Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4905

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
8327856 CV EXPL 20-729 (hoofdzaak) 8686947 CV EXPL 20-3732 (vrijwaringszaak)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak: fraude met pinpas, schadevergoeding, ongerechtvaardigde verrijking, bestuurdersaansprakelijkheid. Vordering bank toegewezen

Vrijwaring: schadevergoedingsvordering jegens derde aan wie de pinpas zou zijn gegeven. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2021/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummers: 8327856 CV EXPL 20-729 (hoofdzaak)

8686947 CV EXPL 20-3732 (vrijwaringszaak)

Vonnis van de kantonrechter van 16 juni 2021

in de hoofdzaak van

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Amsterdam,

eisende partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

gemachtigde mr. T.J.P. Jager,

tegen

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,

gemachtigde mr. G.J.E. Schoofs,

en in de vrijwaringszaak van

[eiseres in de vrijwaringszaak] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. G.J.E. Schoofs,

tegen

[gedaagde in de vrijwaringszaak] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. L.L. Metselaar.

Partijen worden hierna ING, [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] genoemd.

1 De procedure

in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure na het vonnis in incident van 10 juni 2020, waarbij het [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] is toegestaan [gedaagde in de vrijwaringszaak] in vrijwaring op te roepen, blijkt uit:

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek,

- de antwoordakte producties conclusie van dupliek van ING.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

in de vrijwaringszaak

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 28 juli 2020,

- de conclusie van antwoord,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 januari 2021,

- de akte inbreng productie van [gedaagde in de vrijwaringszaak] van 25 januari 2021.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

2.1.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] was bestuurder van de – inmiddels ontbonden – besloten vennootschap [naam bv] (hierna: de BV).

2.2.

In januari 2018 is op naam van de BV een zakelijke ING-rekening met het nummer [rekeningnummer] geopend. ING heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in het bezit gesteld van een betaalpas met bijbehorende pincode.

2.3.

In de tussen ING en de BV tot stand gekomen Overeenkomst Zakelijk Betaalpakket (productie 15 dagvaarding in de hoofdzaak) staat, voor zover relevant, het volgende:

(…)

Vertegenwoordigers

De vertegenwoordigers zijn op dezelfde wijze als de organisatie gebonden aan de Voorwaarden en overige regelingen Zakelijk en de Voorwaarden internetbankieren met Mijn ING Zakelijk.

(…)

De vertegenwoordigers zijn ervan op de hoogte dat de ING hun persoonsgegevens verwerkt. Hoe dit gebeurt, staat in het ‘Privacy Statement’ van de ING, dat onderdeel uitmaakt van de Voorwaarden en overige regelingen Zakelijk en tevens te vinden is op ING.nl/zakelijk.

2.4.

In de Voorwaarden gebruik betaalpassen en creditcards (productie 4 dagvaarding in de hoofdzaak) staat onder meer het volgende:

8. Veilig gebruik

8.1.

De Kaarthouder moet de Betaalkaart altijd veilig gebruiken. Daarvoor gelden deze regels:

- Geef de betaalkaart nooit aan iemand anders, óók niet als een ander wil helpen. Dit mag alleen als de Kaarthouder de Betaalkaart gebruikt bij een geld- of betaalautomaat en hij zicht houdt op de Betaalkaart;

(…)

- Neem onmiddellijk contact op met de Bank als de Betaalkaart niet terug wordt gekregen nadat is betaald of geld is opgenomen;

(…)

8.2

De Kaarthouder moet de Pincode altijd veilig gebruiken. Daarvoor gelden deze regels:

- Zorg ervoor dat anderen de Pincode niet kunnen zien als deze wordt ingetoetst, bijvoorbeeld bij een geld- betaalautomaat;

(…)

- De kaarthouder mag zich niet laten helpen door anderen bij het intoetsen van de Pincode.

(…)

10 Blokkeren

10.1

Als de Kaarthouder goede reden heeft om aan te nemen dat de veiligheid van de Betaalkaart of Pincode niet meer zeker is, meldt hij dat onmiddellijk aan de Bank.

Dat moet in elk geval in deze situaties:

(…)

- De Kaarthouder weet of vermoedt dat iemand anders de Pincode kent of heeft gezien.

2.5.

In de Algemene Bankvoorwaarden (overgelegd als productie 4 dagvaarding in de hoofdzaak) is onder meer het volgende opgenomen:

2 Zorgplicht bank en cliënt

(…)

2.2

De cliënt neemt jegens de bank de nodige zorgvuldigheid in acht en houdt daarbij naar beste vermogen rekening met de belangen van de bank. De cliënt stelt de bank in staat haar wettelijke en contractuele verplichtingen na te kunnen komen en haar dienstverlening correct te kunnen uitvoeren. De cliënt mag van de diensten en/of producten van de bank geen oneigenlijk of onrechtmatig gebruik (laten) maken, waaronder mede begrepen gebruik dat strijdig is met wet- en regelgeving, dienstbaar is aan strafbare feiten of schadelijk is voor de bank of haar reputatie of voor de integriteit van het financiële stelsel.

Artikel 21 Bewaar- en geheimhoudingsplicht

U moet zorgvuldig omgaan met codes, formulieren en passen. Als misbruik aannemelijk is moet u dit meteen melden.

U moet zorgvuldig en veilig omgaan met codes, formulieren, (bank)passen of andere hulpmiddelen die wij u ter beschikking stellen. Zo helpt u voorkomen dat deze in verkeerde handen raken of dat iemand ervan misbruik kan maken. Een paar voorbeelden.

a. a) Codes (inclusief wachtwoorden)

i. U houdt alle codes voor anderen geheim, dus ook voor uw huisgenoten, familie, vrienden en medewerkers van de bank (…)

b) Bankpassen, betaalpassen of andere passen

(…)

2.6.

Op 14 november 2018 zijn bedragen van € 4.950,00 en € 4.900,00 bijgeschreven op de bankrekening van de BV. Deze bedragen waren afkomstig van een derde, gedupeerde rekeninghouder, die voor de bijschrijving van deze bedragen geen opdrachten had gegeven en die aangifte bij de politie heeft gedaan ter zake de frauduleuze betalingsopdrachten.

2.7.

ING heeft de gedupeerde rekeninghouder schadeloos gesteld door op 16 november 2018 een bedrag van € 9.865,11 (productie 20 conclusie van repliek in de hoofdzaak) aan de gedupeerde over te maken. Vervolgens heeft ING [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] meerdere malen aangeschreven en haar gesommeerd om een bedrag van € 9.850,00 vermeerderd met rente en kosten aan ING terug te betalen.

2.8.

Op 7 februari 2019 heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] aangifte gedaan van horizontale fraude, oplichting ex artikel 326 Sr (productie 2 dagvaarding in de hoofdzaak). In het proces-verbaal van haar aangifte staat, voor zover relevant, het volgende:

(…)

Ik was voornemend om een eigen bedrijf te beginnen twee kennissen van mijn oudste dochter [oudste dochter] geboren [geboortedatum] woonachtig in [woonplaats 3] wilde me daarbij helpen.

Zelf kende ik deze mensen niet, maar gezien mijn dochter deze personenen kende ging ik er vanuit dat men betrouwbaar was.

(…)

Ik moest volgens deze mannen een zakelijke rekening openen bij de ING-bank in [plaats] . Ik had nadien een pinpas ontvangen met mijn eigen gegevens. (…)

[gedaagde in de vrijwaringszaak] [ktr: lees [gedaagde in de vrijwaringszaak] ] vertelde mij dat hij zelf deze pas nodig had voor de boekhouding daarbij had hij ook de pincode nodig.

Op dat moment dacht ik dat zakelijk gezien dit de bedoeling moest zijn. In goed vertrouwen heb ik deze pinpas, en pincode aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] overhandigd, ik weet niet hiervan geen dat of datum of tijdstip meer.

(…)

Op 14 november 2018 ontving ik op mijn huisadres een schrijven van de INGbank, in dit schrijven stond dat er een onderzoek via ING had plaats gevonden op de zakelijke betaal rekening was naar voren gekomen dat er fraude was gepleegd.

Er was op 14 november 2018 namelijk een bedrag van € 9.850,00 op de geopende bankrekening bijgeschreven. Dit bedrag is klaarblijkelijk afkomstig van een rekening, waarvan de rekeninghouder geen opdracht tot deze overboeking heeft gegeven.

Verder stond in de brief dat de benadeelde partij in deze reeds aangifte had gedaan bij de politie van frauduleuze handelingen. (…)

Het bedrag van € 9.850,00 is door [gedaagde in de vrijwaringszaak] van de bank gehaald althans hij is de enige die in het bezit was van de bankpas die op mijn naam stond en ik had hem namelijk de pincode moeten geven.

(…)

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

ING vordert dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] veroordeelt om aan haar te betalen € 9.963,88 (waarvan € 9.850,00 aan hoofdsom en € 113,88 aan verschenen rente tot 4 oktober 2019) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2019, € 867,50 aan buitengerechtelijke kosten en de proces- en nakosten.

3.2.

Aan haar vordering legt ING ten grondslag dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] , als bestuurder van de BV, onzorgvuldig en in strijd met haar algemene voorwaarden heeft gehandeld en daardoor gehouden is de schade, die ING heeft geleden als gevolg van fraudeleuze bijschrijvingen op de bankrekening van de BV, op grond van ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling dan wel op grond van onrechtmatige daad te vergoeden. ING stelt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] als bestuurder van de thans ontbonden BV een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken zodat zij als bestuurder van de BV in privé aansprakelijk is voor de door ING geleden schade.

3.3.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] betwist dat zij nalatig en onzorgvuldig heeft gehandeld en stelt daarnaast dat zij niet direct of actief betrokken is geweest bij de gepleegde fraude. Zij stelt dat zij zelf slachtoffer is van frauduleuze handelingen van een ander, te weten [gedaagde in de vrijwaringszaak] , en dat zij voorafgaand aan de frauduleuze handelingen al heeft geprobeerd de rekening te blokkeren, maar dat ING hieraan niet wilde meewerken. Verder heeft ING volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] haar eigen zorgplicht geschonden door bij het openen van de rekening niet meer en beter onderzoek te doen en niet mee te werken aan blokkering van de rekening in juni/juli 2018. Als ING adequaat had gehandeld, had de gepretendeerde fraude voorkomen kunnen worden, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] . Zij betwist de toepassing van de algemene voorwaarden omdat die niet zijn ter hand gesteld en zij hiervan geen kennis heeft kunnen nemen. Als ING haar had gewezen op de bepaling dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] nooit haar bankpas en pincode mocht overdragen, had zij die niet verstrekt aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.5.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] vordert dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde in de vrijwaringszaak] veroordeelt:

  1. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen drie dagen na dagtekening van dit vonnis, aan haar te betalen het volledige geldbedrag (inclusief rente en buitengerechtelijke kosten) waartoe [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] (mogelijk) zal worden veroordeeld in de hoofdzaak tussen ING en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf drie dagen na dagtekening van dit vonnis,

  2. om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan haar te betalen de proceskosten van de vrijwaringsprocedure en van de procedure in de hoofdzaak en indien voldoening binnen veertien dagen niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  3. tot betaling van de nakosten.

3.6.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde in de vrijwaringszaak] heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen en de goedgelovigheid van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] . Hij heeft haar onder valse voorwendselen bewogen om een zakelijke rekening te openen om vervolgens de betaalpas en pincode van haar afhandig te maken en frauduleuze handelingen te verrichten. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft schade geleden of lijdt schade doordat ING haar voor frauduleuze handelingen en voor de door ING geleden schade aansprakelijk heeft gesteld. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] stelt dat haar schade het rechtstreekse gevolg is van frauduleuze handelingen gepleegd door [gedaagde in de vrijwaringszaak] .

3.7.

[gedaagde in de vrijwaringszaak] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Hij stelt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] als enig aandeelhouder en enig bestuurder van de BV zeggenschap heeft gehad over de BV, de zakelijke bankrekening en de bijbehorende betaalpas en pincode. Voorts stelt hij dat, in geval de kantonrechter een ander oordeel is toegedaan, de schade op basis van eigen schuld voor rekening van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] moet blijven. Zij had haar bankpas en pincode nooit aan derden mogen geven en als zij haar BV eerder had ontbonden dan zou zij geen schade hebben geleden, aldus [gedaagde in de vrijwaringszaak] .

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

Ongerechtvaardigde verrijking

4.1.

Ingevolge artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dat redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Als de verrijking verminderd is als gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend, dan blijft zij, conform lid 2 van voormeld artikel, buiten beschouwing. Is de verrijking verminderd in de periode waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden, dan wordt hem dit, conform lid 3 van voormeld artikel, ook niet toegerekend zodat de verarmde in die gevallen dus slechts recht heeft op een vergoeding inzake de uiteindelijk resterende verrijking.

4.2.

Nu vast staat dat zonder opdracht van de gedupeerde rekeninghouder en dus een op frauduleuze wijze verkregen bedrag van € 9.850,00 is bijgeschreven op de bankrekening van de BV, dient te worden aangenomen dat de BV met een bedrag van € 9.850,00 ongerechtvaardigd is verrijkt. Voorts staat als onweersproken vast dat ING schade heeft geleden omdat zij de gedupeerde rekeninghouder op grond van artikel 7:258 lid 1 BW schadeloos heeft gesteld. Ter onderbouwing hiervan heeft ING een bankafschrift overgelegd waaruit volgt dat ING op 16 november 2018 een bedrag van € 9.865,11 heeft overgemaakt naar de gedupeerde rekeninghouder met als omschrijving: “Vergoeding ING Fraudezaken” (productie 20 conclusie van repliek in de hoofdzaak). Hieruit volgt dat ING als gevolg van de ongerechtvaardigde verrijking van de BV met een bedrag van € 9.865,11 is verarmd.

4.3.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft betwist dat zij is verrijkt. Zij heeft gesteld dat als er al sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, de BV is verrijkt. Het enkele feit dat zij bestuurder was en dat het geld op de rekening van haar BV is bijgeschreven, maakt nog niet dat ING op basis van ongerechtvaardigde verrijking de vordering bij haar kan neerleggen en haar als bestuurder in privé aansprakelijk kan houden. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft aangevoerd dat het binnen ondernemingen gebruikelijk is om de bankgegevens aan een medewerker te verstrekken en dat het in de praktijk nooit aan de bank wordt gemeld. Verder heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] betoogd dat zij niet nalatig heeft gehandeld. Zodra zij het vermoeden kreeg dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] , degene die de bankpas en de pincode had, misbruik van haar bankgegevens zou maken, heeft zij ING gebeld en verzocht haar bankrekening te blokkeren. Daarnaast heeft zij geprobeerd aangifte te doen – en uiteindelijk ook gedaan – en [gedaagde in de vrijwaringszaak] te vinden. Voorts heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] gesteld dat ING zelf haar zorgplicht heeft geschonden omdat ING haar bankrekening, na haar telefoontje in juni 2018, niet heeft geblokkeerd. Daarnaast is het geen dagelijks verschijnsel als een vrouw van haar leeftijd (toen 72 jaar oud) een onderneming start en een zakelijke rekening opent. Gelet daarop had ING bij het openen van de rekening extra vragen moeten stellen of nader onderzoek moeten verrichten, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] .

4.4.

De verweren van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] treffen geen doel. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Als het verhaal van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] klopt, heeft zij de aan haar BV ter beschikking gestelde pas met bijbehorende pincode afgestaan aan een derde: te weten [gedaagde in de vrijwaringszaak] . Vast staat dat de BV de overeenkomst Zakelijk Betaalpakket (productie 15 dagvaarding in de hoofdzaak) met ING is aangegaan, dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] die overeenkomst heeft ondertekend en dat hierin staat dat zij is gewezen op de van toepassing zijnde diverse voorwaarden van ING en de plek waar die vindbaar zijn (zie r.o. 2.3.). Voor zover de voorwaarden vanwege niet terhandstelling vernietigbaar zouden zijn, geldt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] geen beroep op vernietiging heeft gedaan. Dit betekent dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, en de BV (in de persoon van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] ) heeft in strijd met deze voorwaarden gehandeld door de bankpas en pincode te verstrekken aan een derde.

4.5.

Door ondertekening van de overeenkomst Zakelijk Betaalpakket heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] verklaard dat niet alleen de BV maar ook zij, als vertegenwoordiger van haar onderneming, aan diverse voorwaarden van ING is gebonden (zie ook r.o. 2.3.) Door vervolgens de aan haar ter beschikking gestelde betaalpas aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] te geven, heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] , als vertegenwoordiger van de BV, op grove wijze nalatig en ook in strijd met de voorwaarden van ING gehandeld. Het vrijwillig afgeven van een pas en pincode aan anderen vergroot evident het risico op misbruik daarvan en in casu heeft dat risico zich verwezenlijkt. De omstandigheden waaronder de pasafgifte en vervolgens de geldopnamen hebben plaatsgevonden doen, hoe vervelend ook voor [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] , als zodanig aan deze aansprakelijkheid niet af. Het beroep dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft gedaan op hetgeen binnen ondernemingen gebruikelijk zou zijn ten aanzien van het afgeven van bankgegevens aan medewerkers, kan haar in dit verband niet baten. Allereerst was [gedaagde in de vrijwaringszaak] geen medewerker van de BV. Sterker nog: [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] kende [gedaagde in de vrijwaringszaak] niet en wist zijn echte naam niet eens. Dan is het afgeven van de bankpas met pincode toch wel zeer onzorgvuldig. Door de bankpas en pincode toch aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] – in essentie een volslagen vreemde – af te geven, heeft zij niet gehandeld conform het inzicht en de zorgvuldigheid die van haar als bestuurder en vertegenwoordiger van de BV mocht worden verwacht.

4.6.

Dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in juni 2018 met ING heeft gebeld om haar rekening te laten blokkeren en dat zij kort daarna geprobeerd heeft aangifte te doen – hetgeen overigens niet is vast komen te staan – doet niet af aan het feit dat haar BV, zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is, is verrijkt en dat zij, als onzorgvuldig handelende bestuurder, op grond van ongerechtvaardigde verrijking kan worden aangesproken. Het lag naar het oordeel van de kantonrechter namelijk op haar weg om veel meer te ondernemen dan het plegen van één enkel telefoontje. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] had in ieder geval reeds in juni 2018 persoonlijk naar een ING kantoor kunnen gaan, de situatie daar ter plekke aan een medewerker van ING kunnen uitleggen en zich als rekeninghouder kunnen identificeren om zo de rekening van de BV tijdig te kunnen blokkeren. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft die stappen echter niet ondernomen. Zij is in augustus 2018 – vlak nadat zij het vermoeden kreeg dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] haar bankgegevens kon misbruiken – naar Limburg verhuisd. Uit haar conclusie van antwoord maakt de kantonrechter op dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in de periode juni 2018 tot 14 november 2018 alles op zijn beloop heeft gelaten en dat zij pas weer actie heeft ondernomen nadat haar privérekening was geblokkeerd. Voor zover dit stilzitten inderdaad het gevolg is van de door haar gestelde omstandigheden (geldnood, weinig zelfredzaamheid etc.) geldt dat dit niet voor rekening en risico van ING komt.

4.7.

Voor zover [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] met haar verweren (dat zij de bankpas en pincode te goede trouw aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] had gegeven, dat zij geen toegang tot haar bankgegevens had en dat niet zij maar [gedaagde in de vrijwaringszaak] het geld heeft opgenomen) heeft willen betogen dat de verrijking haar in redelijkheid niet kan worden toegerekend of dat de verrijking aan haar zijde is verminderd (leden 2 en 3 van artikel 6:212 BW), geldt dat ook die verweren geen doel treffen. Indien [gedaagde in de vrijwaringszaak] misbruik heeft gemaakt van haar bankgegevens dan is dit slechts mogelijk geweest doordat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] de bankpas met pincode vrijwillig aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] heeft gegeven. Onder die omstandigheden kan ook de vermindering van de verrijking [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] worden aangerekend.

4.8.

Het verweer ter zake van eigen schuld dan wel schending van de zorgplicht aan de zijde van ING gaat niet op. Hetgeen [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in dat verband heeft gesteld is te mager in het licht van de gemotiveerde stellingen van ING dat zij de KvK inschrijving van [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft gecontroleerd en een risicoanalyse heeft gedaan (productie 17 conclusie van repliek in de hoofdzaak), en daarom geen aanleiding heeft gezien om nadere vragen aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] te stellen dan wel nader onderzoek te verrichten.

4.9.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] de stelling van ING, dat de BV zonder een redelijke rechtsgrond en dus ongerechtvaardigd ten koste van ING is verrijkt en dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] als bestuurder daarvoor in privé aansprakelijk is, onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. Dit betekent dat de kantonrechter oordeelt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] als bestuurder een ernstig verwijt valt te maken en dat zij daarom in privé en op grond van ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk is voor de door ING geleden schade. Zij dient die schade dan ook te vergoeden. Hieruit volgt dat de door ING gevorderde hoofdsom van € 9.850,00 voor toewijzing gereed ligt. Nu tevens vast staat dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] de gevorderde hoofdsom nog niet aan ING heeft (terug) betaald, is ook toewijsbaar de onweersproken vordering ter zake van de verschenen rente van € 113,88, berekend tot 4 oktober 2019.

4.10.

ING vordert vanaf 4 oktober 2019 de wettelijke rente over € 9.963,88

en daarmee niet alleen over de toe te wijzen hoofdsom van € 9.850,- maar eveneens over de verschenen rente van € 113,88. De gevorderde rente over de hoofdsom zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de verschenen rente is toewijsbaar op de wijze zoals hieronder bij de beslissing omschreven.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.11.

ING maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 867,50. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. ING heeft aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] op 19 november 2019 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- dagvaarding € 107,63

- griffierecht € 499,00

- salaris gemachtigde € 746,00 (2 x tarief € 373,00)

totaal € 1.352,63

4.13.

De nakosten zullen worden toegewezen zoals hieronder bij de beslissing omschreven.

in het vrijwaringsincident

4.14.

In het vrijwaringsincident was de beslissing omtrent de proceskosten aangehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het vrijwaringsincident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de vrijwaringszaak

4.15.

[eiseres in de vrijwaringszaak] stelt dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] met de bankpas en pincode van haar BV de frauduleuze handelingen heeft verricht, wat [gedaagde in de vrijwaringszaak] betwist. Nu [eiseres in de vrijwaringszaak] geen bewijs van haar stellingen heeft ingebracht kan vooralsnog niet worden vastgesteld dat deze kloppen. Ingevolge artikel 150 Rv rust op [eiseres in de vrijwaringszaak] de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. De kantonrechter ziet aanleiding om [eiseres in de vrijwaringszaak] , die dit uitdrukkelijk heeft aangeboden, tot bewijslevering toe te laten. Zij wordt toegelaten te bewijzen dat niet zij maar [gedaagde in de vrijwaringszaak] de frauduleuze handelingen heeft verricht. Dat dit zo is, zou aannemelijk kunnen worden geacht indien [eiseres in de vrijwaringszaak] kan bewijzen dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] actief betrokken is geweest bij de oprichting van de BV (mee naar binnen is geweest bij de Kamer van Koophandel en de notaris) en bij het openen van de zakelijke bankrekening van de BV (mee naar binnen is geweest bij de bank).

4.16.

In afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

in de hoofdzaak

5.1.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] om aan ING te betalen:

  • -

    € 9.963,88 (waarvan € 9.850,00 aan hoofdsom en € 113,88 aan verschenen rente tot 4 oktober 2019),

  • -

    de wettelijke rente over € 9.850,00 vanaf 4 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening,

  • -

    de wettelijke rente over de verschenen rente van € 113,88 vanaf 4 oktober 2019 voor zover deze rente meer dan één jaar verschuldigd is,

  • -

    € 867,50 aan buitengerechtelijke kosten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in de kosten van de procedure aan de zijde van ING gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.352,63,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door ING volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 124,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in het vrijwaringsincident

5.6.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de vrijwaringszaak

5.7.

draagt [eiseres in de vrijwaringszaak] op te bewijzen dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] :

- de frauduleuze handelingen heeft verricht,

- samen met haar bij de ING naar binnen is gegaan voor het openen van de zakelijke bankrekening [rekeningnummer] ,

- met [eiseres in de vrijwaringszaak] naar binnen is gegaan bij de KvK toen de BV werd ingeschreven, en/of

- met [eiseres in de vrijwaringszaak] naar binnen is gegaan bij de notaris,

5.8.

verwijst de zaak naar de rol van 14 juli 2021 voor akte aan de zijde van [eiseres in de vrijwaringszaak] waarin zij zich dient uit te laten over de vraag of zij van de gelegenheid tot bewijslevering gebruik zal maken door middel van overlegging van bewijsstukken en/of het horen van getuigen,

5.9.

draagt [eiseres in de vrijwaringszaak] op, indien zij (mede) kiest voor het horen van getuigen, om in de akte het aantal en (voor zover bekend) de personalia van die getuigen op te nemen met een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende vier maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald,

5.10.

draagt [eiseres in de vrijwaringszaak] op, indien zij (mede) kiest voor overlegging van bewijsstukken, om die gelijktijdig met de akte in het geding te brengen,

5.11.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

NZ