Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4622

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/03/279869 / FA RK 20-2478
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezag (1:253n lid 1 BW, 1:251a lid 1 BW); de vader maakt tijdens de mondelinge behandeling stellig en zonder enig voorbehoud duidelijk dat hij op geen enkele wijze invulling (meer) wil geven aan het ouderlijk gezag; wijziging in het gezag is anderszins in het belang van kinderen. Omgangsregeling (1:377a BW); de vader stelt zich nadrukkelijk op standpunt dat hij geen omgang meer met kinderen hoeft; de vader is niet in staat gebleken noch op dit moment bereid op enigerlei wijze het contact tussen hem en de kinderen te herstellen (en vervolgens vorm te geven); de vader wordt het recht op omgang met de kinderen ontzegd. Nu de moeder voortaan alleen het gezag over de kinderen toekomt, mag zij in beginsel zelfstandig, zonder dat daarvoor toestemming van de vader vereist is, de verblijfplaats van de kinderen bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 2 juni 2021

Zaaknummer: C/03/279869 / FA RK 20-2478

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de moeder] ,

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. R.H.L. van de Laar, kantoorhoudend te Kerkrade,

tegen

[de vader] ,

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. H.A.H.M. Albrecht, kantoorhoudend te Eindhoven.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, verder te noemen:

de raad, gevestigd te Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de moeder, binnengekomen op
    6 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de vader, binnengekomen op 16 oktober 2020;

  • -

    het F8-formulier van de zijde van de vader, gedateerd 18 november 2020;

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 14 april 2021;

  • -

    het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 15 april 2021;

  • -

    het F9-formulier (bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 19 april 2021.

1.2.

De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op
29 april 2021. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van de Laar;

  • -

    de vader;

  • -

    een vertegenwoordiger van de raad.

Mr. Albrechts heeft, op zijn verzoek vanwege gezondheidsredenen, via een videoverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

1.3.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken ten aanzien van de verzoeken van de moeder met betrekking tot het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-/omgangsregeling. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt tijdens een gesprek met de rechter op 26 april 2021.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2018 (C/03/244302 / FA RK 17-4925) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 25 januari 2018 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2.3.

Partijen oefenen van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

2.4.

Partijen hebben afspraken gemaakt met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen, welke afspraken zij hebben vastgelegd in een door hen beiden op
5 december 2017 ondertekend ouderschapsplan (hierna: het ouderschapsplan). Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de voormelde beschikking van deze rechtbank van
12 januari 2018 door aanhechting daaraan.

2.5.

In het ouderschapsplan zijn partijen – onder meer en voor zover hier van belang – kort gezegd overeengekomen dat:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader is en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder;

  • -

    de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken neerkomt op co-ouderschap (vier dagen bij de moeder en drie dagen bij vader);

  • -

    de vader een bedrag van € 300,00 per maand aan moeder zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Geïndexeerd naar 2020 bedraagt deze bijdrage € 313,65 per maand oftewel € 156,83 per kind per maand.

2.6.

In april 2018 hebben partijen in onderling overleg nadere afspraken gemaakt met betrekking tot – kort gezegd – de wijze van verdeling van zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de kinderen voortaan één weekend per veertien dagen bij de vader zouden verblijven.

2.7.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat [minderjarige 1] op 27 mei 2020 is ingeschreven op het adres van de moeder.

3 Het geschil

3.1.

De moeder verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2018 te wijzigen, althans het aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan en te bepalen dat:

  1. de verblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder zal zijn;

  2. de regeling verdelen zorg- en opvoedtaken tussen de vader en de kinderen tot nader order (initiatief tot hervatten ligt alsdan bij de vader) wordt opgeschort;

  3. te bepalen dat de vader m.i.v. 1 juli 2020 zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 305,00 per kind per maand;

  4. te wijzigen het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen is belast.

3.2.

De vader refereert zich ter zake de verzoeken van de moeder onder 1., 2 en 4. Met betrekking tot het verzoek van de moeder onder 3. voert de vader verweer en hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek dan wel tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

Ten aanzien van het gezag

2.11.

Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de kinderen toekomt. In het tweede lid van artikel 1:253n BW is bepaald dat – onder meer – het eerste lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.3.

De rechtbank overweegt dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat de vader sinds oktober 2019 ieder contact met de moeder weigert en dat hij sindsdien ook niet reageert op verzoeken van de moeder (per e-mail) om in gezamenlijk overleg nadere afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit voldoende grond voor de conclusie dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voornoemd artikel 1:253n lid 1 BW. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en overweegt verder als volgt.

3.4.

De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijke uitoefening van het gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Slechts in uitzonderlijke gevallen als hiervoor vermeld, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de moeder, in die zin dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan haar zal toekomen. Daarbij heeft de vader stellig en zonder enig voorbehoud duidelijk gemaakt dat hij zijn handen volledig van de kinderen aftrekt en dat hij op geen enkele wijze invulling (meer) wil geven aan het ouderlijk gezag. De vader doelt daarbij dan op alle facetten van het ouderlijk gezag, in die zin dat hij geen enkele bijdrage meer wil leveren aan de feitelijke verzorging en opvoeding van de kinderen, geen contact meer met hen (noch de moeder) wil hebben, niet meer betrokken wil worden bij beslissingen aangaande de kinderen en zelfs – terwijl de moeder daar niet onwelwillend tegenover staat – geen informatie over de kinderen wil ontvangen van de moeder.

3.5.

Voorgaande stellingname van de vader tijdens de mondelinge behandeling laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat de vader op geen enkele manier meer betrokken is en wil zijn bij de kinderen en ook niet meer op de hoogte is en wil zijn van de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van de kinderen en waar zij mee bezig zijn en wat hen bezighoudt. Door zijn houding speelt de vader geen rol meer in het leven van de kinderen als gezagdragende ouder. Op grond van artikel 1:247 BW omvat het ouderlijk gezag onder meer de plicht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden, terwijl onder verzorging en opvoeding mede wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De vader heeft echter klaarblijkelijk bewust en weloverwogen ervoor gekozen om feitelijk geen invulling meer te geven aan zijn gezag, hetgeen betekent dat de vader zijn verantwoordelijkheden als ouder met gezag niet neemt en evenmin gebruik maakt van de mogelijkheden die hij als gezagdragende ouder heeft om zijn gezag uit te oefenen of te laten gelden. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. De rechtbank stelt vast dat van gezamenlijke uitoefening van het gezag in deze zin ook geen sprake is. De vader heeft zich in een positie begeven waarin hij voor de moeder en ten behoeve van de kinderen onbereikbaar is. Door voorts niet te reageren op verzoeken van de moeder (per e-mail) om in gezamenlijk overleg nadere afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van de kinderen, belemmert de vader de moeder in haar taak als dagelijks verzorgende ouder; de moeder staat er in feite alleen voor. Onder deze omstandigheden is op grond van artikel 1:251a BW lid 1 sub b BW wijziging in het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk en zal de rechtbank op verzoek van de moeder bepalen dat het gezag over de kinderen aan haar (alleen) toekomt.

3.6.

In verband met het bepaalde in artikel 2 aanhef en sub a, van het Besluit gezagsregisters zal de rechtbank ten slotte bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centraal gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

Ten aanzien van de omgangsregeling

3.7.

Nu de moeder voortaan alleen met het gezag over de kinderen is belast, dient het verzoek van de moeder omtrent het contact tussen de vader en de kinderen gelezen te worden als een aan de vader op te leggen ontzegging van het recht op omgang.

3.8.

Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts indien (voor zover hier van belang):

a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b) de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c) het kind twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

c) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.9.

De moeder stelt dat de verstandhouding tussen de vader en de kinderen zodanig is verslechterd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd geen omgang meer hebben met de vader – namelijk sinds de zomervakantie 2018 respectievelijk april 2019 – en dat een poging om via Buro One tot contactherstel te komen niet is gelukt omdat de vader zich terugtrok. Volgens de moeder is het op dit moment zo dat de kinderen niet meer naar hun vader toe willen. De vader heeft deze door de moeder gestelde gang van zaken tijdens de mondelinge niet weersproken en aangegeven dat hij de situatie weliswaar triest vindt voor de kinderen maar dat hij nu moe is en dat het voor hem allemaal niet meer hoeft. Daarbij geeft de vader desgevraagd meermaals aan dat hij geen omgang met de kinderen hoeft. Als de kinderen oud genoeg zijn, dan komen ze wel weer naar hem toe, aldus de vader. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de vader op dit moment mentaal kennelijk niet in staat en bereid moet worden geacht tot contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de weg naar herstel van contact tussen de vader en de kinderen op dit moment vanuit de zijde van de vader is afgesneden.

3.10.

Voorgaande overwegingen brengen dan ook met zich mee dat op grond van artikel 1:377a lid 3 BW geconcludeerd moet worden dat (sub b) de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de kinderen en (sub d) omgang daarnaast anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. De vader is niet in staat gebleken noch op dit moment bereid op enigerlei wijze het contact tussen hem en de kinderen te herstellen (en vervolgens vorm te geven). Op deze gronden zal de rechtbank dan ook op verzoek van de moeder het recht van de vader op omgang met de kinderen ontzeggen.

3.11.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens elke wijziging van een contactregeling tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouder wiens recht op omgang met zijn kind is ontzegd en daarmee geen contact met zijn kind meer kan hebben, zich in geval van gewijzigde omstandigheden en in ieder geval na verloop van één jaar (vanaf de datum van deze beschikking) tot de rechter kan wenden teneinde een (gewijzigde) omgangsregeling te doen vaststellen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1]

3.12.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder desgevraagd bevestigd dat het verzoek van de moeder onder 1. een voorwaardelijk verzoek betreft, namelijk voor zover de rechtbank het verzoek van de moeder onder 4. zou afwijzen c.q. het gezamenlijk gezag in stand zou laten.

3.13.

Nu de rechtbank echter het verzoek van de moeder onder 4. tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de kinderen zal toewijzen en daarbij zal bepalen dat de moeder voortaan alleen het gezag over de kinderen toekomt, is de voorwaarde voor beoordeling van het verzoek van de moeder onder 1. niet vervuld, zodat aan de beoordeling daarvan niet wordt toegekomen. Daarbij overweegt de rechtbank nog ten overvloede dat nu de moeder voortaan alleen het gezag over de kinderen toekomt, zij in beginsel zelfstandig, zonder dat daarvoor toestemming van de vader vereist is, de verblijfplaats van de kinderen mag bepalen.

Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen

3.14.

Na gevoerd debat en een schorsing tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt met betrekking tot de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Partijen hebben daarbij afgesproken:

  • -

    dat de vader vanaf 1 mei 2021 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 250,00 per kind per maand aan de moeder gaat betalen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    dat de vader binnen veertien dagen na de datum van de mondelinge behandeling een bedrag van € 625,00 aan de moeder zal betalen, ten titel van ‘achterstand kinderalimentatie’;

  • -

    dat de vader een (eventuele) wijziging in zijn huidige baan bij zijn huidige werkgever en alles wat daarmee samenhangt (zoals bijvoorbeeld het verlies van zijn huidige baan) niet kan aanvoeren als een wijziging van omstandigheden voor wat betreft een toekomstige herbeoordeling van de thans overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

3.15.

Gelet op de bereikte overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank het verzoek van de moeder onder 3. met betrekking tot de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, voor zover nodig als verminderd beschouwen en beslissen als hierna in het dictum vermeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de overige gemaakte afspraken zich niet allemaal lenen voor letterlijke c.q. volledige opname in het dictum maar dat dit onverlet laat dat partijen onverkort gehouden zijn aan deze afspraken.

Proceskosten

3.16.

Aangezien partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt beëindigd en dat het gezag over de minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

voortaan alleen toekomt aan de moeder;

4.2.

bepaalt dat de griffier op de voet van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregister een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de griffier van het centraal gezagsregister.

4.3.

ontzegt de vader het recht op omgang met voornoemde minderjarige kinderen;

4.4.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2018 (C/03/244302 / FA RK 17-4925) en het door beide partijen op 5 december 2017 ondertekende ouderschapsplan dat deel uitmaakt van deze beschikking door aanhechting daaraan, in die zin dat de vader vanaf 1 mei 2021 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de onder 2.2. genoemde kinderen van € 250,00 per kind per maand aan de moeder moet betalen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.5.

veroordeelt de vader om binnen veertien dagen na de datum van de mondelinge behandeling een bedrag van € 625,00 aan de moeder te betalen, ten titel van ‘achterstand kinderalimentatie’;

4.6.

verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H. Brandts, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 2 juni 2021.

OSK

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.