Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4958

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
C/03/251951 / HA ZA 18-332
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2020:9597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/251951 / HA ZA 18-332

Vonnis (bij vervroeging) van 16 juni 2021

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. S.C.H. Poelman,

tegen

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nadat mr. A.J.G. Bisscheroux zich heeft onttrokken, heeft mr. J.E.A. Hendrix zich gesteld.

Partijen worden hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 2 december 2020,

- de akte van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met productie, voor de rol van 30 december 2021,

- de akte uitlating na interlocutoir en (deels herhaalde) vermeerdering van eis van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] met productie, voor de rol van 30 december 2021,

- de antwoordakte van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voor de rol van 27 januari 2021,

- de antwoordakte van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor de rol van 27 januari 2021,

- de antwoordakte van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , ter griffie ontvangen op 17 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De eiswijzigingen

In conventie

2.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vermeerdert zijn eis in die zin dat hij zijn eis als opgenomen onder r.o. 3.1. van het vonnis van 15 april 2020 vermeerderd, in dier voege dat de rechtbank bij vonnis [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding ten hoogte van

€ 380,21 per maand met ingang van 1 januari 2019, dan wel een dusdanig bedrag en ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

In de beschikking betreffende de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van

27 oktober 2017 staat dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tot een half jaar na inschrijving van de beschikking in de openbare registers, gebruik mag maken van de woning. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft sindsdien het

woongenot, zonder dat zij enige woonlasten draagt. Dit woongenot duurt reeds voort tot 2021. Op grond van artikel 3:169 BW rust op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de verplichting [eiser in conventie, verweerder in reconventie] schadeloos te stellen, omdat hij verstoken blijft van het gebruik en genot van de woning.

2.2.

Voorts verzoekt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat de rechtbank bij de verdeling rekening houdt met het navolgende. De woning te [plaats 1] staat, hoewel [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft toegezegd de verkoop in de hand te nemen, nog altijd niet te koop. De woning te [plaats 1] is getaxeerd op ongeveer

€ 65.000,- hetgeen een heel ander bedrag is dan waar partijen vanuit zijn gegaan.

2.3.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert verweer. Primair is de eiswijziging tardief. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] had deze vordering bij de vaststelling van de alimentatieberekening moeten meenemen. Subsidiair is een gebruikersvergoeding niet redelijk, daar [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de woning is blijven wonen met de kinderen, de woning aan haar zal worden toebedeeld, nooit gerept is over een gebruikersvergoeding en deze ook niet is overeengekomen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap tot op heden niet is vastgesteld. De eigenaarslasten van de woning zijn met uitzondering van de helft van het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting door haar betaald. Meer subsidiair voert [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] verweer tegen de hoogte. De rente op spaargelden zijn maximaal 0,1 %. De vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dient dan ook begroot te worden op een bedrag van ten hoogte 0,1 % van de helft van de getaxeerde waarde van de woning, te weten € 190.000,- dan wel van de thans nog te taxeren waarde van de woning.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat zij wel degelijk aktie heeft ondernomen. De woning staat bij Immo Nijsten te koop. De woning kan voor € 114.700,- aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden toebedeeld of de opbrengst kan van de woning kan bij helfte worden gedeeld.

In reconventie

2.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft bij akte haar eis gewijzigd, inhoudende dat zij haar eis als opgenomen onder r.o. 3.5. van het vonnis van 15 april 2020 vermeerderd, in dier voege dat de rechtbank bij vonnis [eiser in conventie, verweerder in reconventie] veroordeelt op straffe van verbeurte van een dwangsom:

I.

hetzij: aan te tonen middels verificatoire bescheiden dat de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] al 2 jaar voor de peildatum was opgeheven;

hetzij:

- bankafschriften betreffende die rekening in het geding te brengen, waaruit kan worden afgeleid (1) de mutaties in de 2 jaar voorafgaand aan en het saldo op de peildatum en (2) een eventuele onttrekking in de zin van art. 1:87 BW of benadeling in de zin van artikel 1:164 BW;

- daarbij te voegen een schriftelijke verklaring van de betreffende bank, waarin deze bevestigt dat die stukken een juiste en compleet beeld geven van de mutaties en saldo.

II.

hetzij: aan te tonen middels verificatoire bescheiden dat:

- voor wat betreft de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] (alle gehouden bij de Rabobank), die bankrekeningen al

2 jaar voor de peildatum waren opgeheven;

- voor wat betreft de subsidie weiland [adres] , de subsidie voordien is vervallen of uitgekeerd;

hetzij: in het geding te brengen:

- voor wat betreft de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] (alle gehouden bij de Rabobank):

- bankafschriften betreffende die rekeningen in het geding te brengen, waaruit kan worden afgeleid (1) de mutaties in de 2 jaar voorafgaand aan en het sado op de peildatum en (2) een eventuele onttrekking in de zin van artikel 1:87 BW of benadeling in de zin van artikel 1:164 BW;

- een schriftelijke verklaring van de betreffende bank, waarin deze bevestigt dat die stukken een juiste en compleet beeld geven van die mutaties en saldo op de peildatum;

- voor wat betreft de subsidie weiland [adres] : een verklaring van de desbetreffende instantie met betrekking tot de omvang en het moment en de wijze van uitkering.

III.

- [eiser in conventie, verweerder in reconventie] beveelt bescheiden op voet van artikel 22 Rv te brengen die zien op de onder I. en II. genoemde goederen.

2.5.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] - kennelijk bewust - heeft doen voorkomen dat van de aanzienlijke door hem gedane kasopnamen ten laste van de bekende bankrekeningen geen kassaldo in zijn bezit was ten tijde van de peildatum. Het is aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan te tonen dat die kasopnamen in de twee jaar voorafgaand aan de peildatum werden besteed aan gemeenschappelijke lasten/schulden. Ook is het aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te bewijzen dat er ten aanzien van het weiland geen recht op subsidie bestond ten tijde van de peildatum. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dient op de voet van artikel 22 Rv voornoemde bescheiden in het geding te brengen.

2.6.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert verweer. Vermeerdering van eis is in strijd met de eisen van een goede procesorde. In de vonnissen van 15 april 2020 en 2 december 2020 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de banksaldi, spaargelden, kasgelden en het weiland. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is het oneens met de beslissingen van de rechtbank, en tracht middels een eiswijziging, waaraan zij geen nieuwe feiten ten grondslag legt, de rechtbank tot een ander oordeel te bewegen. Indien de rechtbank de eiswijziging toewijst, wordt het geding onnodig vertraagd.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

Toestaan of buitenbeschouwing laten van de eiswijziging [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ?

3.1.

Ingevolge artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien waarom de wijziging van eis, aldus [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te laat is. De eiswijziging is, zo begrijpt de rechtbank, een gevolg van het voortduren van de procedure. In dat kader is de stelling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eerder met zijn vordering had moeten komen, dan ook niet juist, omdat die wijziging voortkomt uit de duur van de procedure. Voorts is gesteld noch gebleken dat de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging of onredelijke bemoeilijking van de verdediging tot gevolg heeft. De eiswijziging wordt dan ook toegestaan. Zie voor een inhoudelijke beoordeling r.o. 3.7.1 e.v.

Toestaan of buiten beschouwing laten eiswijziging [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ?

3.3.

De eiswijziging van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ziet op het in geding brengen van stukken die zien op een vijftal rekeningen en een subsidie. Ten aanzien van de verdeling van de navolgende rekeningen heeft de rechtbank zich reeds uitgelaten:

  • -

    [rekeningnummer 1] , in r.o. 4.5.11.4. van het vonnis van 15 april 2020,

  • -

    [rekeningnummer 2] , in r.o. 3.5.2. van het vonnis van 2 december 2020,

  • -

    [rekeningnummer 3] , in r.o. 3.5.3. van het vonnis van 2 december 2020,

  • -

    [rekeningnummer 5] , in r.o. 3.5.4. van het vonnis van 2 december 2020.

Het verzoek om nu, in dit stadium van het geding, ten aanzien van die rekeningen nog stukken te vorderen is te laat en daarmee in strijd met de eisen van een goede procesorde.

3.4.

In het vonnis van 15 april 2020 (r.o. 4.5.11.1.) staat, geciteerd voor zover hier van belang:

“(…)

De rechtbank benadrukt - zoals zij reeds tijdens de comparitie van 7 februari 2019 heeft geoordeeld - dat het niet haar taak is om alle bankafschriften, en belastingaangiften door te spitten om op zoek te gaan naar rekeningnummers en het saldo op deze rekeningen. Dit was voor de rechtbank (mede) aanleiding om partijen te laten repliceren en dupliceren. De rechtbank heeft uit de stukken van partijen de navolgende rekeningen met de betreffende saldi op 19 juli 2016 kunnen ontwaren:

  • -

    zakelijke rekening op naam van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] [rekeningnummer 2] (...)

  • -

    rekening op naam van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] [rekeningnummer 6] (…)

  • -

    gemeenschappelijke rekening [rekeningnummer 5] (…)

  • -

    gemeenschappelijke spaarrekening [rekeningnummer 7] (…)

  • -

    [rekeningnummer 8] (betaal- en spaarrekening) op de naam van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . …”.

Kort gezegd: op 7 februari 2019 vraagt de rechtbank reeds om duidelijkheid over de te verdelen rekeningen.

Deze overweging in het vonnis van 15 april 2020 was voor [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geen aanleiding om het beweerdelijk bestaan van rekening 18987338 te melden. Pas bij akte van 19 augustus 2020 wordt melding gemaakt van voornoemde rekening, en worden er bij voorwaardelijke eiswijziging bescheiden ten aanzien van die rekening gevorderd. Die eiswijziging is - gezien het niet intreden van de voorwaarde - bij vonnis van 2 december 2020 afgewezen. Het had op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gelegen om - in dit stadium van het geding - op z’n minst te onderbouwen waarom deze rekening zo laat ten tonele wordt gevoerd en in ieder geval met een begin van bewijs te komen van het bestaan van deze rekening ten tijde van de peildatum. Immers is van meerdere rekeningen reeds komen vast te staan dat deze ten tijde van de peildatum niet meer bestonden (r.o. 4.5.11.1. van het vonnis van 15 april 2020). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] geeft dusdanig weinig informatie over laatstgenoemde rekening dat de rechtbank het ervoor houdt dat zij op goed geluk aan het vissen is. De rechtbank is van oordeel dat het toestaan van de eiswijziging, daarbij opmerkend dat de procedure die reeds bij dagvaarding 20 juni 2018 is aangevangen, leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure.

3.5.

Het verzoek om bescheiden ten aanzien van de beweerdelijke subsidie weiland [adres] is hetzelfde lot beschoren als laatstgenoemde rekening. Waarom komt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hiermee in dit stadium van het geding? Is er een subsidie verstrekt? En zo ja, waar is deze subsidie volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gebleven? Is deze mogelijk in mindering gebracht op de koopprijs, of gestort op een rekening? Het had op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gelegen dit nader te onderbouwen, waarbij de rechtbank opmerkt dat ook hier heeft te gelden dat er geen verdeling van de subsidie is gevorderd, en het - door niet met enige onderbouwing te komen - riekt naar een fishing expedition. De rechtbank laat de eiswijziging dan ook buiten beschouwing, daar deze leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure.

Woning [plaats 1]

3.6.1.

In het proces-verbaal van 9 oktober 2018 hebben partijen overeenstemming bereikt over de woning te [plaats 1] : de woning zou worden verkocht door een in goed overleg gekozen makelaar waarbij de woning in de markt zou worden gezet voor € 135.000,- en een laatprijs kent van € 114.795,-. Vervolgens komen partijen niet samen uit de gemaakte afspraken, en volgt er een eiswijziging van zowel [eiser in conventie, verweerder in reconventie] als [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] met betrekking tot deze woning, die er kort gezegd op neerkomt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dan wel [eiser in conventie, verweerder in reconventie] wordt veroordeelt tot het verlenen van zijn dan wel haar medewerking aan de verkoop, en er een makelaar wordt aangewezen.

In het vonnis van 15 april 2020 gelast de rechtbank (r.o. 4.5.3.5. van dat vonnis) dat de woning via [website] wordt verkocht. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat partijen de stap tot het daadwerkelijk in de verkoop zetten van de woning nog niet hebben genomen, en zij het prematuur acht partijen tot medewerking te veroordelen (r.o. 4.5.3.7.). De rechtbank heeft beide eiswijzigingen afgewezen.

3.6.2.

Er ligt ten aanzien van de woning te [plaats 1] geen vordering meer voor waarover de rechtbank zich dient te buigen. Partijen hebben afspraken gemaakt over de afhandeling. Die afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van

9 oktober 2018. Die afspraken zijn, zoals de rechtbank reeds in r.o. 4.5.3.3. heeft vastgesteld, voor partijen bindend. In gezamenlijk overleg kunnen partijen daarvan afwijken. In het kader van voornoemde eiswijziging van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de rechtbank een makelaar aangewezen. Anders gezegd: de verdeling van de woning te [plaats 1] ligt niet meer ter beoordeling voor aan de rechtbank.

De gebruiksvergoeding

3.7.1.

Ingevolge artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot bij gebreke van een andersluidende regeling bevoegd tot gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Dit artikel heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken is van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij is van belang dat de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW).

3.7.2.

Het staat vast dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de mede-eigendom van de woning heeft. Hij is daarom naast [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gerechtigd tot het gebruik daarvan. Voor het toekennen van een gebruiksvergoeding is plaats als de mede-eigenaar (hier: [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ) verstoken blijft van het gebruik en/of genot van de woning waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft. In dat geval dient [eiser in conventie, verweerder in reconventie] schadeloos te worden gesteld door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als deelgenoot die wel dit gebruik en genot van de woning heeft. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] woont immers in de woning. Vast staat dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de woning is blijven wonen nadat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in oktober 2013 de woning heeft verlaten en dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] sindsdien niet meer over het gebruik en genot van de woning, die wel zijn (mede)eigendom is, kan beschikken. Reeds voor dat gemiste gebruik en genot dient [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , gelet op het bepaalde in art. 3:169 BW, [eiser in conventie, verweerder in reconventie] schadeloos te stellen.

Dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] vrijwillig de woning heeft verlaten, dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] mèt de kinderen in de woning woont en dat - zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt - de woning aan haar zal worden toegewezen doet hier niet aan af zolang de boedelscheiding niet achter de rug is. De rechtbank wijst [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] erop dat geenszins vaststaat dat de woning aan haar zal worden toebedeeld, laat staan voor het in de antwoordakte na vermeerdering eis gestelde bedrag van € 190.000,-. De rechtbank heeft hier immers nog niet over geoordeeld.

3.7.3.

De rechtbank gaat voor de hoogte van de gebruiksvergoeding uit van een rendementspercentage over de (over)waarde van de woning. De gebruiksvergoeding dient berekend te worden over de periode januari 2019 tot en met datum verdeling. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt een rendementspercentage over de overwaarde van de woning, waarbij de rechtbank uitgaat van een rendementspercentage van 0,5 %.

Tussen partijen is de waarde van de woning in geschil (r.o. 4.5.9.1. e.v. van het vonnis van 15 april 2020). Voor het bepalen van die waarde benoemt de rechtbank een deskundige (r.o. 4.1. e.v.). Deze deskundige zal voorts worden verzocht, in kader van de door de rechtbank vast te stellen gebruiksvergoeding, zich uit te laten over de waarde van de woning in 2019 en 2020.

3.8.

De rechtbank houdt, in afwachting van de taxatie van de woning iedere verdere beslissing omtrent de gebruiksvergoeding aan.

Woning [adres]

3.9.

Partijen zijn bij vonnis van 2 december 2020 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van de kosten van de deskundige. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door de deskundige begrote kosten. De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 december 2020 (r.o. 3.2.) reeds bepaald dat het voorschot van de kosten, gezien de aard van de zaak, gelijkelijk over partijen wordt verdeeld. De rechtbank zal de deskundige benoemen als in het dictum bepaald.

3.10.

Voor zover onduidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag of [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de gelegenheid gesteld dient te worden bij de taxatie aanwezig te zijn (akte [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor de rol van 30 december 2021): het antwoord luidt bevestigend. Zie ook hetgeen hieromtrent onder r.o. 4.7. is bepaald.

3.11.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

3.12.

De rechtbank houdt iedere beslissing omtrent woning [adres] aan.

De eenmanszaak van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] - onderhanden werk

3.13.

Bij vonnis van 2 december 2020 heeft de rechtbank [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op voet van 22 Rv bevolen toe te lichten of het onderhanden werk in zijn geheel als winst uit onderneming dient te worden aangemerkt. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat dit niet het geval is. Het bedrag dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] genereert uit het vastgestelde bedrag aan onderhanden werk van € 11.810,51 bedraagt

€ 10.381,44. (akte [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor de rol van 30 december 2020). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de winst uit het onderhanden werk € 10.381,44 bedraagt en dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is gehouden tot betaling van de helft van dit bedrag aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .

3.14.

Iedere verdere beslissing omtrent het onderhanden werk wordt aangehouden.

Belastingen zijdens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie]

3.15.1.

De rechtbank heeft in r.o. 3.10.3. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op voet van artikel 22 Rv bevolen de volledige aanslag Inkomstenbelasting 2015 en de aanslagen ZVW 2015 en 2016 in het geding te brengen. Met de akte uitlating na interlocutoir en (deels herhaalde) vermeerdering van eis van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft zij de aanslag Inkomstenbelasting 2015 overgelegd. De aanslagen ZVW 2015 en 2016 daarentegen niet.

3.15.2.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] stelt dat beide aanslagen Inkomstenbelasting 2015 en 2016 op € 0,- uitkomen. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de twee aanslagen nihil zijn en dat er ten aanzien van de aanslagen Inkomstenbelasting 2015 en 2016 dus niets te verdelen valt.

3.15.3.

Ingevolge artikel 22 Rv kunnen partijen een bevel tot het in geding brengen van bescheiden weigeren, wanneer daarvoor gewichtige redenen zijn. Het is aan de rechter om te beoordelen of de weigering gerechtvaardigd is. Is de weigering niet gerechtvaardigd dan kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3.15.4.

In de akte uitlating na interlocutoir en (deels herhaalde) vermeerdering van eis van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] staat, geciteerd voor zover hier van belang: “Aanslagen ZVW 2015 en 2016 kan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet in het geding brengen doordat terzake aan haar geen aanslagen werden opgelegd c.q. toegezonden omdat de betreffende premies door haar werkgever werden betaald en zij geen andere inkomen had”. Dit valt niet te rijmen met hetgeen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in haar akte van 19 augustus 2020 stelt, dat zowel uit de belastingaanslagen 2015 en 2016 als de ZVW 2015 en 2016 blijkt dat er niets te verdelen is. Als de aanslagen ZVW 2015 en ZVW 2016 er niet zijn, omdat de premies door haar werkgever worden betaald, dan had het, zeker gezien de eerdere verklaring, op de weg van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gelegen, dit nader te onderbouwen. Door dit niet te doen, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet gerechtvaardigd is.

De Inkomstenafhankelijke bijdrage Zwv is een bijdrage die betaald moet worden. Daarmee is het (in eerste instantie) een passiva. De rechtbank verbindt aan het niet in het geding brengen van de betreffende stukken de gevolgtrekking dat deze aanslagen kennelijk nihil zijn, en daarmee dan ook niet ten voordele van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zullen strekken.

3.16.

Iedere verdere beslissing omtrent de belastingen zijdens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wordt aangehouden.

Belastingen zijdens [eiser in conventie, verweerder in reconventie]

3.17.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is bij vonnis van 2 december 2020 in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat de belastingteruggaven van € 7.954,- en € 650,- integraal onderdeel uitmaken van de waarde van het ondernemingsvermogen (r.o. 4.4.). [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de voornoemde belastingteruggaven.

Voorts stelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft nagelaten bewijst te overleggen dat de FOR is gevormd. De rechtbank rept hier, aldus [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , onterecht geen woord over. (de akte uitlating na interlocutoir en (deels herhaalde) vermeerdering van eis en de antwoord en de antwoordakte van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , voor de rol van 27 januari 2021).

3.18.

Uit de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] overgelegde stukken volgt dat beide bedragen van € 7.954,- en € 650,- op de zakelijke rekening zijn gestort voor de peildatum en dat met de verdeling van de zakelijke rekening ook met deze bedragen rekening is gehouden.

3.19.

De rechtbank merkt op dat zij zich reeds in het vonnis van 15 april 2020 (r.o. 4.5.13.10. e.v.) over de FOR heeft uitgelaten. Daarmee heeft de rechtbank Het nadien aangevoerde verweer dat er geen bewijs is voor de vorming van de FOR is, nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld, te laat.

3.20.

Iedere verdere beslissing omtrent de belastingen zijdens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] wordt aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

De vragen

4.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. op welke vrije verkoopwaarde, vrij van huur en/of gebruiksrechten ter zake, naar peildatum 19 juli 2016 taxeert u het woonhuis staande en gelegen te [plaats 2] , aan de [adres] ?

2. wat is de gemiddelde waarde van de woning in 2019 en 2020 (januari tot en met december)?

3. zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

De deskundige

4.2.

benoemt tot deskundige:

Dionne Makelaars

Rijksweg 68A, 6271 AG te Gulpen.

4.3.

bepaalt dat partijen ieder de helft van het voorschot van € 620,- (inclusief BTW en NWWI-bijdrage) dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

4.4.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

4.5.

bepaalt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dit vonnis alsook de vonnissen van 15 april 2020 en 2 december 2020 in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

4.6.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

4.7.

wijst de deskundige er op dat:

- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

- hij partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

4.8.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

4.9.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

4.10.

wijst de deskundige er op dat:

- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

- indien (een van) partijen na vier weken niet heeft gereageerd op het concept-rapport, ervan kan uitgaan dat ingestemd wordt met de concept-rapportage. Het eventueel niet reageren door (een van) partijen dient in het definitieve rapport te worden vermeld.

4.11.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

Overige bepalingen

4.12.

draagt de griffier op de zaak op de rol te plaatsen:

- indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van beide partijen gelijktijdig op een termijn van vier weken,

4.13.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

4.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken.

type: KH