Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4557

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
Roe 21/1243
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom omdat verzoeker in strijd met de APV van de gemeente Gennep zijn oplegger langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg binnen de bebouwde kom van de gemeente heeft geplaatst. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat de APV van de gemeente Gennep niet in strijd is met Europees recht. Verweerder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat daarvan moet worden afgezien. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel handelt. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 21/1243

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M. Tummers).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

Verweerder heeft de stukken ingezonden die op de zaak betrekking hebben. Voorts heeft hij aangegeven bereid te zijn te wachten met het effectueren van de last onder dwangsom tot

24 uur na de uitspraak in deze procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2021. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaat deze zaak over?

2.Het gaat in deze zaak om een last onder dwangsom die verweerder op grond van artikel 125 van de Gemeentewet in onderlinge samenhang met artikel 5:32 van de Awb aan verzoeker heeft opgelegd. Verweerder stelt verzoeker in de gelegenheid de aanhangers met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] en [kenteken 3] (de aanhangers), die geparkeerd staan ter hoogte van de [straatnaam] [huisnummer] in [plaatsnaam] vóór 19 mei 2021 om 09.00 uur te verwijderen en verwijderd te houden uit de bebouwde kom van de gemeente Gennep. Verzoeker moet deze aanhangers verwijderen, omdat het langer dan op drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg plaatsen of hebben van een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, is verboden op grond van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Gennep 2020 (de APV). Indien verzoeker de aanhangers niet of niet tijdig verwijdert en verwijderd houdt, verbeurt hij

€ 500,- per dag met een maximum van € 20.000,- tot het moment dat de overtreding wordt beëindigd. Indien verzoeker (in de toekomst) nogmaals artikel 5:6 van de APV overtreedt, verbeurt hij onmiddellijk dwangsommen. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verbeuren van dwangsommen moet worden opgeschort tot is beslist op het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen het besluit om deze dwangsom op te leggen, zoals verzoeker graag ziet.

Wat ging aan dit verzoek vooraf?

3. Verzoeker is eigenaar van de aanhangers.

4. Op 9 maart 2021 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om een last onder dwangsom op te leggen op grond van artikel 5:6, eerste lid, van de APV. Aan dit voornemen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat door een van zijn toezichthouders is geconstateerd dat de aanhanger met kenteken [kenteken 1] op naam van verzoeker in de periode van 1 tot en met 4 maart 2021 is geplaatst op de parkeerplaats ter hoogte van de [straatnaam] [huisnummer] in [plaatsnaam] , binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep. Op grond van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV is het verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom. Verweerder heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.

5. Op 22 april 2021 heeft een van de toezichthouders van verweerder geconstateerd dat de aanhangers met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] , beide op naam van verzoeker, in de periode van 19 tot en met 22 april 2021 zijn geplaatst op de parkeerplaats ter hoogte van de [straatnaam] [huisnummer] in [plaatsnaam] , binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 5:32 van de Awb aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat hij uiterlijk 19 mei 2021 om 09.00 uur de aanhangers verwijdert en verwijderd houdt uit de bebouwde kom van de gemeente Gennep en geen (andere) voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep op de weg plaatst of heeft. Indien verzoeker dit niet doet of in de toekomst opnieuw artikel 5:6 van de APV overtreedt, verbeurt hij per dag € 500,-, met een maximum van € 20.000,- tot het moment dat de overtreding wordt beëindigd.

7. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

8. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Awb staan vermeld. Dit artikel bepaalt dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen een besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

10. Wat betreft de vraag of het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd die ook betrekking heeft op toekomstige overtredingen. De last houdt immers in dat als verzoeker in de toekomst opnieuw artikel 5:6 van de APV overtreedt, hij onmiddellijk dwangsommen verbeurt. Reeds dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang.

11. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt met zich dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. Bij deze beoordeling moet bedacht worden dat een bezwaarprocedure aanhangig is, waarin verweerder bij de heroverweging in bezwaar de mogelijkheid heeft om eventuele (motiverings)gebreken te herstellen dan wel daar zijn eigen gevolgtrekkingen aan te verbinden. De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel dan ook de vraag of redelijkerwijs kan worden verwacht dat eventuele (andere) gebreken hersteld kunnen worden bij de beslissing op bezwaar.

Is verweerder bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen?

12. De voorzieningenrechter dient allereerst vast te stellen of sprake is van een overtreding op grond waarvan verweerder bevoegd is ter zake handhavend op te treden en een last onder dwangsom op te leggen. Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende wettelijk kader van belang.

13. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. In het tweede lid is bepaald dat deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:32 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV bepaalt dat het verboden is een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder op 9 maart 2021 een voornemen naar verzoeker heeft gestuurd, waarin hij heeft aangegeven voornemens te zijn handhavend op te treden tegen de aanhanger met kenteken [kenteken 1] . Verweerder heeft verzoeker in dit voornemen in de gelegenheid gesteld binnen twee dagen na dagtekening van het voornemen een zienswijze in te dienen. Verzoeker voert aan dat deze termijn van twee dagen te kort is om een zienswijze in te dienen. Daarbij komt dat hij het voornemen naar eigen zeggen pas heeft ontvangen nadat de hiervoor genoemde termijn van twee dagen was verstreken. Volgens verzoeker schendt verweerder door deze handelwijze het recht van verzoeker om gehoord te worden en betekent dit dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

14.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder, indien hij voornemens is een belastend besluit te nemen, de belanghebbende op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid moet stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Artikel 4:9 van de Awb bepaalt dat de belanghebbende bij toepassing van - onder meer - artikel 4:8 van de Awb naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren kan brengen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker naar aanleiding van het uitgebrachte voornemen in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze in te brengen op grond van het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb. De vraag of het betoog van eiser dat een termijn van twee dagen te kort is om een zienswijze in te dienen kans van slagen heeft, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven, omdat - voor zover sprake is van schending artikel 4:8, eerste lid, van de Awb - het niet aannemelijk is dat verzoeker hierdoor is benadeeld. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker na ontvangst van het voornemen aan verweerder had kunnen verzoeken de termijn voor het indienen van een zienswijze te verlengen. Dit heeft verzoeker echter niet gedaan. Daarnaast heeft verzoeker in periode van bijna twee maanden die tussen het uitbrengen van het voornemen en het nemen van het bestreden besluit lag, niet alsnog een zienswijze uitgebracht. Bovendien is verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt bij de rechtbank toe te lichten en hij kan dit nogmaals tijdens de nog te houden hoorzitting doen waarbij de commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente zijn bezwaar tegen het bestreden besluit behandelt.

15. Verzoeker voert verder aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld voor elk voertuig een zienswijze in te dienen en dat het bestreden besluit om die reden in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

15.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, anders dan wat betreft de aanhanger met kenteken [kenteken 1] , geen voornemen naar verzoeker heeft gestuurd waarin hij heeft aangegeven handhavend te gaan optreden tegen de aanhangers met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] . Verzoeker is - in het verlengde daarvan - niet in de gelegenheid gesteld daartegen (een) zienswijze(n) in te dienen.

15.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder op grond van artikel 4:11, aanhef en onder b, van de Awb toepassing van artikel 4:8 achterwege kan laten voor zover de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.

15.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker eerder (naar aanleiding van het voornemen van 9 maart 2021 om handhavend op te treden tegen het in strijd met artikel 5:6 van de APV binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep plaatsen van de aanhanger met kenteken [kenteken 1] ) gebruik heeft kunnen maken van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Daarnaast heeft verzoeker in de procedures die geleid hebben tot de uitspraken van de rechtbank van 25 oktober 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:9536),

15 januari 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:285) en 20 januari 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:458), die alle betrekking hadden op het plaatsen van voertuigen in strijd met artikel 5:6 van de APV, zienswijzen in kunnen dienen. Omdat verzoeker niet heeft onderbouwd welke nieuwe omstandigheden, anders dan dat de aanhangers andere kentekens hebben, in de weg zouden staan aan het niet hernieuwd gelegenheid bieden tot het indienen van een zienswijze en ook niet gebleken is van een dergelijke omstandigheid, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder verzoeker gelet op artikel 4:11 van de Awb wat betreft de aanhangers met kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] niet opnieuw in de gelegenheid heeft hoeven stellen om een zienswijze naar voren te brengen. Het enkele feit dat het nu gaat om twee aanhangers met andere kentekens, is daartoe voor de rechtbank onvoldoende, omdat de relevante feiten waar het om gaat dezelfde zijn en de strekking van het voornemen voor verzoeker gelet op het voorgaande helder moest zijn. Om die reden is de voorzieningenrechter ook van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

16. Niet ter discussie staat voorts dat verzoeker bekend is, althans bekend mag worden geacht, met artikel 5:6, eerste lid van de APV. Evenmin staat ter discussie dat de aanhangers al gedurende langere tijd - in ieder geval langer dan drie dagen - binnen de bebouwde kom van de gemeente zijn geplaatst. De voorzieningenrechter begrijpt de uitgebreid onderbouwde stellingen van verzoeker zo dat deze er in de kern op neerkomen dat verzoeker stelt dat artikel 5:6 van de APV in strijd is met Europese regelgeving. Om deze reden heeft verweerder de last onder dwangsom onrechtmatig opgelegd, aldus verzoeker.

16.1.

De in deze procedure aangevoerde argumenten zijn een herhaling van de argumenten die verzoeker in eerdere verzoekschriftprocedures (bijvoorbeeld in de zaken met zaaknummers AWB 19/2658 en 19/2659 én AWB 19/3291) heeft aangevoerd. In die procedures heeft verweerder ook een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat verzoeker door het plaatsen van opleggers in de bebouwde kom van verweerders gemeente handelde in strijd met onder meer artikel 5:6 van de APV. Verzoeker is in die procedures in de gelegenheid gesteld zijn argumenten ter zitting toe te lichten. Deze argumenten zijn meegewogen in de beoordeling die tot respectievelijk de uitspraken van 25 oktober 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:9536) en

15 januari 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:285) hebben geleid. In die uitspraken heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat artikel 5:6 van de APV niet in strijd is met Europese regelgeving of Europese rechtspraak. De richtlijnen waarop verzoeker zich beroept hebben namelijk te maken met (technische) eisen die aan voertuigen gesteld mogen worden of hebben betrekking op kentekenbewijzen. Ook beroept verzoeker zich op het vrij verkeer van goederen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. De Europese rechtspraak waarop verzoeker een beroep heeft gedaan, gaat over vergunningen waarover transportondernemingen moeten beschikken om op bepaalde openbare wegen aan het verkeer te mogen deelnemen (de uitspraak van het Hof van Justitie van 21 maart 2019 met zaaknummer C-127/17) en over de Richtlijn 2006/24/EG, de zogenoemde Dataretentierichtlijn (de uitspraak van het Hof van Justitie van 10 februari 2009 met zaaknummer C-301/06). De voorzieningenrechter ziet echter niet in hoe het bestreden besluit of artikel 5:6 van de APV daarop inbreuk zou kunnen maken.

17. Verzoeker voert verder aan dat verweerder geen last onder dwangsom had mogen opleggen die ook betrekking heeft op toekomstige gevallen, waarbij hij - indien hij in overtreding is - onmiddellijk een dwangsom verbeurt. Hij vindt dat de last op dit punt onduidelijk is.

17.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2571, rechtsoverweging 6.2.8.) heeft geoordeeld dat een last ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding kan worden opgelegd, indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Bij de beantwoording van de vraag of een last strekt tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen spelen verschillende omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een rol. Het gaat om omstandigheden die een beeld geven van de mate van continuïteit in de aan de orde zijnde overtredingen, zoals de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst - bijvoorbeeld wat betreft de plaats ervan - met de eerdere geconstateerde overtredingen en het tijdsverloop sinds die overtreding. Voor de aard van de overtreding is - wil het gaan om een herhaling - onder meer van belang dat het gaat om overtredingen van hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking. Om tot de conclusie te komen dat de last ter voorkoming van een herhaling geoorloofd is, is vereist dat de omstandigheden ten tijde van het opleggen van de last op één lijn kunnen worden gesteld met de omstandigheden ten tijde van de eerdere overtreding.

17.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van de constateringen door de toezichthouders op 4 maart 2021 en 22 april 2021 de aanhangers met de respectievelijke kentekens 02-WR-HB en [kenteken 2] en [kenteken 3] langer dan drie dagen binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep zijn geplaatst. Verzoeker heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 5:6 van de APV. Verweerder heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd die mede strekt ter voorkoming van herhaling van de overtreding als bedoeld in artikel 5:6 van de APV. Die is bedoeld om te voorkomen dat verzoeker in de toekomst nogmaals voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere verkeersdoeleinden worden gebruikt langer dan drie dagen binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep op de weg plaatst of heeft.

17.3.

De voorzieningenrechter concludeert dat de last mede strekt ter voorkoming van herhaling van de eerdere, onder meer op 4 maart 2021 en 22 april 2021, geconstateerde overtredingen. Zoals hiervoor overwogen, is vast komen te staan dat verzoeker artikel 5:6 van de APV heeft overtreden. Verzoeker plaatst verder regelmatig voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere verkeersdoeleinden worden gebruikt binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep, waardoor het gevaar voor herhaling van de overtredingen bestaat. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat uit de onder 16.1. genoemde uitspraken van deze rechtbank blijkt dat in 2019 en 2020 tijdens controles al drie keer eerder is geconstateerd dat verzoeker handelt in strijd met artikel 5:6 van de APV door voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere verkeersdoeleinden worden gebruikt langer dan drie dagen op de weg binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep te plaatsen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de overtredingen en de last onder dwangsom niet dermate lang is dat een toekomstige herstelsanctie niet gerechtvaardigd zou zijn. Gelet op de herhaaldelijke overtredingen en de in dat verband gewenste stelselmatige gedragsverandering, heeft verweerder zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat het opleggen van ook de last nodig is ter voorkoming van toekomstige overtredingen. Wel volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de toekomstige last niet zonder einddatum kan worden opgelegd. Er is sprake van een bevoegdheidsvervaltermijn, hetgeen betekent dat er een einddatum aan de bepaalde “toekomstige” last moet worden gekoppeld. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet gedaan. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit echter niet vernietigen in het kader van de voorlopige voorzieningenbehandeling en - anders dan verzoeker heeft verzocht - geen voorlopige voorziening treffen. Zoals onder 11. is overwogen heeft verweerder immers tijdens de bezwaarschriftprocedure de mogelijkheid om eventuele gebreken te herstellen dan wel daar zijn eigen gevolgtrekking aan te verbinden. In deze zaak betekent dit dat verweerder in het nog te nemen besluit op bezwaar een einddatum aan de toekomstige last onder dwangsom kan koppelen, zodat de last voldoet aan de criteria die de Afdeling stelt.

17.4.

Wat betreft het betoog van verzoeker dat uit de last niet duidelijk blijkt vanaf welk moment hij bij toekomstige overtredingen dwangsommen verbeurt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Niet in geschil is dat het hier specifiek gaat om een overtreding van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV. In het bestreden besluit is onder het kopje “De last onder dwangsom geldt ook voor toekomstige overtredingen” vermeld: “Deze last dient ook ter [voorkoming] van herhaling. […] Indien u opnieuw in overtreding bent, bent u onmiddellijk dwangsommen verschuldigd.” Volgens verzoeker betekent deze zinsnede dat hij onmiddellijk dwangsommen verbeurt als hij in de toekomst opnieuw artikel 5:6 van de APV overtreedt. Daarnaar gevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat verzoeker vanaf de vierde dag dwangsommen verbeurt als hij nogmaals artikel 5:6 van de APV overtreedt, hetgeen dus betekent dat het specifiek gaat over een nieuwe toekomstige overtreding als bedoeld in artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV. De voorzieningenrechter kan verweerder in dat standpunt volgen. Artikel 5:6, eerte lid, aanhef en onder a, van de APV bepaalt immers dat het verboden is langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben. Dit brengt met zich dat pas sprake is van overtreding van dit artikel ná de derde, dus vanaf de vierde dag, dat verzoeker het hiervoor bedoelde voertuig binnen de bebouwde kom op de weg plaatst of heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de last op dit punt dus niet onduidelijk.

18. Zoals onder 14. is overwogen, staat niet ter discussie dat de aanhangers al gedurende langere tijd binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep staan geparkeerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 5:6 van de APV, omdat de aanhangers niet voor verkeersdoeleinden worden gebruikt en langer dan drie achtereenvolgende dagen geplaatst zijn op de weg binnen de bebouwde kom van de gemeente Gennep. In het verlengde daarvan was verweerder dan ook bevoegd handhavend op te treden en op grond van artikel 5:32 van de Awb een last onder dwangsom op te leggen. Tevens is verzoeker terecht als overtreder van het hiervoor genoemde artikel aangemerkt. Immers is hij - onbestreden - eigenaar van de aanhangers en heeft hij het in zijn macht de overtredingen te beëindigen.

19. Verzoeker betoogt ook dat het dwangsombesluit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en - zo begrijpt de voorzieningenrechter - met het ne bis in idem-beginsel dat voorkomt dat een persoon wordt onderworpen aan dubbele vervolging en bestraffing van hetzelfde feit. De last ziet immers op alle voertuigen van verzoeker, terwijl er ten aanzien van diverse voertuigen (te weten met kentekens [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 3] en [kenteken 7] ) al (beroeps)zaken lopen. Voor de aanhanger met kenteken [kenteken 3] geldt meer specifiek dat hierover een boetezaak/boetezaken bij het CJIB loopt/lopen.

19.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enige aanhanger waarover nu expliciet dubbele zaken lopen de aanhanger betreft met het kenteken [kenteken 3] . Ten aanzien van deze aanhanger loopt reeds een boetezaak bij (of ten aanzien van een beslissing van) het CJIB, hetgeen een strafrechtelijk en niet een bestuursrechtelijk traject betreft. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen verantwoordelijkheid heeft, die niet afhankelijk is van de met strafvervolging en strafoplegging belaste organen. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die bedoeld is om leed toe te brengen na het plegen van een strafbaar feit. Hoewel verzoeker dat mogelijk anders ervaart, is het opleggen van een last onder dwangsom niet bedoeld om leed toe te brengen na het overtreden van de last. Verzoeker kan voorkomen dat hij dwangsommen verbeurt door zich te houden aan hetgeen in de APV is bepaald. Dit betekent dat de last onder dwangsom niet is aan te merken als criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In het verlengde daarvan is het bestreden besluit evenmin in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Ten aanzien van de overige door verzoeker genoemde voertuigen geldt dat er op dit moment geen expliciete dubbele besluitvorming is. Deze voertuigen worden immers enkel door de huidige besluitvorming “geraakt” indien verzoeker hiermee in de toekomst opnieuw een overtreding van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV zou begaan, hetgeen hij uiteraard volledig zelf in de hand heeft. Deze omstandigheid maakt de besluitvorming niet gebrekkig.

Had verweerder van handhavend optreden moeten afzien?

20. De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van die bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

21. In dit geval heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, omdat het plaatsen van de aanhanger, een voertuig dat niet wordt gebruikt voor verkeersdoeleinden, voor een langere duur dan drie achtereenvolgende dagen in strijd is met artikel 5:6 van de APV. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hierom terecht geen aanleiding heeft gevonden om af te zien van het opleggen van de last onder dwangsom.

22. Ook overigens zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerder van handhaving had moeten afzien. Verzoeker heeft in dit verband niets naar voren gebracht. Er is geen sprake van een overtreding van geringe ernst. Het enkele tijdsverloop en de financiële gevolgen die handhavend optreden mogelijk heeft voor verzoeker, vormen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen gronden om van handhaving af te zien (zie de uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2334). In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder van handhavend optreden had moeten afzien. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet van dergelijke omstandigheden gebleken.

Wat is de conclusie?

23. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

24. De voorzieningenrechter acht het wel redelijk om bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit te schorsen tot 11 juni 2021 om 10.00 uur, zodat verzoeker - ook wanneer hij de uitspraak bijvoorbeeld later zou ontvangen dan verweerder en de communicatie hierover onverhoopt niet optimaal zou verlopen, zoals hij ter zitting aan de orde stelde - nog kort de tijd heeft om alsnog aan de last te voldoen zonder dwangsommen te verbeuren. De voorzieningenrechter doet namelijk eerder uitspraak dan zij ter zitting heeft aangekondigd en verweerder heeft aangegeven slechts bereid te zijn de begunstigingstermijn op te schorten tot 24 uur na ontvangst van deze uitspraak.

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    schorst het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel tot 11 juni 2021 om 10.00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C.A. Wilschut, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 juni 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 juni 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.