Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4701

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
C/03/290365 / JE RK 21-614
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur dan verzocht. Er bestaat geen discussie over de vraag of de minderjarige uiteindelijk weer bij de moeder gaat wonen. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat het belangrijk is dat meer zicht ontstaat op de gebeurtenissen uit het verleden, ziet de kinderrechter niet in hoe dit argument van de GI zich verhoudt tot het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing zou moeten worden toegewezen voor een langere termijn. De GI heeft immers ter zitting verklaard dat de thuisplaatsing van de minderjarige hoe dan ook binnen enkele maanden zal plaatsvinden, hetgeen met zich meebrengt dat het door de GI gewenste zicht op de gebeurtenissen uit het verleden in beginsel geen verdere invloed heeft op de perspectiefbepaling van de minderjarige. Het stappenplan dat is uitgewerkt door Xonar in samenwerking met de moeder en de minderjarige is goed doordacht en ziet erop toe dat de minderjarige in alle rust de overstap naar de thuissituatie van de moeder kan maken gedurende de zomervakantie. Dit stappenplan voorkomt ook dat de minderjarige een maand nadat zij op haar nieuwe school is begonnen weer nieuwe onrust zal ervaren door een wisseling in haar verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Maastricht

Zaaknummer: C/03/290365 / JE RK 21-614

Datum uitspraak: 11 mei 2021

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Eindhoven,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonend in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. J.E.A.H. Verstraelen, kantoorhoudend in Maastricht,

[de vader] , hierna te noemen: de vader,

zonder bekende woonplaats, doch feitelijk verblijvend in [woonplaats 2] .

1 Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 maart 2021, binnengekomen bij de griffie op 30 maart 2021;

  • -

    het keuzeformulier van de minderjarige [minderjarige] van 18 april 2021, binnengekomen bij de griffie op 22 april 2021;

  • -

    de brief van de minderjarige [minderjarige] van 20 april 2021, binnengekomen bij de griffie op 22 april 2021;

  • -

    de aanvullende stukken van de GI van 26 april 2021, binnengekomen bij de griffie op 26 april 2021.

Op 30 april 2021 heeft de kinderrechter de onderhavige zaak samen behandeld met de zaak met zaaknummer C/03/291499 / JE RK 21-861 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren, waar zijn gehoord:

  • -

    de minderjarige [minderjarige] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Verstraelen;

  • -

    de vader;

  • -

    een vertegenwoordigster van de GI;

  • -

    [naam ambulante hulpverlener] , de ambulante hulpverlener van [minderjarige] vanuit Xonar.

Een tweede vertegenwoordiger van de GI is telefonisch aanwezig geweest bij de mondelinge behandeling.

In de onderhavige zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan, die nader is bepaald op heden.

2 De feiten

Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] verblijft in een groep van Xonar in Heerlen.

Bij beschikking van 10 december 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 december 2020 verlengd voor de duur van vijf maanden, aldus tot 16 mei 2021. Voorts is bij voornoemde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd, met ingang van 16 december 2020 voor de duur van drie maanden, aldus tot 16 maart 2021. Bij beschikking van 1 maart 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 16 maart 2021 voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 16 mei 2021.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 mei 2021 te verlengen voor de duur van een jaar, aldus tot 16 mei 2022. Voorts heeft de GI verzocht, zo begrijpt de kinderrechter, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen, met ingang van 16 mei 2021 voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 16 mei 2022. De GI verzoekt daarbij de laatste zes maanden van dit verzoek voor nu aan te houden. Tevens wordt verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing van deze verzoeken stelt de GI het volgende. [minderjarige] heeft ondanks haar jonge leeftijd al veel wisselingen in verblijfplaats en opvoeders gekend. Zij bevindt zich in diverse loyaliteitsconflicten en had tot voor kort geen contact met de vader en haar broertjes en zusjes die in [plaats] wonen. [minderjarige] kampt daarnaast reeds geruime tijd met gedragsproblemen en problemen rondom haar schoolgang, waarbij zij zelfs gedurende een jaar geheel geen onderwijs heeft gevolgd.

De afgelopen maanden hebben positieve ontwikkelingen plaatsgevonden. [minderjarige] doet het goed in haar huidige groep in Heerlen en de relatie tussen [minderjarige] en de moeder is sterk verbeterd. De GI is van mening dat dient te worden ingezet op de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, aangezien het perspectief van [minderjarige] bij de moeder is gelegen. Er bestaat evenwel nog aanleiding tot zorgen. Aangezien de moeder hieromtrent geen openheid biedt, heeft de GI nog weinig zicht op de gebeurtenissen uit het verleden. De GI heeft echter recent informatie tot haar beschikking gekregen die twijfels heeft veroorzaakt over de mogelijkheden van de moeder om op adequate wijze invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zo volgt uit de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2018 dat het gezag van de ouders over [minderjarige] (en haar broertjes en zusjes) tijdelijk is geschorst. Dit brengt met zich mee dat de moeder in het verleden klaarblijkelijk niet in staat is geweest voor de kinderen te zorgen. Hoewel de moeder beschikt over de pedagogische vaardigheden om [minderjarige] te corrigeren en aan te sturen, bestaan zorgen over haar mogelijkheden om structuur vast te houden, het overzicht te behouden en belangrijke zaken rondom [minderjarige] te regelen. De moeder zegt in dit verband steeds goede dingen, maar lijkt voor wat betreft inzicht en planning volledig afhankelijk van derden. De samenwerking tussen de GI en de moeder is de komende periode bovendien zeer moeizaam verlopen. Op 15 maart 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de moeder, haar hulpverleenster en de GI. Daarbij is besproken dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder diende te worden geëvalueerd en dat de moeder een intelligentietest zou ondergaan om te kunnen onderzoeken welke mogelijkheden zij heeft en welke ondersteuning eventueel passend zou kunnen zijn. De moeder is sinds het evaluatiegesprek echter nagenoeg onbereikbaar geweest voor de GI, als gevolg waarvan het niet lukt tot goede afspraken te komen. Gedwongen hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom voorlopig nog noodzakelijk.

De GI begrijpt dat de moeder zich op het standpunt stelt dat de thuisplaatsing van [minderjarige] per 1 augustus 2021 zou kunnen plaatsvinden. De GI acht een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden echter noodzakelijk. [minderjarige] kan op deze manier vanuit haar vertrouwde omgeving in de groep van Xonar in alle rust beginnen op het [naam school] in Maastricht. Zodra zij een goede start heeft gemaakt op haar nieuwe school kan vervolgens de thuisplaatsing bij de moeder plaatsvinden. Op deze wijze wordt [minderjarige] niet gelijktijdig geconfronteerd met meerdere veranderingen. Gelet op het voorgaande acht de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van zes maanden daarnaast nog noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de gebeurtenissen uit het verleden en de hulpverlening bij de moeder in de thuissituatie op een gedegen wijze te organiseren.

3.2.

De moeder stemt in met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Zij voert verweer tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoekt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten tot 1 augustus 2021. De afgelopen maanden hebben positieve ontwikkelingen plaatsgevonden. Er is geregeld dat [minderjarige] komend schooljaar kan starten op een school in Maastricht die aansluit bij haar onderwijsbehoeften. De hulpverlening vanuit de Belgische instanties staat ook in de startblokken en kan direct worden ingezet zodra [minderjarige] weer (deels) bij de moeder woont. Gezien deze positieve ontwikkelingen zijn zowel de moeder en [minderjarige] als Xonar van mening dat [minderjarige] na het opbouwen van de contacten in de loop van de zomervakantie weer bij de moeder kan komen wonen en vervolgens vanuit de thuissituatie van de moeder op haar nieuwe school kan beginnen. De betrokken gezinsvoogdijwerker lijkt daarbij als enige een afwijkende visie op de zaak te hebben. De moeder heeft daarbij het gevoel dat deze gezinsvoogdijwerker zodanig gefocust is op het boven tafel krijgen van de gebeurtenissen uit het verleden dat hij onvoldoende oog heeft voor de positieve ontwikkelingen en de mogelijkheden die daarin gelegen zijn. De moeder hoopt dat de nieuwe gezinsvoogdijwerkster met een frisse blik naar de zaak kan kijken en de samenwerking met de GI kan verbeteren.

3.3.

De vader staat achter de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Hij wil echter wel voorkomen dat de hulpverlening rondom [minderjarige] wegvalt op het moment dat zij bij de moeder gaat wonen en acht het daarom van groot belang dat de hulpverlening op een goede manier wordt overgedragen naar de Belgische hulpverleningsinstanties. Er dient vanuit de Belgische hulpverleningsinstanties onderzoek te worden gedaan naar de thuissituatie van de moeder om te voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt.

3.4.

De minderjarige [minderjarige] is ter zitting gehoord, buiten de aanwezigheid van de overige aanwezigen. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven aan de belanghebbenden, waarna zij de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. [minderjarige] verblijft momenteel in een groep van Xonar in Heerlen. Zij gaat doordeweeks elke dag naar de dagbesteding en verblijft ieder weekend bij de moeder. Zij reist dan zelfstandig vanuit Heerlen naar Maastricht en wordt vervolgens in Maastricht opgehaald door haar broer, met wie zij samen met de bus naar de moeder in [woonplaats 1] reist. [minderjarige] wil uiteindelijk graag weer bij de moeder gaan wonen. Zij gaat komend schooljaar onderwijs volgen op het [naam school] in Maastricht. Het is de bedoeling van Xonar dat de contacten tussen [minderjarige] en de moeder de komende maanden verder worden opgebouwd. Vervolgens kan [minderjarige] dan in de loop van de zomervakantie bij de moeder gaan wonen, zodat zij vanuit de thuissituatie bij de moeder kan beginnen op haar nieuwe school in Maastricht. [minderjarige] vindt dit een goede opbouw. Zij zou daarnaast graag meer contact willen met haar broertjes en zusjes in [plaats] . Hoewel zij soms telefonisch contact hebben, heeft zij hen al langere tijd niet meer gezien.

3.5.

De begeleidster van [minderjarige] vanuit Xonar heeft verklaard dat de afgelopen maanden een niveaubepaling bij [minderjarige] heeft plaatsgevonden om haar schoolperspectief te kunnen vaststellen. Daar is uit naar voren gekomen dat sprake is van een vmbo-tl niveau met uitgroei naar de havo. Het [naam school] sluit goed aan bij [minderjarige] . Gedurende de komende maanden dienen de contacten tussen [minderjarige] en de moeder te worden uitgebreid om [minderjarige] een stevig fundament te bieden voor het moment dat zij weer bij de moeder gaat wonen. Op 1 augustus 2021 zou vervolgens de volledige thuisplaatsing van [minderjarige] kunnen plaatsvinden, zodat zij het nieuwe schooljaar vanuit de woonplaats van de moeder kan starten. De moeder heeft afgelopen woensdag contact gehad met de hulpverleningsinstanties in België. Dit betreffen RTJ Limburg en OCJ Tongeren. Zij hebben haar laten weten dat zij vanaf het moment dat de moeder een beroep op hen doet binnen een maand zouden kunnen starten met het bieden van ambulante hulpverlening.

4 De beoordeling

De bevoegdheid en het toepasselijk recht

4.1.

De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in België. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit. Daarmee draagt deze zaak een internationaal karakter en dient de kinderrechter ambtshalve de rechtsmacht en het toepasselijk recht te bepalen.

Ingevolge artikel 8 van de hier toepasselijke Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: Brussel II-bis) zijn in deze zaken, die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland ligt. Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis is derhalve de Nederlandse rechter bevoegd om op het verzoek te beslissen.

Ingevolge artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van degene die het gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarig kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. Beide ouders oefenen het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont of verblijft op dit moment niet bij een van haar ouders. Uit de door de GI overgelegde beschikking van deze rechtbank van 10 december 2020 volgt dat de vader in een eerdere procedure ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat [minderjarige] , voordat zij uit huis werd geplaatst, bij de moeder woonde. Nu de moeder echter in België woont en er dus geen sprake is van een woonplaats in Nederland, is bevoegd de rechter van de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] . [minderjarige] verbleef ten tijde van indiening van het verzoekschrift bij Xonar in Heerlen, zodat de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

Aangezien de rechtsmacht van de Nederlandse rechter gebaseerd is op Brussel II-bis, dienen voor de vaststelling van het recht aan de hand waarvan het onderhavige verzoek dient te worden beoordeeld de bepalingen van het HKBV 1996 te worden toegepast. Uit het bepaalde in artikel 17 HKBV 1996 volgt dat Nederlands recht van toepassing is.

De verlenging van de ondertoezichtstelling

4.2.

Op grond van artikel 1:260 BW in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 1:255 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders of ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat aan de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Gebleken is dat [minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft een belast verleden en heeft de afgelopen jaren veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zij heeft daarbij veel wisselingen in verblijfplaats en opvoeders gekend, als gevolg waarvan het haar veelal ontbrak aan voorspelbaarheid en stabiliteit in haar opvoedingssituatie. Zij is hierdoor bekend met loyaliteitsproblemen en kan geen onbelast contact hebben met al haar familieleden, als gevolg waarvan zij ook enige tijd geen contact had met de vader en haar broertjes en zusjes die in [plaats] wonen. [minderjarige] kampte daarnaast met gedragsproblemen en is gedurende een jaar vrijwel geheel niet naar school geweest.

De afgelopen maanden is op meerdere gebieden een positieve ontwikkeling waarneembaar. [minderjarige] volgt momenteel dagbesteding bij Xonar en zal komend schooljaar gaan starten op het [naam school] in Maastricht. [minderjarige] heeft daarnaast in haar relatie tot de moeder een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt, als gevolg waarvan zij op termijn met de nodige ondersteuning weer bij de moeder zal gaan wonen. Zij heeft tevens sinds kort weer telefonisch contact met haar broertjes en zusjes in [plaats] . Ondanks het feit dat duidelijk sprake is van positieve ontwikkelingen, zijn deze ontwikkelingen – zeker gezien de lange bestaansduur van de voornoemde problematiek – nog relatief pril. Gedwongen hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom voorlopig nog noodzakelijk om de ondersteuning vanuit de hulpverleningsinstanties en de veilige ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen.

Nu voorts de verwachting is dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor hun rekening te nemen, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, welke termijn noodzakelijk wordt geacht gezien de hierboven genoemde ontwikkelingsbedreiging.

De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

4.3.

Voorts kan de kinderrechter ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

De kinderrechter begrijpt dat geen discussie bestaat over de vraag of [minderjarige] uiteindelijk weer bij de moeder gaat wonen. De vraag die daarom nu nog voorligt, is binnen welke termijn de thuisplaatsing van [minderjarige] dient plaats te vinden, zodat de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing daarop kan worden afgestemd.

De GI stelt zich op het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden verlengd voor de duur van zes maanden en voert daartoe meerdere argumenten aan. Zo is de GI van mening dat een termijn van zes maanden noodzakelijk is gezien het feit dat op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de situaties die in het verleden zijn voorgevallen en die ertoe hebben geleid dat het gezag van de moeder over [minderjarige] en haar broertjes en zusjes tijdelijk is geschorst. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat het belangrijk is dat meer zicht ontstaat op gebeurtenissen uit het verleden, ziet de kinderrechter niet in hoe dit argument zich verhoudt tot het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing zou moeten worden toegewezen voor een langere termijn. De GI heeft immers ter zitting verklaard dat de thuisplaatsing van [minderjarige] hoe dan ook binnen enkele maanden zal plaatsvinden, hetgeen met zich meebrengt dat het door de GI gewenste zicht op de gebeurtenissen uit het verleden in beginsel geen verdere invloed heeft op de perspectiefbepaling van [minderjarige] . Voor zover de GI het verkregen zicht wil gebruiken om passende ondersteuning in de thuissituatie van de moeder in te zetten, kan verder worden gewerkt aan het vergroten van dit zicht in het kader van de ondertoezichtstelling. Daar komt bij dat het gezag van de moeder over [minderjarige] inmiddels weer is hersteld. Wat de oorzaak ook moge zijn geweest voor de eerdere schorsing van het gezag, feit blijft dat de moeder naar aanleiding van een rechterlijke toetsing inmiddels weer het gezag over [minderjarige] uitoefent. De kinderrechter mag er daarmee in beginsel vanuit gaan dat de moeder in staat kan worden geacht haar taken als gezaghebbende ouder uit te oefenen en [minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig heeft.

De GI voert verder aan dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat zij vanuit haar vertrouwde omgeving in de groep van Xonar in alle rust een goede start kan maken op het [naam school] in Maastricht om vervolgens de overstap te maken naar de thuissituatie van de moeder. Op deze wijze wordt [minderjarige] niet gelijktijdig geconfronteerd met meerdere veranderingen. De kinderrechter volgt ook dit standpunt niet en overweegt in dit verband als volgt. De moeder en [minderjarige] hebben de afgelopen maanden in samenwerking met Xonar een helder traject uitgezet ten behoeve van de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Er heeft een niveaubepaling plaatsgevonden bij [minderjarige] , naar aanleiding waarvan zij is aangemeld op het [naam school] in Maastricht. [minderjarige] zal begin september 2021 starten op deze school. Op dit moment verblijft [minderjarige] al ieder weekend bij de moeder en de komende maanden zullen de contacten tussen [minderjarige] en de moeder verder worden opgebouwd. Het is vervolgens de bedoeling dat [minderjarige] aan het begin van de zomervakantie bij de moeder wordt geplaatst. Op deze wijze kan [minderjarige] wennen aan haar verblijf bij de moeder voordat zij op haar nieuwe school zal starten. Zodra [minderjarige] (deels) bij de moeder woont, zullen de Belgische hulpverleningsinstanties vrijwel direct betrokken worden, zodat zij de overgang van [minderjarige] van de groep van Xonar naar de thuissituatie van de moeder kunnen ondersteunen. De kinderrechter is van oordeel dat het voornoemde stappenplan goed doordacht is en juist erop toeziet dat [minderjarige] stapsgewijs en in alle rust de overstap naar de thuissituatie van de moeder kan maken. Dit in tegenstelling tot het voorstel van de GI, waarbij [minderjarige] ongeveer een maand nadat zij op haar nieuwe school is begonnen weer nieuwe onrust zal ervaren door een wisseling in haar verblijfplaats. De kinderrechter overweegt in dit verband tevens dat het hiervoor beschreven traject wordt ondersteund door Xonar, die momenteel anders dan de GI een nauwe samenwerkingsrelatie heeft met de moeder en [minderjarige] en daarmee het beste zicht op de belangen [minderjarige] lijkt te hebben.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen tot 1 augustus 2021, onder afwijzing van de resterende termijn.

5 De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , met ingang van 16 mei 2021 voor de duur van een jaar, aldus tot 16 mei 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de voornoemde [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 16 mei 2021 tot

1 augustus 2021;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.H.J.M. Jacobs, als griffier en in het openbaar uitgesproken op

11 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.