Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4504

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
ROE 21/1168 en ROE 21/1169
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bestemmingsplan voor ‘Worstenhemel’: plateau boven een snackbar. Verhuurder van nabijgelegen pand kan alleen opkomen voor eigen belang in zin van verhuurbaarheid van het pand en niet voor belang van huurder. Afname zichtbaarheid van het pand (en daarmee van verhuurbaarheid) niet onevenredig. Niet aannemelijk dat het plateau voor overlast zal zorgen met negatieve effecten op verhuurbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 21/1169 en ROE 21/1168

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Karioka II B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. C.F.J.M. Nelemans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.L. Devoi).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Gemeente Heerlen, te Heerlen, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een openbaar podiumterras/ openbare zitplek boven een snackbar aan de Bongerd 2a te Heerlen.

In het besluit van 18 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom, zoals reeds met partijen ter zitting besproken, op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op 11 september 2020 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor de realisatie van de zogenoemde ‘Worstenhemel’: een plateau/podium dat boven de huidige snackbar ‘de smulbar’ wordt gebouwd (hierna: het bouwplan) op het plein De Bongerd. Het podium staat constructief los van de ondergelegen smulbar, is toegankelijk via een buitentrap en wordt door verweerder gezien als een uitbreiding van de publieke ruimte. In de bijlage bij deze uitspraak zijn een impressie en gevelaanzichten van het bouwplan opgenomen, zoals weergegeven op de bij het bestreden besluit gevoegde bijlage.

2. Eiseres is eigenaresse van de gebouwen gelegen aan de Bongerd [nrs. *] en Geleenstraat [nrs. *] te Heerlen. Een gedeelte van het gebouw aan de Bongerd [nrs. *] is verhuurd aan [bedrijfsnaam 1] die hier een kledingwinkel onder de naam [bedrijfsnaam 2] exploiteert. [bedrijfsnaam 1] heeft als gevolg van het bouwplan onder voorwaarden de huur opgezegd, omdat zij evenals eiseres van mening is dat door het bouwplan het pand aan de Bongerd [nrs. *] (nog meer dan thans al het geval is vanwege onder meer de smulbar) onzichtbaar wordt. De huurovereenkomst zal toch worden verlengd indien de smulbar zal worden verwijderd en er in de toekomst geen nieuwe kramen, stallingen, podia, fietsenrekken, prullenbakken of andere bouwwerken geplaatst worden in een door [bedrijfsnaam 1] aangegeven zone.

3. Het bouwplan heeft op grond van het vigerende bestemmingsplan “City-West”, vastgesteld op 12 januari 1993 en goedgekeurd op 24 augustus 1993 (hierna: bestemmingsplan) de bestemming ‘Voetgangersgebied of plein en/of Centrumvoorzieningen’. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het bouwen van een bouwwerk, als opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

4. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit aangevuld door de omgevingsvergunning ook te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 4, bijlage II, onder 3, van het Besluit omgevingsrecht. Hiertoe stelt verweerder zich, anders dan in het primaire besluit, op het standpunt dat het bouwplan geen gebouw is maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Dat betekent dat het bouwplan in strijd is met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan, omdat in artikel 17, vijfde lid van het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 2,50 meter is voorgeschreven voor bouwwerken geen gebouwen zijnde, terwijl het bouwwerk een totale hoogte heeft van 8,70 meter.

Verweerder heeft de afwijking van het bestemmingsplan als volgt gemotiveerd. Het huidige voorkomen van de ‘smulbar’ doet volgens verweerder geen recht aan de vanuit economisch en belevingsperspectief prominente rol die het inneemt op het plein, aangezien het functioneel is vormgegeven en als zodanig een anoniem voorkomen heeft met een lage beeldkwaliteitswaarde. Door het bouwplan wordt de beeldkwaliteit opgewaardeerd en wint het aan kracht en betekenis, waarmee het een sterkere verankering krijgt met haar omgeving, aldus verweerder. Het bouwplan is volgens verweerder passend bij de aard van de bestemming, omdat het een uitbreiding van de publieke ruimte is en een plek om te verblijven met een uniek uitzicht op de Bongerd en de Promenade. Het bouwwerk is (voor personen) vrij toegankelijk en zal dienst doen als markante ontmoetingsplek in het midden van het stadscentrum. Vanwege het vrijstaande karakter van het bouwplan is het vanuit alle richtingen goed zichtbaar, waardoor het bijdraagt aan de uitstraling en de beleving in/van de openbare ruimte. Door de hoogte van het bouwwerk krijgt het geheel een meer gepaste definiëring te midden van de omliggende bebouwing. De hoogteoverschrijding is weliswaar behoorlijk, maar vanwege de ligging in het openbare gebied met ruime afstand tot de omliggende bebouwing, is mogelijke overlast (bijvoorbeeld schaduwwerking) slechts gering volgens verweerder. Het bouwwerk refereert als het ware aan de tweelaagse paviljoens op de Promenade. Het bouwplan heeft volgens verweerder de kracht om tot een belangrijke centrale ontmoetingsplek uit te groeien waar de typische Heerlense stadssfeer optimaal beleefd kan worden. Ook levert het bouwplan volgens verweerder een bijdrage aan de in de Structuurvisie Heerlen 2035 opgenomen transitieopgave, te weten het aantrekkelijk houden van Heerlen Centrum als winkel- en cultuurcentrum, ontmoetingsplek, plek om te ondernemen en te wonen, omdat het bouwplan in het teken staat van het verbinden en aanwakkeren van de verleiding om combinaties te maken van deze plekken. Het bouwplan draagt volgens verweerder tevens bij aan de in het ontwikkelprogramma Urban Experience genoemde ambities verbetering verblijfskwaliteit en uitstraling gevels.

Omvang beoordeling

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat alleen eiseres, als eigenaresse van het pand gelegen aan de Bongerd [nrs. *] , beroep heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft gedaan en dat de huurder geen beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat voor zover eiseres opkomt voor de belangen van de huurder van het pand, zijnde [bedrijfsnaam 1] , deze niet ter beoordeling voorliggen en het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. Het gestelde dat minder zichtbaarheid minder bezoekers van de huidige winkel betekent en dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de 35 arbeidsplaatsen die [bedrijfsnaam 2] biedt, ziet als zodanig niet op het belang van eiseres als verhuurder en daarop wordt in deze uitspraak inhoudelijk dan ook niet ingegaan. Voor zover eiseres het voorgaande stelt ter onderbouwing van haar betoog dat de verhuurbaarheid van het pand afneemt door het bouwplan (c.q. door vermindering van de zichtbaarheid van haar pand als gevolg van het bouwplan), wordt dit hierna wel besproken.

Ook hetgeen eiseres stelt over het ontnomen zicht op het monumentale pand van apotheek [-] ligt, voor zover eiseres daarmee beoogt op te komen voor de belangen van de eigenaar of gebruiker van dat pand, niet ter beoordeling voor, nu eiseres niet de eigenaresse van dat pand is en zij bij de zichtbaarheid van dat pand ook anderszins geen eigen belang heeft.

Belangenafweging

6. Eiseres vreest dat de verhuurbaarheid van haar pand aan de Bongerd [nrs. *] minder wordt, omdat haar pand door het bouwplan voor een groot deel vanuit de directe omgeving (de Promenade, Saroleastraat en het plein De Bongerd) niet meer zichtbaar zal zijn. Het is volgens eiseres onjuist dat de transparante staalconstructie het zicht op de aangrenzende bebouwing niet wegneemt, omdat verweerder vergeten is het dak hierbij te betrekken. De huurster heeft vanwege beperking van de zichtbaarheid een beëindigingsmogelijkheid van de huurovereenkomst bedongen voor het geval de Worstenhemel wordt gebouwd. Daar komt bij dat eiseres ruim 3 miljoen euro heeft geïnvesteerd in renovatie van de winkelruimte. Haar belang wordt dus geschonden door realisatie van het bouwplan. Daarbij trekt eiseres het belang van de Worstenhemel in twijfel. Het toevoegen van een plateau boven een snackbar draagt volgens eiseres niet bij aan de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Eiseres verwijst hiertoe naar het Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) en de Omgevingsverordening 2014, waarin staat dat bij nieuwe ontwikkelingen leegstaande cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen zoveel mogelijk worden benut. Verweerder heeft ten onrechte het belang van het monumentale pand van de apotheek [-] dat leeg staat en dat door de opbouw aan het zicht wordt onttrokken genegeerd. Tevens is het bestreden besluit volgens eiseres innerlijk tegenstrijdig, omdat als de inzet van het IBA project gevelverbetering is, dit haaks staat op het onttrekken aan het zicht van de gevels van apotheek [-] en het pand van eiseres. Een plateau boven een snackbar heeft met gevelverbetering niets te maken. Ook verwijst eiseres naar de Beleidsnotitie “Urban Bidhoek Heerlen” en stelt zich op het standpunt dat het plaatsen van het plateau niets van doen heeft met het toevoegen van groen en water en zeker niet met smart leisure. Ook heeft het plateau niet het effect dat de gevels van het plein zich niet meer erg afkeren. Ten slotte stelt eiseres in het kader van de belangenafweging dat niet valt in te zien op welke wijze het plateau een bijdrage kan leveren aan wat in de Kadernota “Sjoeën Heële” wordt beoogd, namelijk om de middeleeuwen, de Romeinse tijd en de mijnbouw samen te laten komen en daarbij blijft onduidelijk hoe de trots en identiteit van de stad zich met een plateau op een snackbar verhouden.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de door hem ingebrachte foto’s blijkt dat het bouwplan het zicht op het pand van eiseres niet onevenredig wegneemt, omdat het zicht op het pand vanaf de Bongerd en vanuit de verschillende aanlooproutes richting de Bongerd voldoende blijft. Slechts vanuit bepaalde gezichtspunten wordt het zicht deels ontnomen. Door de keuze van een slanke transparante staalconstructie wordt echter ook vanuit die gezichtspunten voorkomen dat het zicht op de omliggende gevels geheel wordt ontnomen. Verweerder is bovendien van mening dat het oog van voorbijgangers, door het unieke en opvallende ontwerp van het bouwwerk, juist meer richting het pand van (onder andere) eiseres wordt getrokken dan nu het geval is. Ter zitting heeft verweerder ook aangegeven dat de zichtbaarheid beter wordt doordat mensen die op het podium zelf staan, het pand beter kunnen zien. De bedoeling van het podium is juist dat mensen daar op gaan staan en op die manier de omgeving vanuit een ander gezichtspunt kunnen zien.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt over de belangenafweging.

8.1.

De beslissing om de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet te verlenen, is een bevoegdheid van verweerder. Verweerder heeft daarbij beleidsruimte: de ruimte om binnen de juridische kaders voor deze situatie een belangenafweging te maken. De voorzieningenrechter kan niet op de stoel van verweerder gaan zitten en kan slechts beoordelen of verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen.

8.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met de in het bestreden besluit gegeven belangenafweging in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de door hem overgelegde foto’s, waarop het podium is ingetekend, op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan het zicht op het pand van eiseres niet onevenredig wegneemt. Op deze foto’s is tevens het dak van het podium ingetekend. Ter zitting is op basis van beelden van Google Streetview geconstateerd dat het zicht op het pand van eiseres, en de daaraan aangebrachte gevelreclame, slechts vanuit een klein deel van het plein en de aanloopstraten de Promenade en Saroleastraat in beperkte mate zal worden ontnomen door het bouwplan. Daarbij is van belang de afstand en ligging van het bouwplan ten opzichte van het pand van eiseres en het feit dat het podium een (vrijwel) volledig open constructie heeft en voorzien wordt van een luifeldoek. Gelet hierop heeft verweerder aan de onder 4 genoemde belangen van de realisatie van het bouwwerk in redelijkheid meer waarde kunnen hechten dan aan het belang van eiseres om gevrijwaard te blijven van de (zeer) beperkte vermindering van de zichtbaarheid van haar pand. Verweerder heeft zich hierbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het toevoegen van een stuk openbare ruimte door het podium past binnen het in het POL 2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 aangewezen ‘Stedelijk centrum’, omdat accenten in dit gebied onder andere liggen bij de ontwikkeling van het centrum-stedelijk woonmilieu, bovenregionaal verzorgende centrumvoorzieningen en detailhandel en cultuurhistorie. Het bouwplan kan worden gezien als een “opwaardering” van het bestaande gebouw en is gelet op de aard van het bouwwerk niet een functie waarvoor eerst een leegstaand pand, zoals dat van de apotheek, zou moeten worden benut. Over de stelling van eiseres dat het toevoegen van een plateau boven een snackbar niet bijdraagt aan de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder moet beslissen over het bouwplan dat is aangevraagd. Dat eiseres het plateau niet mooi vindt en niet vindt passen in de omgeving geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet aanvaardbaar is. Smaken verschillen nu eenmaal en zoals onder 9 al gezegd, is het ook niet aan de voorzieningenrechter om te beoordelen of de Worstenhemel “mooi” is en een verbetering van het plein. Dat is in eerste instantie aan verweerder en de voorzieningenrechter kan die beoordeling door verweerder slechts op redelijkheid toetsen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het podium een verbetering is van de bestaande situatie. De enkele stelling van eiseres dat het bouwplan geen bijdrage levert aan diverse door eiseres genoemde beleidsuitgangspunten, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het bouwplan in strijd is met (dat) beleid en dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Het betoog slaagt niet.

Overlast

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bouwplan zal leiden tot een extra hangplek. Deze hangplek zal, evenals het geval is in het Maankwartier, overlast door hangjongeren tot gevolg hebben. Ook de Bongerd heeft nu al een openbare orde-probleem, hetgeen blijkt uit een artikel van 12 oktober 2018 in De Limburger waarin staat dat de Bongerd en de Promenade gebieden zijn waar hangjongeren samenkomen. Het feit dat het bouwplan extra hangplekruimte voor jongeren creëert, is volgens eiseres ten onrechte niet meegewogen. Een plateau boven een snackbar met aantrekkende werking voor hangjongeren draagt niet bij aan de in de Structuurvisie Heerlen 2035 opgenomen belangrijkste transitieopgave om het centrum van Heerlen als winkel- en cultuurcentrum, als ontmoetingsplek, als plek om te ondernemen en als woonplek aantrekkelijk te houden.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat vrees voor overlast onterecht is. Het betreft een goed zichtbare plek in het centrum van Heerlen waar veel sociale controle is en waar cameratoezicht is.

11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt over de vrees voor overlast. Voor zover eiseres zich beroept op verminderde verhuurbaarheid van haar pand als gevolg van de aanwezigheid van hangjongeren op de Worstenhemel, overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan voor dergelijke overlast en sociale verslechtering zal zorgen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de enkele verwijzing naar het 500 meter verderop gelegen Maankwartier waar kennelijk sprake is of is geweest van overlast, hiertoe onvoldoende is. Verder heeft het podium een open constructie, is het centraal gelegen en vanaf alle kanten zichtbaar, waardoor de sociale controle groot is. Tevens is ter zitting door verweerder onweersproken aangegeven dat er veel camera’s aanwezig zijn in het centrum, waaronder één die gericht is op het podium. Het betoog slaagt niet.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer aan de orde.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.

Bijlage:

Aanzichten nieuwe situatie en impressie ‘Worstenhemel’ (boven)

en aanzichten oude situatie ‘Smulbar’ (onder)