Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4687

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
C/03/271744 / FA RK 19-4376
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vader stelt ouderverstoting, Rvdk en GI niet op één lijn, rechtbank wijzigt hoofdverblijf om impasse te doorbreken en omgang met beide ouders mogelijk te maken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/271744 / FA RK 19-4376

Beschikking van 11 juni 2021 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. I. Ligtelijn-Huisman;

tegen:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 2] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. S. Smeets.

betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,

en hierna gezamenlijk te noemen de kinderen.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- de beschikking van 20 januari 2020;

- het wijzigingsverzoek hoofdverblijf en wijziging ouderlijk gezag van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 24 november 2020;

- het F9-formulier van 23 februari 2021 van de zijde van de vader, inclusief bijlagen;

- het raadsrapport van 22 maart 2021, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2021;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank per e-mail op 8 april 2021 en per post op 12 april 2021;

- de ter zitting door mr. Ligtelijn overgelegde brief van de vader.

1.2.

Op 9 april 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen:

- mr. I. Ligtelijn namens de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [naam vertegenwoordigster RvdK] , vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna de Raad);

- [naam vertegenwoordigster GI] , vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

Gelet op de complexiteit van de zaak heeft de kinderrechter besloten de zaak niet inhoudelijk te behandelen, maar te verwijzen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

1.4.

Na afloop van deze mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het F9-formulier van 3 mei 2021 van de zijde van de vader, met bijlagen;

  • -

    het F9-formulier van 10 mei 2021 van de zijde van de moeder;

1.5.

Op 21 mei 2021 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [naam vertegenwoordigster RvdK] , als vertegenwoordigster van de Raad;

  • -

    [naam vertegenwoordigster GI] en mevrouw N. Loods, vertegenwoordigsters van de GI.

1.6.

Tijdens de zitting hebben beide partijen aantekeningen overgelegd.

1.7.

[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft twee brieven

gestuurd aan de rechtbank, binnengekomen bij de rechtbank op 26 januari 2021 en op 6 april

2021.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Bij beschikking van 20 januari 2020 zijn de ouders in gelegenheid gesteld om in het kader van het Universeel Hulp Aanbod (UHA) deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap (NO). Daarnaast is aan de Raad voorwaardelijk de opdracht gegeven om onderzoek te doen en advies uit te brengen indien het jeugdhulptraject niet wordt gestart of voortijdig wordt beëindigd. Verder is de volgende voorlopige zorgregeling bepaald:

- [minderjarige 2] zal de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven. In de week dat [minderjarige 2] bij de vader verblijft zal zij op maandag vanuit school tot het begin van de dansles (rond 15.15 uur) en op woensdag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder verblijven;

- wat betreft [minderjarige 1] zullen de ouders onderling overleggen over een contactmoment tussen de vader en [minderjarige 1] voorafgaand aan en op de verjaardag van [minderjarige 1] , zoals door [minderjarige 1] zelf is voorgesteld. Ieder verder omgangsmoment zal worden besproken met de hulpverlening.

2.2.

Bij beschikking van 27 januari 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 4 februari 2021 is een voorlopige regeling bepaald in die zin dat [minderjarige 2] vanaf 12 februari 2021 eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader verblijft.

3 Eindverslag UHA en standpunt van de Raad

3.1.

Uit het eindverslag UHA is gebleken dat Rubicon zich zorgen maakt over de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen zitten knel tussen de ouders en kunnen zich niet vrij bewegen. De kinderen uiten zich met sociaal-emotionele problemen en psychosomatische klachten, waarbij ze overbelast zijn en niet onbelast kunnen opgroeien. De ouders zijn snel geneigd terug te vallen in oude patronen, waarbij communiceren en samenwerken niet lukt. De moeder is sterk geneigd te bepalen wanneer de vader zich volgens haar niet aan afspraken houdt en de vader vermijdt confrontaties, wanneer de moeder hem voor zijn gevoel diskwalificeert. Deze ouders hebben volgens Rubicon ondersteuning nodig om te leren omgaan met de andere ouder.

3.2.

De Raad heeft naar aanleiding van het raadsonderzoek het volgende geadviseerd:

  • -

    wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] naar de moeder;

  • -

    de beslissing op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] aan te houden voor de duur van 8 maanden;

  • -

    te bepalen dat de omgang/het contact tussen de vader en [minderjarige 1] voorlopig zal plaatsvinden via de begeleide omgangsregeling (BOR2) onder professionele begeleiding van Rubicon of AnaCare, waarbij deze instantie de regie heeft. De definitieve beslissing dient te worden aangehouden voor de duur van 8 maanden;

  • -

    te bepalen dat onder regie van de GI binnen een periode van 8 maanden wordt toegewerkt naar een verblijfsregeling tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen van woensdag vanuit school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft;

  • -

    evenredige verdeling van de vakanties en feestdagen tussen de ouders;

  • -

    te bepalen dat de Raad nader onderzoek doet naar en advies geeft over de definitieve hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige 1] na ontvangst van het verslag van BOR2.

3.3.

Ter onderbouwing van dit advies heeft de Raad aangegeven dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] gewijzigd dient te worden om zo de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Wat betreft [minderjarige 2] heeft de Raad er weinig zicht op of de moeder wel in staat is om vanuit het belang van [minderjarige 2] de juiste beslissingen te nemen. De Raad vindt het daarom nu te vroeg om een definitief hoofdverblijf van [minderjarige 2] vast te stellen. Wat betreft de zorgregelingen is de Raad van mening dat voor [minderjarige 1] een BOR 2 traject nodig is om tot contactherstel te komen met de vader. Er zal gestart moeten worden met gesprekken, waarbij [minderjarige 1] en de vader geholpen worden om te bespreken wat er is gebeurd en dit samen op te lossen. Of een verblijfsregeling haalbaar is zal moeten blijken. Wat betreft [minderjarige 2] dient de GI haar te ondersteunen om bepaalde zaken richting de vader uit te spreken waar zij moeite mee heeft. Om de overstap van de ene naar de andere ouder te vergemakkelijken dient de overdracht vanuit school plaats te vinden. Omdat beide ouders belangrijk zijn voor [minderjarige 2] en er altijd sprake is geweest van een co-ouderschap is de Raad van mening dat een weekendregeling niet passend is. De verdeling die de ouders bij Rubicon tijdens het UHA-traject zijn overeengekomen (5 dagen bij de vader en 9 dagen bij de moeder per twee weken) is wel passend. Het is aan de moeder, waar de kinderen verblijven, om het contact tussen de kinderen en de vader te bevorderen. Als dit de moeder niet lukt zal de GI de moeder daarin moeten ondersteunen.

3.4.

Ter zitting heeft de raadsvertegenwoordigster benadrukt dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen gelegen is in de wijze waarop de ouders met elkaar omgaan. Dat zal een BOR niet veranderen. Het zijn de ouders die beiden een beweging moeten maken. Dit is geen goed voorbeeld voor de kinderen over hoe je met relaties en problemen omgaat. Destijds is besloten een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken, met name om er voor te zorgen dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] voortgezet wordt en er voor te zorgen dat Robbin leert de vader in een ander daglicht te zien. De focus van de GI lijkt nu echter met name te liggen op het onderwijs, hetgeen natuurlijk ook belangrijk is, maar dit was niet de insteek van de ondertoezichtstelling. Hoewel gezegd wordt dat er ruimte is bij de kinderen voor contactherstel, blijkt dit niet uit de stukken. Sterker nog, de moeder verzoekt in eerste instantie ontzegging van de omgang. Voorts geeft zij aan dat enkel een BOR3 mogelijk kan zijn voor contactherstel omdat de kinderen niet willen, maar tegelijk geeft zij aan dat de kinderen vooral niet gedwongen moeten worden. Dit strookt niet met haar uitspraak dat er ruimte bestaat bij de kinderen om tot contactherstel te komen. Wat eveneens tegenstrijdig is, is dat de moeder aangeeft dat het goed gaat met de kinderen, terwijl ook wordt gezegd dat de kinderen overspannen zijn. Deze tegenstrijdigheden zijn zeer zorgelijk. De vader moet van alles bewijzen aan de kinderen, maar hij krijgt hier op deze manier niet de kans toe. De vader kan in de ogen van de moeder niks meer goed doen. De mening van de kinderen zal enkel veranderen als er contact gaat zijn met de vader. Dit is tot op heden echter niet gelukt. Daarom is toch enige verplichting ten aanzien van een omgangsregeling noodzakelijk. De kinderen moeten een positieve ervaring opdoen met hun vader. De Raad blijft van mening dat een BOR3 een stap te ver is omdat daar een therapeutisch aspect bij komt kijken en daar voor [minderjarige 1] geen reden voor is, gelet op de informatie van onder meer de school. Voor [minderjarige 2] zou er ook onder regie van de GI toegewerkt kunnen worden naar omgang met de vader. Daar is geen BOR voor nodig aangezien [minderjarige 2] steeds heeft gezegd graag contactherstel te willen en tot december ook een ruime omgangsregeling werd uitgevoerd. Enkel voor [minderjarige 1] is een BOR noodzakelijk gelet op haar grote weerstand. De Raad handhaaft dan ook zijn advies.

4 Het verzoek wijziging hoofdverblijf en wijziging ouderlijk gezag

4.1.

De vader verzoekt:

- wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 2] in het eenhoofdig gezag;

- wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] ;

- te bepalen dat de Raad zijn onderzoek zal uitbreiden tot een beschermingsonderzoek, waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] onder toezicht zullen worden gesteld en waarbij de GI leidend zal zijn in de vormgeving van een eventuele omgangsregeling met de andere ouder.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn wijzigingsverzoek heeft de vader aangegeven dat het traject bij Rubicon niet tot verbetering of normalisering van de communicatie heeft geleid, noch tot contactherstel met [minderjarige 1] . Naar mening van de vader is de situatie tussen de ouders juist verslechterd. De vader is nog steeds van mening dat er sprake is van ouderverstoting. [minderjarige 1] heeft het contact met de vader volledig verbroken en het lukt hulpverlening ook niet om met haar in gesprek te komen. Het doet de vader veel verdriet dat hij geen rol in het leven van [minderjarige 1] mag/kan hebben, terwijl zij altijd een goede band hadden. Ondertussen kan de vader niet anders dan de mening van [minderjarige 1] accepteren. Hij heeft daarom niet langer bezwaar tegen het verzoek om haar hoofdverblijf bij de moeder te bepalen. Het initiatief tot omgang zal hij voortaan ook volledig bij [minderjarige 1] laten. Wel zou hij graag onder begeleiding van de Raad een ‘afscheidsgesprek’ hebben met [minderjarige 1] .

Wat betreft [minderjarige 2] vreest de vader dat ook zij steeds verder van hem verwijderd wordt. De vader heeft er, onder druk van de moeder, tijdens het UHA mee ingestemd dat [minderjarige 2] voortaan voorlopig enkel een lang weekend in de twee weken bij hem verblijft. Volgens de vader ligt het probleem niet bij [minderjarige 2] , maar bij de moeder die [minderjarige 2] tegen hem opzet met het doel om [minderjarige 2] zelf het contact met haar vader te laten verbreken. Naar mening van de vader is de thuissituatie van de moeder dermate bedreigend voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] dat hij wijziging van haar hoofdverblijf noodzakelijk acht. Het is voor [minderjarige 2] niet mogelijk om onbelast contact met de vader te hebben. Vader wil voorkomen dat met [minderjarige 2] hetzelfde gebeurt als met [minderjarige 1] is gebeurd. Bovendien heeft [minderjarige 2] aangegeven last te hebben van de knetterende ruzies die tussen de moeder en [minderjarige 1] plaatsvinden. Waar de moeder bij Rubicon nog aangaf de vader een goede vader te vinden, heeft zij daarna de vader beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag en dreigt zij aangifte te doen tegen de vader. De moeder heeft hiermee echt een grens overschreden. De vader concludeert dat er hiermee ook een onaanvaardbaar risico is ontstaan dat [minderjarige 2] , evenals [minderjarige 1] , klem of verloren raakt tussen de ouders. De vader is dan ook van mening dat het in het belang van [minderjarige 2] is als enkel hij belast wordt met het eenhoofdig gezag. [minderjarige 2] moet onder de druk van de moeder weg. De vader is daarbij van mening dat de Raad kan adviseren of omgang tussen [minderjarige 2] en de moeder al dan niet in het belang van [minderjarige 2] zal zijn en welke vorm die omgang zal moeten krijgen.

4.3.

Ter zitting heeft de vader verder aangegeven dat de nieuwe berichten van school zijn beeld versterken dat er inderdaad sprake is van ouderverstoting en dat het niet goed gaat met de kinderen bij de moeder thuis. De vader wenst een gelijkwaardig ouderschap, maar dat kan alleen als de moeder hem die positie ook gunt. De vader houdt van zijn dochters en hij mist ze. De vader heeft een brief van [minderjarige 2] teruggekregen, die hij inhoudelijk niet zal delen omdat hij dat niet mag van [minderjarige 2] . Er worden in deze brief echter zulke dwingende en vernederende voorwaarden gesteld om tot omgang te komen dat dit voor de vader het beeld bevestigt dat [minderjarige 2] gevangen zit in de houding en ideeën van de moeder. De vader kan onmogelijk aan deze eisen voldoen, waardoor hij niet goed weet hoe hij nu moet antwoorden. Alles wat de vader doet wordt afgekeurd. De vader had hier graag ondersteuning bij van de GI, maar hij heeft tot op heden niks gehoord van de GI. De GI lijkt enkel in contact te zijn met de moeder. De vader voelt zich geen partij. De GI heeft ook niks gedaan met de aansturing van de kinderrechter om een omgangsmoment tussen [minderjarige 2] en de vader te bewerkstelligen. De regeling die de voorzieningenrechter heeft opgelegd, is niet uitgevoerd. De GI blijkt intern ook verdeeld te zijn over hoe gehandeld had moeten worden. Geconstateerd kan worden dat er nog geen enkele vooruitgang is geboekt. Sterker nog, de visies van de Raad en de GI staan tegenover elkaar en tot op heden is het contact tussen de vader en de kinderen niet hersteld. De vader blijft primair van mening dat de enige weg uit deze situatie is om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen. Het klopt niet dat de vader in [plaats] woont. Subsidiair is hij het eens met de raadsadviezen. Een traject zoals dat bij Rubicon werd gevolgd en meer dan een jaar duurt ziet de vader niet meer zitten, omdat dit niks verandert. De vader had het een beetje opgegeven, maar de verwijzing naar de meervoudige kamer heeft hem hoop gegeven dat de situatie toch te veranderen is. De vader hoopt intens dat het contact met de kinderen hersteld wordt. De vader betwist dat hij een agressieve vader zou zijn. Hij schrikt van wat [minderjarige 1] in haar brieven heeft geschreven. Het laatste contact met de kinderen voor dit verbroken werd was gewoon goed. De vader heeft er geen vertrouwen in dat een BOR2 of 3 traject voor verandering gaat zorgen. Als dit wel wordt besloten heeft de vader weinig andere keus dan wel meedoen, maar wat hem betreft is dit niet de juiste insteek. Als de hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd, gunt de vader de moeder wel omgang met [minderjarige 2] , andersom wordt dat niet ervaren. De vader verzoekt dan ook een einduitspraak te doen.

5. Het verweerschrift wijziging hoofdverblijf en ouderlijk gezag tevens zelfstandig verzoek hoofdverblijf, zorgregeling en bijzondere curator

5.1.

De moeder voert verweer en heeft verzocht de vader niet te ontvangen in zijn verzoeken, althans de verzoeken van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het volgende verzocht:

  • -

    te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de moeder zal zijn;

  • -

    te bepalen dat er tussen de vader en [minderjarige 2] een zorgregeling zal zijn in de vorm van een BOR-3 traject;

  • -

    te bepalen dat er tussen de vader en [minderjarige 1] een zorgregeling zal zijn in de vorm van een BOR-3 traject.

5.2.

Ter onderbouwing van haar verweer en zelfstandige verzoeken heeft de moeder aangegeven dat de situatie tussen [minderjarige 2] en de vader is geëscaleerd tijdens de Kerstvakantie 2020, waarna er geen omgang meer plaatsvond tussen [minderjarige 2] en de vader. Het lukte de moeder met geen mogelijkheid om [minderjarige 2] te motiveren naar haar vader te gaan en zij dreigde zichzelf te beschadigen met een mes. De moeder betwist alle aantijgingen en stelt dat zij talloze gesprekken met [minderjarige 1] heeft gevoerd met als doel het contact te herstellen. Het feit dat de vader blijft stellen dat het de moeder is die het contact probeert te verbreken, maakt dat [minderjarige 1] ervaart dat de vader geen verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van zijn eigen handelen. [minderjarige 1] voelt zich niet gehoord of gezien. Zij heeft erkenning van de vader nodig voor wat er is gebeurd. De moeder betwist dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vader voorheen goed was. [minderjarige 1] liep regelmatig weg als zij bij de vader was. [minderjarige 1] is bang voor de vader en zij vreest geslagen en gekleineerd te worden. Ook [minderjarige 2] is bang voor de vader en voelt een enorme spanning. [minderjarige 2] heeft aangegeven ongepast geaaid te worden door de vader. Het UHA-traject is traumatisch geweest voor [minderjarige 2] . Zij ervaarde de gesprekken daarin als verschrikkelijk en had het gevoel niet gehoord of geloofd te worden. De moeder betwist dat zij [minderjarige 2] probeert los te weken van de vader. De moeder wenst niets liever dan onbelast contact tussen de kinderen en de vader. De dagen dat [minderjarige 2] bij de vader verblijft kan zij niet met vriendinnen afspreken omdat ze dan in [plaats] bij de vriendin van de vader verblijven. [minderjarige 2] slaapt daar op een matras op de grond en heeft geen eigen spullen. Ook regelt de vader niks voor school of sociale activiteiten. De moeder acht daarom een weekendregeling meer in het belang van [minderjarige 2] . [minderjarige 2] staat wel open voor een gesprek met de vader, maar enkel in een voor haar vertrouwde omgeving, bij de moeder thuis. [minderjarige 2] vreest voor de boosheid van de vader. Het doet de moeder verdriet dat de vader haar beschuldigt van ouderverstoting, hetgeen hij totaal niet onderbouwt. De kinderen hebben bij de Raad aangegeven dat het juist de vader is die negatief praat over de moeder. De moeder betwist dat haar thuissituatie onveilig zou zijn en de moeder beïnvloedt [minderjarige 2] op geen enkele negatieve manier in het contact met de vader. Ook zijn er geen buitensporige ruzies tussen de moeder en [minderjarige 1] . Het lijkt er op dat de vader een negatief beeld wil schetsen van de moeder.

Verder heeft de moeder aangegeven dat de Raad buiten zijn bevoegdheid is gegaan door een gesprek met de vader en de kinderen af te dwingen, terwijl dit geen onderdeel is van de opdracht die de rechtbank heeft verstrekt. Wat de moeder betreft blijkt hier een bevooroordeeldheid uit. De Raad is daarmee over de grenzen van de kinderen gegaan, hetgeen een averechtse werking heeft gehad nu de weerstand tegen contactherstel enkel is toegenomen. Er is sprake van institutionele traumatisering en vooringenomenheid. De ouders hebben een verschillende visie over de reden waarom de kinderen geen contact wensen met de vader. De Raad heeft hier geen antwoord op gegeven. De moeder stelt zich op het standpunt dat relaties tussen ouder en kind enkel kunnen worden verbeterd op het moment dat er een veilige situatie kan worden gecreëerd. Uit de signalen van de kinderen leidt de moeder af dat dit niet het geval is. De moeder is van mening dat aansluiting gezocht moet worden bij de GI, die [minderjarige 2] juist kunnen inschatten en weten wat nodig is om te komen tot contactherstel.

Gezag

Wat betreft de verzochte wijziging naar eenhoofdig gezag heeft de moeder aangegeven dat het ontbreken van een goede communicatie niet zonder meer met zich mee brengt dat eenhoofdig gezag in het belang van het kind is. De moeder is van mening dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige 2] nog altijd in overleg gezamenlijk met elkaar kunnen nemen. De vader heeft bij Rubicon ook aangegeven dat er sprake was van een positieve vooruitgang in de communicatie. De moeder begrijpt het verzoek van de vader dan ook niet. De moeder wil en kan de kinderen ondersteunen in de opbouw van het contact met de vader, maar dan zal de vader ook naar zijn eigen rol moeten kijken.

Hoofdverblijf

Wat de moeder betreft is er geen enkele grondslag aanwezig om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen. Bovendien is dit verzoek ook in strijd met de door [minderjarige 2] geuite behoeften. [minderjarige 2] durft op dit moment geen contact te hebben met de vader en wil enkel met hulp het contact opbouwen. Daarbij verblijft de vader door de week in de regel in [plaats] , wat voor [minderjarige 2] niet wenselijk is in verband met haar school en sociale netwerk. [minderjarige 1] verblijft ondertussen al langere tijd bij de moeder en de vader heeft ook aangegeven akkoord te zijn met een wijziging van haar hoofdverblijf.

De moeder is van mening dat voor beide kinderen een hulpverleningstraject nodig is om weer in contact te komen met de vader. De vader moet ook inzicht krijgen in de behoeftes van de kinderen. De moeder wil de huidige zorgregeling dan ook opschorten tot er met hulpverlening resultaat is geboekt in het contactherstel. Volgens de moeder kan er via een BOR-3 een emotionele veiligheid bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ontstaan waardoor zij weer in contact kunnen komen met de vader.

Tot slot stelt de moeder zich op het standpunt dat er een dermate substantieel verschil in inzicht bestaat tussen de kinderen en de vader, dat de benoeming van een bijzondere curator helpend kan zijn zodat er iemand komt die naar de belangen van de kinderen kan kijken en hen een stem kan geven.

5.3.

Ter zitting heeft de moeder verder benadrukt dat de kinderen bang zijn voor de vader en zich niet gehoord voelen door hulpverlening. De moeder is van mening dat dwang om met de vader contact te hebben niet wenselijk is en eerder averechts zal werken. De kinderen zullen eerst een basis van vertrouwen moeten hebben voor zij weer naar de vader kunnen gaan. De moeder probeert de kinderen hiertoe te motiveren, maar de kinderen hebben hun eigen visie op de vader. De moeder kan de kinderen niet blijven pushen omdat zij daarmee ook hun onderlinge relatie op het spel zet. De moeder heeft iedere dag te maken met het verdriet van de kinderen en dat is de reden dat zij voor haar kinderen opkomt. Dat dit door de Raad wordt omschreven als het willen houden van de regie is voor de moeder dan ook kwetsend. De moeder betwist met klem dat sprake is van ouderverstoting. De moeder heeft nimmer minachtend over de vader gesproken en zij zet zich juist in om de communicatie te herstellen. Bovendien wijst [minderjarige 2] het contact niet af, maar zal de vader eerst naar zijn eigen aandeel moeten kijken en de kinderen serieus moeten nemen. Feit is dat de kinderen enorm lijden onder deze situatie, met psychische en psychosomatische klachten tot gevolg. Dit blijkt ook uit het ziekteverzuim van de kinderen. De moeder ondersteunt de aanpak van de GI om het tempo van de kinderen te volgen. [minderjarige 1] lijkt nu ook meer vertrouwen te krijgen in de gezinsvoogd en zij kan over haar gevoelens spreken en vraagt ook advies over school. De druk zit er op en de GI heeft iedere week gesprekken met de kinderen en de moeder. De moeder denkt dat er dus wel degelijk mogelijkheden zijn tot contactherstel en dat er ook vooruitgang is, al is die voor de vader misschien nog niet zichtbaar. Wat betreft individuele hulpverlening heeft de moeder nu een coach. Ook zal er, als er een BOR-3 wordt opgelegd, van daar uit iemand bijkomen waar de moeder ook terecht kan met haar vragen. De kinderen wachten op erkenning en excuses van de vader. [minderjarige 2] is teleurgesteld omdat de vader haar brief niet beantwoordt. [minderjarige 1] wil zelf de brief niet lezen, maar heeft wel gehoord wat er in [minderjarige 2] haar brief stond. De kinderen hebben er grote moeite mee dat de vader liegt, bijvoorbeeld over het feit dat [minderjarige 1] haar vader was tegengekomen. Zowel [minderjarige 1] als haar vriendin hebben de vader herkend en hoewel de vader zegt dat hij niet thuis was, heeft de moeder zijn auto bij hem thuis zien staan. Dit soort acties, waarbij [minderjarige 1] dus beschuldigd wordt van liegen, zorgt ervoor dat zij geen vertrouwen heeft in de vader. Het is onjuist dat niemand in gesprek komt met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft met de raadsonderzoeker gesproken en is voor het UHA traject in gesprek geweest. Ze zet wel degelijk stapjes, maar ze moet wel serieus genomen worden. De kinderen voelen zich veilig en geaccepteerd bij de moeder en zij hebben een veilige omgeving nodig om weer in contact te komen met de vader. De verzoeken van de vader tot wijziging van het gezag en hoofdverblijf zorgen enkel voor onrust en de moeder is van mening dat deze verzoeken moeten worden afgewezen.

[minderjarige 2] heeft gezegd dat de moeder en de vader een advocaat hebben en zij ook een eigen advocaat wil, die haar helpt met wat zij wil. [minderjarige 1] heeft die behoefte niet. De moeder vraagt daarom voor [minderjarige 2] om een bijzondere curator.

6 Het standpunt van de GI

6.1.

Namens de GI is ter zitting aangegeven dat de opdracht voor de GI, na de vorige mondelinge behandeling, onduidelijk is geweest. Voor de GI was het belangrijkste doel om in gesprek te komen met de kinderen en daarbij het tempo van de kinderen te volgen. Dat is gelukt en de GI heeft zowel met [minderjarige 2] als met [minderjarige 1] gesproken. Er is nog niet ingezet op het contactherstel met de vader. De kinderen staan hier ook anders in. [minderjarige 1] heeft op dit moment rust nodig en wil zich graag focussen op school, zonder belast te worden met de problematiek van thuis. Het helpt haar als de vader niet naar school komt zodat zij niet bang hoeft te zijn hem tegen te komen. De kinderen zijn bang voor de vader en ze willen dat hij inziet dat hij fout is geweest. De vader heeft een brief aan de kinderen geschreven. Alleen [minderjarige 2] heeft deze brief gelezen en ook een brief teruggeschreven. Zij heeft hier een aantal vragen in opgenomen, maar wacht nog altijd op antwoord van haar vader. [minderjarige 2] heeft duidelijk aangegeven wel open te staan voor contact met de vader. De GI is van mening dat een BOR-2 niet voldoende is. Wat de GI betreft moet hier intensievere hulpverlening komen voor het hele systeem, waardoor een BOR-3 passender is. Volgens de GI is dit voor beide kinderen nodig, gelet op wat de kinderen aangeven. Wat betreft de communicatie met de vader heeft de GI aangegeven dat de vader kort na de ondertoezichtstelling een klacht heeft ingediend tegen de GI. De vader meent dat er enkel een klachtgesprek heeft plaatsgevonden, maar het gesprek met de gedragswetenschapper was juist het startgesprek van de ondertoezichtstelling. Wat de GI betreft moet de rechtbank alles tot in detail concretiseren zodat er niks meer ter interpretatie open staat. Ook zullen ouders moeten toewerken naar een solo-parallel ouderschap of de schottenaanpak.

7 Het oordeel van de rechtbank

7.1.

Het gezag

Het verzoek van de vader om het gezag met betrekking tot [minderjarige 2] te wijzigen in eenhoofdig gezag is gebaseerd op artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Gebleken is dat sprake is van een situatie waarin het co-ouderschap niet langer wordt uitgevoerd en waarbij beide kinderen op dit moment geen contact meer hebben met de vader. De vader is van mening dat hier sprake is van ouderverstoting, de moeder geeft aan dat de kinderen bang zijn voor de vader en dat de vader niet naar zijn eigen aandeel kan kijken. Wat de oorzaak ook is, geconstateerd kan worden dat de verhoudingen zodanig veranderd zijn dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de rechtbank opnieuw kan kijken naar de invulling van het gezag.

7.2.

Het tweede lid van artikel 1:253n BW verklaart het eerste en derde lid van 1:251a BW van overeenkomstige toepassing. Het uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen blijven uitoefenen.

Op grond van artikel 1:251a, eerste lid BW kan de rechtbank bepalen dat het gezag aan een van de ouders toekomt indien:

a. sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat niet langer uitvoering wordt gegeven aan het co-ouderschap. In eerste instantie gaf [minderjarige 1] te kennen niet meer naar de vader willen. Intussen is er ook geen omgang meer tussen [minderjarige 2] en de vader. Volgens de vader is sprake van ouderverstoting en zet de moeder de kinderen tegen hem op. De moeder betwist dit nadrukkelijk en geeft aan dat het de kinderen zelf zijn die bang zijn voor de vader en er moeite mee hebben dat de vader niet naar zijn eigen aandeel kan kijken en hier de verantwoordelijkheid in kan nemen. Hoewel de visies van de ouders verschillen, hebben beide ouders nadrukkelijk gezegd het belangrijk te vinden dat zij een goed contact hebben met beide kinderen. Hier is intensieve hulpverlening voor nodig, waar beide ouders ook voor open moeten staan. Hoewel er sprake is van een klempositie van de kinderen, en er ook signalen zijn dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zitten, gaat de rechtbank er van uit dat deze situatie met behulp van de betrokken hulpverlening binnen afzienbare tijd kan verbeteren. Zeker nu de GI sinds 27 januari 2021 betrokken is geraakt in het kader van de ondertoezichtstelling en de kinderen ook baat lijken te hebben bij deze betrokkenheid. [minderjarige 2] heeft behoefte aan een onbelast contact met beide ouders. Een wijziging van het gezag gaat geen verandering brengen in de klempositie. Sterker nog, dit kan de strijd mogelijk verhogen en ongelijkheid creëren. Nu de GI betrokken is, is het wenselijk dat beide ouders het gezag behouden, zodat de GI iets kan betekenen voor beide ouders en hen schriftelijke aanwijzingen kan geven indien nodig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat ook al is op dit moment aan het wettelijk criterium voldaan, een gezagswijziging niet in het belang van [minderjarige 2] is. De rechtbank zal het verzoek hiertoe dan ook afwijzen.

7.3.

De hoofdverblijfplaats

Zoals in de beschikking van 21 januari 2021 al is opgenomen is het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben.

Wat [minderjarige 1] betreft zijn alle partijen het er over eens dat de juridische situatie in overeenstemming gebracht moet worden met de feitelijke situatie. [minderjarige 1] verblijft al enige tijd bij de moeder en heeft geen contact met de vader. Hoewel de vader het heel moeilijk vindt en zijn dochter mist, heeft hij aangegeven de situatie te accepteren en [minderjarige 1] rust te gunnen. Gelet op het raadsadvies, de overeenstemming van partijen en nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich daar tegen verzet, zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 1] wijzigen en bepalen dat dit bij de moeder zal zijn.

Wat betreft [minderjarige 2] overweegt de rechtbank als volgt.

Partijen hebben in het verleden bewust gekozen voor een co-ouderschap, waarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen werd verdeeld. Hoewel het co-ouderschap op dit moment niet wordt uitgevoerd, is het de bedoeling dat hier zo snel mogelijk weer naar toegewerkt wordt. De GI heeft aangegeven in te willen zetten op de schottenaanpak of een solo-parallel ouderschap, wat juist het beste gerealiseerd kan worden als er sprake is van een co-ouderschap of op zijn minst een goed en uitgebreid contact met beide ouders.

Op dit moment vindt er geen omgang meer plaats tussen [minderjarige 2] en de vader. Hoewel [minderjarige 2] tegen de Raad en de GI zegt wel behoefte aan contactherstel te hebben en veel van haar vader te houden, stelt zij eisen en voorwaarden aan de manier waarop dit moet plaatsvinden, waar de vader niet aan kan voldoen. De vader weet ondertussen niet meer waar hij goed aan doet, of wat hij nog moet doen om de verstandhouding tussen hem en de kinderen te herstellen. [minderjarige 2] had tot december 2020 een goed contact met beide ouders. Nu vindt er al maanden geen omgang meer plaats tussen haar en de vader. Een ondertoezichtstelling, noch het kort geding vonnis van 4 februari 2021, heeft hier verandering in kunnen brengen. De weerstand van [minderjarige 2] richting de vader wordt steeds groter en haar gevoel van vertrouwen steeds minder. Voorkomen moet worden dat [minderjarige 2] dezelfde weerstand gaat ervaren als [minderjarige 1] heeft en haar vaderbeeld in negatieve zin nog verder verandert. De rechtbank acht het dan ook van zeer groot belang dat [minderjarige 2] de positieve band met haar vader zo spoedig mogelijk weer kan oppakken. De Raad heeft aangegeven dat, om dit voor elkaar te krijgen, een omgangsmoment gerealiseerd moet worden, zodat [minderjarige 2] weer positieve ervaringen kan opdoen met haar vader. Een begeleide omgangsregeling is, aldus de Raad, te vergaand, bovendien gaat er dan een te lange tijd overheen. Tot op heden is het ook niet gelukt, ook niet door de GI, zelfs maar een gesprek tussen [minderjarige 2] en de vader te laten plaatsvinden. Hoewel het afdwingen van contact vaak een averechts effect heeft, is de Raad stellig van mening dat het forceren van een omgangsmoment hier de enige manier is om op korte termijn omgang voor elkaar te krijgen. De moeder en [minderjarige 2] stellen eisen aan dit contact, die volgens de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 2] zijn. Gelet op de klempositie van [minderjarige 2] is een gesprek of omgang tussen haar en de vader in aanwezigheid van de moeder, of bij de moeder thuis, niet haalbaar.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat er zo snel mogelijk weer omgang moet zijn tussen de vader en [minderjarige 2] . Enkel het opdoen van nieuwe positieve ervaringen in de omgang kunnen hier voor een verandering gaan zorgen. De vraag is echter in hoeverre dit gaat lukken zolang [minderjarige 2] (samen met [minderjarige 1] ) bij de moeder woont. Uit de stukken is gebleken dat de weerstand van [minderjarige 2] richting de vader is begonnen na een escalatie die tussen [minderjarige 1] en de vader had plaatsgevonden, waar [minderjarige 2] zelf niet bij is geweest. Verder is gebleken dat [minderjarige 2] zich met momenten juist zorgen maakt over de situatie bij haar moeder. Daarbij gaat het dan om soms hevige ruzies tussen de moeder en [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 2] ervoor kiest om thuis te blijven. De rechtbank ziet in [minderjarige 2] een kind dat worstelt met haar loyaliteiten en dat, zolang zij bij de moeder en [minderjarige 1] woont, niet vrij is om een onbelast contact te hebben met de vader. Uit de brief van [minderjarige 1] blijkt dat de weerstand die zij tegen de vader ervaart groot is en haar vaderbeeld (inmiddels) zeer negatief is. De rechtbank vreest dat, zolang de kinderen samen bij de moeder wonen, het niet gaat lukken om de impasse die is ontstaan te doorbreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan de impasse slechts doorbroken worden door het contact tussen de vader en [minderjarige 2] te forceren. Een langzaam en langdurig proces zal het loyaliteitsconflict waaraan [minderjarige 2] onderhevig is alleen maar vergroten en maken dat [minderjarige 2] , al dan niet bewust, beïnvloed wordt door haar moeder of zus. Naar het oordeel van de rechtbank heeft contactherstel tussen [minderjarige 2] en haar vader slechts kans van slagen door het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen en te bepalen dat zij bij haar vader zal gaan wonen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit het raadsrapport en tijdens de behandeling ter zitting niet is gebleken dat er (onderbouwde) zorgen bestaan over de opvoedsituatie bij de vader, noch zijn er contra-indicaties waaruit zou blijken dat de vader de rol als hoofdopvoeder niet zou kunnen dragen.

Vader heeft aangegeven nog steeds in [woonplaats] te wonen, zodat een verhuizing naar vader voor [minderjarige 2] niet leidt tot problemen met school en andere sociale contacten. Naar het oordeel van de rechtbank past deze wijziging van het hoofdverblijf bovendien in de door de ouders gewenste co-ouderschapsregeling en is de wijziging in het belang van [minderjarige 2] . De rechtbank acht het daarbij wel van belang dat er een goede zorgregeling wordt afgestemd met de moeder en met [minderjarige 1] . De rechtbank wijst erop dat de vader ook heeft toegezegd hier voor open te staan en dit nooit te zullen belemmeren. De rechtbank hoopt dat [minderjarige 2] weer positieve ervaringen kan opdoen in de thuissituatie bij haar vader en dat hierdoor ook bij [minderjarige 1] ruimte zal ontstaan om de vader in een positiever daglicht te zien of op zijn minst het gesprek aan te gaan met hem.

Omdat de rechtbank begrijpt dat [minderjarige 2] tenminste enige tijd nodig heeft om te wennen aan deze wijzing van hoofdverblijfplaats en ook de vader wellicht nog het een en ander moet regelen, gaat de rechtbank er van uit dat een verhuizing naar vader uiterlijk binnen twee weken na deze uitspraak zal zijn gerealiseerd.

7.4.

De zorgregeling

Bij beschikking van 21 januari 2021 is reeds bepaald dat het verzoek van de moeder tot ontzegging van de omgang is gebaseerd op artikel 1:253a, lid 2 en onder a BW.

Het verzoek tot wijziging van de zorgregeling, evenals het verzoek om een BOR te bepalen, is gebaseerd op artikel 1:253a lid 4 juncto artikel 1:377e BW en houdt in dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen of degene die in nauwe persoonlijk betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de zorgregeling, alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling, kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Aangezien de rechtbank zal bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader zal zijn, dient er een zorgregeling bepaald te worden tussen [minderjarige 2] en de moeder. Voor wat betreft de invulling van deze zorgregeling ziet de rechtbank een taak weggelegd voor de GI. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de moeder zal worden vormgegeven onder regie van de GI. De rechtbank acht het van belang om deze situatie op korte termijn te evalueren en zal daarom bepalen dat de zaak opnieuw wordt behandeld door de meervoudige kamer op de mondelinge behandeling van 18 oktober 2021 om 09:00 uur. De definitieve beslissing omtrent de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 2] zal dan ook worden aangehouden.

Wat betreft [minderjarige 1] acht de rechtbank het van groot belang dat er op korte termijn toegewerkt wordt naar contactherstel met de vader. [minderjarige 1] zelf heeft aangegeven rust te willen, maar volgens de moeder staat [minderjarige 1] wel open voor contactherstel, mits de omgang begeleid wordt en er intensieve hulpverlening bij betrokken is. [minderjarige 1] wil erkenning van de vader over wat hij niet goed heeft gedaan. Echter, wat de vader ook probeert om hier aan tegemoet te komen, het werkt niet. [minderjarige 1] weigert iedere vorm van contact, zelfs brieven worden niet gelezen. Gedurende het raadsonderzoek is ook gebleken dat [minderjarige 1] weinig open staat om met de raadsvertegenwoordigsters in gesprek te komen. Sinds de betrokkenheid van de GI lijkt hier een positieve verandering in te zijn, doordat [minderjarige 1] een vertrouwensband lijkt op te bouwen met haar gezinsvoogd. Het is de GI in ieder geval gelukt om met [minderjarige 1] in gesprek te komen en helder te krijgen waar zij mee zit. De Raad en de GI zijn beiden van oordeel dat een begeleide omgangsregeling (BOR) noodzakelijk is om toe te kunnen werken naar contactherstel met de vader. Zij zijn het echter niet eens over de gradatie van de BOR. De GI is van oordeel dat deze complexe situatie vraagt om een BOR niveau 3. De Raad vindt dat een stap te ver, omdat dit een therapeutische invalshoek heeft, terwijl daar volgens de Raad geen reden voor is.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de complexiteit van de problematiek, de reeds ingezette hulpverlening en omdat er al ongeveer twee jaar geen contact is, een BOR niveau 3 het meest passend is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het therapeutische aspect van een BOR-3 wellicht wat vergaand is voor een sociaal sterke meid zoals [minderjarige 1] , is het naar het oordeel van de rechtbank juist extra zorgelijk dat [minderjarige 1] moeilijk in gesprek komt met hulpverlening en zo’n hevige weerstand blijft houden tegen haar vader. Daar komt bij dat een BOR-3 gericht is op het hele gezinssysteem, wat hier ook nodig wordt geacht. De rechtbank zal daarom de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] bepalen in die zin dat dit voorlopig een begeleide omgangsregeling niveau 3 zal zijn (BOR 3). De definitieve beslissing omtrent de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 1] zal eveneens worden aangehouden in afwachting van het evaluatiemoment op 18 oktober 2021.

7.5.

Bijzondere curator

De moeder heeft in haar verzoek verder aangegeven het wenselijk te achten dat een bijzondere curator wordt benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen. Hoewel dit niet concreet wordt verzocht in het petitum, zal de rechtbank het verzoek wel als zodanig begrijpen en behandelen.

De rechtbank is echter van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator niet in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en overweegt hiertoe als volgt.

Volgens de moeder bestaat er een substantieel verschil in inzicht tussen de kinderen en de vader en dient er iemand te komen die de kinderen een stem geeft. Tegelijkertijd geeft de moeder aan dat [minderjarige 1] hier waarschijnlijk niet voor open staat. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. In de eerste plaats omdat een bijzonder curator in dit geval geen toegevoegde waarde heeft. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Raad en de GI in hun adviezen de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op een zorgvuldige wijze meegenomen.

Daarenboven is de rechtbank uit de stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat [minderjarige 2] goed kan aangeven hoe zij in de situatie staat en wat haar wensen en opvattingen zijn. Bovendien is al de nodige hulpverlening betrokken, waaronder het meest recent de komst van de GI.

Wat [minderjarige 1] betreft merkt de rechtbank nog het volgende op. Vanuit diverse hoeken is gesteld dat [minderjarige 1] er moeite mee heeft om haar verhaal te moeten doen bij verschillende betrokken instanties. De vraag is dan ook in hoeverre [minderjarige 1] überhaupt bereid is om met een bijzondere curator in gesprek te gaan. De rechtbank ziet dit als een extra belasting voor [minderjarige 1] . Ondertussen lijkt [minderjarige 1] wel een vertrouwensband op te bouwen met haar gezinsvoogd. Dat proces moet bevorderd worden en zeker niet verstoord. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een bijzondere curator te benoemen en zal het verzoek hiertoe afwijzen.

8 De beslissing

De rechtbank:

8.1.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] , bij de moeder zal zijn;

8.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] , bij de vader zal zijn;

8.3.

bepaalt dat de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de moeder voorlopig zal plaatsvinden onder regie van de GI;

8.4.

bepaalt dat de zorgregeling tussen de [minderjarige 1] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder therapeutische begeleiding van een jeugdhulpaanbieder (BOR-traject niveau 3), waarbij de invulling van het BOR-traject wordt overgelaten aan de jeugdhulpaanbieder;

8.5.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, indien het BOR-traject niet is gestart of voortijdig wordt afgesloten, zo spoedig mogelijk de rechtbank daarvan op de hoogte te stellen onder overlegging van het bericht van de jeugdhulpaanbieder daarover, waarna de rechtbank partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;

8.6.

verzoekt de GI om uiterlijk een week voorafgaand aan de hierna genoemde zitting te rapporteren over de voortgang van beide zorgregelingen;

8.7.

verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

8.8.

bepaalt dat de nieuwe mondelinge behandeling van de meervoudige kamer zal plaatsvinden op 18 oktober 2021 om 09:00 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II Singel 67;

8.9.

houdt de beslissing betreffende de definitieve zorgregelingen en de proceskosten aan;

8.10.

wijst af het verzoek tot eenhoofdig gezag en tot benoeming van een bijzondere curator.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Bastiaans (voorzitter), mr. drs. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. J.J.M. Wassenberg, kinderrechters, in tegenwoordigheid van drs. H.S.M. Eijkemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.