 en 3.4 van het Activiteitenbesluit in samenhang met diezelfde afdelingen van de Activiteitenregeling milieubeheer (Activiteitenregeling) die zien op het opslaan en afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer. Omdat de afleverzuilen zich binnen 20 meter van een woning bevinden, is het risico van een plasbrand op die woningen en de daarin aanwezige personen bezien. De bevindingen zijn neergelegd in de Notitie Beoordeling onbemand opereren benzinetankstation van Aviv. Op grond van die notitie heeft verweerder geconcludeerd dat de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling voldoende bescherming bieden tegen het risico dat met het afleveren van vloeibare brandstof aan het wegverkeer gepaard gaat. Daarnaast is een risicobeoordeling van het afleveren van vloeibare brandstof door een tankauto uitgevoerd. Verweerder heeft bij die beoordeling de regels in het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regelingen, de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), het Reglement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG) en de Leveringsprocedure Lukoil Netherlands betrokken en concludeert op grond daarvan dat de hierin gestelde regels en eisen voldoende bescherming bieden tegen de risico’s van het afleveren van vloeibare brandstof door een tankauto. De leveringsprocedure van Lukoil is als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden (voorschrift 3.10).

5.3.

De door de inrichting veroorzaakte geluidsbelasting (met name veroorzaakt door voertuigbewegingen) is in kaart gebracht in het akoestisch onderzoek van Kragten. Hieruit blijkt dat bij de woning van eisers aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 50 dB(A) in de dagperiode wordt voldaan. Datzelfde geldt voor de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A). Verweerder heeft aan de omgevingsvergunning voor de dagperiode die loopt van 7.00 tot 21.00 uur (alleen dan is het tankstation geopend) voorschriften met grenswaarden verbonden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau. Daarbij zijn de maximale geluidniveaus als gevolg van het lossen van de tankauto en het lossen van de vrachtauto die de shop bevoorraadt uitgezonderd. Verder blijkt uit het onderzoek dat de voorkeursgrenswaarde van het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg (uit de circulaire Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer) van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Tot slot is de geluidsbelasting van het gebruik van een bladblazer (gedurende vijf weken per jaar, twee keer per week en 15 minuten per dag), zijnde een incidentele bedrijfssituatie, bij voorschrift uitgezonderd van de grenswaarden.

Beroepsgronden

6. Eisers wonen in de naast het tankstation gelegen woning aan de [straatnaam] [nr.] te [plaatsnaam] en hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij vrezen als gevolg van de omgevingsvergunning voor geluidhinder alsmede voor een incident bij het lossen van brandstoffen.

6.1.

Eisers hebben het standpunt ingenomen dat het bestemmingsplan ‘Kern Gulpen’, vastgesteld op 19 april 2010 (het bestemmingsplan), ter plaatse niet voorziet in de verkoop van brandstoffen. Dat betekent dat op die plek ook geen shop mag zijn gevestigd. De aanvraag is daarom in strijd met de bestemming ‘Centrum-2’ van het bestemmingsplan (artikel 8.5.2 van de planregels). Het overgangsrecht gebruik van artikel 36.2.1 van de planregels biedt vergunninghoudster geen soelaas, nu de aard en omvang van het onder het voorafgaande bestemmingsplan (eveneens genaamd ‘Kern Gulpen’) toegestane gebruik worden vergroot. Niet alleen worden de openingstijden feitelijk verruimd van 7.00 tot 21.00 uur (was tot 20.00 uur), de inrichting is nu ook op feestdagen in werking. Bovendien gaat de inrichting over van een type B-inrichting naar een type C-inrichting, wat betekent dat de inrichting meer milieubelastend is. Tot slot wordt er buiten een betaalvoorziening (een pinzuil) toegevoegd. Dit zal er toe leiden dat bezoekers buiten de openingstijden het tankstation benaderen omdat ze vanwege de pinzuil menen dat er 24 uur per dag kan worden getankt. Op grond van het voorgaande had de omgevingsvergunning milieu niet verleend mogen worden.

6.2.

Wat betreft de externe veiligheid is volgens eisers de inrichting te beperkt van omvang om uitvoering te geven aan de leveringsprocedure van Lukoil, neergelegd in voorschrift 3.10. De tankauto’s staan bij het lossen op de openbare weg, het fietspad en het trottoir. De vulslangen liggen over de openbare weg. Voetgangers en fietsers moeten worden omgeleid en daarnaast rijden er ook nog bezoekers van en naar het tankstation. De chauffeur van de tankauto kan hier onmogelijk gelijktijdig uitvoering aan geven. Verweerder had op dit punt niet kunnen volstaan met het als voorschrift opnemen van een algemene leveringsprocedure. Bovendien kan hetgeen in de considerans van de omgevingsvergunning is opgenomen over de veiligheid bij het lossen van brandstoffen niet worden afgedwongen en daarom trekken eisers de effectiviteit van die maatregelen in twijfel.

Gelet op de beperkte omvang van de inrichting staat in de visie van eisers op voorhand vast dat de tankwagens feitelijk buiten de inrichting brandstoffen lossen. Voor die activiteiten buiten de inrichting gelden niet de vergunningvoorschriften en de regels van het Activiteitenbesluit die zien op de veiligheid (en de bodem) waardoor handhaving niet mogelijk is.

6.3.

Bij de beoordeling van de geluidbelasting is ten onrechte geen rekening gehouden met het geluid van het dichtslaan van de krantenbak vroeg in de ochtend (vóór opening van het tankstation), de karretjes waarmee de shop wordt bevoorraad en het lossen van de tankauto’s (het slepen van slangen over de stoep, het opbergen van de slangen en het koppelen en ontkoppelen van de vulslangen).

6.4.

Eisers hebben tot slot hun zienswijze ingelast. Daarin wordt in aanvulling op het voorgaande gesteld dat bij het lossen van een tankauto de veiligheid van weggebruikers in het gedrang komt, eisers overlast ondervinden van de geur van brandstoffen en het geluid van de bladblazer en bezoekers door de aanwezigheid van een betaalvoorziening menen dat het tankstation 24 uur geopend is en zij er daarom buiten de openingstijden toch stoppen met geluidoverlast tot gevolg.

Standpunt verweerder

7. Bij verweerschrift heeft verweerder weersproken dat de omgevingsvergunning leidt tot een vergroting van het strijdige gebruik en daarom het overgangsrecht van het bestemmingsplan toepassing mist. Er worden geen functies toegevoegd en de activiteiten worden niet uitgebreid. Het gebruik was op grond van de eerder verleende vergunning en het Activiteitenbesluit onbegrensd (in uren en dagen), terwijl de inrichting op grond van de nu verleende omgevingsvergunning alleen dagelijks van 7.00 tot 21.00 uur in werking mag zijn. De wijziging van een type B naar een type C-inrichting is louter vanwege een wijziging van de mogelijke bezetting van het tankstation en er wordt enkel een betaalvoorziening toegevoegd (de afleverzuilen, shop en opslag blijven ongewijzigd). Verweerder heeft verder gesteld dat het tankstation zich al lange tijd op die locatie bevindt en dat er sprake is van een omissie in het bestemmingsplan (die bij een toekomstig actualisatie zal worden gerepareerd).

7.1.

Verweerder handhaaft zijn standpunt dat voldoende rekening is gehouden met een mogelijk incident met een tankauto. Het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, de ADR en het VLG bieden voldoende bescherming. Verweerder ziet daarbij geen aanleiding om aan te nemen dat de maatregelen uit de leveringsprocedure niet uitvoerbaar en daarmee niet effectief zijn. Het Activiteitenbesluit biedt geen mogelijkheid om voor deze aspecten maatwerkvoorschriften op te leggen. Er is op grond van het Activiteitenbesluit een melding gedaan en op grond van de regels van het Activiteitenbesluit kan worden gehandhaafd.

Verweerder ontkent dat er activiteiten buiten de inrichting plaatsvinden. De tankauto’s staan zodanig opgesteld dat het lossen van brandstoffen binnen de inrichting plaatsvindt. Daar doet niet aan af dat de tankauto deels buiten de inrichting staat. Hieruit volgt dat de regels van de omgevingsvergunning en het Activiteitenbesluit op het lossen van toepassing zijn.

7.2.

De bevoorrading van de shop en het lossen van tankauto’s zijn volgens verweerder in het akoestisch onderzoek meegenomen. Het handmatig lossen van goederen voor de shop is akoestisch niet relevant, er wordt namelijk uitsluitend een steekwagen gebruikt. Dat geldt ook voor het lossen van brandstoffen omdat er geen gebruik wordt gemaakt van een pomp. Het bezorgen van kranten voor de shop buiten de openingstijden maakt geen onderdeel uit van de aanvraag (die is beperkt tot de openingstijden) en betreft daarom een handhavingsaspect.

7.3.

Voor zover eisers hun zienswijze hebben ingelast en daarin andere gronden zijn aangevoerd, verwijst verweerder naar het bestreden besluit.

Beoordeling

Strijd met het bestemmingsplan (onlosmakelijkheid)

8. De rechtbank overweegt dat vergunninghoudster een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1° en 3°, van de Wabo (e-activiteit) heeft gedaan. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten. In de visie van vergunninghoudster is er geen sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (c-activiteit) en daarom heeft zij hiertoe geen aanvraag ingediend. Verweerder volgt dat standpunt. Indien echter het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan had vergunninghoudster op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo een aanvraag voor de c-activiteit moeten indienen en had verweerder niet zonder tevens een omgevingsvergunning voor de c-activiteit te verlenen (althans op de daarvoor vereiste aanvraag te beslissen) de omgevingsvergunning voor de e-activiteit kunnen verlenen. Verweerder heeft op zitting verklaard dat hij, hoewel eisers in hun gronden van beroep geen expliciet beroep hebben gedaan op artikel 2.7 van de Wabo, er vanuit is gegaan dat het standpunt van eisers dat sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan impliceert dat zij van mening zijn dat sprake is van een onlosmakelijke activiteit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen en overweegt dat ingevolge dit artikel de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor draagt dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project, tenzij een aanvraag in twee fasen wordt gedaan (artikel 2.5 van de Wabo). Naar het oordeel van de rechtbank is hier, indien zou moeten worden aangenomen dat het beoogde gebruik in strijd is met bestemmingsplan, sprake van een onlosmakelijke activiteit. Er is geen aanvraag in twee fasen gedaan. De beroepsgronden over de planologische aspecten kunnen daarom in deze procedure een rol spelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de uitzondering genoemd in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo op de onlosmakelijkheid voor de c-activiteit zich hier niet voordoet. Vergunninghoudster heeft namelijk niet los en voorafgaand aan de onderhavige aanvraag hiertoe een aanvraag ingediend. De rechtbank zal daarom in het navolgende beoordelen of in dit geval sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik.

Strijdig gebruik?

9. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het bestemmingsplan ter plaatse van de inrichting een tankstation met shop niet (langer) mogelijk maakt. Partijen houdt verdeeld of het overgangsrecht gebruik van artikel 36.2 van de planregels van toepassing is.

9.1.

Ingevolge artikel 36.2.1 van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Dit artikellid is op grond van artikel 36.2.4 van de planregels niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

9.2.

De rechtbank stelt vast dat partijen niet verdeeld houdt dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse een tankstation was toegestaan. In geschil is of wordt voldaan aan artikel 36.2.2 van de planregels.

9.3.

Ingevolge artikel 36.2.2 van de planregels is het, overeenkomstig de in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven regeling, verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind (cursivering door rechtbank).

9.4.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is, rust op degene die zich daarop beroept (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY7991, nadien herhaald in de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1497). Bij de toets of het gebruik onder het overgangsrecht valt moet (de aard en omvang van) het vergunde feitelijk gebruik worden vergeleken met (de aard en omvang van) het feitelijk gebruik ten tijde van de peildatum, zijnde de datum van het in werking treden van het bestemmingsplan (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2014, ECLI:NL:2014:3041). Hieruit volgt dat de (maximale) gebruiksmogelijkheden onder het voorafgaande bestemmingsplan voor de beoordeling of het overgangsrecht van toepassing is, niet van betekenis zijn.

9.5.

De rechtbank overweegt dat haar uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat (de aard en omvang van) het huidige gebruik van het tankstation (enigszins) is / wordt gewijzigd ten opzichte van het gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2010. In de huidige situatie is het tankstation enkel bemand in gebruik. Dat betekent dat er alleen kan worden getankt als de shop is geopend. De shop sluit, zoals vergunninghoudster op zitting heeft bevestigd, doorgaans omstreeks 20:00 uur. Op feestdagen is de shop gesloten. Door het realiseren van een betaalvoorziening (één pinzuil waarmee de aanwezige tankzuilen in werking kunnen worden gesteld) wordt het mogelijk om ook na sluiting van de shop tot 21:00 uur en op feestdagen te tanken. Het aantal tankzuilen blijft onveranderd en de shop blijft ook in de nieuwe situatie op dezelfde wijze bestaan.

9.6.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de functie van de inrichting niet zal wijzigen (het blijft een tankstation) onvoldoende is om te oordelen dat het gebruik naar aard en omvang onveranderd is (zie de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2014). Van belang is tevens of er binnen die functie sprake is van een verandering. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat zowel de aard als de omvang van het gebruik van het tankstation wijzigen. De aard van het gebruik verandert van geheel bemand naar deels onbemand gebruik. De verruimde mogelijkheden om te tanken (tussen 20:00 en 21:00 uur en op feestdagen) behelzen een verandering van de omvang van het gebruik. De mogelijkheden om het onder het overgangsrecht toegelaten gebruik nog te veranderen zijn beperkt tot veranderingen waardoor de afwijking naar aard en omvang ten opzichte van het in het nieuwe bestemmingsplan bepaalde wordt verkleind. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan hier in ieder geval wat betreft de omvang van het gebruik geen sprake. Een feitelijke verruiming van de openingstijden van het tankstation vormt eerder een vergroting dan een verkleining van de afwijking van het bestemmingsplan.

9.7.

Het overgangsrecht beschermt feitelijk bestaand gebruik dat wordt wegbestemd en niet meer dan dat. De bedoeling van het overgangsrecht, ook al is hier wellicht sprake van een onbedoelde keuze van de bestemmingsplanwetgever, is het laten uitsterven van dat bestaande gebruik. Elke (feitelijke) verandering van het gebruik die niet tot een verkleining van de afwijking van het bestemmingsplan leidt, is dan ook niet toegestaan, tenzij door het niet toestaan van die verandering het feitelijk uitoefenen van het door het overgangsrecht beschermde gebruik niet meer mogelijk is. Dat laatste is hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. In dit licht bezien oordeelt de rechtbank dat hier sprake is van een gebruikswijziging die niet wordt beschermd door c.q. niet past binnen de beschermende werking van het overgangsrecht. De rechtbank beseft zich dat dit zuur is voor vergunninghoudster, maar dat kan niet afdoen aan het feit dat hier slechts sprake is van een ingevolge overgangsrecht toegestaan gebruik en niet van een volwaardige bestemming met (ruimere) gebruiksmogelijkheden. Zowel verweerder als vergunninghoudster hebben die situatie sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2010 laten bestaan en gelet op het rechtszekerheidsbeginsel mogen omwonenden er op basis van het huidige bestemmingsplan vanuit gaan dat slechts veranderingen zullen plaatsvinden die de afwijking van dat bestemmingsplan verkleinen.

9.8.

Gelet op hetgeen onder 8 tot en met 9.7 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat, nu het overgangsrecht toepassing mist, de omgevingsvergunning voor de e-activiteit niet had kunnen worden aangevraagd / verleend zonder tevens een omgevingsvergunning voor de c-activiteit aan te vragen / te verlenen (althans op de daarvoor vereiste aanvraag te beslissen).

9.9.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de andere beroepsgronden van eisers.

Conclusie

10. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder opnieuw op de aanvraag van vergunninghoudster dient te beslissen, met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

11. Nu het beroep gegrond is, dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

12. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan eisers is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt (voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1 gemiddeld) met een waarde van
€ 534,- per punt, toegekend. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 534,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers wegens verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mrs. A. Snijders en G. Leijten, leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 30 juni 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.