Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4527

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/03/274712 / HA ZA 20-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid curator duur van het faillissement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/274712 / HA ZA 20-111

Vonnis bij vervroeging van 2 juni 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. B.H.A. Augustin;

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

en

2. [gedaagde sub 2],

beiden kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. E.A.L. van Emden.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd, gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] , gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2] en gedaagden tezamen de curatoren.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 13 mei 2020;

  • -

    de akte overlegging producties zijdens de curatoren met productie X;

  • -

    de mededeling van partijen de zaak te willen voortzetten met conclusies van re- en dupliek;

  • -

    de conclusie van repliek met de producties 13 tot en met 24 en een deze conclusie vervangende conclusie waarbij anders dan in de eerste conclusie van repliek na randnr. 3.12 de nummering is voortgezet met randnr. 4.1;

  • -

    een akte zijdens [eiser] met productie 25;

  • -

    de conclusie van dupliek met de producties Y tot en met AD;

  • -

    het verlof van de rolrechter aan [eiser] om een akte uitlating producties Y tot en met AD te mogen nemen;

  • -

    de beslissing van de rolrechter tot weigering van de akte met producties die [eiser] heeft willen nemen, omdat deze inhoudelijk onvoldoende was aan te merken als akte uitlating ter zake de bij dupliek overgelegde producties en dat vonnis zal worden gewezen.

2 De vaststaande feiten

a. [eiser] is in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 8 januari 2013 met aanstelling van [gedaagde sub 1] als curator. [gedaagde sub 2] is als opvolger van [gedaagde sub 1] als curator aangesteld bij beschikking van 6 februari 2017 (productie Q conclusie van antwoord).

b. Op 9 januari 2013 is naar aanleiding van de faillietverklaring van [eiser] een bespreking gevoerd tussen enerzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en anderzijds [eiser] die zich liet bijstaan door advocaat mr. Kramer en financieel adviseur [naam financieel adviseur] . Het daarvan opgemaakte verslag (productie B conclusie van antwoord) houdt onder meer in:

“(…)

U heeft een omschrijving gegeven van uw gezondheidssituatie. Omdat ik naar aanleiding van de door u aan mij verstrekte informatie uiteraard rekening heb te houden met het advies c.q. de instructie die de behandelend medici daaraan mogelijk zullen verbinden, heb ik u verzocht mij een verklaring te laten toekomen van een behandelend arts, zodat een en ander verder inzichtelijk wordt gemaakt. Ik hoop de medische verklaring op korte termijn te mogen ontvangen.

(…)

Wij hebben uitvoerig stilgestaan bij de positie van de heer [naam zwager] . Het arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 31januari 2012 is uitvoerig besproken. U heeft aangegeven van mening te zijn dat er vanuit Jori BV, een tegenclaim op de heer [naam zwager] bestaat die groter is dan de vordering zoals die door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch aan de heer [naam zwager] is toegewezen. De vordering die Jori BV. op de heer [naam zwager] zou hebben is aan u gecedeerd.

(…)

Ter zake vorderingen op derden heeft u aangegeven dat er een verzekeringsclaim bij een Franse

verzekeraar is ingediend naar aanleiding van een u overkomen ongeval in 2005. ARAG heeft deze aangelegenheid in behandeling. U gaf aan te veronderstellen dat u meer dan één miljoen euro zult ontvangen op grond van materiële en immateriële schade. De heer [naam financieel adviseur] heeft aangegeven dat het meer in de lijn der verwachting ligt dat € 400.000,- tot € 500.000,- zal worden betaald door de Franse verzekeraar.

De aansprakelijkheid zou door de Franse verzekeraar zijn erkend. Destijds is een voorschot van € 2.000,- aan u betaald. De fase van het vaststellen van de schade zou thans zijn ingetreden.

In het handelsverkeer heeft u gebruik gemaakt van een drietal besloten vennootschappen, te weten Jori BV., [naam bv 1] en [naam bv 2] .

[naam bv 2] is de holding. U zelf bent eigenaar van 75% van de aandelen, terwijl uw broers en zus het andere percentage van 25% bezitten, U heeft aangegeven dat de vennootschappen op dit moment geen financiële middelen hebben.

U heeft verklaard dat u als eenmanszaak middels [naam bv 3] uw werkzaamheden declareerde bij de besloten vennootschappen.

Er ontstond tijdens onze bespreking enige discussie omtrent beantwoording van de vraag of de besloten vennootschappen allemaal tijdig hun jaarrekening hebben gepubliceerd. U heeft aangegeven dat dat volgens u het geval is geweest. De heer [naam financieel adviseur] zette hier zijn vraagtekens bij. Een en ander zal in de nabije toekomst blijken.

Kort is nog gesproken over uw pensioensituatie. U heeft aangegeven dat alles was geregeld in

beleggingen en dat na 2008 alles in de vastgoedsector tot stilstand is gekomen.

Thans verblijft u met uw partner bij uw zoon in [plaats 1] . U heeft een briefadres in [plaats 2] aangegeven (…).

Ter zake de inboedel die destijds in beslag is genomen door de deurwaarder is door u nogmaals bevestigd dat deze volledig aan uw partner, mevrouw [naam partner] , toebehoort. U zelf least een BMW, type X3, bouwjaar 2004, waarbij u heeft aangegeven dat er met de leasemaatschappij nog geen overeenstemming is bereikt omtrent de hoogte van de afkoopsom.

Wij hebben afgesproken dat u mij de navolgende bescheiden zo spoedig mogelijk ter hand stelt:

1. Het volledige dossier [naam zwager] , derhalve inclusief processtukken;

2. Het volledig dossier Van Lanschot, inclusief processtukken Rechtbank Amsterdam;

3. Dossier ARAG betreffende claim Franse verzekeringsmaatschappij naar aanleiding van het u

overkomen ongeval in 2005;

4. Medische verklaring omtrent uw gezondheidssituatie;

5. Leasecontract met betrekking tot de BMW X3, bouwjaar 2004, alsmede eventueel daaraan

gekoppelde correspondentie met de leasemaatschappij.

6. Tevens ontvang ik graag de jaarrekeningen van de drie besloten vennootschappen over de jaren 2009, 2010 en 2011, om mij een beeld te kunnen vormen van de besloten vennootschappen.

U heeft mij ter hand gesteld een memo d.d. 31 mei 2012, opgesteld door de heer mr. J.H.C.M. Duijmelink van ESJ, alsmede een notitie van mr. R.J. Kramer van 5 juli 2012 inzake de verrekening kosten Jori. Deze bescheiden zal ik bestuderen.

Ten slotte deel ik u mede dat ik een afschrift van dit besprekingsverslag zal sturen aan de heren [naam financieel adviseur] en Kramer.

Indien u van mening bent dat het verslag niet volledig is en / of dat er onjuistheden in staan verneem ik dat graag van u. (…)”.

c. Op 29 mei 2013 is [eiser] door de in zijn faillissement benoemde rechter-commissaris (hierna RC) gehoord. Blijkens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal (productie E conclusie van antwoord) heeft [eiser] , voor zover van belang, het volgende geantwoord:

- op de vraag bij welke besloten vennootschappen hij ( [eiser] ) betrokken is:

“Ik ben betrokken bij [naam bv 2] , beleggingsmaatschappij Jori en [naam bv 1]

Ik houd deze BV’s draaiende. Er wordt op dit moment niet aangekocht

of gehandeld. Ik ben aan het herstellen van wat mij overkomen is. Het beheer betreft

onder andere het formuleren van een vordering op de gemeente Heerlen. Verder oriënteer

ik mij op de markt wat de BV’s kunnen doen om voort te zetten. Op dit moment krijgen

de BV’s geen opdrachten binnen. Ik ben de BV’s noch aan het liquideren noch kan

gezegd worden dat ze volop handel drijven. Er wordt op dit moment noch winst noch

verlies gemaakt. Ik ben doende de cijfers af te ronden. De beer [naam financieel adviseur] is doende de

cijfers aan u, curator, te verstrekken. Half juni zult u, curator, van mij de cijfers tot en met

2012 ontvangen. Er bestaat een rekening-courantverhouding tussen [naam bv 3] en de

BV’s; wat het saldo daar van is, zou ik moeten nakijken. Dat kan ik u zo niet zeggen. Ik

vind het niet vreemd dat ik niet weet of ik een vordering of schuld per saldo aan de BV’s

heb.”

- op een vraag omtrent de auto BMW:

“BMW is van oordeel dat de BMW haar toekomt en dus buiten de boedel valt. Ik denk dat

ik dit standpunt deel, ofschoon mijn advocaat hierover eerder anders heeft geschreven. Ik

zeg toe bij deze dat de BMW met kenteken [kenteken] inclusief autopapieren en sleutels

aanstaande vrijdag 31 mei 2013 voor 17,00 uur bij het kantoor van de curator aan mr.

[gedaagde sub 1] of aan een van zijn kantoorgenoten is afgegeven.”

- op een inkomstenvraag:

Ik heb geen enkele inkomsten op dit moment. Ik leef van het inkomen van mijn partner

mw. [naam partner] en ook mijn kinderen en familie ondersteunen mij financieel.”

- op een vraag omtrent zijn bankieren:

Ik heb gebankierd met ABN-AMRO, Mees Pierson, SNS-bank, Van Lanschot en

Rabobank. Ik bankier niet in het buitenland. Ik bankier momenteel niet. Op geen enkele

van de privérekeningen staat nog een positief saldo. De vennootschappen bankieren bij de

Rabobank, ook daar staan geen noemenswaardige saldi op.”

- op een vraag omtrent het pand aan de [adres 1] te [plaats 2] :

Ik ontken dat ik met mijn zwager [naam zwager] samen een pand heb gekocht; beleggingsmaatschappij Jori heeft een pand gekocht; dat betrof een pand aan de

[adres 1] te [plaats 2] . De met de verkoop van dit pand gegenereerde winst heb ik niet

paraat. Van het door de curator genoemde bedrag van € 450.000,00 moeten nog een

aantal kosten worden afgetrokken.

De winst bedraagt, meen ik mij te herinneren, rond de € 280.000,00. Ik heb [naam zwager] een

bedrag van circa € 98.000,00, zijnde het door hem ingeleverde bedrag, toen onmiddellijk

terugbetaald. Ikzelf heb niets ontvangen.

Met het geld zijn belastingen voldaan, kosten betaald en is geherinvesteerd door

beleggingsmaatschappij Jori. Ik kan en zal deze posten voor de curator inzichtelijk

maken. Binnen vier weken na heden zal ik de betreffende stukken hebben aangereikt en

aan de curator inzichtelijk hebben gemaakt waar het betreffende geld is gebleven. Binnen

diezelfde termijn van vier weken na heden zal ik mijn privéboekhouding inclusief

bankstukken aan de curator aanleveren.

Voor wat betreft de afloop van de zaak geldt dat ik niet heb kunnen voorzien dat het

Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch aan [naam zwager] een bedrag van € 198.000,00 zou toewijzen.

De fiscale problematiek rondom deze kwestie is nog niet afgewikkeld. De fiscale

problematiek is pas ontstaan door de uitspraak van het Hof.”

- op vragen betrekking hebbende op Van Lanschot bankiers N.V. en de woning van [eiser] , [adres 2] te [plaats 2] :

Er is in februari 2012 door [naam 1] een bod uitgebracht van 1 miljoen, waarvan ik wist dat

dit bedrag verhoogd kon worden naar 1,1 miljoen. Mijn makelaar Lenaerts heeft mij, na

contacten met [naam 1] , aangegeven dat [naam 1] een bod van 1 miljoen had uitgebracht.

Later heeft [naam 1] dit pand via de veiling in handen gekregen voor € 722.000,00; [naam 1]

heeft daarbij met de bank c.q. [naam 2] van de bank onder één hoedje gespeeld.

Met betrekking tot de kosten van de verbouwing van het pand [adres 2]

te [plaats 2] zal ik nagaan wat ik daarvan kan terugvinden en de betreffende documentatie - zulks eveneens binnen een termijn van vier weken na heden - aan de curator aanreiken.

Deze uitgaven zijn niet meer gedaan na 2010; ik denk dat de besteding van de betreffende

gelden heeft plaatsgevonden tot 2008.

Het krediet was opgebouwd uit een privégedeelte en een zakelijk gedeelte. Het zakelijk

gedeelte met bedragen van ongeveer drie ton is in [naam bv 3] gevloeid.

Lanschot bankiers heeft mij gevraagd de betreffende jaarrekeningen over te leggen en dat

heb ik gedaan. Ik herinner mij niet op welke jaren dit precies betrekking had.”

- op vragen omtrent het ongeval in Frankrijk:

Ik heb op het kantoor van de curator op 9 januari j.l. in ieder geval niet bedoeld te zeggen

dat de claim, in verband met het mij in Frankrijk overkomen ongeval, 1 miljoen zou

belopen. Wat ik heb willen zeggen is dat dit de daadwerkelijke schade betreft. ik heb tot

nu toe nog geen cijfers aan ARAG ter beschikking gesteld; wel is in februari 2006 een

onderbouwde opgave van de schade ingeleverd over het jaar 2005. Binnen acht weken na

heden zal ik aan de curator aanreiken de onderbouwing van mijn schade, zoals door dhr.

[naam financieel adviseur] aan de hand van de financiële stukken begroot.

Ik heb in mijn relatiekring een potentiële koper voor deze vordering. Uiteraard zal ik

daarbij de vordering moeten onderbouwen.”.

- op vragen betrekking hebbende op inventaris en inboedelgoederen:

1. Alle inboedelzaken van het pand aan de [adres 2] staan opgeslagen bij UTS te Beek. Ik en mijn partner, mw. [naam partner] , hebben in 1973 een relatie met elkaar

gekregen. (…) In 1975 hebben wij samen de woning aan de [adres 3] gekocht en hebben wij afgesproken dat de inventaris eigendom van mw. [naam partner] zou blijven en zijn. Dat gold ook voor toekomstige aan te schaffen zaken.

Een en ander is neergelegd in een akte zulks op advies van de notaris Palmen. In 1995 is

deze afspraak bij een andere gelegenheid - waarbij het recht van gebruik en bewoning ten

behoeve van mw. [naam partner] werd geformaliseerd - hernieuwd.(…)

3. Wij hebben geen bovenmatige inboedelzaken aangeschaft. Mw. [naam partner] had voldoende

eigen vermogen afkomstig uit arbeid en uit de erfenis van haar man. Ze had een weduwe-uitkering en werkte in de zaak van mijn moeder, dit betrof een juwelierszaak in Heerlen

en in Maastricht. Zij heeft tot midden jaren tachtig gewerkt in de juwelierszaak en daarna

heeft ze administratieve werkzaamheden verricht op mijn kantoor. Ik meen dat wij beiden

eigenaar waren van de [adres 3] . Dat huis is verkocht in 1991, vermoed ik. Dat huis is.

met winst verkocht. Als er gedurende de samenwoning nieuwe spullen werden aangeschaft, betaalde dan weer eens ik, dan weer eens zij.”

- op vragen omtrent [naam 1] :

“1. In het pand [adres 2] bevinden zich nog een grote plafonnière, een

garderobekast, een marmeren kunstwerk en een glazen obelisk van vijf meter hoog. Deze

zaken vertegenwoordigen een aanzienlijke waarde en behoren naar mijn mening aan

eigendom toe aan mw. [naam partner] . (…).

2. Deze zaken zijn niet uit de woning verwijderd, omdat daar geen tijd meer voor was.

4. Het is onjuist dat [naam 1] mij een voorstel heeft gedaan om de betreffende zaken op te

halen.”

- op vragen omtrent zijn verhouding met de Belastingdienst:

Er is een dossier, dat ik eveneens binnen vier weken na heden aan de curator ter

beschikking zal stellen, betreffende mijn meningsverschil met de belastingdienst over de

afwikkeling van mijn aangiftes. Er is in zoverre geen geschil met de belastingdienst waar

het de vennootschappen betreft, zij het dat er discussie is over BTW-posten. Er is beroep

aangetekend tegen de aanslagen.

Ik zal binnen vier weken na heden per besloten vennootschap aangeven hoe hoog de

vordering van de belastingdienst naar mijn mening is en ook privé.”.

d. Bij e-mail van 18 juni 2013 aan het kantoor van [gedaagde sub 1] (productie 5 dagvaarding) schrijft advocaat mr. Loonen namens [eiser] dat [eiser] hem heeft meegedeeld dat bij hem, [eiser] , retina-loslating is geconstateerd en dat hij zal worden opgenomen in het Haga ziekenhuis te Den Haag waar hij zal worden geopereerd. Hierna moet hij enkele weken rust houden en is hij niet in staat om te lezen. Het vervolgens door [gedaagde sub 1] gevraagde bewijsmateriaal omtrent opname en operatie wordt eind 2013 gedeeltelijk verstrekt (2.6 conclusie van antwoord).

e. Bij brief van 1 juli 2013 (productie G conclusie van antwoord) deelt [gedaagde sub 1] de RC mee dat de auto BMW niet is ingeleverd, dat [eiser] geen boekhouding of andere administratie heeft ingeleverd, zendt [gedaagde sub 1] de RC een afschrift van de e-mail van Loonen van 18 juni 2013 (sub d hiervoor) en deelt hij de RC mee dat niet is gereageerd op zijn vraag omtrent bewijsmateriaal, en dat wat hem, de curator, betreft, het tijdstip is aangebroken dat [eiser] de vrijheid wordt ontnomen.

f. Bij brief van 15 juli 2013 (productie G conclusie van antwoord) deelt [gedaagde sub 1] de RC mee dat BMW Financial Services B.V. de BMW heeft teruggehaald bij de garage en dat aan zijn klachten genoemd in de brief van 1 juli 2013 geen gehoor is gegeven.

g. Bij brief van 25 juli 2013 (productie G conclusie van antwoord) deelt [gedaagde sub 1] de RC mee dat [eiser] nog steeds geen enkele toezegging nakomt, dat hij, [gedaagde sub 1] , nog steeds niet beschikt over de financiële administratie van [eiser] en dat hij niet wordt geïnformeerd omtrent gederfde inkomsten of de verzekeringskwestie. Volgens [gedaagde sub 1] onttrekt [eiser] zich aan elke vorm van contact met de curator.

h. De voordracht van 29 juli 2013 (productie 3 dagvaarding) van de RC houdt in, voor zover van belang:

Gefailleerde komt de afspraken die zijn gemaakt tijdens het op 29 mei 2013 gehouden

verhoor met de rechter-commissaris niet na. De curator [gedaagde sub 1] beschikt nog

steeds niet over de financiële administratie van gefailleerde en hij wordt niet geïnformeerd

omtrent de gederfde inkomsten zodat de verzekeringskwestie niet afgehandeld kan worden.

De gefailleerde is hiermee de verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt niet nagekomen.

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat de gefailleerde zonder geldige reden en opzettelijk niet nakomt de hem in artikel 105, lid 1 van de Faillissementswet opgelegde verplichtingen.”.

i. Op de hiervoor genoemde voordracht van 29 juli 2013 heeft de rechtbank bij beschikking van 29 juli 2013 (productie 4 dagvaarding) overwogen dat:
het maatschappelijk en financieel belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement vereist dat (…) [eiser] , voldoet aan zijn verplichting om aan de curator en de rechter-commissaris inlichtingen te verstrekken, reden waarom de rechtbank zijn verzekerde bewaring zal bevelen, wegens het niet nakomen van verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt.” Bij die beschikking is [eiser] voor ten hoogste dertig dagen in verzekerde bewaring gesteld. [eiser] is nooit in bewaring gesteld op grond van deze beschikking. Het bevel tot bewaring is opgeheven bij beschikking van 28 mei 2019.

j. Bij bericht van 19 december 2013 (productie 9 dagvaarding) bericht Kramer, raadsman van [eiser] , [gedaagde sub 1] , voor zover van belang:

Hierdoor doe ik u, zoals aangekondigd, ter onderbouwing van de goede wil van cliënt

informatie toekomen met betrekking tot de medische situatie van cliënt in de periode

waarin hij eerder dit jaar geacht werd informatie te verschaffen, alsmede informatie over

de fiscale situatie in de BV’s.

Het betreft:

- brief oogheelkundige aan huisarts van 16 juni 2013;

- afsprakenkaart oogheelkundige Spaarneziekenhuis waaruit blijkt van afspraken op 17 juni

(dag van operatie en afgifte kaart), 20 juni, 26 juni en 18 juli 2013;

- brief aan [eiser] met informatie over de operatie.

- Exceloverzicht fiscale situatie d.d. 28 januari 2013, door cliënt hier en daar geüpdate op

basis van hem bekende gegevens, met de kanttekening dat hij niet over de volledige

administratie van de BV’s kan beschikken.

Al in het weekend van 8 juni is zichtuitval bij cliënt opgetreden, wat daarna niet verbeterd

maar nog verslechterd is, ondanks medische consulten en optimetrisch onderzoek, zodat

cliënt de voorbereidingen ter uitvoering van de afspraken heeft moeten staken. Op 16 juni

is retinaloslating geconstateerd waarna cliënt op 17 juni acuut is geopereerd in de

oogkliniek van het Haga Ziekenhuis te Den Haag gevolgd door diverse verdere

behandelingen (zie afsprakenkaart).

Cliënt deelt mij mede dat vooralsnog sprake is van 70% zichtuitval van het oog en

ernstige beeldvervormingen. Daardoor ook in hoge mate van beperking van de lees- en

werkcapaciteit. Cliënt is door de chirurg en huisarts voor verdere behandeling naar de

oogheelkundige doorverwezen.

De situatie was dus niet dat de arbeidsongeschiktheid, zoals u stelde, na 3 weken is

opgetreden, maar na amper 1,5 week van de aan cliënt toegemeten tijd, zodat diverse

taken nog niet eens konden worden aangevangen. Van onwil was of is nimmer sprake

geweest, wel van overmacht. Die is voor de nog niet geleverde informatie verder gelegen

in het feit dat, als gezegd, cliënt nog steeds wacht op output van zijn adviseur.

Ik hoor graag van u zodra u van de RC hebt vernomen.

k. Op 17 februari 2014 heeft [gedaagde sub 1] bij de politie verklaard dat hij vermoedt dat [eiser] bedrieglijke bankbreuk pleegde en heeft [gedaagde sub 1] daarvan aangifte gedaan (productie W conclusie van antwoord). Het door de politie opgemaakte proces-verbaal (productie W conclusie van antwoord) houdt in:

“Op 9 januari 2013 heb ik schriftelijk aan [eiser] gevorderd mij de volledige administratie, boeken, bescheiden, en andere gegevensdragers te overhandigen. Dit was bij gelegenheid van een bespreking op mijn kantoor met [eiser] zelf, mr. Kramer en de heer [naam financieel adviseur] . Kramer en [naam financieel adviseur] hebben aangegeven [eiser] te ondersteunen in deze kwestie. Ook mijn kantoorgenoot mr. [gedaagde sub 2] was aanwezig bij deze bespreking.

Een kopie van het verslag van deze bespreking stel ik u hierbij ter beschikking.

Aan deze vordering is door [eiser] niet voldaan.

Nadien heb ik nog een aantal keren nadere termijnen gesteld opdat [eiser] aan deze vordering kon voldoen. Ook tijdens de laatste termijn, welke op 4 februari 2013 afliep, werd aan de vordering niet voldaan.

Gelet op het vorenstaande ben ik van mening dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan

bedrieglijke bankbreuk omdat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van [eiser] niet heb kunnen vaststellen, zodat rechten van de schuldeisers kunnen zijn/worden verkort.

[eiser] verklaring dat hij niet aan de verplichting als boven omschreven kan voldoen, daar zijn administratie verdwenen zou zijn bij de uitzetting uit zijn woning, gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] , acht ik niet aannemelijk.

Tot slot wil ik u nog een kopie ter beschikking stellen van het proces-verbaal aangaande het

behandelde ter terechtzitting op 4 februari 2013. Dit naar aanleiding van het door- danwel namens [eiser] ingediende verzetschrift om het faillissement te (doen) vernietigen.”.

l. Bij bericht van 21 februari 2014 (productie 8 dagvaarding) bericht Kramer, raadsman van [eiser] , [gedaagde sub 1] , voor zover van belang:

Naar aanleiding van uw verzoek aan [eiser] / [naam financieel adviseur] om verschaffing van de financiële bescheiden die ten grondslag liggen aan de (inderdaad voor fiscale doeleinden opgestelde) jaarrekeningen van de vennootschappen (die als zodanig wel degelijk wettelijk volstaan) deel ik u het volgende mede.

Om te beginnen meld ik u, dat alle bescheiden waarover de heer [naam financieel adviseur] beschikte, vanmiddag bij mij op kantoor zijn afgeleverd. Het betreft financiële bescheiden van de vennootschappen over de periode 2009-2012.

Ik kan er stukken uit verschaffen en zeg u bij deze toe, dat de inzet van dwangmiddelen hoe dan ook niet nodig zal zijn (heel to the point: oordeelt de rc, eventueel na mij (RJK) gehoord te hebben dat u in het licht van artikel 105 Fw alle van [naam financieel adviseur] ontvangen bescheiden moet krijgen, dan hoor ik dat van u en krijgt u ze omgaand; wel dienen er dan kopieën genomen te worden aangezien cliënt de stukken in verband met lopende fiscale kwesties nodig heeft.

De inlichtingenplicht van de failliet tot verstrekking van stukken met betrekking tot het vermogen van rechtspersonen waarin de failliet direct of indirect bestuurder is (geweest) vindt echter zijn begrenzing in de vraag wat voor de behoorlijke taakuitoefening van de curator en de rechter-commissaris noodzakelijk is. Vooralsnog valt nog niet in te zien waarom u vanwege vragen over specifieke posten alle bescheiden zou moeten ontvangen aan de hand waarvan de financiële stukken zijn opgesteld. Cliënt is (via mij) bereid alle vragen te beantwoorden die specifieke posten/verschuivingen van vermogen bij u oproepen én mij u de stukken te laten verstrekken die daarbij horen. Ik verneem dus graag op welke posten u doelt en welke vragen ze oproepen, zodat ik u van alle noodzakelijke inlichtingen kan voorzien.

Cliënt verwerpt met klem uw suggestie dat zich in de BV’s ongebruikelijke of strafrechtelijk relevante vermogensverschuivingen hebben voorgedaan. Het betreft simpelweg het correct verwerken en opschonen van balansen in verband met de afboeking van beëindigde projecten. Ook voor het aanvragen van faillissement van de BV’s is geen aanleiding.

Ten aanzien van de situatie in 2013 kan ik u melden (zoals in het getuigenverhoor verklaard; u vraagt op dit punt naar de bekende weg) dat de vennootschappen in het geheel geen activiteiten hebben ontplooid, (behalve hetgeen nodig is ter instandhouding) zodat zich ten opzichte van de stand ultimo 2012 afgezien van een enkele vaste kostenpost geen noemenswaardige wijzigingen hebben voorgedaan. De aan u verstrekte stukken strekken tot inzicht in de verkoopwaarde van de BV’s ( [naam bv 2] /Jori BV moeten aan de

medeaandeelhouder worden aangeboden), waarvoor in het getroffen akkoord Eur 3.000 is (was) begrepen.

Ik heb u voorts aangekondigd, een brief te zullen verstrekken waarin de heer [naam financieel adviseur] u over een aantal kwesties (m.n.: [naam zwager] , bouwkosten, letselschade) opheldering verschaft. U treft deze bijgaand aan, evenals enkele andere losse stukjes toelichting van zijn kant. Hieruit blijkt dat u sedert januari 2013 al over vrijwel alle gevraagde informatie beschikt. Ten aanzien van de kwestie ARAG geldt dat u, naar ik begrijp, nalaat het dossier aan [naam financieel adviseur] te verstrekken zodat hij geen schadeberekeningen kan opstellen.

In aanvulling daarop meld ik u nog dit. U deelde aan de heer [naam financieel adviseur] mede, over aanwijzingen voor vermogen in het buitenland te beschikken. U kunt daarmee slechts doelen op de letselschadedaim in Frankrijk. Meer of andere buitenlandse vermogensbestanddelen zijn er namelijk pertinent niet. Het vermoeden bestaat dat u door [naam zwager] op het verkeerde been bent gezet, aangezien het bestaan van die claim ooit in schikkingsoverleg met hem is aangeduid. Mogelijk is hij daardoor gaan geloven dat er fondsen in het buitenland zouden zijn. Mocht u toch van het tegendeel overtuigd zijn, dan verzoek (Rb: “ik”) u man en

paard te noemen, bij gebreke waarvan het er voor moet worden gehouden dat sprake is van onzorgvuldige, cliënt onnodig grievende en in een kwaad daglicht stellende uitlatingen die geen enkele steun vinden in de feiten en loos zijn.

Ik reageer verder op enkele andere, eveneens ongefundeerde aantijgingen van uw zijde aan het adres van cliënt.

- U deelde aan [naam financieel adviseur] mede (naar ik begreep) dat cliënt Van Lanschot voor 1 miljoen heeft opgelicht. Ik wijs er op dat er hoger beroep loopt, terwijl de bank valt te verwijten dat zij niet aan onderhandse verkoop heeft medegewerkt en de claim van de bank door cliënt op tal van gronden wordt betwist.

- U schrijft/deelde mede dat de belastingdienst voor tonnen zou zijn benadeeld: het gaat qua belastingschuld binnen de vennootschappen echter slechts om enkele honderden euro’s, indien men de aangiften 2007 en 2009 correct afhandelt en de voorlopige aanslagen corrigeert. Voor zover u hiervoor niet zorg draagt, is dat niet in het belang van de boedel en bent u op dit punt zelfs in gebreke.

- U stelt dat [naam zwager] voor tonnen is benadeeld. Dat misverstand berust op een onjuiste, in cassatie helaas niet meer te repareren feitenvaststelling en -waardering; een processuele verwrongen werkelijkheid dus, ver bezijden de feitelijke.

- U stelt voorts onvermoeibaar dat cliënt geen informatie verstrekt: uit [naam financieel adviseur] brief inz [naam zwager] blijkt, dat u alle informatie al sinds januari 2013 heeft; uit [naam financieel adviseur] brief blijkt voorts dat u het in mei jl gevraagde dossier niet heeft verstrekt; en uit het pv van het faill.verhoor blijkt dat u diverse keren naar de bekende weg vroeg, waarmee richting rc een onjuiste indruk werd gewekt omtrent de houding van cliënt.

Mijns inziens heeft cliënt (zeker nu) aan al uw informatieverzoeken voldaan. Ik zou het dus op prijs stellen te vernemen welke vragen u nog hebt. Die zullen alle ten spoedigste via mij worden beantwoord. Intussen dient de gijzelingbeschikking te worden ingetrokken/herzien. Ik ontvang graag binnen één week uw daartoe strekkende verzoek aan de rc. Ook wens ik thans de faillissementsverslagen van u te ontvangen. Cliënt heeft daar recht op, en u

hindert mij onnodig in zijn verdediging door ze mij te onthouden en mij nota bene naar de rechtbank te verwijzen, waar het verzoek op een stapel achterstallige informatieverzoeken terecht komt zodat ik tot op heden niets ontving. (…)

Ik vraag verder uw aandacht voor het volgende.

Wij hebben overleg gehad over een bespoedigde afwikkeling van het faillissement, gefaciliteerd door verstrekking van een som geld door de zoon van cliënt aan de boedel. De daarover gemaakte principeafspraken zijn door mij op 16 december per e-mail aan u bevestigd. U zou deze door aanbod en aanvaarding tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst op hoofdlijnen met een positieve aanbeveling aan de RC voorleggen. U wenste nog wat bewijs, dat werd geleverd. Vervolgens trad een diepe stilte in. Het is mij tot op de dag van vandaag onduidelijk op welke wijze u dit hebt gedaan, en wat de reactie van de RC was. U gaf eerder desgevraagd aan, geen informatie te kunnen of willen verschaffen. Cliënt kan daar geen genoegen mee nemen, houdt u aan de gemaakte afspraken en wenst thans uiterlijk woensdag te vernemen of u de transactie ter goedkeuring hebt voorgelegd en wat de reactie van de RC was, bij gebreke waarvan cliënt zich alle rechten voorbehoudt.”

m. Bij bericht van 19 februari 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan Kramer, raadsman van [eiser] , voor zover van belang:

“In het faillissement van de heer [eiser] heb ik u op 18 februari jl. een e-mailbericht gestuurd met betrekking tot de door u aan mij toegezonden financiële bescheiden. U heeft de bescheiden aangeduid als jaarrekeningen, zijnde een pertinent onjuiste benaming. Het betreffen fiscale balansen die absoluut niet voldoen aan de wettelijke vereisten die aan jaarrekeningen worden gesteld.

De betreffende stukken leiden tot het stellen van een groot aantal vragen omdat de indruk bestaat dat hier enorm vaak met grote financiële bedragen is geschoven.

Inmiddels heb ik de heer [naam financieel adviseur] gesproken. Ik heb hem gevraagd alle onderliggende bescheiden aan mij ter hand te stellen om het onderzoek naar de feitelijke gang van zaken mogelijk te maken. De heer [naam financieel adviseur] heeft aangegeven zich hierover te beraden en mij vrijdag a.s. te berichten. De heer [naam financieel adviseur] heeft in elk geval bevestigd dat de financiële bescheiden die de grondslag vormen van de door u aan mij toegezonden balansen, zich onder hem bevinden.”.

n. Bij bericht van 12 maart 2014 (ook productie 8 dagvaarding) bericht Kramer, raadsman van [eiser] , [gedaagde sub 1] , voor zover van belang:

Hierdoor reageer ik inhoudelijk op uw email van vorige week,(…). De heer [naam financieel adviseur]

verzocht mij tevens te reageren op uw e-mailberichten aan hem, hetgeen mij juist voorkomt nu uw vragen aan hem in het verlengde liggen van de aan mij gestelde vragen.

Ik constateer in algemene zin dat u bij het verwijt aan het adres van cliënt dat hij u

geen informatie verschaft voorbij gaat aan de vele door cliënt en de heer [naam financieel adviseur] aan u

verschafte toelichting en informatie. Voorts, aan de visusproblemen van cliënt die hem

buiten staat stellen zelf met voortvarendheid administratieve werkzaamheden te verrichten; overmacht dus.

U stelt [naam financieel adviseur] overigens wél gerichte detailvragen, waarop ik hierna zal reageren.

Op uw vraag of het overleg met [naam 3] tot definitieve aanslagen heeft geleid, kan ik bevestigend antwoorden. U beschikt reeds over de gespreksnotitie waaruit dit blijkt; die heb

ik u zelf doen toekomen. De heer [naam financieel adviseur] zal mij morgen nog de definitieve aanslagen doen toekomen; die bevonden zich abusievelijk niet bij de aan mij verstrekte bescheiden. Alle

aangiften Vpb 2008-2012 wel (behoudens die van Jori; deze volgen morgen); deze treft u

bijgaand aan, evenals een in deze relevante beslissing op bezwaar van 14 maart 2013 mbt de aanslag Vpb 2010 van Jori, en een bericht omtrent vermindering van de aanslag Vpb 2009 van Jori.

Uw vraag naar de uitspraak van het gerechtshof lijkt te berusten op een misverstand: [naam financieel adviseur] doelde op het arrest in de procedure [naam zwager] / [eiser] dat hij wenste af te wachten, teneinde fiscaal in overeenstemming met dit arrest af te wikkelen, ofschoon Jori geen partij in die procedure was. Er is dus geen sprake van dat u ergens buiten zou zijn gehouden. Het arrest dateert zoals bekend van vóór het faillissement.

Het dossier ARAG had [naam financieel adviseur] niet, terwijl hij het wel nodig had. Ik verwijs naar de brief aan u van mr Loonen van 24 mei 2013 waarin hij dit aan de orde stelt, Loonen noemt tevens specifiek de stukken waaraan [naam financieel adviseur] behoefte had. Die worden [eiser] - om evidente redenen: hij is failliet en u bent zijn curator - zelve niet verstrekt.

Wat de administratie van de vennootschappen in de jaren 2009-2012 betreft die door de heer [naam financieel adviseur] op 21 februari jl. aan mij is verstrekt: het betreft een 7-tal ordners, te weten:

Beleggingsmaatschappij Jori 2009

Beleggingsmaatschappij Jori 2010-2011

Beleggingsmaatschappij Jori 2012

[naam bv 2] 2009-2010-2011

[naam bv 2] 2012

[naam bv 1] 2009-2010-2011

[naam bv 1] 2012

U deelt mij mede dat de RC uw mening deelt, dat de administratie in volledigheid dient te worden verstrekt. Ik heb u aangegeven dat ik u de stukken verstrek zodra u mij bevestigt

dat de RC (eventueel na mij te hebben gehoord) oordeelt dat ik u alle van [naam financieel adviseur] ontvangen stukken dien te verstrekken. Ik vind uw mededeling, beginnend met het woord ‘overigens’ te terloops klinken om daarin een uitdrukkelijke bevestiging te lezen dat u

deze vraag concreet aan hem hebt voorgelegd, en dat hij daar aldus op heeft geantwoord. Hebt u de RC mijn e-mail van 21 februari, en met name mijn betoog daarin over de reikwijdte van artikel 105 Fw voorgelegd? Indien en zodra u mij bevestigt dat de RC oordeelt dat alle door [naam financieel adviseur] verstrekte stukken aan u dienen te worden doorgeleid c.q. mij daartoe (al dan niet via u) gelast ga ik daartoe over. Die ondubbelzinnige bevestiging vind ik in uw e-mail, die slechts van het ‘delen van uw mening’ kond doet, naar mijn smaak nog niet.

Integendeel; ik reageer thans met stukken op detailvragen (zie hierboven) en als er nog andere detailvragen zijn naar specifieke stukken verstrek ik die eveneens.

Ik kan mijnerzijds niet bevestigen dat ik “weet” dat cliënt schromelijk tekortschiet. Ik verwijs naar de vele informatie die u inmiddels met name door mijn handen heeft bereikt. Ik heb u in mijn vorige email verzocht aan te geven welke informatie u dan nog mist (opdat ik daar achteraan kan gaan), en herhaal dat verzoek bij deze, evenals het verzoek het bevel tot gijzeling - bij gebreke van nog openstaande vragen - te doen opheffen.

Over de inventarisgoederen kent u het standpunt van mw. [naam partner] , dat zij met argumenten heeft onderbouwd en ten aanzien waarvan ik tot op de dag van vandaag nog geen steekhoudend verweer van u heb ontvangen.

Uw verzoek aan te geven waarom de vennootschappen niet in staat van faillissement dienen te worden verklaard, is onbegrijpelijk. Ik zou het op prijs stellen eerst van u te vernemen

waarom dit wél zou moeten gebeuren. Van een rekening-courantvordering van de boedel op één of meer der BV’s is geen sprake.(…)

Immers, artikel 15 van de statuten bepaalt dat ingeval van faillissement van een aandeelhouder de aandelen te koop moeten worden aangeboden aan de overige aandeelhouders. Zoals u weet, is de heer [naam broer] , broer van cliënt, 25% aandeelhouder. Hem heeft nog geen aanbod van u bereikt, zo begrijp ik. Dit betekent dat u te dien aanzien in verzuim verkeert, (…). Ten aanzien van [naam bv 1]

geldt dat de aandelen van deze BV, net als de andere, begrepen zijn in de getroffen regeling. Bovendien is ten aanzien van de aandelen in deze BV een optieovereenkomst met [naam bv 2] van kracht, die ik nog hoop te ontvangen en

waaruit mogelijk eveneens een aanbiedingsplicht ten aanzien van de aandelen in die BV voortvloeit.

Uw mededeling ten aanzien van een mogelijk strafrechtelijk onderzoek is, opnieuw, een loos dreigement (…)..

Ten aanzien van de ARAG/AGF kwestie heb ik u er op gewezen dat cliënt, om een schadeberekening te kunnen laten maken, over het volledige ARAG dossier dient te beschikken. Mag ik dit alsnog ontvangen? U verschafte mr Loonen op diens verzoek

slechts een tweetal stukken, en niet, zoals gevraagd, het volledige dossier. Afdoening op basis van een lump sum schaadt de boedel en is bovendien niet aan de orde omdat, zoals u

weet, wij overeenstemming hebben bereikt over cessie van de vordering op AGF in het kader van de hierna genoemde regeling.

U gaat voorts in het geheel niet in op mijn - toch tamelijk uitvoerig geformuleerde - vraag om opheldering omtrent de status van de aangeboden, en door u aanvaarde schikking. Thans constateer ik dat u in het openbaar faillissementsverslag van die datum aangeeft dat u dit voorstel per 8 januari 2014 ‘in beraad’ had. Dit is in strijd met het gegeven dat wij ruim voordien overeenstemming hadden bereikt. Er viel niets meer te beraden. Ik verneem nu dus graag of de regeling aan de RC is voorgelegd, en diens reactie daarop.

Tot slot constateer ik dat u weigert het gespreksverslag van 5 maart 2013 te verstrekken. Dit terwijl in dat gesprek nu juist cruciale informatie is verstrekt. Het redelijk belang bij een

afschrift daarvan is (gezien uw verwijt dat geen informatie wordt verstrekt) zo evident, dat ik er geen woorden meer aan wijd.(…)”.

o. Bij brief van 10 april 2014 van de RC aan (de raadsman van) [eiser] (productie J conclusie van antwoord) laat de RC weten dat de inlichtingenplicht van de failliet door de wetgever ruim is opgezet en dat bij een natuurlijke persoon die plicht niet is beperkt tot de natuurlijke persoon als privépersoon dan wel als persoon handelend in het kader van een beroep of bedrijf noch als persoon handelend als direct of indirect bestuurder van een rechtspersoon of als aandeelhouder. De RC onderschrijft de opvatting van [gedaagde sub 1] dat [eiser] is gehouden inlichtingen te verstrekken die betrekking hebben op het vermogen van rechtspersonen waarbij [eiser] als bestuurder of aandeelhouder is betrokken.

p. Bij bericht van 11 april 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan Kramer, raadsman van [eiser] , voor zover van belang:

Inmiddels zult u kennis hebben genomen van de inhoud van het schrijven van de rechter-commissaris d.d. 10 april 2014 inzake het faillissement [eiser] .

Op grond van de inhoud van het schrijven verzoek ik u nogmaals uitdrukkelijk ervoor te zorgen dat de administratie van de vennootschappen waarbij de heer [eiser] betrokken is, en welke administratie zich onder u bevindt direct, dat wil zeggen uiterlijk maandag 14 april a.s. om 12.00 uur te mijnen kantore af te geven.

(…)

Ik denk dat de inhoud van het schrijven van de rechter-commissaris in veel opzichten aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.”.

q. Bij bericht van 13 mei 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan [eiser] , voor zover van belang:

In uw e-mailbericht van 9 mei jl. geeft u aan dat er complicaties zijn in verband met het opvragen van stukken bij ARAG. U hoeft niets anders te doen dan aan te geven hoe hoog de schade is die u geleden heeft. Die vraag wordt u al jaren gesteld. (…)

Tevens verzoek ik u mij een lijst ter hand te stellen van de inboedel waarvan gesteld wordt dat deze mevrouw [naam partner] in eigendom toebehoort. Het is voor mij van belang om inzage te krijgen in de goederen die de laatste jaren door u zijn aangeschaft en die volgens u aan mevrouw [naam partner] in eigendom zijn overgedragen.

Ten slotte verzoek ik u mij mede te delen met welke middelen de aanschafte goederen van de laatste jaren zijn voldaan.

Op korte termijn zal ik u een aantal vragen laten toekomen met betrekking tot de vennootschappen waarbij u betrokken bent.”

r. Bij nog een bericht van 13 mei 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan Kramer, voor zover van belang:

Hierbij verzoek ik u mij mede te delen waar de goederen die op 4 mei 2012 door toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder mr. Erik Snijders in beslag zijn genomen op het adres [adres 2] te [plaats 2] zich op dit moment bevinden.

Het is mij bekend dat uw cliënte, mevrouw [naam partner] , aanspraak maakt op deze inboedelgoederen. Desalniettemin is het voor mij van belang om te weten waar de goederen zich op dit moment bevinden.

Tevens verzoek ik u mij mede te delen of voor de opslag wordt betaald en zo ja door wie.

Ik ga er vanuit dat de goederen die vermeld worden in het proces-verbaal van de deurwaarder zich nog steeds in volle omvang en in dezelfde staat bevinden als waarin ze zijn afgeleverd.

Ik richt dit e-mailbericht tot u omdat ik mevrouw [naam partner] niet kan bereiken. Het is u bekend dat ik in overleg met de fraudeofficier tracht de betreffende inboedel op te sporen.”

s. Bij bericht van 21 mei 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan Kramer, raadsman van [eiser] , voor zover van belang:

Onderstaand treft u aan de bevindingen en vragen naar aanleiding van de inhoud van de ordners die u mij onlangs heeft aangeboden.

Primair merk ik op dat door de vennootschappen [naam bv 2] , [naam bv 1] en Beleggingsmaatschappij Jori B.V. slechts een zeer summier deel van de administratie ter beschikking is gesteld. Een diepgaand onderzoek heeft dan ook niet kunnen plaatsvinden.

Onderstaand treft u aan een aantal vragen in de diverse vennootschappen. Enkele vragen worden voorafgegaan door een korte opmerking, zijnde een bevinding bij het onderzoek. U kunt constateren dat bepaalde vragen uit meerdere onderdelen bestaan.

Vragen in [naam bv 1] :

1) Er bevinden zich 2 “definitieve”-cijfers 2010 in het dossier. In één stuk wordt over een bedrag van € 572.000,- aan onderhanden werken aangetroffen en verantwoord in de balans, in een ander exemplaar staat dat de onderhanden werken nihil zijn. Het bedrag van € 572.000,- wordt geheel ten laste van het resultaat gebracht. Vervolgens wordt een tegenboeking gemaakt, zodat het resultaat van beide balansen gelijk blijft. De tegenboeking wordt “verrekend” met de rekening-courantverhouding [naam bv 3] / IREC. (Dit is de gefailleerde [eiser] in privé.) Graag een uitgebreide toelichting en verklaring op deze bevinding.

2) Omdat de facturen inkoop, verkoop, alsmede de bank- en memoriaalstukken 2012 ontbreken, verzoek ik de heer [eiser] deze alsnog te overhandigen.

3) In het dossier zit een werkbalans 2012 van [naam bv 1] . Deze werkbalans komt niet overeen met de publicatiestukken / vpb aangifte 2012. De aansluiting met de financiële administratie en de publicatiestukken is belangrijk, omdat er een aantal memoriaalboekingen zijn gemaakt. Graag hierop een toelichting.

4) In 2008 en 2009 worden beheerkosten en andere kosten van 2003 tot en met 2009 betaald aan [naam bv 3] / IREC. (Dit betreft dus de heer [eiser] in privé.) Het gaat om een bedrag van € 56.000,- exclusief BTW. Vervolgens wordt het btw bedrag direct weer overgeboekt naar de heer [eiser] .

Graag een toelichting op deze gang van zaken. Welke titel ligt aan deze verplichting ten grondslag?

5) Als er geld binnenkomt bij de vennootschap wordt dit direct doorgeboekt naar [eiser] privé. Inzage in het verloop van de rekening-courant wordt niet gegeven. Ook hier graag een toelichting op de gang van zaken alsmede bewijsstukken van de rekening-courantverhouding en het verloop daarvan.

6) Ik ontvang graag de grootboekkaarten inclusief de gemaakte journaalposten die via het memoriaal verwerkt zijn. Inzicht zal immers moeten worden gegeven in de onderliggende rekening-courantverhoudingen.

7) Kan de heer [eiser] aangeven wat er wordt verstaan onder de “omzetclaim ad

€ 185.000,-”?

8) In 2011 staat in de administratie van [naam bv 1] vermeld een schuld aan [naam bv 3] / IREC van € 189.528,-. Deze schuld is per 31 december 2012 nihil. Hoe komt de gehele afboeking van de rekening-courant tot stand?

9) Waarom worden in deze vennootschap achteraf alle projecten afgeboekt? Zijn alle projecten verkocht? Wat is er met de projecten / opbrengsten gebeurd?

10) In het dossier zit een tweetal overzichten onderhanden werken per 31 december 2010. Zoals hiervoren reeds aangegeven treffen we één overzicht aan waar de stand per

31 december 2010 € 572.972,- bedraagt, terwijl bij een ander overzicht de stand nihil is. Het bedrag van de afboeking wordt geheel verrekend met [eiser] privé. Betekent dit dat [eiser] in privé de projecten heeft overgenomen? Wat is er concreet met de projecten gebeurd? Waar bevinden zich de administratieve bescheiden die bij deze projecten behoren?

11) Op het overzicht onderhanden werken wordt aangegeven dat er kosten op het project hebben plaatsgevonden en dat er ook gelden zijn ontvangen van een project. De facturen van deze kosten zijn niet in het dossier aanwezig. Tevens wordt op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt waar deze gelden van het project op worden ontvangen. Zijn deze gelden buiten de vennootschap ontvangen c.q. betaald?

12) Hoe werd per project omgegaan met kosten? Zijn er projectbegrotingen en hoe zijn deze in concreto tot uitvoering gekomen?

Vragen in Beleggingsmaatschappij Jori B.V.:

1) In Beleggingsmaatschappij Jori B.V. staat geen rekening-courant met [naam bv 1] . In de balans van [naam bv 1] staat wel een vordering op Jori B.V.. Deze schuld ontbreekt vervolgens in de balans van Beleggingsmaatschappij Jori B.V..

Graag een verklaring voor de hiervoren geschetste situatie.

2) De specificatie van de balans 2012 sluit niet aan met de publicatiebalans. Per 31 december 2011 was er bijvoorbeeld nog een “schuld aan gelieerde ondernemingen”. Vervolgens wordt op 1 januari 2012 een beginstand op geboekt van € 49.491,48.

Graag hierop een toelichting.

3) Ook in deze vennootschap worden in 2009 en 2010 veel facturen opgesteld voor werkzaamheden die [naam bv 3] / IREC factureert. Alle gelden worden in 2009 per bank overgeboekt naar [eiser] privé. De omschrijving luidt “r/c SBI en SDU en spoedbetaling [eiser] ”.

Kan de heer [eiser] een verklaring geven voor de constatering zoals die hiervoren is omschreven?

4) Er worden inkoopfacturen ontvangen van SBI en de gehele BTW wordt teruggevraagd. Zodra de BTW wordt ontvangen wordt dit bedrag direct overgeboekt naar SBI, terwijl de overige inkoopfacturen onbetaald blijven.

Ook hier graag een verklaring van de constatering.

5) Geconstateerd wordt dat er twee verschillende balansen 2010 zijn met verschillende saldi op de balans. Ook het aangegeven resultaat verschilt. Niet duidelijk is welke de juiste balans is.

Graag een verklaring voor het bestaan van deze twee verschillende balansen, aangeven welke de juiste balans is en waarom er twee balansen 2010 zijn gemaakt.

6) Ook voor deze vennootschap dient het verloop van de rekening-courantverhoudingen nader te worden aangetoond en toegelicht. De beginstand van de rekening-courant van Beleggingsmaatschappij Jori B.V. kent een saldo van € 582.289,23. In deze rekening-courantverhouding wordt tevens een deposito van € 325.000,- en een lening projecten van € 100.000,- nader verantwoord. In 2012 zijn deze bedragen geheel afgeboekt en als nihil verantwoord. Het is niet inzichtelijk waar deze bedragen naar zijn overgeboekt. Zijn deze afbetaald of geheel afgeboekt? Zo ja, wat is de tegenboeking?

7) Ook in deze vennootschap worden ontvangsten op de bank direct overgeboekt naar [eiser] privé. Welke juridische verplichting ligt hieraan ten grondslag en hoe wordt dit aangetoond?

Vragen in Beleggingsmaatschappij Jori B.V.:

1) In 2012 is voor een bedrag van € 55.815,- aan kosten verantwoord inzake borgstellingsprovisie. Wat is dit geweest en op welke lening heeft deze provisie betrekking? In 2011 wordt namelijk een financiering en een deposito overgeboekt naar een rekening-courant van een gelieerde onderneming SDU. Kosten blijven achter in deze vennootschap. Graag een toelichting op deze constatering.

2) In 2012 wordt voor een bedrag van € 138.000,- projectkosten opgevoerd, terwijl deze in het voorgaande jaar niet aanwezig waren. De kosten worden op geen enkele wijze onderbouwd door facturen of anderszins. In 2008 en 2009 worden ook projectkosten op geboekt, maar er wordt dan gelijk gebruik gemaakt van een afboeking van projecten (diverse baten en lasten). Graag een toelichting op de constatering respectievelijk de wijze van handelen.

3) Wie is de gelieerde vennootschap SDU en welke structuur is daaraan gekoppeld?

4) Op het overzicht van de onderhanden werken van Beleggingsmaatschappij Jori B.V. staan dezelfde projecten als op de balans van [naam bv 1] . Zijn er projecten dubbel verantwoord in twee verschillende vennootschappen? Hoe is de onderlinge verhouding tussen deze projecten respectievelijk op welke wijze zouden deze in de verschillende vennootschappen moeten worden beoordeeld?

Vragen in [naam bv 2] :

1) In de balans 2012 van [naam bv 2] is de deelneming van Beleggingsmaatschappij Jori B.V. niet correct. De verantwoording van deze deelneming in de balans is niet conform een 100% deelname in Beleggingsmaatschappij Jori B.V..

Graag hierop een toelichting.

2) De rekening-courantverhoudingen in deze vennootschap sluiten niet op elkaar aan.

Graag een toelichting op deze constatering.

3) Volgens de aangifte vennootschapsbelasting is de 25% aandeelhouder [naam broer] geen natuurlijk persoon. Als adres wordt aangegeven [adres 4] te [plaats 2] . Niet te herleiden is waarom de heer [naam broer] als aandeelhouder niet als natuurlijk persoon wordt aangemeld. Ook graag hierop een toelichting. Wie heeft deze aangifte gemaakt?

4) In de aangifte vennootschapsbelasting wordt aangegeven dat er geen schuld / vorderingen met de aandeelhouders bestaan. Dit is niet juist.

Graag een toelichting op deze foutieve aangifte.

5) Het verloop van de rekening-courantverhoudingen dient te worden aangetoond, toegelicht en duidelijk gemaakt. De beginstand van de rekening-courant Beleggingsmaatschappij Jori B.V. bedraagt € 258.289,23. In deze rekening-courantverhouding wordt tevens een deposito van € 325.000,- en een lening projecten van

€ 100.000,- nader verantwoord. In 2012 zijn deze bedragen vervolgens geheel afgeboekt en als nihil verantwoord. De vraag is waarom dit allemaal gebeurd is en waar deze bedragen naar zijn overgeboekt. Zijn de bedragen afbetaald of anderszins afgeboekt, zo ja: wat is deze tegenboeking en waarom is dit gebeurd?

6) Waarom worden de ontvangsten op de rekening van deze vennootschap direct overgeboekt naar [eiser] (curandus)? Al het geld wordt naar [eiser] overgeboekt terwijl hij geen 100% aandelenbelang heeft. Graag uitleg en toelichting.

7) Ik verzoek u de grootboekkaarten van deze vennootschap aan mij te overhandigen.

De hiervoren gestelde vragen zijn zeker niet uitputtend. Dit komt vanwege het feit dat ik maar een zeer summier deel van de administratie van de vennootschappen heb ontvangen.

Ik verzoek u ervoor zorg te dragen dat ik op zeer korte termijn de antwoorden op de gestelde vragen mag ontvangen.”.

t. Bij bericht van 20 juni 2014 (productie I conclusie van antwoord) bericht [gedaagde sub 1] aan [eiser] , voor zover van belang:

Vandaag heb ik een e-mail bericht ontvangen van mr. Kramer waarin hij aangeeft dat hij niet meer voor u als raadsman optreedt.

Bijgaand zend ik ter kennisname een afschrift van het e-mailbericht dat ik op 21 mei 2014 aan mr. Kramer had gestuurd. Daarop heb ik geen enkele reactie mogen ontvangen. Bij deze stel ik u gedurende één week in de gelegenheid om inhoudelijk de vragen te beantwoorden die ik in voormeld e-mailbericht heb neergelegd. Mocht u de vragen niet dan wel niet bevredigend beantwoorden dan zal ik mij weer in verbinding stellen met de Officier van Justitie en vragen in het openbaar belang de faillissementen van de vennootschappen uit te spreken waarbij u betrokken bent.

Tevens vraag ik uw aandacht voor het navolgende.

Op 20 februari 2006 heeft de heer mr. Kuijpers een brief aan u gestuurd met betrekking tot de inkomensschade die het gevolg zou zijn van het ongeval van 29 april 2005. Bijgaand treft u de betrekkende brief eveneens aan.

Op verzoek van Arag is vele malen gevraagd de stelling van de heer Kuijpers met bescheiden te onderbouwen. Dat is nooit gebeurd. Het is u bekend dat de kwestie van het ongeval komend jaar verjaart. Ik probeer met de wederpartij tot een financieel vergelijk te komen waarbij er nauwelijks enig bedrag zal worden uitbetaald omdat u volstrekt in gebreke bent gebleven informatie te verschaffen.

Ook hier geldt dat ik u thans nog één week in de gelegenheid stel de betreffende financiële onderbouwing te adstrueren middels overlegging van justificatoire bescheiden.

Doordat de kwestie van de inkomensschade door u niet naar behoren wordt afgehandeld schaadt u de faillissementsboedel enorm.

Voor de goede orde deel ik u mede dat ik in overleg met het Openbaar Ministerie zal treden om uw opsporing te bespoedigen. U geeft immers op geen enkele wijze aan van welke financiële middelen u leeft en waar u woonachtig bent. Ik hoef u niet nogmaals aan te tonen dat dit in strijd is met de wet.”.

u. De in juni 1949 geboren [eiser] heeft vanaf juli 2014 recht op AOW en pensioen. De betreffende (maandelijkse) uitkeringen worden op verzoek van [gedaagde sub 1] op de boedelrekening gestort. Omdat [eiser] meerdere malen nalaat (tijdig) zijn verblijfplaats aan de uitkerende instantie te verstrekken, worden de AOW en/of pensioenbetalingen meermaals gestaakt (productie k conclusie van antwoord).

v. [eiser] heeft bij verzoekschrift van 13 april 2016 opheffing verzocht van de (nog steeds) niet ten uitvoer gelegde verzekerde inbewaringstelling. Bij beschikking van 15 juli 2016 (productie N conclusie van antwoord) heeft deze rechtbank dit verzoek afgewezen en de verzekerde inbewaringstelling gehandhaafd. De rechtbank overwoog onder meer dat uit het dossier en ter zitting is gebleken dat [eiser] stelselmatig ernstig tekort is geschoten in zijn verplichting om de curator gedurende het faillissement te allen tijde spontaan of op eerste verzoek daartoe van de curator of van de rechter-commissaris, direct te informeren omtrent de aanwezige activa en de daarop betrekking hebbende bescheiden en gegevensdragers aan de curator ter beschikking te stellen en zo dikwijls – in persoon – voor de RC en de curator te verschijnen als hij daartoe wordt opgeroepen. Er bestaat, aldus de rechtbank, geen verplichting voor de curator of de RC om op voorhand te exposeren welke inlichtingen zij wensen en/of wat zij de failliet willen vragen.

w. Bij brief van 15 augustus 2016 (productie O conclusie van antwoord) deelt de RC [eiser] onder mee dat hij, de RC, de mening van de curator onderschrijft dat [eiser] verplicht is ook inlichtingen te verschaffen die betrekking hebben op het vermogen van rechtspersonen waarbij [eiser] als bestuurder dan wel als aandeelhouder is betrokken. De RC deelt verder mee dat de curator nooit de beschikking heeft gekregen over de privé-administratie van Smeet, noch over de volledige administratie van de vennootschappen waarbij hij betrokken is.

x. Blijkens de aantekening mondeling vonnis (productie 12 dagvaarding) is [eiser] bij vonnis van 15 september 2016 door de politierechter vrijgesproken.

y. Bij beschikking van 8 oktober 2019 (productie 2 dagvaarding) beveelt de Rb Limburg de opheffing van het faillissement van [eiser] omdat de toestand van de boedel als bedoeld in art. 16 Fw daartoe aanleiding geeft.

3 Het geschil

3.1.1

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de curatoren aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat;
II. de curatoren veroordeelt in de kosten die gemaakt zijn ter zake van het krijgen van een beschikking tot het leggen van een conservatoir bewijsbeslag;
III. de curatoren hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding.

3.1.2

Volgens [eiser] hebben de curatoren onrechtmatig gehandeld omdat zij de RC en rechtbank onjuist en/of onvolledig hebben geïnformeerd over relevante feiten. Meer in het bijzonder verwijt [eiser] dat:

a. [gedaagde sub 1] de RC in 2013 niet juist of niet volledig zou hebben geïnformeerd over de medische problemen van [eiser] , die volgens hem een overmachtssituatie schepten;

b. [gedaagde sub 1] in 2013 ten onrechte om het verhoor ex art. 66 Fw heeft gevraagd omdat [eiser] op 5 maart 2013 reeds alle benodigde informatie verstrekt zou hebben;

c. [gedaagde sub 1] ten onrechte heeft geweigerd om de door hem zelf gemaakte aantekeningen van de gesprekken op 9 januari 2013 en 5 maart 2013 te verstrekken;

d. [gedaagde sub 1] ten onrechte het gijzelingsbevel heeft uitgelokt omdat een dergelijke vergaande

prikkel tot nakoming van de inlichtingenplicht alleen gerechtvaardigd zou zijn als er ook

een concreet zicht zou zijn op benadeling van de boedel/gezamenlijke schuldeisers;

e. [gedaagde sub 1] eind 2015 en/of in begin 2016 betaling van € 15.000 heeft geëist als ‘tegenprestatie’ voor opheffing van het gijzelingsbevel en hij zou daarmee het gijzelingsbevel heeft gebruikt voor een oneigenlijk doel;

f. [gedaagde sub 1] ten onrechte strafvervolging heeft gevraagd, waarbij volgens [eiser] uit zijn vrijspraak zou volgen dat de aangifte ten onrechte was;

g. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] opzettelijk onjuistheden heeft/hebben vermeld in de faillissementsverslagen ter zake van de oorzaak van het faillissement en de omvang van het actief;

h. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] ten onrechte een vtlb (Rb: berekening vrij te laten bedrag) aan [eiser] heeft/hebben onthouden. De door [eiser] in december 2018 zelf opgestelde verklaring zou daarbij ten onrechte genegeerd zijn;

i. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] het faillissement te lang heeft/hebben laten duren.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 2] verder dat hij het onrechtmatige beleid van [gedaagde sub 1] heeft voortgezet.

3.2

De curatoren betwisten dat zij de RC onjuist of onvolledig hebben voorgelicht. Hun handelingen, zo stellen zij, zijn telkens op goede gronden verricht. Er zijn geen feiten waaruit valt te concluderen dat zij enige handeling hebben verricht, wetende dan wel redelijkerwijze wetende dat hij/zij het onjuiste van die handeling hebben ingezien of hebben moeten inzien.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het dossier en met inachtneming van de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten, geen reden om enige partij ambtshalve te gelasten stukken in het geding te brengen.

4.2

Anders dan [eiser] meent, staat niet op grond van het incidenteel vonnis van

13 mei 2020 (voorshands) vast dat de curatoren onrechtmatig zouden hebben gehandeld. Ten eerste is de rechtbank in de bodem niet gebonden aan (feitelijke) kwalificaties in een incidenteel vonnis (vgl. HR 30 juni 1989, NJ 1990/382). Ten tweede betreft de maatstaf aan de hand waarvan in het incident aannemelijk is geoordeeld dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen [eiser] en de curatoren, een andere maatstaf dan aan de hand waarvan nu in de bodem de vraag moet worden beantwoord of de curatoren onrechtmatig hebben gehandeld.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat de (ex-)faillissementscurator wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk kan zijn jegens, in dit geval, derden als de failliet [eiser] . Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Hierbij dient bij de toepassing van de norm van het Maclou-arrest, die ziet op persoonlijke aansprakelijkheid van de curator wegens een onjuiste taakuitoefening in een geval betreffende de hiervoor genoemde vrijheid voor de curator, de rechter de vraag te beantwoorden of, uitgaande van bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past, zoals uit de norm van het arrest naar haar aard volgt, terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien (HR 16 december 2011, NJ 2012, 515). De hiervoor gebruikte woorden “een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen” geven een zekere objectivering. Zo is bijvoorbeeld het antwoord op de vraag of de curator ‘voldoende ervaring heeft” niet van belang. Er moet van worden uitgegaan dat hij voldoende ervaring heeft.

4.4

De rechtbank zal hierna vaststellen welke van de hiervoor onder 3.1.2 vermelde verwijten a tot en met i al dan niet feitelijk vaststaan. Hierbij merkt de rechtbank op dat deze verwijten door de curatoren op deze wijze zijn verwoord onder 3.1 van hun conclusie van antwoord. [eiser] heeft in zijn repliek niet vermeld dat de wijze waarop de curatoren de verwijten die [eiser] de curatoren maakt, onjuist is. Nu partijen de inhoud van het debat bepalen, worden hierna beoordeeld de verwijten zoals de curatoren die kennelijk juist hebben verwoord. Een vaststaand feit zal vervolgens worden getoetst aan de onder 4.3 genoemde maatstaf.

4.5

Het in rov. 3.1.2 sub a vermelde verwijt is feitelijk onjuist, alleen al omdat in elk geval tot en met 29 juli 2013 een medische verklaring inhoudende dat [eiser] wegens ziekte, welke dan ook, in de periode tussen het verhoor en 29 juli 2013 niet in staat was zijn belofte na te komen, ontbrak. Een behoorlijke onderbouwing aan de hand van een doktersverklaring is alleszins nodig, voordat een curator een RC over de gezondheidssituatie van een failliet moet informeren. Het was aan [eiser] om een dergelijke verklaring tijdig aan [gedaagde sub 1] en/of RC te doen toekomen, en dat wist hij ook omdat al in het verslag van het gesprek van 9 januari 2013 (rov. 2 sub b) is vermeld dat [eiser] een medische verklaring omtrent zijn gezondheidssituatie aan [gedaagde sub 1] zal verstrekken. Voor zover al aannemelijk is dat een [eiser] behandelend arts hem desgevraagd niet een voldoende duidelijke verklaring omtrent zijn slechte gezondheid wil verstrekken, komt dat voor zijn risico.

Verder schrijft [gedaagde sub 1] in zijn brief aan de RC van 1 juli 2013 (rov. 2 sub e) onder meer dat als bijlage bij zijn brief is gevoegd een e-mailbericht van 18 juni 2013 van mr. Loonen (rov. 2 sub d). In dat e-mailbericht laat mr. Loonen [gedaagde sub 1] weten dat [eiser] hem, Loonen, heeft verteld dat bij [eiser] een retina-loslating is geconstateerd. In het midden kan blijven of de RC al dan niet kennis heeft genomen (of kunnen nemen) van het gespreksverslag van 9 januari 2013, voor zover daarin een en ander is vermeld over de gezondheidssituatie van [eiser] . Terzijde merkt de rechtbank nog op dat in het proces-verbaal van verhoor van [eiser] door de RC van 29 mei 2013 (rov. 2 sub c) [eiser] kennelijk zelf zijn gezondheidssituatie niet heeft genoemd als enig excuus. Het is niet erg aannemelijk dat [eiser] , of de advocaat die hem bij dat verhoor bijstond, niets zou hebben gezegd over zijn gezondheidssituatie indien dit relevant zou zijn geweest. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de informatie voor zover betrekking hebbende op de gezondheid van [eiser] in de brief van 19 december 2013 (rov. 2 sub j) wel enig inzicht biedt, maar te algemeen van aard is om te verwachten dat de curator daar beleid op kan maken wat het dossier [eiser] betreft.

Het onder sub a genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.6

Het onder 3.1.2 sub b vermelde verwijt is feitelijk onjuist. [eiser] heeft immers in zijn verhoor door de RC op 29 mei 2013 (rov. 2.1 sub c) onder meer verklaard: “Ik ben doende de cijfers af te ronden. De heer [naam financieel adviseur] is doende de cijfers aan u, curator, te verstrekken. Half juni zult u, curator, van mij de cijfers tot en met 2012 ontvangen. Er bestaat een rekening-courantverhouding tussen [eiser] Beheer en de BV’s; wat het saldo daar van is, zou ik moeten nakijken.” Hieruit blijkt dat zelfs op de dag van het verhoor [eiser] nog niet alle informatie had verstrekt. Op de dag van de gijzelingsbeschikking van 29 juli 2013 had hij deze informatie nog steeds niet verstrekt.

Het onder sub b genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.7

Terzake het onder 3.1.2 sub c gemaakte verwijt heeft te gelden dat zelfs als er een rechtsplicht voor [gedaagde sub 1] zou bestaan om zijn gespreksaantekeningen aan [eiser] te verstrekken, dit inmiddels is gebeurd. Zonder toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat [eiser] welke schade dan ook heeft geleden omdat die aantekeningen niet met bekwame spoed zijn afgegeven.

Het onder sub c genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.8

Het in 3.1.2 sub d gemaakte verwijt berust op de volgens [eiser] bestaande regel dat een gijzelingsbevel gestoeld op de stelling dat de inlichtingenplicht niet (voldoende) is nagekomen, alleen mag worden uitgelokt indien een concreet zicht bestaat op benadeling van de boedel/gezamenlijke schuldeisers. Een dergelijke regel kent het recht niet, zodat alleen al daarom dit verwijt geen grond kan vormen voor toewijzing van de vordering.

4.9

Het onder 3.1.2 sub e gemaakte verwijt berust op onjuiste uitleg van de inhoud van gevoerd overleg tussen [gedaagde sub 1] en de toenmalige advocaat van [eiser] . Het kan immers niet anders dan dat gelet op de hoedanigheid van de overlegpartners (curator enerzijds en advocaat [eiser] anderzijds) mogelijke akkoordbedragen zijn besproken, waarbij vanzelfsprekend is dat een akkoord een einde zou maken aan het gijzelingsbevel. Zonder een andersluidende schriftelijke verklaring van de toenmalige advocaat van [eiser] , die niet is gegeven, moet het immers voor onwaarschijnlijk worden gehouden dat een advocaat een mededeling van een curator dat na betaling van € 15.000,- gijzeling niet meer nodig was terwijl het faillissement zou blijven gehandhaafd, over zijn kant zou laten gaan. Indien dit gesprek zo zou zijn gevoerd, zou een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat immers terstond bij de RC een klacht hebben ingediend. Van een dergelijke klacht is in dit geding niet gebleken.

Het onder sub e genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.10

Het onder sub f in 3.1.2 geformuleerde verwijt vindt geen steun in het recht. Een vrijspraak brengt namelijk niet mee dat de aangever van het feit dus een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Los van het vorenstaande heeft [gedaagde sub 1] blijkens de hiervoor onder rov. 2 sub k weergegeven proces-verbaal aangifte gedaan van het feit dat [eiser] niet heeft voldaan aan de vordering van [gedaagde sub 1] om de volledige administratie, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te overhandigen en dat de verklaring van [eiser] dat hij niet aan deze vordering kan voldoen omdat die administratie verdwenen zou zijn bij zijn uitzetting uit de woning [adres 2] te [plaats 2] , niet aannemelijk achtte. Uit de verklaring van [eiser] zelf dat hij niet aan de vordering van de curator kon voldoen omdat de administratie zou zijn verdwenen, volgt dat de feitelijke aangifte van [gedaagde sub 1] juist was: [eiser] heeft niet aan de betreffende vordering van [gedaagde sub 1] voldaan. De aangifte is wat dat betreft dus feitelijk juist. Het is vervolgens aan de politie om uit te zoeken of juist was de verklaring van [eiser] dat zijn administratie was verdwenen bij de uitzetting. [gedaagde sub 1] heeft die verklaring van [eiser] niet verzwegen bij zijn aangifte. Het valt dus niet in te zien dat ten onrechte aangifte is gedaan, zodat ook om die reden het onder 3.1.2 sub f geformuleerde verwijt geen grond kan vormen voor toewijzing van de vordering.

4.11.1

De rechtbank is het met de curatoren eens dat het in rov. 3.1.2 sub g vermelde verwijt onvoldoende feitelijk is toegelicht en onderbouwd. Niet voldoende duidelijk is op welke onjuistheden [eiser] het oog heeft noch welke mogelijke schade die beweerdelijke onjuistheden mogelijk hebben veroorzaakt.

4.11.2

Voor zover [eiser] met het verwijt sub g wil stellen dat [gedaagde sub 1] telkens in de verslaglegging ten onrechte heeft vermeld dat [eiser] in privé baten heeft gehad uit een vastgoedtransactie, heeft [eiser] dit niet voorzien van duidelijke en voor niet misverstand vatbare verwijzingen naar passages in die verslaglegging. Aldus faalt dit verwijt bij gebreke van voldoende duidelijke onderbouwing. Het is niet aan de rechtbank om die verslaglegging, voor zover al duidelijk is welke [eiser] bedoelt, door te spitten.

4.11.3

Voor zover [eiser] met het verwijt sub g wil stellen dat [gedaagde sub 1] ten onrecht kenbaar heeft gemaakt dat [eiser] zou beschikken over niet opgegeven buitenlandse bankrekeningen, waarnaar onderzoek moet worden gedaan, lijkt de feitelijke stelling juist te zijn. In nr. 3.22 conclusie van dupliek (pag. 17) is immers vermeld “uit het feit dat de curatoren uiteindelijk geen buitenlandse vermogensbestanddelen hebben aangetroffen …”. Nu “bankrekeningen in het buitenland” vallen binnen het bereik van de woorden “buitenlandse vermogensbestanddelen” gaat de rechtbank ervan uit dat de curatoren niet betwisten dat in de faillissementsverslaglegging is vermeld dat [eiser] beschikte over niet opgegeven buitenlandse bankrekeningen of mededelingen van gelijksoortige inhoud. Het is evident dat een curator daar nader onderzoek naar wil doen. Bezien in de context van het feit dat [eiser] betrokken is bij een drietal rechtspersonen en naar eigen zeggen in Frankijk een geschil heeft lopen waarin hij schadevergoeding claimt, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat en waarom een dergelijke mededeling en de aankondiging van een dergelijk onderzoek onrechtmatig is.

Het onder sub g genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.12

Het onder 3.1.2 sub h genoemde verwijt mist juridische grondslag. De curator heeft geen wettelijke verplichtingen terzake de vtlb. Voor zover [eiser] met dit verwijt ook heeft willen zeggen dat zijn AOW-uitkering door [gedaagde sub 1] af en toe is geblokkeerd, is dit verwijt feitelijk niet onderbouwd. Het enige betrouwbare stuk in deze is de door de curatoren overgelegde brief van de SVB van 16 juni 2016 (productie k conclusie van antwoord) waarin is vermeld dat [eiser] geen pensioen krijgt omdat de SVB twijfelt of de AOW rechtmatig wordt betaald. [eiser] staat, aldus die brief, niet ingeschreven bij de Basis Registratie Personen, de SVB weet niet waar [eiser] op 16 juni 2016 woont en of hij nog in leven is en dat hij, zolang hij zich niet meldt bij een SVB kantoor, geen AOW krijgt conform art. 19b van de Algemene Ouderdomswet.

Het onder sub h genoemde verwijt vormt dus geen grond aan de hand waarvan de vordering kan worden toegewezen.

4.13

[eiser] heeft vanaf 8 januari 2013 tot 8 oktober 2019 in staat van faillissement verkeerd. Dat is zonder meer onwenselijk lang voor een natuurlijke persoon. Een deel, zo niet het overgrote deel, van deze periode van 81 maanden is echter veroorzaakt door [eiser] zelf. [eiser] heeft immers bij de bespreking van 9 januari 2013 met [gedaagde sub 1] “(…) afgesproken dat u (noot Rb: [eiser] ) mij (noot Rb: [gedaagde sub 1] ) de navolgende bescheiden zo spoedig mogelijk ter hand stelt:

1. Het volledige dossier [naam zwager] , derhalve inclusief processtukken;

2. Het volledig dossier Van Lanschot, inclusief processtukken Rechtbank Amsterdam;

3. Dossier ARAG betreffende claim Franse verzekeringsmaatschappij naar aanleiding van het u

overkomen ongeval in 2005;

4. Medische verklaring omtrent uw gezondheidssituatie;

5. Leasecontract met betrekking tot de BMW X3, bouwjaar 2004, alsmede eventueel daaraan

gekoppelde correspondentie met de leasemaatschappij.

6. Tevens ontvang ik graag de jaarrekeningen van de drie besloten vennootschappen over de jaren 2009, 2010 en 2011, om mij een beeld te kunnen vormen van de besloten vennootschappen.

Pas tussen 12 maart 2013 (zie rov. 2 sub m) en 13 mei 2014 (zie rov. 2 sub n) heeft [eiser] aan [gedaagde sub 1] 7 ordners “administratieve bescheiden” verstrekt. Conform de wet opgemaakte jaarrekeningen van de drie B.V.’s over de jaren 2009 tot en met 2011 zijn nooit door [eiser] verstrekt. Een genoegzame medische verklaring is voor 2019 nooit verstrekt. Nadat [gedaagde sub 1] eindelijk de 7 ordners ontving, kon hij meer en concretere vragen stellen. Dat heeft [gedaagde sub 1] ook gedaan bij brief van 13 mei 2014 (rov. 2 sub r). Gesteld noch gebleken is dat [eiser] die vragen met bekwame spoed en volledig heeft beantwoord. Verder heeft [eiser] zich onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het bevel verzekerde bewaring, hetgeen vanzelfsprekend tot vertraging heeft geleid omdat hij door die onttrekking niet rechtstreeks door [gedaagde sub 1] kon worden ondervraagd. Voor zover [eiser] een en ander via zijn advocaat wilde afhandelen, brengt dat een door hem zelf veroorzaakte ernstige vertraging met zich, omdat antwoorden weer nieuwe vragen opwerpen en ook die weer via de advocaat van [eiser] aan [eiser] moesten worden voorgelegd. Daarnaast was het zelfs nog nodig dat de RC (de raadsman van) [eiser] bij brief van 10 april 2014 (rov. 2 sub n) moest wijzen op zijn verplichtingen. Verder is [eiser] in die periode van 81 maanden niet telkens meteen voor de curator aanspreekbaar geweest. Hij heeft immers niet altijd en terstond de curator het feitelijke adres laten weten waarop hij bereikbaar was (zie ook rov. 2 sub t).

Gelet op al deze verwikkelingen is het aan [eiser] om duidelijk en concreet aan te duiden hoeveel en welke maanden van die 81 maanden zijn veroorzaakt door onvoldoende voortvarend handelen van de curatoren. Die duidelijkheid heeft [eiser] niet verstrekt omdat hij enkel stelt dat het faillissement onrechtmatig lang heeft geduurd. Alleen al omdat niet vast te stellen is hoeveel maanden van die 81 zijn veroorzaakt door het (ontwijkende) gedrag van [eiser] , kan het in rov. 3.1.2 sub i vermelde verwijt geen grondslag vormen voor toewijzing van de vordering.

4.14

Nu alle verwijten falen, faalt ook het verwijt dat [gedaagde sub 2] het beleid van [gedaagde sub 1] heeft voortgezet.

4.15

Voor zover [eiser] heeft willen klagen dat de RC op grond van onvolledige en/of onjuiste door [gedaagde sub 1] gegeven informatie zijn voordracht tot inbewaringstelling heeft gedaan, faalt deze klacht. [eiser] heeft namelijk niet voldaan aan zijn tijdens het faillissementsverhoor gedane toezegging om binnen acht weken na 29 mei 2013 [gedaagde sub 1] stukken aan te reiken omtrent de onderbouwing van zijn schade. Een voldoende onderbouwde en inzichtelijke andere reden dan zijn ziekte, die dus in elk geval tot en met 29 juli 2013 niet voldoende is onderbouwd, is niet gegeven. De RC heeft dus niet op grond van onjuiste informatie zijn voordracht tot inbewaringstelling gedaan.

4.16

Voor zover [eiser] [gedaagde sub 1] nog heeft willen verwijten dat hij [eiser] heeft verboden contact te zoeken met de RC, faalt dat verwijt omdat een curator niet in staat is om een failliet te verbieden contact te zoeken met de RC noch om dat contact te blokkeren. Van iemand als [eiser] , regelmatig bijgestaan door een advocaat, mag worden verwacht dat hij dit weet. Het ontgaat de rechtbank overigens hoe [gedaagde sub 1] zou kunnen voorkomen dat een door [eiser] aan de RC gerichte en geschreven brief die RC bereikt.

4.17

Voor zover [gedaagde sub 1] de RC niet heeft meegedeeld dat [eiser] is vrijgesproken, valt dit verzwijgen niet als onrechtmatig aan te merken. De aangifte van [gedaagde sub 1] is kennelijk gevolgd door een onderzoek door de politie, waarna het OM heeft beslist tot dagvaarding van [eiser] . Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] van een en ander op de hoogte is geweest en op de zitting van de politierechter aanwezig is geweest. Ervan uitgaande dat [gedaagde sub 1] ongeveer een maand na de vrijspraak in september 2016 van die vrijspraak op de hoogte is geraakt (zie 5.13 conclusie van antwoord) was het niet aan hem om dit mee te delen aan de RC. In een dergelijk geval mag een curator menen dat de direct betrokkene, [eiser] dus, de RC op de hoogte heeft gesteld van de vrijspraak. Nu is gesteld noch gebleken dat [gedaagde sub 1] op de terechtzitting aanwezig is geweest waarop de tenlastelegging is behandeld, heeft hij ook geen weet van de gronden waarop die vrijspraak berust. De aantekening mondeling vonnis vermeldt niet meer dan “vrijspraak”. Indien [eiser] van mening was dat de vrijspraak berustte op gronden die relevant waren voor het nog steeds uitgevaardigde bevel verzekerde bewaring, had hij dit de curator en/of de RC moeten meedelen.

4.18

Op grond van al het vorenstaande zal de vordering worden afgewezen met veroordeling van [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure. De kosten van de curatoren worden vastgesteld op € 304,- aan griffierecht en € 1.126,- (2 punten tarief II) voor salaris advocaat. Nakosten en wettelijke rente worden toegewezen zoals is gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, voor zover gerezen aan de zijde van de curatoren begroot op € 1.430,-, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf zeven dagen na de dag van deze uitspraak;

5.3

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.