Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:5206

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
03/128894-19, 03/039256-21 (ttz.gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 35 maanden gevangenisstraf met aftrek voor Opiumwet-feiten (aanwezig hebben verschillende hoeveelheden hard- en softdrugs en vervoeren harddrugs) en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers : 03/128894-19, 03/039256-21 (ttz.gev.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Op de Geer te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2021. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 03/128894-19:

feit 1: op 20 mei 2019 samen met anderen, althans alleen, 474,54 gram cocaïne, 319,44 gram heroïne en 13,41 kilogram (ongeveer 32.000 stuks) pillen MDMA aanwezig heeft gehad;

feit 2: op 20 mei 2019 samen met anderen, althans alleen, 910 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad;

feit 3: in de periode van 20 februari 2019 tot en met 26 maart 2019 samen met anderen, althans alleen, 103,6 gram cocaïne, 24,9 gram heroïne en 1934 pillen MDMA aanwezig heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 03/039256-21:

feit 1: op 8 januari 2021 51,3 gram cocaïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;

feit 2: geldbedragen van € 1.480,00, € 1.000,00 en € 17,50 heeft witgewassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

t.a.v. feit 1 en 2 onder parketnummer 03/128894-19:

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte samen met anderen de in de tenlastelegging vermelde drugs aanwezig heeft gehad in de woning aan de [adres] in Venlo. De bewoner van deze woning (en tevens medeverdachte) [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de drugs niet van hem waren, maar dat deze in zijn woning door anderen bewaard werden. Drie mannen kwamen in de woning om drugs te halen en brengen. Gelet op de telefoongegevens en de verrichte observaties, die de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteunen, acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte een van de drie mannen was die de drugs in de woning bewaarden. De verklaring van de verdachte dat hij enkel in de woning kwam om bolletjes te draaien, vindt geen steun in het dossier en is onaannemelijk.

t.a.v. feit 3 onder parketnummer 03/128894-19:

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde drugs aanwezig heeft gehad. De drugs werden aangetroffen in een auto die door de verdachte werd gebruikt. In de auto lagen papieren op naam van de verdachte en op één van de zakjes cocaïne zat een vingerafdruk van de verdachte. Dat de verdachte zich bezig hield met drugshandel volgt ook uit observaties en uit telefoonverkeer.

t.a.v. feit 1 en 2 onder parketnummer 03/039256-21:

De officier van justitie acht beide feiten bewezen. De drugs en geldbedragen werden bij de verdachte aangetroffen. Voor het bezit van de geldbedragen heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen, zodat sprake is van witwassen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

t.a.v. feit 1 en 2 onder parketnummer 03/128894-19:

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De verdachte is weliswaar in de woning aan de [adres] geweest, maar niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de afgesloten muurkast in de woning en dat de verdachte enige zeggenschap over deze drugs had. De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn inconsistent, er zijn geen sporen van de verdachte aangetroffen op/in de muurkast en de verdachte is niet de gebruiker van het telefoonnummer dat de officier van justitie aan hem koppelt.

t.a.v. feit 3 onder parketnummer 03/128894-19:

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft een maand voordat de drugs werden aangetroffen wel eens in de betreffende auto gereden, maar niet gebleken is dat de drugs toen al in de auto lagen, dat de verdachte wist dat er drugs in de auto lagen en dat de drugs zich in zijn machtssfeer hebben bevonden. Voor de aanwezigheid van zijn vingerafdruk op één van de zakjes cocaïne in het dashboardkastje heeft de verdachte een alternatief scenario geschetst.

t.a.v. feit 1 onder parketnummer 03/039256-21:

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

t.a.v. feit 2 onder parketnummer 03/039256-21:

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Niet bewezen kan worden dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft een concrete en aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van de bij hem aangetroffen geldbedragen, zodat geen sprake is van witwassen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 03/128894-19

feit 1 en 2

Bewijsmiddelen 1

In verband met onderzoek naar de handel in verdovende middelen is de flatwoning aan de [adres] in de gemeente Venlo in de periode van 18 april 2019 tot en met 20 mei 2019 gedurende zes dagen geobserveerd. Op vijf van de zes dagen waarop de woning geobserveerd is, is waargenomen dat verdachte [verdachte] de woning met een sleutel betrad. Verder is waargenomen dat verdachte [medeverdachte 2] op 18 mei 2019 gedurende enkele minuten in de woning is geweest en dat medeverdachte [medeverdachte 3] op vier van de zes dagen de woning binnen is gegaan.2

Op 20 mei 2019 is de politie de woning aan de [adres] binnengetreden en heeft zij deze doorzocht. Op de vraag of er verdovende middelen in de woning aanwezig waren, antwoordde de bewoner, verdachte [medeverdachte 1] , dat hij een muurkast op de overloop had uitgeleend aan ene [naam 1] of [naam 2] . [medeverdachte 1] had het vermoeden dat er drugs in deze kast lagen, maar hij beschikte niet over een sleutel van deze kast. De rechter muurkast bleek afgesloten te zijn en werd met een bij medeverdachte [medeverdachte 3] aangetroffen sleutel geopend.3 In de muurkast werden aangetroffen:

- 7 zakken met paarskleurige pillen met op een zijde een afdruk van een 500 eurobiljet en op de andere zijde de tekst 'purple'. Het totaalgewicht van de pillen was 13,41 kilogram en de pillen bleken MDMA te bevatten. 4 Het netto gewicht van een losse pil betreft 0,42 gram5, zodat het in totaal zo’n 32.000 pillen betrof.

- 1 grote bruinkleurige brok van 290 gram (bruto) en een plastic zak met 29,44 gram bruinkleurig poeder. Dit brok en dit poeder bleken heroïne te bevatten.6

- witkleurige brokken met een totaalgewicht van (130+130+120+27,48+51,85+67,06+4,41=) 530,8 gram, en wit poeder met een totaalgewicht van (5,5+1,96=) 7,46 gram. De witte brokken en het wit poeder bleken cocaïne te bevatten.7

- 10 plakken bruinkleurige vaste kleverige substantie met een totaalgewicht van 910 gram, welke substantie ambtshalve werd herkend als zijnde hashish.8

In de wandkast stond een kluis waarin zich een deel van de aangetroffen cocaïne bevond. Bij de insluiting van [medeverdachte 3] haalde hij een sleutelbos uit zijn kleding. De sleutel van deze kluis bleek zich op deze sleutelbos te bevinden.9

Op een van de plastic sealbags met pillen die in de woning werd aangetroffen, is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook werd op twee van de plastic zakken een vingerafdruk aangetroffen die mogelijk afkomstig is van [medeverdachte 3] .10

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere keren in de woning aan de [adres] is geweest.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij circa twee maanden vóór de doorzoeking benaderd werd door zijn dealer, genaamd [naam 1] of [naam 2] , met de vraag of er pillen in zijn woning opgeslagen mochten worden. In ruil voor de opslag van de pillen kreeg [medeverdachte 1] cocaïne en heroïne. [medeverdachte 1] is hiermee akkoord gegaan en heeft een sleutel van de woning aan [naam 1] / [naam 2] gegeven en een van de muurkasten op de gang aan hem ter beschikking gesteld. Er kwamen drie mannen in de woning van [medeverdachte 1] : [naam 1] / [naam 2] , de man die op 20 mei 2019 ’s ochtends bij de woning was (de rechtbank begrijpt op basis van de observaties en de herkenning door [medeverdachte 1] dat dit [medeverdachte 3] moet zijn geweest) en een lange Indische jongen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de mannen al snel meerdere keren per dag in zijn woning kwamen en dat er steeds meer binnen kwam, waardoor [medeverdachte 1] geen vat meer had op de situatie. [medeverdachte 1] heeft ook gezien dat ze in zijn woning bolletjes wit (de rechtbank begrijpt: cocaïne) en bolletjes bruin (de rechtbank begrijpt: heroïne) aan het tellen waren.11

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij na zijn aanhouding een keer samen met [naam 1] / [naam 2] in het transportbusje van de rechtbank naar de P.I. heeft gezeten. [naam 1] / [naam 2] zou [medeverdachte 1] tijdens dit transport bedreigd hebben omdat [medeverdachte 1] het nummer van de werklijn en [naam 1] ’s/ [naam 2] privénummer aan de politie had gegeven. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] op 29 mei 2019 voor het eerst voor de raadkamer is verschenen en dat [verdachte] diezelfde dag voor de rechter-commissaris is geleid. Navraag bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning heeft uitgewezen dat uit de beschikbare informatie uit het voertuigvolgsysteem dat aanwezig is op deze bussen, het bijna niet anders kan dan dat de verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] op 29 mei 2019 tussen 14:29 uur en 14:51 uur samen werden vervoerd in een arrestantenbus.12

[medeverdachte 1] heeft het telefoonnummer van [naam 1] / [naam 2] aan de politie verstrekt. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De zus van [verdachte] heeft op 3 april 2019 tegenover verbalisanten verklaard dat het telefoonnummer van [verdachte] [telefoonnummer 1] betreft.13 [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] “een oud nummer” is.14

Bij [medeverdachte 2] werd op 20 mei 2019 een mobiele telefoon aangetroffen. Op deze telefoon werden diverse chats aangetroffen die volgens de politie betrekking hebben op verdovende middelen, de handel hierin en het klaarmaken hiervan voor de verkoop. Een van de contactpersonen op het toestel betreft contactnaam [contactnaam] met telefoonnummer

[telefoonnummer 1] . De politie heeft een aantal van de chatgesprekken met dit nummer uitgewerkt, waarbij D staat voor [medeverdachte 2] (althans de gebruiker van diens telefoon) en C voor [contactnaam] :

D: wat kost 10 orgi

C: 330

D: en adi

C: 260

D: thanks [naam 3]

Opmerking verbalisant: vermoedelijk worden hier prijzen van verdovende middelen opgevraagd, onbekend is

echter wat adi en orgi is.

D: Ewa broer

D: hoelaat wil je ongv dat ik maak

D: 88 doeroe 85 iti 6 affaus

D: 4xlG Doeroe

C: Ait

D: jatoch

0: door [medeverdachte 2] wordt gevraagd hoeveel drugs hij moet maken. vermoedelijk heeft hij reeds 88 bolletjes Doeroe (heroïne), 85 bolletjes cocaïne (iti) en 6 restjes (affaus) en 4xlgram heroïne gemaakt

D: ewa niffoo ik doe morgen vroeg sirb

C: oke neef

0: door [medeverdachte 2] wordt aangegeven dat hij morgenvroeg Sirb doet. Sirb is vermoedelijk een korter woord voor Sirbi, wat vermoedelijk synoniem staat voor dienst doen

D: [naam 3]

D: hebben we nog iti

C: laat [medeverdachte 3] of [naam 3] maken

O: er wordt gevraagd of er nog iti (cocaïne) is. Hierop wordt gereageerd dat [medeverdachte 3] (vermoedelijk [medeverdachte 3] ) of [naam 3] (onbekend wie hier wordt bedoeld) bolletjes

klaar moet maken.

D: [naam 3] hebbe we nog iti klaar liggen?

C: nee man beo

C: bel [medeverdachte 3] walker

C: Bro

O: [medeverdachte 2] vraagt of er nog iti (cocaïne) klaar ligt. Dit is niet het geval dus [medeverdachte 2] moet [medeverdachte 3] wakker bellen, vermoedelijk om te gaan maken. 15

Overwegingen en conclusies naar aanleiding van het bewijs

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in art. 2 onder C van de Opiumwet van belang is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte wist dat de drugs in de woning aan de [adres] in de gemeente Venlo aanwezig waren en dat deze drugs zich in zijn machtssfeer bevonden. De rechtbank neemt hierbij de verklaring van [medeverdachte 1] tot uitgangspunt. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] te twijfelen. Hij heeft over het algemeen consistent verklaard en hij heeft direct tegenover de verbalisanten ter plaatse een verklaring afgelegd over een man die drugs in zijn woning wilde opslaan ( [naam 1] / [naam 2] ) en over drie mannen die toegang hadden tot zijn woning. De rechtbank vindt de verklaring van [medeverdachte 1] ook betrouwbaar, omdat deze op meerdere onderdelen wordt ondersteund door de bevindingen uit het politiedossier. Tijdens de observaties zijn namelijk drie mannen – in wisselende samenstelling - bij de woning gezien, waaronder de verdachte, en de verdachte beschikte op meerdere momenten over een sleutel van deze woning. Bovendien is het telefoonnummer van [naam 1] / [naam 2] te linken aan de verdachte en is de verdachte de persoon die met [medeverdachte 1] in het transportbusje moet hebben gezeten toen [medeverdachte 1] op transport was met de persoon die hij kent als [naam 1] / [naam 2] .

De rechtbank is gelet op al deze feiten en omstandigheden van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de [naam 1] / [naam 2] waar [medeverdachte 1] over verklaart, de verdachte is. Uit het telefoonverkeer en de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat deze [naam 2] / [naam 1] , en dus de verdachte, zich op grote schaal bezig hield met drugshandel en dat de muurkast in de woning van [medeverdachte 1] hierbij werd gebruikt als opslagplaats. Dit maakt de verklaring van de verdachte dat hij enkel in de woning kwam om bolletjes cocaïne te draaien, onaannemelijk en ongeloofwaardig.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat drie personen zich in de woning bezig hielden met drugs, de verdachte had veelvuldig telefonisch contact met medeverdachte [medeverdachte 2] over de handel in drugs, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn tijdens de observaties bij de woning gezien en de vingerafdruk van [medeverdachte 2] , en mogelijk die van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen op een van de zakken met MDMA. [medeverdachte 3] was ten tijde van de aanhouding op 20 mei 2019 in het bezit van zowel de sleutel van de muurkast als de sleutel van de zich in die muurkast bevindende kluis. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte niet als enige de zeggenschap had over de drugs, maar dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen, zodat sprake is van medeplegen.

feit 3

Bewijsmiddelen 16

Op 21 februari 2019 heeft de politie onderzoek verricht naar de mogelijke handel in drugs op de locatie Kazerneterrein in Venlo. De politie ziet die dag meerdere keren een grijze Fiat Bravo voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken] het Kazerneterrein oprijden. De Fiat stopt bij een persoon of personenauto en rijdt vervolgens na kort contact weer weg. Om 17.00 uur die dag wordt de verdachte herkend als de bestuurder van de Fiat.17 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel eens in de Fiat reed.

Op 26 maart 2019 is de Fiat Bravo met Nederlands kenteken [kenteken] onder eigenaar [naam 4] in beslag genomen.18 Het voertuig is onderzocht. In het dashboardkastje werden zakjes met een totale hoeveelheid van (21,4+47,2+21,8+13,2=) 103,6 gram wit poeder / witte brokken aangetroffen. Dit bleek cocaïne te bevatten.19 Verder lag in het dashboardkastje een boterhamzakje met 24,9 gram bruin poeder / brokken. Dit bleek heroïne te bevatten.20

In de kofferbak van het voertuig lag een groene plastic zak met daarin twee boterhamzakken met in totaal (1000+934=) 1934 paarse pillen. Deze pillen bleken MDMA te bevatten.21 Verder lagen in de kofferbak bescheiden op naam van de verdachte, waaronder een brief van een deurwaarder gedateerd 25 februari 2019.

Op de verpakking van één van de zakken met pillen wordt een vingerafdruk van [medeverdachte 3] gevonden.22 Op de verpakking van één van de zakjes met cocaïne wordt een vingerafdruk van de verdachte gevonden.23

De telefoon van de eigenaar van de Fiat, [naam 4] , is onderzocht. De politie beschrijft dat tijdens het uitlezen van de gesprekken opviel dat [naam 4] met in totaal 10 contacten gesprekken voerde waarin diverse termen voorbij kwamen die op zijn minst

de indruk wekten dat hij betrokken was bij de handel in verdovende middelen.

Een van de contacten uit de telefoon van [naam 4] betrof ‘ [medeverdachte 3] Nieuw’ met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De persoon op de profielfoto wordt door verbalisanten herkend als [medeverdachte 3] . In totaal wordt het woord 'Serbi', dat volgens de politie dienst betekent, twee (2) keer gebruikt in de chats tussen [medeverdachte 3] Nieuw en [naam 4] :

- Op 9 februari 2019 te 13.19 uur, stuurt [naam 4] naar [medeverdachte 3] Nieuw het tekstbericht;

'Hoelang bn je klaar heb 2gr doeree nodig'

- Op 10 februari 2019 te 12.37 uur, stuurt [naam 4] naar [medeverdachte 3] Nieuw het tekstbericht;

'Heb 4gr doeroe nodig' gevolgd door de berichten; 'En snoepjes' en 'Boroes'

- Op 10 februari 2019 te 21.09 uur, stuurt [naam 4] naar [medeverdachte 3] Nieuw het tekstbericht;

'Wil je 2gr doeroe maken die kk hoer maakt mij ziekkkk'.

Een ander contact uit de telefoon van [naam 4] betrof ‘ [contactnaam verdachte] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Op de profielfoto van dit contact staan twee personen, waarvan één door de verbalisanten wordt herkend als de verdachte, [verdachte] . Dit nummer is hetzelfde telefoonnummer als waarvan de rechtbank hierboven bij de bewijsmiddelen opgesomd onder feit 1 en 2 heeft vastgesteld dat het in gebruik was bij verdachte. De term ’Serbi' wordt in totaal 12 keer gebruikt in de chat Daarnaast blijkt volgens de politie uit deze chatgesprekken dat zij vermoedelijk zeer actief zijn op het gebied van de handel in verdovende middelen:

- Op 25 januari 2019 vanaf 09:17 uur, stuurt [contactnaam verdachte] naar [naam 4] het bericht 'Je moet serbi bro'. Pas later, omstreeks 18.58 uur, gevolgd door een bericht

waarin [contactnaam verdachte] aan [naam 4] vraagt om te kijken wat er nog in de zak zit, zodat gekeken

kan worden wat aangevuld moet worden. Daarbij gaat het voornamelijk om 'doeroe', waarmee volgens de politie heroïne wordt bedoeld.

- Op 7 februari 2019 om 13.06, stuurt [naam 4] naar [contactnaam verdachte] het berichtje: 'Polskie vroeg prijs 10g doeroe'. [contactnaam verdachte] antwoordt hierop met: '250'.

- Op 16 februari 2019 om 14.19 uur, stuurt [naam 4] naar [contactnaam verdachte] het berichtje; ’Ewa

hoeveel kreeg ok nog van serbi dan pak k die bij ot nou’. Hierop volgt een gesprek

waarbij [contactnaam verdachte] aan [naam 4] vraagt hoeveel hij had gewerkt. Daarop antwoordt [naam 4] dat

hij een (1) hele dag had gewerkt. Hierop antwoordde [contactnaam verdachte] met '100'.

- Op 16 maart 2019 om 14.24 uur, stuurt [naam 4] naar [contactnaam verdachte] het berichtje: 'Snoepjes var?'. Hierop reageert [contactnaam verdachte] met de vraag: 'Hoeveel?'. Hierop ontstaat een gesprek tussen beiden waarbij [naam 4] aangeeft een klant te hebben die 20 pakketten wil. [naam 4] vraagt tevens om foto's. Hierop stuurt [contactnaam verdachte] een tweetal foto's door van paarskleurige pillen. Deze pillen worden in de chat omschreven als “Voorkant paars 500” en “Achterkant staat purple”.24

Overwegingen en conclusies naar aanleiding van het bewijs

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte de in de auto aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. De verdachte maakte gebruik van de auto waarin de drugs werden aangetroffen, er zat een vingerafdruk van de verdachte op een van de zakjes met cocaïne, er lagen brieven geadresseerd aan de verdachte in de auto waaruit blijkt dat hij na 25 februari 2019 nog in de auto moet hebben gezeten en de chatgesprekken die in de telefoon van [naam 4] zijn aangetroffen, wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat “ [contactnaam verdachte] ” de verdachte is, gezien de overeenkomst met de voornaam [verdachte] en de profielfoto van het contact [contactnaam verdachte] , waarop de verdachte te zien is. De in de achterbak van de Fiat aangetroffen paarse pillen komen overeen met de in het chatgesprek van 16 maart 2019 tussen verdachte en [naam 4] gegeven beschrijving van de te verhandelen pillen en vertonen grote gelijkenis met de pillen waarvan de verdachte op 20 mei 2019 een grote hoeveelheid MDMA-pillen aanwezig had in de [adres] (feit 1). Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen de rechtbank tot het oordeel dat de drugs zich in ieder geval in de ten laste gelegde periode binnen de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. Hieruit volgt ook dat de rechtbank de verklaring van de verdachte dat zijn vingerafdruk per ongeluk op een zakje met cocaïne in het dashboardkastje terechtgekomen is, niet gelooft. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte de drugs met een ander of anderen aanwezig heeft gehad, zodat sprake is van medeplegen.

in de zaak met parketnummer 03/039256-21 25

Op 8 januari 2021 zagen verbalisanten in Venlo een zwarte Volkswagen Golf het Kazerneterrein oprijden. De bestuurder stapte uit. De verbalisanten herkenden hem als de hen ambtshalve als drugsdealer bekend staande [verdachte] . Zij zagen dat in de schoudertas van de verdachte een geldbedrag zat. De verdachte kon niet verklaren waarom hij dit geldbedrag bij zich had, waarna de verbalisanten aan de verdachte mededeelden dat zij in zijn voertuig gingen kijken en dat zij hem gingen fouilleren. Hierop rende de verdachte weg. Al rennende trok hij zijn jas uit en gooide deze op het zandpad. De verdachte werd uiteindelijk aangehouden.26 Tijdens de fouillering werd in zijn rechter broekzak een stapel geld van € 1.000,00 aangetroffen.27 In de linker jaszak van de door de verdachte weggegooide jas werd een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen. Het bleek te gaan om 49,87 gram wit poeder dat cocaïne bevatte.28 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het geld en de cocaïne voor een ander moest bewaren.

Overwegingen en conclusies naar aanleiding van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de cocaïne heeft vervoerd. De cocaïne werd in zijn jaszak aangetroffen nadat hij uit de auto gestapt was en bevond zich derhalve in zijn machtssfeer. Dat de verdachte wist dat de drugs zich in zijn jaszak bevonden, blijkt ook uit de verklaring van de verdachte dat hij de drugs voor een ander moest bewaren.

Bij de verdachte werden ook diverse geldbedragen aangetroffen. In zijn tasje zat € 1.480,00, in zijn broekzak zat € 1.000,00 en in de auto waarin de verdachte reed, lag € 17,50 aan muntgeld.

De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is vereist dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare

bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De verdachte heeft over het geldbedrag van € 1.000,00 verklaard dat hij dit bedrag voor een ander moest bewaren, samen met de cocaïne. Deze combinatie van geld en een grotere hoeveelheid cocaïne maken dat het ook voor verdachte duidelijk geweest moet zijn dat dit geld gerelateerd is aan de drugshandel en daardoor van misdrijf afkomstig.

De rechtbank kan gelet op de hoogte van het geldbedrag en de plek waar het geld werd aangetroffen, niet vaststellen dat het bedrag van € 17,50 afkomstig is uit enig misdrijf. De verdachte heeft verklaard dat dit geld ‘koffiegeld’ was. Deze verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en is niet onderzocht of weerlegd, zodat ten aanzien van dit bedrag niet vast kan komen te staan dat er sprake is van witwassen.

Ook ten aanzien van het geldbedrag van € 1.480,00, aangetroffen in de schoudertas van verdachte, acht de rechtbank witwassen niet bewezen. De verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van dit bedrag. De verdachte heeft op 11 januari 2021 verklaard dat hij dit geld op een bankrekening moest gaan storten voor een vriend.29 Volgens verdachte had hij het pasje van de bankrekening van die vriend in zijn fouillering zitten. Het had vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar die verklaring, bijvoorbeeld door die vriend hierover te horen. Nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het geldbedrag van € 1.480,00 uit enig misdrijf afkomstig is.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 03/128894-19:

1. op 20 mei 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 474,54 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- ongeveer 319,44 gram van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 13,41 kilogram (ongeveer 32000 stuks) pillen van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne, heroïne en MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. op 20 mei 2019, in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 910 gram hasjiesj, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. op een of meer tijdstippen in de periode van 20 februari 2019 tot en met 26 maart 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 103,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

- ongeveer 24,9 gram van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 1934 pillen van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne, heroïne en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

in de zaak met parketnummer 03/039256-21

1. op 8 januari 2021 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad 49,87 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2. op 8 januari 2021 in de gemeente Venlo, voorwerpen voorhanden heeft gehad door een contant geldbedrag van 1000 euro in zijn, verdachtes, broekzak te bewaren, terwijl hij wist dat dit voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken..

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1 en feit 3 onder parketnummer 03/128894-19:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 2 onder parketnummer 03/128894-19:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

t.a.v. feit 1 onder parketnummer 03/039256-21:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 2 onder parketnummer 03/039256-21:

witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie meegewogen dat het grote hoeveelheden drugs betrof, dat de verdachte in het geheel een leidende/coördinerende rol lijkt te spelen, dat er in de zaak met parketnummer 03/128894-19 misbruik is gemaakt van een kwetsbaar, dat wil zeggen van een van verdovende middelen afhankelijke, persoon ( [medeverdachte 1] ) en dat de verdachte zich op meerdere momenten bezig heeft gehouden met de handel in drugs.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank alle feiten bewezen verklaren, dan dient volgens de raadsvrouw volstaan te worden met een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 24 maanden. Bij de strafbepaling moet immers meewegen dat in de zaak met parketnummer 03/128894-19 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, de verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsdelicten en dat de aangetroffen pillen geen pure MDMA betroffen

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft samen met anderen grote hoeveelheden hard- en softdrugs in zijn bezit gehad. Deze harddrugs werden niet bij hen zelf thuis opgeslagen, maar in een auto van een ander of bij een drugsverslaafde die werd betaald met gratis drugs. Dat de verdachte op deze wijze misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van een verslaafde, in een poging om bij ontdekking het risico van het aanwezig hebben van een dergelijke grote partij bij deze verslaafde te laten liggen en er zelf er mee weg te kunnen komen, neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. En hoewel de handel in drugs niet aan de verdachte en zijn mededaders ten laste is gelegd, komt uit het dossier een duidelijk beeld van een gestructureerd drugsnetwerk naar voren. De verdachte lijkt een leidende rol te hebben in dit drugsnetwerk. Uit de aangetroffen berichten in de diverse telefoons ontstaat een beeld dat hij de loopjongens aanstuurde en bepaalde hoeveel geld iemand verdiende met een werkdag.

De verdachte heeft door zijn handelen ervoor gezorgd dat de drugshandel in stand wordt gehouden, met alle daaraan verbonden negatieve effecten. Het gebruik van hard- en softdrugs werkt verslavend en is zeer schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik leidt tot (vermogens)criminaliteit en dat het zorgt voor veel schade en onrust in de samenleving. Aan dat alles heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen. Het eigen gewin woog voor verdachte zwaarder.

De verdachte heeft op meerdere momenten grote hoeveelheden drugs in zijn bezit gehad en zich schuldig gemaakt aan witwassen. Gelet op de ernst van de feiten, de hoeveelheid hard- en softdrugs en de grote schaal waarop de handel in drugs lijkt te hebben plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan strafverzwarend laten meewegen, dat de verdachte een leidinggevende rol speelde in het geheel en dat de verdachte tijdens een schorsing in de zaak van 29 mei 2019 wederom op 8 januari 2021 is opgepakt met een handelshoeveelheid cocaïne op zak.

De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een drugsdelict is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook de inhoud van het reclasseringsrapport dat op 8 juni 2021 over de verdachte is opgesteld in haar strafmaat betrokken. De reclassering beschrijft dat bij een veroordeling kan worden gesproken van een (sterk) pro-criminele houding en antisociale gedragingen. De reclassering ziet geen meerwaarde in nieuw reclasseringstoezicht. Er is geen ingang voor interventies gericht op gedragsverandering.

De rechtbank heeft gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS oriëntatiepunten). Oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van 10 tot 20 kilogram harddrugs is een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en in een georganiseerd verband een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de zaak met parketnummer 03/128894-19 sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM. Uitgangspunt is namelijk dat een strafzaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging kan worden ingesteld. De redelijke termijn is in deze zaak overschreden met twee maanden en daarom zal de rechtbank een korting op de straf toepassen van één maand.

Alles overwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend. Rekening houdend met de korting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, betekent dit dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden wordt opgelegd.

7 Het beslag

In de zaak met parketnummer 03-039256-21 bevindt zich een beslaglijst met daarop twee geldbedragen (€ 2.480,00 en € 17,50) en een hoeveelheid cocaïne.

De cocaïne wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het bezit hiervan in strijd is met de wet.

De in beslag genomen geldbedragen kunnen, met uitzondering van het geldbedrag waarvoor de rechtbank witwassen bewezen acht, worden teruggegeven aan degene die redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het geldbedrag van € 1.000,00 wordt verbeurd verklaard, omdat het witwassen met de aanwezigheid van dit geldbedrag is begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 35 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen geldbedrag:

- € 1.000,00 € 1.000,00 van de € 2.480,00 (omschrijving: G1384413);

- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

51,3 gr. verdovende middelen (omschrijving G1384416, cocaïne)

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende:

  • -

    € 1.480,00 van de € 2.480,00 (omschrijving: G1384413);

  • -

    € 17,50 (omschrijving: G1384473).

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en

mr. G.H. Hermanides, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2021.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

in de zaak met parketnummer 03/128894-19:

1

hij op of omstreeks 20 mei 2019 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad

- ongeveer 474,54 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 319,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 13,41 kilogram (ongeveer 32000 stuks) pillen amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 20 mei 2019, in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 910 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2019 tot en met 26 maart 2019 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad

- ongeveer 103,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 24,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 1934 pillen amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2CB), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

in de zaak met parketnummer 03/039256-21

1

hij op of omstreeks 8 januari 2021 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 51,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet)

2

hij op of omstreeks 8 januari 2021 in de gemeente Venlo, althans in Nederland,

voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voorwerpen gebruik heeft gemaakt, door

- een contant geldbedrag van 1480 euro in zijn, verdachtes, schoudertasje te bewaren en/of

- een contant geldbedrag van 1000 euro in zijn, verdachtes, broekzak te bewaren en/of

- een contant geldbedrag van 17,50 euro in de door hem, verdachte, bestuurde auto te bewaren,

terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

(Artikel art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 januari 2021 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, namelijk:

- een contant geldbedrag van 1480 euro en/of

- een contant geldbedrag van 1000 euro en/of

- een contant geldbedrag van 17,50 euro,

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten de bovengenoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(Artikel art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, proces-verbaalnummer PL2300-2019051932, gesloten d.d. 5 maart 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 423.

2 De processen-verbaal van bevindingen, pagina 1 t/m 17.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 t/m 68.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 t/m 68, de kennisgeving van inbeslagneming, pagina 133 t/m 136, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 238 t/m 249, en de NFI-rapporten d.d. 23 mei 2019, pagina 261 t/m 267.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 235.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 t/m 68, de kennisgeving van inbeslagneming, pagina 129-130, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 238 t/m 249, en de NFI-rapporten d.d. 23 mei 2019, pagina 271 en 278.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 t/m 68, de kennisgeving van inbeslagneming, pagina 125 t/m 128, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 238 t/m 249, en de NFI-rapporten d.d. 23 mei 2019, pagina 258 t/m 270.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 t/m 68, en de kennisgeving van inbeslagneming, pagina 131.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 75 en 76.

10 De kennisgeving van inbeslagneming, pagina 133 t/m 136, het proces-verbaal vooronderzoek lab, pagina 301 t/m 305, het proces-verbaal resultaat onderzoek dactyloscopische sporen, pagina 306 en 307.

11 De processen-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , pagina 168 t/m 179.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 348 en 349.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 343 en 344.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 193.

15 De kennisgeving van inbeslagneming, pagina 38, het proces-verbaal van veiligstellen, pagina 222, en het proces-verbaal van bevindingen, pagina 208 t/m 219.

16 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie regio Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, afdeling project Pandora (BT Venlo), locatie Venlo, proces-verbaalnummers 2019027127 / 2019047395, gesloten d.d. 22 juli 2020, niet doorgenummerd en bestaande uit 175 pagina’s.

17 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL230C-2019027127-3.

18 De kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-23.

19 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-18, de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-27, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL2300-2019027127-28 en het NFI-rapport d.d. 26 april 2019 met zaaknummer 2019.04.23.075 (aanvraag 002).

20 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-18, de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-25, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL2300-2019027127-26 en het NFI-rapport d.d. 26 april 2019 ,et zaaknummer 2019.04.23.075 (aanvraag 001).

21 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-18, de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-17, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL2300-2019027127-20 en het NFI-rapport d.d. 30 april 2019 met zaaknummer 2019.04.23.075 (aanvraag 003).

22 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-18, de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-17, het proces-verbaal vooronderzoek lab met nummer PL2300-2019027127-38 en het proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor met nummer L2300-2019027127-38.

23 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-18, de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2019027127-27, het proces-verbaal vooronderzoek lab met nummer PL2300-2019027127-38 en het proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor met nummer PL2300-2019027127-38.

24 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2019027127-41.

25 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo / Beesel, proces-verbaalnummer PL2300-2021003984, gesloten d.d. 7 februari 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 54.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 4 en 5.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 4 en 5, en de kennisgeving van inbeslagneming, pagina 35.

28 De kennisgeving van inbeslagneming, pagina 38 (SIN AAMJ9097NL), het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 1 februari 2021 met nummer PL2300-2021003984-17, en het NFI-rapport d.d. 28 januari 2021 met zaaknummer 2021.01.28.028.

29 Zie hiervoor het proces-verbaal van verhoor in raadkamer in de zaak met parketnummer 03-128894-19.