Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4741

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
9191572 CV EXPL 21-2262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisende partij niet-ontvankelijk wegens dagvaarden van de Inspecteur (van de Belastingdienst). De inspecteur is geen rechtspersoon en is daarom ook niet bevoegd om als procespartij op te treden in een civiele procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-6-2021
FutD 2021-2009
FutD 2021-2010
NJF 2021/467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 9191572 CV EXPL 21-2262

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 1 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORPOCON LEGAL/LETSEL EN SCHADECLAIM.NL,

gevestigd en kantoor houdend te Alphen aan den Rijn,

eisende partij,

gemachtigde mr. F. Krougman,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

(DE INSPECTEUR VAN DE) BELASTINGDIENST TOESLAGEN,

kantoor houdend te Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. H.J.S.M. Langbroek en mr. J.C. Duyster.

Partijen worden hierna verder Corpocon en de Belastingdienst genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 6 mei 2021 met 22 producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot onbevoegdverklaring met 8 producties,

  • -

    de e-mail van Corpocon van 11 mei 2021 inhoudende een beknopte reactie op de incidentele conclusie,

  • -

    de e-mail van de Belastingdienst van 14 mei 2021 met tien aanvullende producties (producties 9 tot en met 18),

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 17 mei 2021 alwaar door Corpocon en door de Belastingdienst pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Corpocon staat gedupeerden, waaronder ook [gedupeerde] , bij in wat intussen de “Kinderopvangtoeslag Affaire” is gaan heten. Deze affaire betreft het stopzetten en terugvorderen van aan ouders van kinderen verstrekte kinderopvangtoeslagen, waardoor in bepaalde gevallen de ouders in ernstige financiële problemen zijn gekomen.

2.2.

In dat kader heeft [gedupeerde] zich in 2016 tot Corpocon gewend met het verzoek haar belangen te behartigen. Naar aanleiding daarvan heeft zij een overeenkomst van opdracht (deelnemingsovereenkomst) getekend (productie VII A van Corpocon) en later een akte van cessie in verband met de buitengerechtelijke kosten (productie VII B van Corpocon).

2.3.

De deelnemingsovereenkomst, gesloten tussen [gedupeerde] en de stichting Gedeputeerden KOT op 1 november 2020 bevat de voor de beoordeling van het voorliggende geschil relevante bepalingen:

“(…)

Artikel 4: Slechts indien en voor zover de Deelnemer onherroepelijk voor compensatie in aanmerking komt (de Opbrengsten), zal de Stichting i/o, of, uiteindelijk de Financier/Corpocon Legal BV alle kosten ex btw omvatten overigens overigens zowel de kosten voor juridische bijstand (de Legal Fee-s-) zowel / als de kosten voor het verkrijgen van financiering van de Financier (de Financial Fee-s-) neerleggen bij de Belastingdienst.

De Deelnemer accepteert en stemt er onherroepelijk mee in dat daarom de Fee-s- door de Verweerders of eventuele derden rechtstreeks aan de Stichting i/of, of, al dan niet indirect, enkel aan de Financiers/Corpocon Legal BV zal moeten worden uitbetaald door de Belastingdienst_Afd. KOT/Het Ministerie van Financiën. De gedupeerde deelnemer betaalt namelijk NOOIT iets aan ons.”

2.4.

In 2019 heeft een Adviescommissie een rapport uitgebracht rondom de problematiek in de Kinderopvangtoeslag Affaire.

2.5.

De Tweede Kamer heeft op 2 juni 2020 besloten een parlementaire ondervragingscommissie in te stellen. Op 17 december 2020 heeft deze parlementaire ondervragingscommissie een verslag aan de Tweede Kamer aangeboden.

2.6.

Vervolgens is een hersteloperatie kinderopvangtoeslag in het leven geroepen, welke operatie wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT). Nadien heeft het kabinet besloten tot versnelling en verruiming van het herstel voor ouders door middel van de toekenning van een forfaitaire vergoeding van € 30.000,- aan gedupeerde ouders nadat een eerste lichte toets heeft plaatsgevonden. Een en ander vooruitlopend op de integrale beoordeling van de compensatie en tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen.

2.7.

[gedupeerde] heeft zich gemeld bij de Belastingdienst/Toeslagen en heeft een bedrag van € 750,- en daarna het bedrag van € 30.000,- ontvangen (productie XX Corpocon en producties 10 tot en met 15 van de Inspecteur).

2.8.

Op 1 april 2021 heeft Corpocon aan [gedupeerde] een bedrag gefactureerd van € 2.240,- inclusief btw voor 10 uur verrichte werkzaamheden à € 200,- per uur (exclusief btw) (productie 2 van de Belastingdienst).

3 Het geschil

3.1.

Corpocon vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Belastingdienst veroordeelt tot het voldoen van een urgent benodigd (voorschot) op de door Corpocon gemaakte buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand voor de periode 2016 tot en met heden ex artikel 6:96 BW welke vordering thans te begroten is op € 2.420,- inclusief btw, alsmede veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Corpocon legt aan deze vordering ten grondslag dat zij reeds lange tijd juridische bijstand heeft verleend aan [gedupeerde] in het kader van haar mogelijke compensatie door de Staat in het kader van de Kinderopvangtoeslag Affaire. Corpocon heeft voor deze diensten nog immer betaald gekregen. Nu een compensatie in beeld komt en bovendien Corpocon geld nodig heeft om haar diensten te kunnen voortzetten heeft zij [gedupeerde] voor een beperkt bedrag, € 2.420,- inclusief btw, gefactureerd. Omdat [gedupeerde] haar vordering op de Staat aan Corpocon heeft overgedragen, kan Corpocon haar vordering op [gedupeerde] op de Staat verhalen. [gedupeerde] heeft bovendien recht op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten, omdat vaststaat dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en zij in dat kader kosten heeft moeten maken voor verkrijging van voldoening buiten rechte.

3.3.

De Belastingdienst voert verweer tegen de vordering van Corpocon dat primair strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Corpocon en subsidiair tot onbevoegdverklaring van de rechtbank Limburg. Volgens de Belastingdienst komt de bevoegdheid om als partij op te treden in een burgerlijk geding in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. De Inspecteur is geen rechtspersoon en is als zodanig ook niet bevoegd om als procespartij op te treden in een civiele procedure. De Belastingdienst/Toeslagen maakt onderdeel uit van de rijksbelastingdienst dat is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen (artikel 11 lid 2 Awir). De Inspecteur, zoals gedefinieerd in artikel 3 sub b AWR (opmerking kantonrechter: bedoeld zal zijn artikel 2 lid 3 onder b AWR), is aan te merken als bestuursorgaan. Voor zover Corpocon heeft bedoeld haar vorderingen te richten tegen de Staat dan geldt dat de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Limburg niet relatief bevoegd is om van die vorderingen kennis te nemen. Verder heeft de Inspecteur de vordering van Corpocon in alle opzichten betwist en gesteld dat niet voldaan is aan de eisen voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de vordering van Corpocon een zodanige kans van slagen heeft in een eventuele bodemprocedure dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door haar gevorderde onmiddellijke voorziening voorshands gerechtvaardigd voorkomt. Daarbij zal de kantonrechter uitgaan van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden en het ter zitting gevoerde debat, zonder nadere bewijslevering.

4.2.

Voordat de kantonrechter aan de (inhoudelijke) behandeling van de vordering kan toekomen, moet hij in deze procedure eerst de twee door de Belastingdienst (bij incident) opgeworpen verweren behandelen en beantwoorden (primair: niet-ontvankelijkheid Corpocon, subsidiair: onbevoegdheid rechtbank Limburg). Naar het oordeel van de kantonrechter dient echter teneinde over de ontvankelijkheid van Corpocon een oordeel te kunnen geven eerst sprake te zijn van absolute en relatieve bevoegdheid van de kantonrechter zodat die bevoegdheidsvragen eerst aan de orde zullen komen.

Ten aanzien van de bevoegdheid

4.3.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of de kantonrechter absoluut bevoegd is ten aanzien van de ingestelde vorderingen. Ingevolge het bepaalde in artikel 254 lid 5 Rv is de kantonrechter in zaken die ten gronde door hem worden behandeld en beslist, ook bevoegd tot het geven van een voorziening. Op grond van artikel 93 sub a Rv worden vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,- door de kantonrechter behandeld en beslist.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter beloopt de vordering van Corpocon niet meer dan € 25.000,- en heeft zij bovendien, nu het in deze zaak een voorschot op de buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand betreft, haar vordering uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,- en ziet zij af van het eventuele meerdere. Dit brengt met zich dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a Rv bevoegd is ter zake van de vordering van Corpocon.

4.5.

Voor de relatieve bevoegdheid zijn de artikelen 99-110 Rv van belang. Hieruit volgt als hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij relatief bevoegd is (artikel 99 Rv). De woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van het bepaalde in artikel 1:10-1:15 BW. Naast de plaats waar een rechtspersoon volgens wettelijk voorschrift of volgens de statuten of reglementen zijn zetel heeft (artikel 1:10 BW) wordt onder het begrip woonplaats ook verstaan de plaats waar een rechtspersoon kantoor of filiaal houdt (ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen).

4.6.

De Belastingdienst/Toeslagen is een organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst waarvan de Inspecteur als bestuursorgaan onderdeel uitmaakt. De Belastingdienst houdt ook kantoor in Heerlen. Weliswaar staat op de beschikkingen en brieven (producties 10 tot en met 18 van de Belastingdienst) “kantoor Utrecht” aangegeven, maar daarop staat tevens het postadres in Heerlen vermeld zodat het ook een aangelegenheid is die dit kantoor betreft. De kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, is derhalve relatief bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van Corpocon

4.7.

De Belastingdienst heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat Corpocon niet kan worden ontvangen in haar vorderingen omdat zij de Inspecteur van de Belastingdienst heeft gedagvaard en aan de Inspecteur als zodanig geen procesbevoegdheid toekomt. Dat verweer slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.8.

In reactie op het verweer van de Belastingdienst stelt Corpocon - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1992 (nr. 14445, NJ 1992/788) - dat naast de Ontvanger ook het handelen van de Inspecteur aan de orde kan worden gesteld. Ook tegen de Ontvanger - die net zoals de Inspecteur geen rechtsbevoegdheid heeft, maar wel zelfstandig bevoegd is om ten processe te treden - wordt regelmatig geprocedeerd. Hetzelfde heeft te gelden voor de Inspecteur, aldus Corpocon.

4.9.

De kantonrechter volgt die stelling van Corpocon niet. In het door Corpocon aangehaalde arrest oordeelde de Hoge Raad dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een dwangbevel ook het handelen van de Inspecteur betrokken kan worden. In die zaak was de Ontvanger procespartij en niet de Inspecteur. De bevoegdheid van de Ontvanger om zelfstandig in rechte op te treden, is neergelegd in artikel 3 lid 3 van de Invorderingswet 1990 waarbij het gaat om “rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak”. Anders dan Corpocon stelt, komt aan de Inspecteur geen zelfstandige procesbevoegdheid toe. Tegen door de (Inspecteur van de) Belastingdienst genomen beslissingen kan Corpocon (namens de belanghebbende) weliswaar opkomen met een actie uit onrechtmatige daad, maar die actie dient zij in te stellen tegen de rechtspersoon de Staat, en dus niet tegen de Inspecteur. De stelling van Corpocon dat de (Inspecteur van de) Belastingdienst hierdoor niet in haar belangen is geschaad, gaat, gelet op het gemotiveerde verweer aan de zijde van de Belastingdienst, en wegens een gebrek aan onderbouwing door Corpocon, evenmin op. Corpocon is daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering komt de kantonrechter daarom niet meer toe.

4.10.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat de Belastingdienst de vordering van Corpocon echter dermate gemotiveerd heeft betwist dat op dit moment nog te veel onduidelijkheid bestaat om de schade (voorlopig) vast te kunnen stellen. Toewijzing van de vordering van Corpocon in kort geding is daarom niet aan de orde. De vordering is op dit moment nog te prematuur.

4.11.

Corpocon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Belastingdienst gevallen en tot vandaag begroot op € 747,- aan salaris gemachtigde. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart Corpocon niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2.

veroordeelt Corpocon in de proceskosten aan de zijde van de Belastingdienst gevallen en tot vandaag begroot op € 747,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RJ