Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4446

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
C/03/278081 / FA RK 20-1806
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; artikel 1:401 lid 1 BW; wijziging van omstandigheden; samengesteld gezin; alimentatieplichtige onderhoudsplichtig voor eigen kind en stiefkinderen; verzoeken ex artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 30 april 2021

Zaaknummer: C/03/278081 / FA RK 20-1806

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw,

ten aanzien van de verzoeken omtrent de kinderalimentatie, in rechte vertegenwoordigd door:

[bewindvoerder] h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. A.M.A. Bouwens, kantoorhoudend te Urmond, gemeente Stein,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.B.E. Noijen, kantoorhoudend te Heerlen.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de door deze rechtbank gegeven en op
24 maart 2021 uitgesproken beschikking.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank kortheidshalve naar hetgeen ter zake is vermeld in de beschikking van 24 maart 2021.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van 9 februari 2011 van de rechtbank Maastricht (151338 / S RK 10-518) is – onder meer en voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 17 maart 2011 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    de thans nog minderjarige [minderjarige 1] (roepnaam: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ;

  • -

    de thans meerderjarige [naam 1] (roepnaam: [naam 1] ), geboren te [geboorteplaats 2] , op [geboortedatum 2] .

2.3.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] .

2.4.

[minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. [naam 1] is woonachtig bij de man.

2.5.

Bij voormelde beschikking van 9 februari 2011 is voorts een zorgregeling vastgesteld, op grond waarvan [minderjarige 1] bij de man zal verblijven:

  • -

    een weekeinde in de veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot maandagochtend voor school;

  • -

    gedurende een deel van de feestdagen en tijdens de vakanties gedurende langere aaneengesloten periodes, beide in onderling overleg te bepalen telkens voor het komende half jaar voor 1 april en 1 oktober.

2.6.

Nadien hebben partijen de onder 2.5. vermelde zorgregeling in onderling overleg nog gewijzigd c.q. uitgebreid, in die zin dat [minderjarige 1] ook iedere woensdag en de helft van de vakanties bij de man zou verblijven.

2.7.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 oktober 2014 (187243 / FA RK 14-160) is de voormelde beschikking van 9 februari 2011 waarbij (ook) een bijdrage werd opgelegd in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam 1] en [minderjarige 1] , gewijzigd en is deze bijdrage met ingang van 24 januari 2014 bepaald op nihil.

2.8.

Op 24 augustus 2020 is de man gehuwd met [naam 2] , geboren op
[geboortedatum 3] , hierna te noemen: [naam 2] .

2.9.

Uit een eerdere relatie van [naam 2] met de [naam 3] (hierna te noemen: [naam 3] ) zijn de volgende minderjarigen geboren:

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] te [geboorteplaats 2] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 5] te [geboorteplaats 2] .

2.10.

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij [naam 2] en de man.

3 De beoordeling

3.1.

In de beschikking van 24 maart 2021 heeft de rechtbank reeds nader beslist ten aanzien van de in deze procedure voorliggende zelfstandige verzoeken van de man die betrekking hebben op een zorgregeling en informatie- en consultatieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] . In de onderhavige beschikking zal de rechtbank derhalve alleen beslissen ten aanzien van de in deze procedure voorliggende (zelfstandige) verzoeken van partijen die betrekking hebben op een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .

3.2.

De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking van deze rechtbank van 24 oktober 2014 te wijzigen in dier voege dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 1 juni 2019, althans een datum die de rechtbank redelijk acht, wordt vastgesteld op een bedrag van € 255,00 per maand, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, en met ingang van 1 januari 2020, althans een datum die de rechtbank redelijk acht, wordt vastgesteld op een bedrag van 262,00 per maand, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, waarbij geldt dat de bijdrage tijdig bij vooruitbetaling zal worden gedaan en onderhevig is aan de wettelijke indexering;

  2. te bepalen dat de man in het geding dient te brengen de financiële gegevens van zijn partner, meer specifiek de meest recente jaaropgave/jaarstukken en drie meest recente inkomensspecificaties, alsmede de bankafschriften van de man en zijn huidige partner over de laatste drie maanden, waarbij de vrouw het recht voorbehoudt om haar verzoek tot vaststelling van de alimentatie naar aanleiding van de betreffende informatie te wijzigen.

3.3.

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoeken dan wel tot afwijzing daarvan, althans verzoekt de man om in goede justitie een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding vast te stellen.

3.4.

Op de door partijen betrokken stellingen zal door de rechtbank hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Verzoeken ex artikel 843a Rv

3.5.

De rechtbank begrijpt dat de vrouw met het verzoek onder ii. bij wege van incident verzoekt om – kort gezegd – de man op grond van het bepaalde in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten om de door de vrouw genoemde financiële bescheiden van zijn [naam 2] over te leggen. De rechtbank stelt vast dat de man in reactie op dit verzoek van de vrouw, bij brief van 22 februari 2021 als productie 7 stukken van het UWV heeft overgelegd met betrekking tot de WIA/IVA-uitkering die [naam 2] heeft genoten. Op basis van deze stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht en in staat om de eventuele bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te bepalen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de man – ondanks het verzoek van de vrouw – heeft verzuimd om bepaalde stukken over te leggen, zal de rechtbank daaraan de conclusie verbinden die zij geraden acht. Gelet hierop ligt het verzoek van de vrouw onder ii. bij gebrek aan belang voor afwijzing gereed.

3.6.

De rechtbank stelt vast dat de man zijn aanvankelijke verzoek bij wege van incident om de vrouw op grond van artikel 843a Rv te gelasten om – kort gezegd – financiële bescheiden van haar nieuwe partner over te leggen, na gevoerd debat ter zitting heeft ingetrokken. Op dit verzoek hoeft de rechtbank derhalve niet meer te beslissen.

Wijziging van omstandigheden

3.7.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.8.

Gelet op de stellingen van partijen en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt van de geldende bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging ook daadwerkelijk dient te leiden tot aanpassing van de geldende bijdrage zal hieronder worden beoordeeld.

Ingangsdatum

3.9.

De vrouw stelt dat de ingangsdata 1 juni 2019 en 1 januari 2020 dienen te zijn, althans telkens een in goede justitie te bepalen datum. Daarbij stelt de vrouw dat partijen een regeling hadden afgesproken aangaande een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op basis waarvan de man € 239,00 per maand aan de vrouw diende te betalen. De man heeft volgens de vrouw deze bijdrage betaald van juni 2019 tot en met januari 2020, waarna de man gestopt is met betalen. Het onderhavige verzoekschrift is door de vrouw later ingediend, hetgeen volgens de vrouw komt doordat zij destijds rekening heeft gehouden met de oproep van de rechtbank om – gelet op de coronacrisis – alleen spoedverzoeken in te dienen.

3.10.

De man voert verweer en stelt dat een eventuele wijziging van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet eerder kan ingaan dan de datum van de onderhavige beschikking. Volgens de man heeft hij ruimschoots bijgedragen in de kosten tot februari 2020. Een wijziging met terugwerkende kracht zou – zo begrijpt de rechtbank – voor de man betekenen dat er een betalingsachterstand ontstaat, juist nu de financiële situatie van de man ingrijpend is veranderd doordat hijzelf alsook zijn partner hun baan zijn verloren. Door terugwerkende kracht zou de man geconfronteerd worden met een schuld en in betalingsproblemen komen.

3.11.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:402 lid 1 BW de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud wijzigt tevens de dag vaststelt vanaf welke dit bedrag is verschuldigd. De rechter is daarbij vrij de ingangsdatum te bepalen op een dag gelegen op de dag vóór, op of na de uitspraak. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – onder meer Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 – dient de rechter wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen. Een wijziging met terugwerkende kracht kan immers tot gevolg hebben dat één van partijen zich ineens geconfronteerd ziet met een achterstand in de betaling, dan wel een verplichting tot terugbetaling.

3.12.

De rechtbank zal de ingangsdatum van de eventueel gewijzigde bijdrage van de man aan de vrouw vaststellen op 19 mei 2020, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw. Vanaf dat moment kon de man er in ieder geval rekening mee houden dat hij mogelijk een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] zou moeten gaan betalen en kon naar het oordeel van de rechtbank van hem in redelijkheid gevergd worden dat hij ten behoeve daarvan gelden zou reserveren. In hetgeen de vrouw stelt ziet de rechtbank geen aanleiding om te komen tot een eerdere datum. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd waarom zij niet eerder dan thans het geval is een verzoek tot wijziging van de geldende bijdrage heeft ingediend. De omstandigheid dat de vrouw, zoals zij stelt, het onderhavige verzoek in navolging van een oproep van de rechtbank op enig moment om in verband met de coronacrisis terughoudend te zijn met het indienen van niet-spoedeisende verzoeken, later dan oorspronkelijk door haar voorzien heeft ingediend, kan niet voor rekening en risico van de man worden gebracht. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het kan volgen dat de vrouw dit argument in de onderhavige procedure aanhaalt, maar dat dit niet eraan afdoet dat het te allen tijde de eigen inschatting en verantwoordelijkheid is van een partij om in de gegeven omstandigheden op enig moment al dan niet een procedure in te leiden, althans anderszins zodanige maatregelen te treffen dat door haar gewenste rechtsgevolgen veilig worden gesteld.

Onderhoudsplicht ten aanzien van [minderjarige 1] , [naam 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

3.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat thans enkel de man en de vrouw onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van [minderjarige 1] .

3.14.

Met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] stelt de man dat zij staan ingeschreven op het adres van hem en [naam 2] . Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze stelling van de man steun in de Basisregistratie Personen (BRP), die de rechtbank ambtshalve heeft geraadpleegd. Gelet hierop en nu de man onweersproken heeft gesteld dat met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een co-ouderschapsregeling geldt tussen [naam 2] en hun vader ( [naam 3] ), is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (ook) tot het gezin van de man en [naam 2] behoren. De man is dan als stiefvader op grond van artikel 1:395 BW onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

3.15.

Voor zover de man zich verder op het standpunt stelt dat hij ook (nog) onderhoudsplichtig is voor [naam 1] , volgt de rechtbank de man niet in dat standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat [naam 1] op [geboortedag] 2019 de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:395a BW is de man vanaf dat moment niet langer onderhoudsplichtig voor [naam 1] . Het gegeven dat de man zich naar eigen zeggen ‘moreel verplicht’ voelt om een studiebijdrage voor [naam 1] te betalen, doet hier niet aan af. Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen maakt dat bij de bepaling van de draagkracht van de man als onderhoudsplichtige alleen zijn financiële situatie in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met inwonende kinderen die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De gedachte daarbij is dat een kind van 21 jaar of ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een minderjarig kind niet kan worden verwacht. Anders dan de man stelt, dient zijn draagkracht dan ook niet mede aangewend te worden ten behoeve van [naam 1] noch dient bij het bepalen van zijn draagkrachtloos inkomen rekening gehouden te worden met een studiebijdrage die de man mogelijk ten behoeve van [naam 1] betaalt, temeer nu uit de door de man als productie 4 overgelegde stukken blijkt dat de man niet verplicht is om deze studiebijdrage te betalen.

Behoefte [minderjarige 1]

3.16.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat uitgegaan moet worden van de behoefte van [minderjarige 1] als vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van
24 oktober 2014, zijnde een bedrag van € 240,00 per maand. Geïndexeerd naar 2020 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] dan € 265,00 per maand.

Behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

3.17.

De rechtbank stelt – in lijn met het standpunt van de vrouw ter zake – vast dat de man de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank had dit wel op de weg van de man gelegen, temeer nu hij zich op het standpunt stelt dat zijn draagkracht in beginsel verdeeld dient te worden over alle kinderen waarvoor hij draagplichtig is. Normaliter zou wat betreft de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitgegaan kunnen worden van een eerdere rechterlijke beslissing dan wel een tussen [naam 2] en [naam 3] gesloten ouderschapsplan, waarin de behoefte is vastgesteld. Bij gebreke daarvan zou de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dan beoordeeld moeten worden aan de hand van het netto-gezinsinkomen van [naam 2] en [naam 3] ten tijde van hun uiteengaan. In het onderhavige geval ontbreken echter deze gegevens, zodat de rechtbank de behoefte van de stiefkinderen van de man niet op de gebruikelijke manier kan berekenen. In het arrest van 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX1295) heeft de Hoge Raad overwogen dat bij gebreke aan dergelijke gegevens, het de rechter vrij staat om een inschatting te maken.

3.18.

De rechtbank constateert dat uit de door de man als productie 6 overgelegde bankafschriften blijkt dat [naam 2] een bedrag van € 139,49 per maand aan kinderalimentatie ontvangt voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van [naam 3] . Aangezien niet alleen [naam 3] gehouden is om in de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien maar ook [naam 2] zelf (samen met de man), gaat de rechtbank bij gebrek aan gegevens over het inkomen van [naam 2] en [naam 3] ten tijde van hun uiteengaan, er schattenderwijs vanuit dat [naam 3] door zijn bijdrage voor 75% in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorziet. Dit betekent dan dat [naam 2] en de man in beginsel dienen te voorzien van de overige 25% van de behoefte. Ervan uitgaande dat 75% van de totale behoefte overeenstemt met genoemde bijdrage van [naam 3] van € 139,49 p/m, stemt 25% van de totale behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] overeen met afgerond € 46,50 per maand oftewel € 23,25 per kind per maand.

Draagkracht man

3.19.

Op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij het bepalen van de draagkracht van de man met betrekking tot de periode van 19 mei 2020 tot 1 juli 2020 uitgegaan dient te worden van het ziekengeld dat de man ontving van zijn laatste werkgever, Stepco BV, van € 4.300,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en te verminderen met € 164,28 per maand aan ingehouden pensioenpremie en met € 8,82 per maand aan ingehouden premie WGA-gatverzerzekering.

3.20.

Uitgaande van dit inkomen en rekening houdend met de voor de man geldende heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), bedraagt het NBI van de man
€ 3.096,00 per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekening.

3.21.

Uitgaande van dit NBI wordt volgens de normen van het Rapport Expertgroep Alimentatie 2020 (hierna: het rapport) de draagkracht van de man berekend aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 975)], waarbij (0,3 x NBI + 975) het draagkrachtloos inkomen van de man betreft.

3.22.

Voor zover de man zich op het standpunt stelt dat zijn draagkrachtloos inkomen verhoogd dient te worden met de ziektekostenpremie en het eigen risico van zijn echtgenote [naam 2] , omdat zij – zo begrijpt de rechtbank – geen eigen inkomsten heeft en de man deze kosten derhalve voor zijn rekening moet nemen, volgt de rechtbank de man niet in zijn standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit paragraaf 4.5 van het Rapport volgt dat voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen onder meer tot gevolg heeft dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe echtgenoot. De gedachte daarachter is dat een partner in staat moet worden geacht in levensonderhoud te voorzien terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht. De rechtbank is derhalve – in lijn met het standpunt van de vrouw – van oordeel dat geen rekening gehouden dient te worden met de ziektekostenpremie en eigen risico van de nieuwe echtgenote van de man.

3.23.

Uitgaande van voormeld NBI van de man bedraagt zijn draagkracht 70% [3.096 – (0,3 x 3.096,00 + 975)] = € 835,00 afgerond per maand voor de periode van 19 mei 2020 tot 1 juli 2020.

3.24.

De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man vanaf
1 juli 2020 een WW-uitkering ontvangt, die blijkens de door de man als productie 5 overgelegde betaalspecificaties, over de maanden juli 2020 en augustus 2020 € 3.364,91 bruto per maand exclusief 8 % vakantiegeld bedroeg en vanaf 1 september 2020 € 3.140,58 bruto per maand exclusief 8 % vakantiegeld.

3.25.

De vrouw heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld – zo begrijpt de rechtbank – dat bij het bepalen van de draagkracht van de man niet van de huidige situatie moet worden uitgegaan waarin de man een WW-uitkering ontvangt, maar dat rekening moet worden gehouden met een hoger inkomen van de man op basis van zijn verdiencapaciteit. Daarbij heeft de vrouw gesteld dat de man voorheen in de IT-branche werkzaam was en dat het momenteel niet slecht gaat in die branche. In reactie hierop heeft de man onweersproken gesteld dat hij binnen de IT-branche werkzaam was binnen een zogenaamd ‘contactberoep’ waardoor het voor hem nu vanwege de coronacrisis lastig is om nieuw werk te vinden. Gelet hierop zal de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht vanaf 1 juli 2020 uitgaan van de WW-uitkering van de man.

3.26.

Uitgaand van voormeld inkomen uit WW-uitkering en rekening houdend met de voor de man geldende heffingskortingen (algemene heffingskorting), bedraagt het NBI van de man over de maanden juli 2020 en augustus 2020 € 2.394,00 per maand en vanaf 1 september 2020
€ 2.257,00 per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekeningen.

3.27.

Uitgaande van voormelde NBI van de man bedraagt zijn draagkracht 70% [2.394 – (0,3 x 2.394,00 + 975)] = € 491,00 afgerond per maand voor de periode van 1 juli 2020 tot
1 september 2020 en bedraagt zijn draagkracht 70% [2.257 – (0,3 x 2.257,00 + 975)] = € 423,00 afgerond per maand voor de periode vanaf 1 september 2020.

3.28.

De man is, zoals hiervoor overwogen, onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] alsook voor zijn stiefkinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 13 december 1991, NJ 1992, 178) dient de draagkracht van de man in dat geval in beginsel gelijkelijk over alle kinderen te worden verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. In dat laatste geval dient de draagkracht naar rato van de behoefte te worden verdeeld.

3.29.

Uit het voorgaande blijkt dat de behoefte van [minderjarige 1] € 265,00 per maand bedraagt en de resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 23,25 per kind per maand. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een aantoonbaar verschil in behoefte, zodat de beschikbare draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen dient te worden verdeeld:

Periode 19 mei 2020 – 1 juli 2020

Kind

Behoefte

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

€ 265,00

(265,00 / 311,50) x 835,00

710,40

[minderjarige 2]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 835,00

62,30

[minderjarige 3]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 835,00

62,30

Totaal

€ 311,50

835,00

3.30.

Uit het voorgaande volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 710,40 per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 62,30 per kind per maand voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Periode 1 juli 2020 – 1 september 2020

Kind

Behoefte

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

€ 265,00

(265,00 / 311,50) x 491,00

417,70

[minderjarige 2]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 491,00

36,65

[minderjarige 3]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 491,00

36,65

Totaal

€ 311,50

491,00

3.31.

Uit het voorgaande volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 417,70 per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 36,65 per kind per maand voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Periode vanaf 1 september 2020

Kind

Behoefte

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

€ 265,00

(265,00 / 311,50) x 423,00

359,90

[minderjarige 2]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 423,00

31,55

[minderjarige 3]

€ 23,25

(23,25 / 311,50) x 423,00

31,55

Totaal

€ 311,50

423,00

3.32.

Uit het voorgaande volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 359,90 per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 31,55 per kind per maand voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Draagkracht [naam 2]

3.33.

De man stelt zich op het standpunt dat [naam 2] geen inkomen geniet. Naar het oordeel van de rechtbank vindt dit standpunt van de man voldoende steun in de door de man als productie 7 overgelegde beslissingen van het UWV van 12 september 2019 en 24 oktober 2019, waaruit volgt dat de toenmalige WIA-uitkering en IVA-uitkering op 13 november 2019 zijn gestopt. Nu [naam 2] geen eigen inkomen heeft, bestaat er aan haar zijde wel recht op een uitkering van een bedrag gelijk aan de voor haar geldende algemene heffingskorting. Gelet hierop zal de rechtbank aan de zijde van [naam 2] een minimale draagkracht van

€ 50,00 per maand aannemen, die beschikbaar is voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Draagkracht vrouw

3.34.

Gelet op de stellingen van partijen en de door hen overgelegde draagkrachtberekeningen, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat het NBI van de vrouw berekend dient te worden op basis de WAO-uitkering die de vrouw ontvangt. Uit de door de vrouw bij het F9-formulier van 19 februari 2021 als productie 10 overgelegde betaalspecificaties over de maanden november 2020 en december 2020, blijkt dat de WAO-uitkering € 1.318,49 bruto per maand bedraagt, exclusief 8% vakantietoeslag. Bij het bepalen van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van dit inkomen.

3.35.

Verder dient bij het bepalen van het NBI van de vrouw rekening gehouden te worden met het kindgebonden budget (kgb) waar de vrouw aanspraak op kan maken. Partijen verschillen van mening over de vraag of bij het bepalen van het kgb al dan niet rekening gehouden moet worden het feit dat de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner.

3.36.

De vrouw stelt dat zij is gaan samenwonen met haar nieuwe partner, waardoor zij een lager kgb ontvangt dan – zo begrijpt de rechtbank – toen zij nog alleen woonde. Volgens de vrouw moet bij het bepalen van haar draagkracht dan ook rekening worden gehouden met het huidige kgb dat zij ontvangt en niet fictief met een hoger kgb uitgaande van de veronderstelling dat ze nog alleen zou wonen.

3.37.

De man stelt zich op het standpunt dat het een eigen keuze van de vrouw is geweest om te gaan samenwonen en dat het daarom niet redelijk is om het huidige lagere kgb als gevolg van het samenwonen op hem af te wentelen. Daarom dient volgens de man – zo begrijpt de rechtbank – (fictief) ervan uitgegaan te worden dat de vrouw een volledig kgb ontvangt alsof zij alleenstaand zou zijn.

3.38.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt als uitgangspunt dat beide partijen na het verbreken van hun relatie de vrijheid moeten hebben om verder te kunnen gaan met hun leven en desgewenst moeten kunnen gaan samenwonen met een nieuwe partner. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval uitgegaan moet worden van de feitelijke situatie en dat dus geen rekening moet worden gehouden met een (hoger) fictief bedrag aan kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) aan de zijde van de vrouw. De rechtbank zal de man dan ook niet volgen in zijn standpunt dat de gevolgen van de persoonlijke keuze van de vrouw om samen te gaan wonen – naar de rechtbank begrijpt: met een verdienende partner – voor haar rekening en risico dienen te komen. Dit betekent dat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw zal uitgaan van een kgb van € 1.417,00 per jaar als vermeld op de door de vrouw als productie 5 overgelegde voorschotbeschikking toeslagen 2020.

3.39.

Uitgaande van voormeld inkomen en kgb en rekening houdend met de voor de vrouw geldende heffingskortingen (algemene heffingskorting), bedraagt het NBI van de vrouw
€ 1.236,00 per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekening.

3.40.

Uitgaande van dit NBI van de vrouw bedraagt haar draagkracht € 25,00 per maand.

3.41.

Nu de vrouw alleen onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] , is haar beschikbare draagkracht gelijk aan haar totale draagkracht, derhalve € 25,00 per maand.

Draagkrachtvergelijking

3.42.

De rechtbank zal vervolgens de draagkracht van de man met de draagkracht van [naam 2] vergelijken om te bezien of het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] lager is dan zijn hiervoor becijferde beschikbare draagkracht. In dat geval kan de man namelijk de niet benutte draagkracht voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aanwenden (‘overhevelen’) ten behoeve van [minderjarige 1] .

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

Periode 19 mei 2020 – 1 juli 2020

3.43.

De resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt in totaal € 46,50 per maand. De beschikbare draagkracht van de man voor deze kinderen bedraagt (62,30 + 62,30=) € 124,60 per maand. De totale beschikbare draagkracht van [naam 2] bedraagt € 50,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man en [naam 2] bedraagt derhalve 124,60 + 50,00 = € 174,60 per maand. Dit is ruim voldoende om in de resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man voor deze kinderen in totaal op (124,60 / 174,60 x 46,50 =) € 33,20 afgerond per maand. Dit betekent dat de man een bedrag van (124,60 – 33,20 =) € 91,40 per maand niet benut. De rechtbank zal dit niet benutte deel van zijn draagkracht overhevelen naar de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] . Daardoor wordt de totale beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] (€ 710,40 + 91,40 =)
€ 801,80 per maand.

Periode 1 juli 2020 – 1 september 2020

3.44.

De resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt in totaal € 46,50 per maand. De beschikbare draagkracht van de man voor deze kinderen bedraagt (36,65 + 36,65=) € 73,30 per maand. De totale beschikbare draagkracht van [naam 2] bedraagt € 50,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man en [naam 2] bedraagt derhalve 73,30 + 50,00 = € 123,30 per maand. Dit is ruim voldoende om in de resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man voor deze kinderen in totaal op (73,30 / 123,30 x 46,50 =) € 27,65 afgerond per maand. Dit betekent dat de man een bedrag van (73,30 – 27,65 =) € 45,65 per maand niet benut. De rechtbank zal dit niet benutte deel van zijn draagkracht overhevelen naar de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] . Daardoor wordt de totale beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] (€ 417,70 + 45,65 =)
€ 463,35 per maand.

Periode vanaf 1 september 2020

3.45.

De resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt in totaal € 46,50 per maand. De beschikbare draagkracht van de man voor deze kinderen bedraagt (31,55 + 31,55=) € 63,10 per maand. De totale beschikbare draagkracht van [naam 2] bedraagt € 50,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man en [naam 2] bedraagt derhalve 63,10 + 50,00 = € 113,10 per maand. Dit is ruim voldoende om in de resterende behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man voor deze kinderen in totaal op (63,10 / 113,10 x 46,50 =) € 25,95 afgerond per maand. Dit betekent dat de man een bedrag van (63,10 – 25,95 =) € 37,15 per maand niet benut. De rechtbank zal dit niet benutte deel van zijn draagkracht overhevelen naar de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] . Daardoor wordt de totale beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] (359,90 + 37,15 =)
€ 397,05 per maand.

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 1]

Periode van 19 mei 2020 – 1 juli 2020

3.46.

De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt € 265,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man (na voormelde overheveling) en de draagkracht van de vrouw bedraagt (801,80 + 25 =) € 826,80 per maand. Dat is ruim voldoende om de behoefte van [minderjarige 1] te kunnen voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man op (801,80 / 826,80 x 265 =)
€ 257,00 afgerond per maand.

Periode 1 juli 2020 – 1 september 2020

3.47.

De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt € 265,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man (na voormelde overheveling) en de draagkracht van de vrouw bedraagt (463,35 + 25 =) € 488,35 per maand. Dat is ruim voldoende om de behoefte van [minderjarige 1] te kunnen voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man op (463,35 / 488,35 x 265 =)
€ 251,00 afgerond per maand.

Periode vanaf 1 september 2020

3.48.

De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt € 265,00 per maand. De totale beschikbare draagkracht van de man (na voormelde overheveling) en de draagkracht van de vrouw bedraagt (397,05 + 25 =) € 422,05 per maand. Dat is ruim voldoende om de behoefte van [minderjarige 1] te kunnen voorzien. Na vergelijking becijfert de rechtbank het aandeel van de man op (397,05 / 422,05 x 265 =)
€ 249,00 afgerond per maand.

Zorgkorting

3.49.

Nu de omgang tussen de man en [minderjarige 1] vooralsnog plaatsvindt in het kader van een BOR-traject – de rechtbank verwijst daarbij naar voormelde beschikking in de onderhavige procedure van 24 maart 2021 – zal de rechtbank aan de zijde van de man in redelijkheid uitgaan van een zorgkorting van 5%. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat partijen in staat zullen om de zorgkorting in onderling overleg nader te bepalen zodra de rechtbank in de onderhavige procedure uiteindelijk een (definitieve) zorgregeling heeft vastgesteld dan wel partijen in onderling overleg een dergelijke regeling zijn overeengekomen, en om alsdan de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] daarop aan te passen.

3.50.

Uitgaande van een behoefte van [minderjarige 1] van € 265,00 per maand bedraagt de zorgkorting
€ 13,25 per maand.

3.51.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen voldoende is om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, kan de man zijn zorgkorting volledig verzilveren.

3.52.

Gelet daarop bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] voor de periode van 19 mei 2020 tot 1 juli 2020 (257,00 – 13,25 =) € 243,75 per maand, voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 september 2020 (251,00 – 13,25 =) € 237,75 per maand en voor de periode vanaf
1 september 2020 (249,00 – 13,25 =) € 235,75 per maand.

Conclusie

3.53.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de man gehouden en in staat om voor de periode van 19 mei 2020 tot 1 juli 2020 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te betalen € 243,75 per maand, voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 september 2020 een bedrage van € 237,75 per maand en voor de periode vanaf 1 september 2020 een bijdrage van € 235,75 per maand.

Indexering

3.54.

Voor zover de vrouw verzoekt om te bepalen dat de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] onderhevig zullen zijn aan de wettelijke indexering, wijst de rechtbank dit verzoek af bij gebrek aan belang. Daarbij overweegt de rechtbank dat indexering van bedragen voor levensonderhoud op grond van het bepaalde in artikel 1:402a BW reeds voortvloeit uit de wet.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 oktober 2014 (C/03/187243 / FA RK 14-160) met ingang van 19 mei 2020 en bepaalt dat het bedrag het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen ter zake de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] , nader op:

  • -

    € 243,75 per maand voor de periode van 19 mei 2020 tot 1 juli 2020,

  • -

    € 237,75 per maand voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 september 2020,

  • -

    € 235,75 per maand voor de periode vanaf 1 juli 2020,

wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het meer of anders verzochte met betrekking tot de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] af;

4.4.

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de in deze procedure voorliggende zelfstandige verzoeken van de man die betrekking hebben op een zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] aan zoals overwogen in de beschikking van 24 maart 2021 in deze procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H. Brandts, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. O.T.J.A. Kicken, griffier, op 30 april 2021.

OSK

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.