Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4911

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
8778565 CV EXPL 20-4620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming. Woonbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8778565 CV EXPL 20-4620

Vonnis van de kantonrechter van 16 juni 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING VINCIO WONEN, voorheen genaamd

WONINGSTICHTING DE VOORZORG,

gevestigd te Hoensbroek,

eisende partij,

gemachtigde drs. M.D. Brouwer MSc,

tegen

1 [gedaagde partij sub 1] ,

2. [gedaagde partij sub 2],

beiden wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna Vincio Wonen en [gedaagde partij] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de e-mails van [gedaagde partij] van 26 oktober 2020 en 9 november 2020, die worden aangemerkt als conclusie van antwoord

- de rolbeslissing waarbij een comparitie na antwoord is bepaald

- de akte van 16 december 2020 zijdens Vincio Wonen ten behoeve van de oorspronkelijk geplande mondelinge behandeling op 6 januari 2021

- de akte vermeerdering van eis zijdens Vincio Wonen

- de mondelinge behandeling op 11 februari 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Alleen Vincio Wonen is verschenen. Vincio Wonen heeft bij deze gelegenheid de eisvermeerdering niet gehandhaafd. [gedaagde partij] was – ondanks dat was afgesproken dat deze partij telefonisch de mondelinge behandeling zou bijwonen – niet bereikbaar.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vincio Wonen verhuurt aan [gedaagde partij] de woning met eventuele aanhorigheden van het perceel aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). De maandelijkse huurprijs van € 609,59 moet telkens voor de eerste dag van de betreffende maand worden betaald.

2.2.

[gedaagde partij] heeft tot en met september 2020 een huurachterstand opgebouwd van € 2.017,78. Deze achterstand is, ondanks sommaties, niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

Vincio Wonen vordert ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde partij] tot ontruiming van het gehuurde. Vincio Wonen vordert voorts [gedaagde partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

- € 2.017,78 aan huurachterstand, € 215,76 aan buitengerechtelijke incassokosten (incl. btw) en € 2,48 aan rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over de huurachterstand ingaande de dag van dagvaarden,

- de toekomstige huurtermijnen respectievelijk gebruiksvergoeding, gelijk aan

€ 609,59 per maand, over de periode dat [gedaagde partij] het gehuurde na

30 september 2020 in gebruik houdt,

- de proceskosten.

3.2.

Vincio Wonen legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde partij] de verplichting tot betaling van de huurtermijnen niet is nagekomen en dat de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.

3.3.

[gedaagde partij] erkent de huurachterstand, maar voert aan in de woning te willen blijven.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is de verschuldigdheid van het door Vincio Wonen gevorderde bedrag van € 2.017,78 aan huurachterstand en € 2,48 aan daarover berekende rente over de periode tot datum dagvaarding niet in geschil. De vordering wordt voor dit deel dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag aan huurachterstand ingaande datum dagvaarding (15 september 2020) zoals gevorderd.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst en dat de afweging in het kader van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW, bij beantwoording van de vraag of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is, plaatsvindt aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

4.2.1.

Een van de hoofdverplichtingen van de huurder is het tijdig betalen van de huur. Vast staat dat [gedaagde partij] in de nakoming van deze verplichting tekort is geschoten. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand ruim drie maanden, een dusdanige tekortkoming die op zichzelf reeds ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De stellingen van [gedaagde partij] dat de huurachterstand zijn oorzaak vindt in de coronacrisis – [gedaagde partij] zou deswege één maand zonder inkomsten hebben gezeten – en dat [gedaagde partij] wel degelijk de betalingsregeling is nagekomen maar dat Vincio Wonen niet bereid is om te komen tot een oplossing, is door Vincio Wonen bij (eerste) akte weerlegd. Vincio Wonen heeft immers bij die gelegenheid gesteld, en met stukken onderbouwd, dat de (aanzienlijke) huurachterstand al ruim vóór de coronacrisis bestond en dat een in mei 2020 getroffen betalingsregeling gelijk niet werd nagekomen. De betalingsregeling is met het niet nakomen in juni 2020 komen te vervallen. [gedaagde partij] heeft ook daarna niettemin nog een aantal keren de gelegenheid gehad om over te gaan tot betaling, maar ook van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. [gedaagde partij] heeft op de inhoud van die (eerste) akte niet meer gereageerd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Vincio Wonen voorts nog gesteld dat er in 2014 en in 2015 al een betaalvonnis en een ontruimingsvonnis is gewezen, dat [gedaagde partij] al geruime tijd te laat betaalt, dat zij [gedaagde partij] vervolgens al is tegemoetgekomen door ermee akkoord te gaan dat ze gedurende de maand mochten betalen maar dat [gedaagde partij] al gauw de maand erna pas betaalde en dat vanaf juni 2019 er echt achterstanden ontstonden. Vincio Wonen heeft bij die gelegenheid verder gesteld dat zij hun gemachtigde hebben opgedragen zoveel mogelijk te proberen in het minnelijk traject, maar dat [gedaagde partij] zich nergens aan houdt. De omstandigheid dat [gedaagde partij] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de mondelinge behandeling, in dit geval: telefonisch, bij te wonen en daarmee de mogelijkheid om te reageren aan zich voorbij heeft laten gaan – zo [gedaagde partij] zich al niet zou kunnen vinden in deze weerlegging – komt voor diens rekening.

Gezien het vorenstaande moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde partij] hoe dan ook voldoende kansen zijn geboden om de reeds in 2019 opgebouwde huurachterstand in te lopen.

4.2.2.

Er wonen twee minderjarige kinderen van [gedaagde partij] in het gehuurde. [gedaagde partij] heeft in juni 2020 aan Vincio Wonen kenbaar gemaakt dat hun zoon (zeer) ernstige gezondheidsproblemen heeft. Het belang van [gedaagde partij] bij het behoud van hun woning is dan ook groot. Echter, de omstandigheid dat [gedaagde partij] al in 2019 de huurachterstand heeft laten ontstaan en vervolgens de geboden kansen niet heeft aangegrepen, komt voor rekening en risico van [gedaagde partij] De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde partij] veel zorgen en veel te regelen heeft in verband met de gezondheidstoestand van de zoon, maar die omstandigheden ontslaan [gedaagde partij] niet van de betalingsverplichting tegenover Vincio Wonen. Daarbij weegt aldus mede dat de huurachterstand al zeer geruime tijd bestaat en dat hij zich de ernst van de situatie had kunnen en moeten realiseren. Door het ook niet houden aan de betalingsregeling heeft [gedaagde partij] het eigen woonbelang en dat van de kinderen eens temeer zelf op het spel gezet. [gedaagde partij] heeft aangegeven dat hij “zelfs” naar Schuldhulpverlening is gestapt, maar deze stap is rijkelijk laat gezet – de financiële situatie is kennelijk al sinds 2014 niet op orde, gelet op het eerdere vonnis – en deze stap heeft geen dan wel onvoldoende resultaat gehad. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] zich onder bewind heeft laten stellen. Vincio Wonen hoeft niet te accepteren dat de huur telkens niet of te laat wordt betaald en dat betalingsafspraken niet worden nagekomen. De kantonrechter is daarom, ondanks het belang van [gedaagde partij] bij het behoud van de woning, van oordeel dat de hoogte van de achterstand ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

4.3.

De kantonrechter zal de ontbinding en ontruiming daarom uitspreken, maar verstaat dat Vincio Wonen zich wel aan haar toezegging ter mondelinge behandeling zal houden, dat [gedaagde partij] onder heel strikte voorwaarden een laatste kansovereenkomst zal worden geboden, waarvan onderdeel sowieso zal zijn dat [gedaagde partij] zich onder bewind gaat laten stellen. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn op twaalf weken na betekening van dit vonnis zetten, dit met het oog op de gezondheidstoestand van de zoon.

4.4.

[gedaagde partij] zal de huurtermijnen tot de ontruiming moeten betalen. Tot de datum van ontbinding (de datum van dit vonnis) uit hoofde van de huurovereenkomst, en daarna als gebruiksvergoeding (artikel 7:225 BW).

4.5.

Ook zullen de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen omdat aan de vereisten voor aanspraak hierop is voldaan. Er is immers sprake van verzuim en er is een zogenoemde veertiendagenbrief verzonden waarin de juiste termijn is gehanteerd en waarin het gevorderde bedrag, dat niet hoger is dan het op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde bedrag, is aangezegd.

4.6.

De vordering om [gedaagde partij] tot zover hoofdelijk te veroordelen, des te een betaalt, de ander tot dat bedrag zal zijn bevrijd, is eveneens toewijsbaar.

4.7.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Vincio Wonen. Deze worden tot vandaag begroot op:

  • -

    dagvaarding € 107,17

  • -

    griffierecht € 499,00

  • -

    salaris gemachtigde € 374,00 (2 punten x tarief € 187,00)

totaal € 980,17

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [plaatsnaam] , aan de [adres] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen twaalf weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met al de zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die zaken niet het eigendom van Vincio Wonen zijn – te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, in behoorlijke staat op te leveren en ter vrije en algehele beschikking van Vincio Wonen te stellen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk om aan Vincio Wonen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 2.236,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 2.017,78 vanaf 15 september 2020 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk om aan Vincio Wonen te betalen

€ 609,59 per maand voor elke ingegane maand na 30 september 2020 tot en met het tijdstip van de ontruiming,

5.5.

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van Vincio Wonen, tot vandaag begroot op € 980,17,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

NIv