Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4372

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
AWB/ROE 20/1341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing geldigheid van het rijbewijs en onderzoek naar geschiktheid; mondalcohol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2021

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de algemeen directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar geschiktheid. Daarnaast heeft verweerder bij dit besluit de geldigheid van het rijbewijs van eiseres geschorst.

Bij besluit van 20 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiseres is verschenen.

Verweerder werd – via skype – vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Allereerst overweegt de rechtbank dat van eiseres, gelet op de door haar verstrekte inkomstengegevens, terecht geen griffierecht is geheven.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. De Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant heeft op 19 december 2019 de mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) aan verweerder gedaan van een feit dat op 7 oktober 2019 heeft plaatsgevonden en waarbij het vermoeden is ontstaan dat eiseres onder invloed verkeerde van alcohol. Eiseres had op het moment van aanhouding een beginnersrijbewijs. Vervolgens is eiseres overgebracht naar het politiebureau. Hier is een ademanalyse uitgevoerd. De gemeten hoeveelheid alcohol was 605 µg/l (= 1,392 ‰).

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar haar geschiktheid en heeft verweerder het rijbewijs van eiseres geschorst in afwachting van de uitslag van het onderzoek. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en de bezwaren van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij haar rijbewijs terug wil hebben, omdat zij dit nodig heeft vanwege haar werk als zelfstandige. Eiseres heeft voorts aangegeven dat zij vlak voor het verrichten van de ademtest alcoholhoudende chocolade bonbons heeft genuttigd. Volgens eiseres heeft dit effect gehad op het gemeten alcoholgehalte van de voorlopige ademanalyse op straat. In het proces-verbaal is volgens eiseres ten onrechte geen melding gemaakt van het feit dat zij bonbons heeft gegeten. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij niet op de hoogte is gebracht door de politie over de mogelijkheid om een bloedtest te laten doen. De bloedtest zou volgens eiseres hebben uitgewezen dat er geen alcohol in haar bloed zat, maar enkel in haar mond. Eiseres heeft voorts ontkend dat zij ten onverstaan van de politie heeft verklaard dat zij vijf glazen wijn heeft gedronken. Eiseres betwist het proces-verbaal op dit punt. Zij heeft betoogd dat zij niet heeft gedronken die dag, omdat alcohol drinken onder werktijd niet is toegestaan.

6. Het wettelijk kader luidt als volgt.

Artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 bepaalt dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 bepaalt dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen besluit tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Deze ministeriële regeling is de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).

Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaalt dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw, indien bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰.

Artikel 133, eerste lid, van de Wvw 1994 bepaalt dat in de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen, het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting oplegt zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 bepaalt dat bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen wordt geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt.

In artikel 130, derde lid, van de Wvw 1994 wordt verwezen naar de Regeling.

Artikel 6 van de Regeling bepaalt dat in de gevallen, bedoeld in artikel 5, het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de Wvw 1994 de geldigheid van het rijbewijs schorst voor een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Het van toepassing zijnde geval, zoals opgenomen in artikel 5, aanhef en onder k, van de Regeling, betreft het navolgende: ‘bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰’.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3517) in dit soort zaken, hoeft voor het opleggen van een onderzoek naar geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. De feiten en omstandigheden waarop het vermoeden van ongeschiktheid is gebaseerd, kunnen worden gebaseerd op een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.

8. Voorts blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1319) dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en de inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.

9. In de onderhavige zaak heeft de verbalisant zijn bevindingen neergelegd in een op 7 oktober 2019 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal ter zake artikel 8 Wvw 1994. Hierin heeft de verbalisant opgenomen dat het rijgedrag van eiseres opviel, dat haar adem rook naar alcohol en dat haar ogen bloed doorlopen waren. Verder is gebleken dat eiseres een beginnend bestuurder is. Daarnaast is uit het proces-verbaal gebleken dat de ademanalyse op het politiebureau plaatsvond om 04.32 uur, 28 minuten na de voorlopige ademanalyse op straat. Ook is opgenomen in het proces-verbaal dat uit de ademanalyse is gebleken dat het ademalcoholgehalte van eiseres 605 µg/l bedroeg. Uit het proces-verbaal van verhoor is gebleken dat eiseres onder meer heeft verklaard dat zij ongeveer vijf glazen wijn heeft gedronken vanaf 17.00 uur en tussendoor hapjes heeft gegeten.

10. Gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 8, is de rechtbank van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de bevindingen van de verbalisant in voornoemd proces-verbaal van 7 oktober 2019. Op grond van deze bevindingen is voldoende aannemelijk dat eiseres ten tijde van de aanhouding onder invloed was van alcohol. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van voornoemd proces-verbaal. De stelling van eiseres dat het ademalcoholgehalte van 605 µg/l is veroorzaakt door mondalcohol (als gevolg van het eten van chocolade bonbons), is niet onderbouwd en bovendien, gelet op het tijdsverloop tussen de vordering op straat en de ademanalyse op het politiebureau, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal. Gesteld noch gebleken is dat de ademanalyse niet conform de voorschriften is uitgevoerd. Het betoog van eiseres dat haar niet gewezen is op de mogelijkheid om een tegenonderzoek aan te vragen direct na de uitslag van de ademanalyse en dat zij niet heeft verklaard dat zij ongeveer vijf glazen wijn heeft gedronken, slaagt evenmin. De enkele ontkenning hiervan is onvoldoende om de in het proces-verbaal opgenomen bevindingen van de verbalisant te verwerpen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiseres – nadat zij kennis heeft genomen van de inhoud van het proces-verbaal en haar eigen verklaring – het proces-verbaal heeft ondertekend. Aan haar eigen verklaring (dat zij ongeveer vijf glazen wijn heeft gedronken) kan dus wel degelijk waarde worden gehecht. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat in het proces-verbaal onjuist is vermeld dat zij in de horeca in Eindhoven werkte, terwijl dit [woonplaats] moet zijn. Volgens eiseres is dit een indicatie dat ook de rest van het proces-verbaal niet klopt. De rechtbank volgt deze stelling van eiseres niet, omdat dit onvoldoende is en niet maakt dat de uitkomst van de ademanalysetest niet betrouwbaar is.

11. Gezien het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht eiseres heeft verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar alcoholgebruik.

12. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij door de schorsing van de geldigheid van haar rijbewijs minder werk en dus minder inkomen heeft genoten en hierdoor in financiële problemen is geraakt. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat haar belangen zodanig zwaar wegen dat het bestreden besluit onevenredig is.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van eiseres is gebaseerd op artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 en artikel 6 van de Regeling. De Regeling is dwingendrechtelijk geformuleerd. Volgens verweerder kan hierdoor niet worden toegekomen aan een belangenafweging, waarbij de individuele belangen van eiseres worden meegewogen in de besluitvorming.

14. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat de door verweerder opgelegde maatregel tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs niet evenredig zou zijn gelet op de nadelige gevolgen voor haar, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht gesteld dat de Regeling dwingendrechtelijke regelgeving is. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft echter in zijn uitspraak van 3 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2889) overwogen dat een rechter in zeer uitzonderlijke gevallen kan oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk uitzonderlijk geval hier geen sprake is. Dat eiseres financiële problemen heeft gekregen door het bestreden besluit is namelijk niet concreet onderbouwd en zonder nadere toelichting onvoldoende zwaarwegend om de Regeling buiten toepassing te laten. De beroepsgrond slaagt niet.

15. Gelet op het bovenstaande verklaart de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 mei 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.