Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4587

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
C/03/291398 / KG ZA 21-156
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Binnen het bestuur van een Stichting ontstaat onenigheid over de keuze van een nieuw in te voeren bestuursmodel. De voorzitter van het bestuur en drie andere bestuursleden (gedaagden in deze procedure) ontslaan de drie anders denkende bestuursleden (eisers in deze procedure). Eisers zijn van mening dat geen dan wel geen rechtsgeldig ontslagbesluit is genomen en willen in afwachting van een uitspraak daarover in een bodemprocedure, dat zij door gedaagden worden toegelaten werkzaamheden als bestuurslid te blijven uitoefenen. De voorzieningenrechter wijst de vordering af omdat eisers de Stichting en niet gedaagden, die zitting hebben in het bestuur, hadden moeten dagvaarden. De gevorderde afgifte van stukken wordt afgewezen vanwege het ontbreken van onder andere een voldoende belang. Niet duidelijk is waarom de stukken in deze of in de bodemprocedure nodig zijn. De vordering tot het staken van uitlatingen in artikelen op de website van 1Limburg wordt afgewezen omdat gedaagden niet verantwoordelijk zijn voor de daarop geplaatste artikelen en daar ook geen zeggenschap over hebben. De gevorderde schorsing van de voorzitter van het bestuur van de Stichting wordt afgewezen omdat onrechtmatig handelen door de voorzitter van het bestuur niet aannemelijk is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0729
OR-Updates.nl 2021-0214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/291398 / KG ZA 21-156

Vonnis in kort geding van 9 juni 2021

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING BOSPOP,

gevestigd te Weert,

2. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats eiser sub 1] ,

3. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats eiser sub 2] ,

4. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats eiser sub 3] ,

eisers,

advocaat mr. J.G.M. Stassen te Enschede,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 3] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 4] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.J.T.M Hendriks te Weert.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de door gedaagden ingezonden producties

  • -

    de wijziging van eis met productie

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van eisers

  • -

    de pleitnota’s van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde sub 1 (hierna ook: [gedaagde sub 1] ) is in de jaren ‘80 met een aantal vrienden het popfestival "Bospop" (hierna: het popfestival) begonnen. Bij notariële akte van 10 april 1986 is Stichting Bospop opgericht met onder meer als doel om het popfestival te organiseren. In 2005 zijn de statuten van Stichting Bospop gewijzigd. Het bestuur bestaat sindsdien uit zeven personen.

2.2.

Vanaf 1994 wordt het popfestival in samenwerking met Mojo Concerts B.V. (verder aan te halen als MOJO) georganiseerd en is het popfestival steeds meer gegroeid en zijn de activiteiten uitgebreid. Vanwege die groei en mede op aangeven van MOJO was een wijziging van het bestuursmodel van Stichting Bospop gewenst. Sinds 2019 werd binnen het bestuur van Stichting Bospop gesproken over een nieuw bestuursmodel met een toezichthouder.

2.3.

Tijdens de bestuursvergadering van 31 januari 2021, waarbij onder andere de organisatiestructuur werd besproken, bleek dat binnen het bestuur van Stichting Bospop een tweedeling bestond over het in te voeren nieuwe bestuursmodel. Gedaagden, onder wie [gedaagde sub 1] als voorzitter van het bestuur, waren voorstander van het zogenaamde "one-tier" model. In dit model is de feitelijke organisatie van het popfestival in handen van projectmanagers onder leiding van een festivaldirecteur. Een driekoppig bestuur, onder wie de festivaldirecteur, oefent toezicht uit over de organisatie van het festival. Indien gekozen zou worden voor dit model zouden vier leden van het huidige bestuur als bestuurslid moeten aftreden om de taak van projectmanager te gaan uitoefenen. Eisers sub 2 tot en met 4 (hierna ook: [eisers sub 2 tot en met 4] ) waren geen voorstander van dit model.

2.4.

Bij schrijven van 22 februari 2021 hebben [eisers sub 2 tot en met 4] bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen hervorming van het bestuur naar een one-tier model en de daaruit voortvloeiende beëindiging van hun bestuursfunctie.

2.5.

[gedaagde sub 1] , als voorzitter van Stichting Bospop, heeft een speciale bestuursvergadering van Stichting Bospop uitgeschreven voor 13 maart 2021. Op de agenda stond de bespreking van het op 22 februari 2021 door [eisers sub 2 tot en met 4] gemaakte bezwaar en het voornemen tot ontslag van [eisers sub 2 tot en met 4] als bestuursleden.

2.6.

Op 11 maart 2021 heeft [gedaagde sub 1] , vooruitlopend op de vergadering van 13 maart 2021, met de andere gedaagden en per abuis ook met eiser sub 3 een stuk gedeeld waarin stelling wordt genomen tegen het bezwaar van [eisers sub 2 tot en met 4] en het ontslag van hen als bestuurders wordt bepleit.

2.7.

[eisers sub 2 tot en met 4] hebben aan gedaagden op 11 maart 2021, mede naar aanleiding van het stuk van [gedaagde sub 1] , een brief gestuurd waarin zij protesteren tegen de 'voorgekookte' besluitvorming ten aanzien van hun ontslag als bestuurslid.

2.8.

[eisers sub 2 tot en met 4] hebben twee toehoorders meegenomen naar de bestuursvergadering van 13 maart 2021. Gedaagden hebben de toehoorders de toegang tot de vergadering ontzegd. [eisers sub 2 tot en met 4] en gedaagden hebben uiteindelijk in aparte ruimtes van het gebouw bijeen gezeten.

2.9.

Door [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 4 zijn notulen van de vergadering van 13 maart 2021 vastgesteld, waarin staat opgenomen dat [eisers sub 2 tot en met 4] met onmiddellijke ingang als bestuursleden van Stichting Bospop worden ontslagen.

2.10.

Door [eisers sub 2 tot en met 4] zijn eveneens notulen vastgesteld van de vergadering van 13 maart 2021, waarin staat opgenomen dat na beraad eenparig is besloten dat gedaagden zijn ontslagen als bestuurders van Stichting Bospop.

2.11.

Op 13 maart 2021 hebben gedaagden een e-mail gestuurd aan de vrijwilligers van Stichting Bospop waarin zij zeggen dat het bestuur afscheid heeft genomen van [eisers sub 2 tot en met 4] als bestuurders van Stichting Bospop vanwege een onoverkomelijk verschil van inzicht en visie over de toekomst van Bospop.

2.12.

De Kamer van Koophandel heeft bij brief van 15 maart 2021 aan [eisers sub 2 tot en met 4] laten weten dat zij een opgave heeft ontvangen om hen uit te schrijven als bestuurders van Stichting Bospop. Eisers hebben tegen de uitschrijving als bestuurder bezwaar gemaakt.

2.13.

Op 15 en 16 maart 2021 zijn op de website van 1Limburg artikelen gepubliceerd over het ontslag van [eisers sub 2 tot en met 4]

2.14.

[eisers sub 2 tot en met 4] zijn een bodemprocedure gestart tegen Stichting Bospop (eiser
sub 1) en gedaagden, waarin onder andere de geldigheid van hun ontslag als bestuurder wordt aangevochten. Deze bodemprocedure zal voor het eerst dienen op 9 juni 2021.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen na wijziging van eis:

I. gedaagden te verbieden zich op te stellen als zou er wel een rechtsgeldig bestuursbesluit strekkende tot het ontslag van eisers als bestuurders van Bospop zijn genomen en gedaagden te gelasten dat eisers in de gelegenheid worden gesteld hun bestuurstaken bij Bospop met alle daaraan verbonden rechten en plichten uit te oefenen tot de bodemrechter onherroepelijk heeft geoordeeld, onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 10.000,00 voor elk incident waarbij gedaagden eisers weigeren als bestuurders van Bospop bij bestuurs- en projectvergaderingen aanwezig te zijn dan wel indien zij geen deel uitmaken van een convocatie namens Bospop voor een bestuurs- en/of projectvergadering;

II. gedaagden te gelasten, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, binnen drie dagen na het in dezen te wijzen vonnis, aan eisers een afschrift van het verslag dat de one-tier board volgens de advocaat van Aben & Slag Advocaten de enige optie is, te verschaffen onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,00 per dag dat gedaagden nalaten genoemd verslag te verschaffen;

III. gedaagden te gelasten, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, binnen drie dagen na het in dezen te wijzen vonnis, aan eisers een afschrift van het (positieve) advies over de one-tier board van MOJO te verschaffen onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,00 per dag dat gedaagden nalaten genoemd verslag te verschaffen;

IV. gedaagden te gelasten de in de dagvaarding genoemde onrechtmatige uitingen over eisers op de website van De Limburger en in het bijzonder op de webpagina van 1Limburg te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat gedaagden dit verbod overtreden;

V. gedaagde sub 1, [gedaagde sub 1] , als voorzitter en bestuurder van Bospop te schorsen tot de bodemrechter omtrent de positie van [gedaagde sub 1] onherroepelijk heeft geoordeeld;

VI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis indien gedaagden in gebreke blijven met betaling van de in het vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling, tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers hebben voldoende gesteld om een spoedeisend belang aan te nemen bij de gevorderde voorzieningen. Zij willen voorkomen dat het bestuur van Stichting Bospop onomkeerbare besluiten gaat nemen voordat de bodemrechter over de geldigheid van hun ontslag heeft geoordeeld. De rechter zal daarom over gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van eisers. Die beoordeling zal plaatsvinden in de volgorde zoals de vorderingen hiervoor onder 3.1 staan vermeld.

Toelaten tot het uitoefenen van bestuurstaken

4.2.

De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of [eisers sub 2 tot en met 4] nog bestuursleden zijn van Stichting Bospop. Eisers zijn van mening dat dit nog het geval is omdat volgens hen tijdens de bestuursvergadering van 13 maart 2021 geen, of in ieder geval geen rechtsgeldig besluit is genomen over hun ontslag. Gedaagden zijn van mening dat wel een rechtsgeldig ontslagbesluit is genomen en dat geen reden bestaat om [eisers sub 2 tot en met 4] in staat te stellen om nog taken als bestuurder uit te oefenen. Wat partijen allemaal hebben gesteld over de voorgeschiedenis en de reden voor de onenigheid binnen het bestuur van Stichting Bospop zal, zoals de voorzieningenrechter ook al tijdens de mondelinge behandeling heeft aangekondigd, buiten bespreking worden gelaten omdat dit voor de beoordeling van dit geschil niet van belang is.

4.3.

De voorzieningenrechter ziet zich eerst geplaatst voor de vraag of eisers de vordering tegen de juiste partijen hebben ingesteld. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.

4.4.

[eisers sub 2 tot en met 4] willen met de vordering bereiken dat zij nog steeds als bestuurslid kunnen functioneren totdat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan over (de rechtsgeldigheid van) het ontslagbesluit in de tegen Stichting Bospop en gedaagden aangespannen bodemprocedure. Feitelijk vragen zij om de gevolgen van het besluit tijdelijk buiten werking te stellen. Een dergelijke maatregel heeft het karakter van een schorsing van het ontslagbesluit.

4.5.

Een bestuursbesluit, zoals in dit geval het ontslagbesluit, heeft te gelden als een rechtshandeling van de rechtspersoon, in dit geval Stichting Bospop. Een vordering tot aantasting van dat besluit, zoals een vordering tot nietigverklaring of vernietiging, dient in beginsel dan ook te worden ingesteld tegen Stichting Bospop (zie artikel 2:15 lid 3 onder a van het Burgerlijk Wetboek). Dit geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voor vorderingen zoals een schorsing van het besluit totdat uitspraak wordt gedaan over de rechtsgeldigheid van het besluit in de bodemprocedure, waarin Stichting Bospop medegedaagde is.

4.6.

In deze procedure is de vordering echter niet ingesteld tegen Stichting Bospop als de rechtspersoon die het besluit heeft genomen, maar jegens een viertal natuurlijke personen. Hoewel deze personen zitting hebben in het bestuur van Stichting Bospop, wordt in de dagvaarding niet vermeld dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder van Stichting Bospop worden aangesproken. Zelfs als zou worden aangenomen dat, zoals door [eisers sub 2 tot en met 4] tijdens de zitting is betoogd, gedaagden desondanks in hun hoedanigheid van bestuurder zijn aangesproken, zal de vordering tegen de gedaagden moeten worden afgewezen omdat een deugdelijke grondslag ontbreekt voor het toewijzen van de vordering tegen (de individuele) gedaagden. Bestuurders van rechtspersonen kunnen namelijk slechts in bijzondere gevallen persoonlijk worden aangesproken voor hun handelen als bestuurder. Daarvoor dient allereerst sprake te zijn van het schenden van verplichtingen door de rechtspersoon en vervolgens moet de bestuurder daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. [eisers sub 2 tot en met 4] hebben onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat aan die vereisten is voldaan. Nu geen vordering jegens de stichting is ingesteld kan de voorzieningenrechter zich niet uitlaten over vraag of aannemelijk is dat het ontslagbesluit rechtsgeldig is genomen en dus ook niet of de bestuurders onrechtmatig handelen door [eisers sub 2 tot en met 4] niet toe te laten hun werkzaamheden als bestuurder te verrichten. Zodoende bestaat geen grond voor het aannemen van een persoonlijk ernstig verwijt van gedaagden als bestuurder.

4.7.

Verder valt niet in te zien op welke wijze gedaagden als privépersoon (dus buiten hun hoedanigheid als bestuurder van Stichting Bospop) zeggenschap hebben over het uitoefenen van bestuurstaken voor Stichting Bospop door [eisers sub 2 tot en met 4] Het door [eisers sub 2 tot en met 4] tijdens de zitting gegeven voorbeeld van feitelijk handelen zoals het uitschakelen van het licht en het afsluiten van de deur van een vergaderruimte wordt niet als privépersoon verricht maar vanuit de functie als bestuurder, nu dit plaatsvindt tijdens een officiële vergadering van de stichting. Daarmee ontbreekt eveneens een grondslag voor een veroordeling van gedaagden als privépersoon.

4.8.

Het voorgaande betekent dat geen grond bestaat voor de gevorderde veroordeling van gedaagden om [eisers sub 2 tot en met 4] tot de uitoefening van bestuurstaken toe te laten. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Het verstrekken van afschriften (artikel 843a Rv)

4.9.

Eisers vorderen verder een afschrift van het verslag dat de 'one-tier board' volgens de advocaat van Aben & Slag Advocaten de enige optie is voor het bestuursmodel van de Stichting Bospop en afschrift van het (positieve) advies over de 'one-tier board' van MOJO. Ook die vorderingen zullen worden afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen.

4.10.

Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering stelt vier cumulatieve voorwaarden voor het recht op inzage in en/of afgifte van afschriften of uittreksels van bescheiden:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

4.11.

Eisers hebben onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij een rechtmatig belang hebben bij afgifte van de opgevraagde stukken, zodat de vordering reeds daarom strandt. Zoals toegelicht ter mondelinge behandeling, hebben deze stukken betrekking op advisering (door MOJO en Aben & Slag Advocaten) omtrent de wijziging van de bestuursstructuur. Wijziging van de bestuursstructuur is niet aan de orde in deze procedure en evenmin in de door [eisers sub 2 tot en met 4] gestarte bodemprocedure zodat - zonder nadere toelichting, die niet is gegeven - niet valt in te zien welk belang eisers hebben om nu over die stukken te beschikken. Daar komt bij dat gedaagden tijdens de zitting onweersproken hebben aangevoerd dat eisers in hun pleitnota al citeren uit het door MOJO gegeven advies en dus al in het bezit moeten zijn van dat advies, zodat ook om die reden niet valt in te zien waarom eisers nog belang bij afgifte hebben.

4.12.

Daarnaast is voor wat betreft de opgevraagde legal opinion van Aben & Slag advocaten niet voldaan aan het hiervoor onder d. vermelde vereiste dat gedaagden over die stukken kunnen beschikken. Gedaagden hebben het bestaan van een schriftelijk advies van Aben & Slag Advocaten betwist. Volgens hen is slechts mondeling advies gegeven over aansprakelijkheid van de bestuurders in verband met de keuze voor een stichting of een besloten vennootschap. Daarna is mondeling alleen nog bevestigd dat een one-tier board tot de mogelijkheden behoort wanneer het bestuur daarvoor kiest. Dat een schriftelijk advies over dit onderwerp bestaat, hebben eisers niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de legal opinion ook om die reden niet toewijsbaar is.

4.13.

Dit alles betekent dat de gevorderde afgifte van stukken zal worden afgewezen.

Het staken van onrechtmatige uitlatingen

4.14.

Eisers vorderen dat gedaagden het doen van uitspraken die zien op de in het bestuur van Bospop ontstane onenigheid en het ontslag van [eisers sub 2 tot en met 4] als bestuurders staken en gestaakt houden, nu dit volgens hen onrechtmatig is omdat het ontslagbesluit in rechte wordt aangevochten en dus nog niet onherroepelijk vast staat.

4.15.

Het gevorderde richt zich op uitlatingen op de website van dagblad De Limburger en op de webpagina van de regionale publieke omroep 1Limburg. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat eisers beogen dat deze artikelen van de website van De Limburger en de webpagina van 1Limburg verwijderd worden en dat op deze websites geen nieuwe artikelen geplaatst worden waarin gedaagden zich uitlaten over de onenigheid binnen het bestuur en het ontslagbesluit.

4.16.

De voorzieningenrechter overweegt dat deze artikelen zijn opgesteld door en onder verantwoordelijkheid van een journalist van De Limburger en 1Limburg die [gedaagde sub 1] heeft bevraagd over wat er aan de hand was binnen het bestuur van Stichting Bospop. In het artikel is uitdrukkelijk opgenomen dat [eisers sub 2 tot en met 4] nog niet bereikbaar waren voor commentaar. In een later artikel zijn [eisers sub 2 tot en met 4] over dezelfde kwestie bevraagd en is hun reactie gepubliceerd.

4.17.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat iemand alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van een artikel dat hij zelf heeft geschreven of dat in zijn opdracht is geschreven en/of gepubliceerd en dat enkel diegene kan worden veroordeeld tot verwijdering daarvan. Dit betekent dat iemand niet verplicht kan worden tot het verwijderen van een publicatie waarvoor hij geen verantwoordelijkheid draagt en waarover hij geen zeggenschap heeft.

4.18.

Eisers hebben niet gesteld en de voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat de artikelen op de website van De Limburger en op de webpagina van 1Limburg door gedaagden of in hun opdracht zijn geschreven en gepubliceerd. Alleen al daarom zal de vordering tot veroordeling van gedaagden tot verwijdering van die artikelen moeten worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering dat geen nieuwe artikelen mogen worden gepubliceerd op de website van De Limburger en op de webpagina van L1. Nu gedaagden geen zeggenschap hebben over en geen verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud van hetgeen op de website van De Limburger en op de webpagina van L1 wordt gepubliceerd, kan ook deze vordering niet slagen en zal deze worden afgewezen.

4.19.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben eisers nog aangevoerd dat gedaagden een e-mail hebben verstuurd aan de vrijwilligers van Stichting Bospop en dat zij deze e-mail via een website hebben gepubliceerd. Voor verwijdering van deze e-mail van de website bestaat volgens eisers wel voldoende grondslag.

4.20.

De voorzieningenrechter volgt eisers niet in dat standpunt. De bedoelde e-mail is niet op de website van De Limburger of 1Limburg, maar op de website van Stichting Bospop geplaatst. Dat de website van Stichting Bospop ook in de vordering wordt bedoeld, hebben eisers onvoldoende onderbouwd. De vordering vermeldt immers "op de website van De Limburger en in het bijzonder op de webpagina van 1Limburg". Niet valt in te zien hoe hieronder ook de website van Stichting Bospop begrepen kan worden. Daarbij heeft te gelden dat het doen van uitlatingen op de website van Stichting Bospop naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet worden gezien als uitlatingen van Stichting Bospop, zodat een vordering tot verwijdering en het verwijderd houden gericht dient te worden tegen Stichting Bospop. Dit is echter niet gebeurd en de voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hiervoor al onder 4.6 is overwogen.

4.21.

Het voorgaande betekent dat de vordering tot staking en gestaakt houden van onrechtmatige uitlatingen niet kan worden toegewezen.

Het schorsen van gedaagde sub 1 als voorzitter

4.22.

Eisers zijn van mening dat [gedaagde sub 1] als voorzitter en bestuurder van Stichting Bospop moet worden geschorst, omdat sprake is van belangenverstrengeling, nu [gedaagde sub 1] zowel de functie van bestuursvoorzitter als (bezoldigd) festivaldirecteur uitoefent. Volgens eisers is het onrechtmatig dat een bestuurder in een dergelijke situatie aanblijft en vormt dit een gewichtige reden voor ontslag, zodat de vordering tot schorsing moet worden toegewezen.

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers onvoldoende hebben gesteld om voorshands aannemelijk te achten dat sprake is van belangenverstrengeling. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] sinds oktober 2020 zowel voorzitter van het bestuur als bezoldigd festivaldirecteur is, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om belangenverstrengeling aan te nemen. Het betreft immers vooralsnog een tijdelijke situatie totdat een nieuwe voorzitter is benoemd. Eisers hebben, hoewel daar op zitting nadrukkelijk naar is gevraagd, om hen moverende redenen ook geen specifieke feiten en omstandigheden willen noemen waaruit voorts zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Bij die stand van zaken is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat [gedaagde sub 1] als voorzitter/bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, zodat geen grond bestaat om tot de gevorderde schorsing over te gaan. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Belangenafweging

4.24.

Nu eisers geen feiten en omstandigheden hebben gesteld ter onderbouwing van hun stelling dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig handelt door twee functies tegelijkertijd uit te oefenen, kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of er aan de zijde van Stichting Bospop een (voldoende zwaarwegend) belang bestaat dat maakt dat het gevorderde alsnog toegewezen zou moeten worden.

Proceskosten

4.25.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 309,00

salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.325,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.325,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.1

1 type: CB/FA