Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4388

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
03/659009-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het voorbereiden van moord. In het dossier ontbreken concrete aanwijzingen over de intentie van de verdachte om met de medeverdachte een moord voor te bereiden en te gaan plegen. Aan objectieve gegevens biedt het dossier een voorverkenning, een gestolen auto met valse kentekenplaten, een overstap auto, middelen om de gestolen auto in brand te steken, de aanwezigheid van PGP-telefoons en een doorgeladen automatisch vuurwapen met een laser-richtmiddel. Al deze voorwerpen kunnen dienstig zijn aan moord en het voorhanden hebben daarvan kan als voorbereidingshandeling voor moord worden aangemerkt. Dit alles kan echter ook dienstbaar zijn aan misdrijven zoals gijzeling, bedreiging, afdreiging of diefstal met geweld.

Enkel uit de objectieve gegevens kan daarom niet de op moord gerichte intentie worden afgeleid.

Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Hiervoor heeft de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659009-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.R. Bordewijk, advocaat kantoorhoudende te Schiedam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 mei 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: samen met een ander voorwerpen en vervoermiddelen heeft verworven en voorhanden gehad ter voorbereiding van een moord;

Feit 2: samen met een ander een personenauto van het merk VW Tiguan heeft geheeld;

Feit 3: samen met een ander een automatisch vuurwapen, een patroonmagazijn en zestien patronen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de drie tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Voor alle drie de feiten geldt dat de verdachte en medeverdachte [naam 1] nauw en bewust hebben samengewerkt. Zij hadden een gezamenlijk en misdadig doel voor ogen. Ieder had zijn eigen rol en ieders bijdrage was wezenlijk om tot de uitvoering van het delict te komen. Ook het medeplegen kan derhalve bij alle drie de feiten bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot het eerste feit heeft de officier van justitie betoogd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de voorwerpen in de tenlastelegging, in hun onderling verband, samenhang en context beschouwd, bestemd waren voor het plegen van een moord. Dat deze voorwerpen ook dienstig zouden kunnen zijn aan het plegen van andere misdrijven, is voorstelbaar. De specifieke feiten en omstandigheden van deze zaak rechtvaardigen echter enkel de conclusie dat de intentie was gericht op een levensdelict (moord). Volgens vaste rechtspraak hoeft niet vastgesteld te (kunnen) worden wie wanneer het slachtoffer had moeten of kunnen worden.

Met betrekking tot het tweede feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de Volkswagen Tiguan onderdeel uitmaakte van het gezamenlijke plan van verdachten. Het kan niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat deze auto van diefstal afkomstig was.

Met betrekking tot het derde feit heeft de officier van justitie betoogd dat is komen vast te staan dat sprake is van een automatisch vuurwapen in de zin van categorie II Wet wapens en munitie. Het patroonmagazijn en de munitie vallen onder categorie III Wet wapens en munitie. Dat verdachte het wapen voorhanden heeft gehad staat vast, nu zijn DNA op het wapen is aangetroffen en door verbalisanten is gezien dat hij een lang smal voorwerp met zich droeg toen hij uit de auto stapte. Datzelfde geldt voor het magazijn en de munitie, nu deze onlosmakelijk verbonden waren met het wapen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de verdachte voor alle feiten vrij te spreken.

Met betrekking tot het eerste feit heeft de verdediging betoogd dat niet is vast te stellen dat het, gelet op de bevindingen van de politie alsmede de aangetroffen goederen, de bedoeling van de verdachte was iemand dood te schieten, zelfs niet indien het wapen aan de verdachte kan worden toegeschreven. Rechtspraak in zaken met posten, gestolen auto’s, doorgeladen wapens, benzine en donkere kleding, waar voorbereiding van een moord was ten laste gelegd, laat zien dat méér nodig is om tot een bewezenverklaring te komen, zelfs wanneer een potentieel slachtoffer bekend is.

Met betrekking tot het tweede feit heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat uit niets blijkt dat de verdachte heeft geweten dat de auto van misdrijf afkomstig was.

Met betrekking tot het derde feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het vuurwapen niet zonder meer aan de verdachte kan worden toegeschreven. Immers niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van secundaire DNA overdracht waardoor DNA-sporen van onder anderen de verdachte op het wapen zijn aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij een breekijzer bij zich had, wordt in ieder geval ondersteund door het gegeven dat daadwerkelijk een breekijzer in het bos is aangetroffen.

Voor het geval de rechtbank niet tot een vrijspraak komt, heeft de verdediging verzocht te bepalen dat de uitwerking van de telefoongesprekken van de verdachte uit de penitentiaire inrichting van de eerste week vanaf de opheffing van de beperkingen alsmede de audiobestanden daarvan aan het dossier moeten worden toegevoegd. Voorts wordt voor dat geval verzocht alsnog met name genoemde getuigen te horen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte aan het voorbereiden van een moord schuldig heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank de verdachte van het tenlastegelegde onder 1 vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor de beoordeling van het tenlastegelegde feit moet de rechtbank eerst vaststellen welk feit de verdachte beoogde voor te bereiden. Het Openbaar Ministerie gaat uit van moord. Om dat in rechte te kunnen vaststellen dient allereerst vast te komen staan dat de intentie van de verdachte gericht was op moord en dat de handelingen geschikt waren het beoogde feit daadwerkelijk mogelijk te maken. Bij het afleiden van de bedoelingen van de verdachte uit diens gedragingen past de rechter behoedzaamheid. Hij dient te waken voor te vergaande invulling.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in dagblad ‘De Limburger’ een uitgebreid artikel heeft gestaan over de (mogelijke) achtergrond van het tenlastegelegde feit, waarin ook de naam van een mogelijk doelwit is genoemd. In het dossier ontbreken echter concrete aanwijzingen over de intentie van de verdachte om samen met zijn medeverdachte een moord voor te bereiden en te gaan plegen. De verdachte zweeg lange tijd over zijn intentie. Pas in een laat stadium benoemt hij, zij het vaag en zonder al te veel details van zijn plannen prijs te geven, zijn intentie tot het plegen van een inbraak. Deze proceshouding maakt dat meer gewicht dient te worden toegekend aan objectieve gegevens teneinde verdachte’s opzet vast te kunnen stellen.

Aan objectieve gegevens biedt het dossier, samengevat, een voorverkenning, een gestolen auto met valse kentekenplaten, een overstap auto, middelen om de gestolen auto in brand te steken, de aanwezigheid van PGP-telefoons en een doorgeladen automatisch vuurwapen met een laser-richtmiddel. Al deze voorwerpen kunnen dienstig zijn aan moord en het vergaren en voorhanden hebben daarvan kan als voorbereidingshandeling voor moord worden aangemerkt. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat zij bewust, principieel, gekozen heeft voor het ten laste leggen van voorbereiding van moord. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde objectieve gegevens ook dienstbaar kunnen zijn aan andere misdrijven zoals gijzeling, bedreiging, afdreiging of diefstal met geweld. Uit de objectieve gegevens kan daarom niet enkel de op moord gerichte intentie worden afgeleid. Noch verdachte’s zwijgen, noch zijn vage verklaring met betrekking tot de inbraak kunnen andere ernstige misdrijven uitsluiten.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan bewezenverklaring van het bestanddeel “moord” van de tenlastelegging. Dit bestanddeel is een dermate essentieel onderdeel van de tenlastelegging dat vrijspraak voor dit feit moet volgen.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Volkswagen Tiguan van misdrijf afkomstig was. In het dossier ontbreken aanwijzingen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de herkomst van de auto. Derhalve moet vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 volgen.

Feit 3

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 13 maart 2019, omstreeks 09.15 uur, kregen verbalisanten [naam 2] en [naam 3] , het verzoek van wijkagent [naam 3] om op de [adres 2] in Helden, een verdachte personenauto aan een controle te onderwerpen. Daar zou de laatste dagen een aantal keren een beige/bruinachtige Volkswagen , voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken 2] , geparkeerd hebben gestaan, waarin één man zat die erg veel aandacht had voor de achterzijde van de [horecagelegenheid] en [horecagelegenheid 2] . Verbalisanten hebben het betreffende voertuig op de aangegeven plek aangetroffen en zagen dat er twee personen voor in het voertuig zaten. Op het moment dat zij hun dienstvoertuig direct achter de betreffende auto stopten, zagen zij dat het voertuig uit het parkeervak wegreed. Nadat verbalisanten een stopteken hadden gegeven, begon het voertuig meer snelheid te maken. Dit mondde uit in een achtervolging die uiteindelijk erin resulteerde dat de bestuurder ter hoogte van de kruising Napoleonsbaan met de Spanjersbaan in Neer de controle over het voertuig verloor en een weiland inreed.

Het voertuig kwam tot stilstand voor een bosperceel. De afstand tussen verbalisanten en de betrokken Volkswagen Tiguan betrof op dat moment tussen de 80 en 100 meter. Verbalisanten zagen dat twee verdachten uitstapten en direct wegrenden in de richting van het bosperceel. Verbalisanten hebben het signalement van verdachten portofonisch doorgegeven aan de andere patrouilles die inmiddels in de omgeving waren. Verbalisanten hebben waargenomen dat de bijrijder een smal, zwart-kleurig voorwerp van ongeveer één meter lang in zijn rechterhand vasthield en dat dit voorwerp naar beneden wees. De verdachten zijn het bosperceel in gerend en ongeveer twee minuten later aan de zijde van de Spanjersbaan door verbalisant [naam 4] aangehouden. Op het moment van de aanhouding had geen van beide verdachten een smal, zwart, langwerpig voorwerp bij zich. Twee hondengeleiders zijn op aanwijzing gaan zoeken, waar de verdachten het bosperceel waren in gerend.2

Verbalisant [naam 5] heeft haar diensthond genaamd “ [naam 6] ” het commando gegeven tot zoeken. [naam 6] is een surveillancehond getraind in het opsporen van personen en goederen die zijn voorzien van menselijke geur. Op het vermoedelijke spoor van de twee verdachten heeft [naam 6] aanwijzingen gegeven die hebben geleid tot het aantreffen van een vuurwapen op de grond.3

Verbalisant [naam 11] heeft het vuurwapen bewaakt in afwachting van een medewerker van Forensische Opsporing. Verbalisanten [naam 2] , [naam 3] , [naam 7] en de twee hondengeleiders hebben vervolgens vanuit het graspad in de richting van de Spanjersbaan het bosperceel uitgekamd. Er werden geen ter zake doende goederen en geen andere personen in het bosperceel aangetroffen.4

Van het vuurwapen is een foto gemaakt bij aantreffen.5

Op 13 maart 2019 hebben verbalisanten [naam 8] en [naam 9] forensisch onderzoek verricht, onder meer aan het vuurwapen. Verbalisanten hebben geconstateerd dat een patroon in de kamer van het vuurwapen aanwezig was en dat het vuurwapen was voorzien van geluidsdemper en vizier met laser. Het vuurwapen was voorzien van een magazijnhouder waarin vijftien patronen zaten. Het vuurwapen ( [nummer 1] ), magazijn ( [nummer 2] ) en de munitie ( [nummer 3] ) zijn veilig gesteld als sporendragers en voorzien van SIN-nummers.6 Tijdens het onderzoek zijn foto’s gemaakt van het vuurwapen.7

De munitie afkomstig uit de magazijnhouder is eveneens als sporendrager veiliggesteld en voorzien van SIN-nummer ( [nummer 4] ).8

Op 10 april 2019 heeft verbalisant [naam 10] een onderzoek ingesteld naar het vuurwapen, het magazijn en de munitie. Hij omschrijft het vuurwapen met [nummer 1] (inclusief patroonmagazijn [nummer 2] ) als een automatisch vuurwapen, model AR 15 en kaliber 9 mm Luger . Verbalisant heeft proefondervindelijk vastgesteld dat het wapen automatisch vuurde en naar behoren functioneerde. Het betreft een vuurwapen van Categorie II sub 2 van de Wet wapens en munitie. Verbalisant [naam 10] omschrijft de munitie [nummer 3] en [nummer 4] als 16 kogelpatronen in het kaliber 9X19 millimeter, synoniem voor het kaliber 9 millimeter Luger . Deze munitie is geschikt om met het hiervoor beschreven automatische vuurwapen te worden verschoten. Het betreft munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Tijdens het onderzoek zijn DNA-sporen gezocht, onder andere op het automatische vuurwapen ( [nummer 1] ). Er zijn biologische sporen veiliggesteld aan de binnenrand van de binnenzijde van de loop van het wapen ( [nummer 6] ) en aan de ruwe delen van het wapen ( [nummer 7] ).9

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft de aan hen aangeleverde bemonsteringen en het referentiemateriaal van de verdachte ( [nummer 8] ) onderworpen aan DNA-onderzoek en de DNA-profielen met elkaar vergeleken. Het resultaat hiervan is dat op de binnenrand binnenzijde loop ( [nummer 6] ) een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen, waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte en minimaal één onbekende persoon. Op de ruwe delen van het vuurwapen ( [nummer 7] ) is het DNA-profiel van minimaal één man aangetroffen, waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte. De hypothese dat de bemonstering DNA bevat van de verdachte en één willekeurige onbekende persoon is 80 miljoen keer waarschijnlijker dan dat het mengprofiel DNA van twee willekeurige personen betreft. De hypothese dat de bemonstering op de ruwe delen van het vuurwapen DNA van de verdachte bevat of de verdachte en één willekeurige onbekende persoon is 1 miljard keer waarschijnlijker dan dat de bemonstering DNA van één of twee willekeurige onbekende personen bevat.10

Bewijsoverweging

De rechtbank begint met vast te stellen dat uit de bewijsmiddelen voortvloeit dat DNA van de verdachte op het vuurwapen is aangetroffen. De verdediging heeft echter opgeworpen dat het DNA-materiaal van de verdachte door secundaire overdracht op het vuurwapen terecht kan zijn gekomen.

De politiepatrouille heeft bij het aantreffen van de Volkswagen Tiguan gezien dat beide verdachten in de auto zaten. Vervolgens is een achtervolging gestart, die is geëindigd in een crash. Toen de verdachten uit de auto vluchtten, heeft een verbalisant gezien dat de bijrijder een smal, zwart, langwerpig voorwerp van ongeveer een meter lengte, droeg. Dat is een omschrijving die zeer wel past op de loop van een lang vuurwapen.

Vervolgens heeft de speurhond op de plek waar verdachten het bosperceel zijn ingelopen het spoor van menselijke geur opgepikt, vervolgd en is bij het vuurwapen uitgekomen. Het bosperceel is uitgekamd door (onder andere) de hondengeleiders en er is niets of niemand ter zake dienende meer aangetroffen.

Het gegeven dat het volgen van het spoor van de verdachten heeft geleid tot het vinden van het wapen, maakt het plausibel dat de verdachte - nu zijn DNA op het wapen is aangetroffen - het wapen ook daadwerkelijk voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier genoegzaam is komen vast te staan dat het wapen op zorgvuldige wijze is veiliggesteld. Het wapen is op het moment van aantreffen alsmede tijdens het forensisch onderzoek gefotografeerd. Uit deze foto’s blijkt dat het vuurwapen tussentijds niet is verplaatst. In het bijzonder blijkt dit uit de onveranderde positie van de blaadjes/takjes tussen de greep en de kolf op foto nummer 8 op pagina 30 en vervolgens fotonummer 14 op pagina 274. De forensisch onderzoeker is blijkens foto nummer 10 op pagina 272 komen aanlopen zonder kunststof handschoenen aan en heeft vervolgens blijkens foto nummers 15 en 16 op pagina 275 voorafgaand aan het onderzoek kunststof handschoenen aangetrokken. Tevens is niet gebleken, op grond van de foto’s maar ook overigens niet, dat de forensisch onderzoeker het wapen heeft opgepakt bij de binnenrand van de binnenzijde van de loop. Door, de verdediging is dit gesuggereerd, maar daartoe zijn feiten noch omstandigheden naar voren gebracht die dit scenario aannemelijk maken. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat het op het vuurwapen aangetroffen DNA van de verdachte door hemzelf is aangebracht en niet het gevolg is van een secundaire contaminatie.
Het voorgaande brengt eveneens met zich dat de rechtbank geen waarde hecht aan het relaas van de verdediging over de aanwezigheid van een breekijzer en het aantreffen daarvan in het bosperceel. Verdachte heeft bijna zes maanden gezwegen, waarna hij (nadat hij ruimschoots de tijd heeft gehad het dossier te bestuderen), is gekomen met een vage verklaring over het achterlaten van een breekijzer in het bosperceel. De later gevolgde verzoeken om naar het breekijzer te zoeken en het aantreffen daarvan door een onderzoeksbureau, weerleggen niet de bevindingen van het eerdere opsporingsonderzoek. Evenmin geven zij een alternatieve lezing die binnen de uitkomsten van het gedegen opsporingsonderzoek past. De rechtbank verwerpt het verweer reeds vanwege het feit dat het feitelijke grondslag mist en ook overigens niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank is van oordeel dat derhalve de noodzaak ontbreekt om de door de verdediging verzochte uitwerking van telefoongesprekken te gelasten en om alsnog getuigen op te roepen. De rechtbank wijst derhalve de voorwaardelijke verzoeken van de zijde van de verdediging op voornoemde gronden af.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [naam 1] . Zij waren samen op pad om een ernstig delict voor te bereiden of te plegen, waarbij het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen noodzakelijk was. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 3

op 13 maart 2019 te Helden en Neer, tezamen en in vereniging met een ander, een (doorgeladen) wapen van categorie II, te weten:

- een automatisch vuurwapen (model: AR15, kaliber: 9 mm Luger ) voorzien van een laserrichter (aimpoint) en

- een patroonmagazijn en

munitie van categorie III, te weten:

- zestien patronen (kaliber 9x19, synoniem voor 9 mm Luger )

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Feit 3

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

Uitgaande van het medeplegen van het voorbereiden van een liquidatie, acht de officier van justitie het van belang een signaal af te geven dat dergelijk geweld, althans de voorbereiding daarvan, niet past binnen de samenleving die wij met elkaar in Nederland voor ogen hebben. Dit signaal kan enkel vertaald worden naar een stevige gevangenisstraf.

De officier van justitie vordert de gevangenneming van de verdachte, omdat niet aan de maatschappij valt uit te leggen dat de verdachte in vrijheid is gesteld, terwijl hij duidelijk in Nederland was met een missie om iemand om het leven te brengen en deze missie nog niet is voltooid.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, samen met zijn medeverdachte, voorhanden hebben van een doorgeladen automatisch vuurwapen, voorzien van een laserrichter, een patroonmagazijn en de daarbij behorende munitie. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte zich aan heling van een personenauto en aan het voorbereiden van een moord heeft schuldig gemaakt.

Toch wijst het bewezenverklaarde delict erop dat de verdachte zich in het criminele circuit heeft begeven en dat de verdachte zich heeft voorzien van middelen waarmee ernstige strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Dat verdachte een blanco strafblad in Nederland heeft, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte passend is gelet op de ernst van dit feit.

Aansluitend bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS met betrekking tot het voorhanden hebben van het doorgeladen automatische vuurwapen gaat de rechtbank uit van negen maanden gevangenisstraf.

Bovendien is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [naam 1] hetgeen als strafverzwarende omstandigheid kan worden aangemerkt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden. De reeds ondergane duur van het voorarrest brengt met zich mee dat verdachte niet terug in detentie hoeft. De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van twaalf maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Vordering gevangenneming

- wijst de vordering tot gevangenneming van de verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. I.E. Lemmers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Eroktay, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 mei 2021.

Buiten staat

Mr. drs. Van Atteveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 feb. tot en met 13 maart 2019 te Helden, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen van het leven beroven (als omschreven in artikel 289 WvSr), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten

- een gestolen auto ( VW Tiguan ) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten met in die auto een of meer jerrycans, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

- een auto ( Mini Cooper ) en/of

- een (door)geladen automatisch vuurwapen voorzien van een laserrichter en/of een geluidsdemper en/of een gevuld patroonmagazijn en/of

- een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

- een of meer zwarte kledingstukken,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

art. 46 lid 1 WvSr

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 feb. tot en met 13 maart 2019 te Helden, gemeente Peel en Maas en/of Helmond, gemeente Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een VW (Tiguan) personenauto (met origineel kenteken [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist(en) althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

art. 416 lid 1 ahf/ond a WvSr

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 WvSr

3. dat hij op of omstreeks 13 maart 2019 te Helden, gemeente Peel en Maas en/of Neer, gemeente Leudal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer (doorgeladen) wapens van categorie II, te weten:

- een automatisch vuurwapen (model: AR15, kaliber: 9 mm Luger ) voorzien van een laserrichter (aimpoint) en/of

- een patroonmagazijn en/of

munitie van categorie III, te weten:

- zestien, althans een of meer patronen (kaliber 9x19, synoniem voor 9 mm Luger )

voorhanden heeft gehad;

art. 26 lid 1 Wwm

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 201903888122, gesloten d.d. 22 oktober 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 551.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, pag. 20 tot en met 23.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, pag. 50.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, pag. 23.

5 Foto 8 bij Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2019, pag. 30.

6 Proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 30 maart 2019, pag. 265 tot en met 267.

7 Foto’s 13 tot en met 22 bij het proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 30 maart 2019, pag. 274 tot en met 278.

8 Proces-verbaal forensisch onderzoek vuurwapen d.d. 21 maart 2019, pag. 305 en 306.

9 Proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek d.d. 4 april 2019, pag. 349.

10 NFI-rapport DNA-onderzoek d.d. 17 juni 2019, pag. 372 tot en met 376.