Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4337

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
ROE 20/1910
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering levensonderhoud op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), omdat eiser niet in Nederland woont. Inkomensondersteuning dient eiser volgens verweerder in Duitsland aan te vragen.

De rechtbank beoordeelt aan de hand van de criteria uit het arrest van het HvJ EU 12 maart 2020, C 769/18, Caisse d’assurance retraite et de la santé au travail d’Alsace-Moselle, ECLI:EU:C:2020:203 of de uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo onder de werkingssfeer van Verordening (EG) 883/2004 valt.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo geen prestatie in de zin van artikel 3 van de Verordening is en dus niet binnen de materiële werkingssfeer van de coördinatieverordening valt. De Tozo-uitkering kan dus ook niet met een beroep op deze Verordening geëxporteerd worden.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-6-2021
FutD 2021-1760 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 20/1910


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] (Duitsland), eiser,

(gemachtigde: mr. J. Jansen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P.H.M. Quaedvlieg).

Procesverloop

In het besluit van 29 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering levensonderhoud op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) afgewezen.

In het besluit van 11 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een nader verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser woont in Duitsland en heeft in Nederland een eenmanszaak genaamd [bedrijfsnaam]. Deze zaak is gevestigd in de gemeente Heerlen. Het betreft een bedrijf dat zich richt op reparatie en herstelwerkzaamheden van kleding en overige textielwaren, het aanbieden van naailessen en het leveren van maatwerk.

Op 27 maart 2020 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo.

Het primaire en het bestreden besluit

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in Nederland woont. Inkomensondersteuning dient eiser in Duitsland aan te vragen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

3. Eiser is het niet eens met het standpunt van verweerder dat de Tozo-uitkering binnen het bereik van de Participatiewet (PW) valt. Dit heeft namelijk tot gevolg dat de Tozo-uitkering voor inkomensondersteuning beperkt is tot in Nederland woonachtige Nederlanders en daarmee gelijkgestelden.

Eiser is primair van mening dat de Tozo-uitkering een (tijdelijke) werkloosheidsuitkering voor zelfstandigen is die tijdelijk en/of gedeeltelijk werkloos zijn. Artikel 65 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft dan toepassing. Dit betekent dat eiser zich ter beschikking dient te stellen van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de bevoegde lidstaat en dat hij dan recht heeft op een uitkering alsof hij in Nederland woont.

Eiser is subsidiair van mening dat de Tozo-uitkering geen bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie betreft in de zin van de Verordening, nu deze niet in bijlage X van de Verordening is opgenomen. Dit impliceert volgens eiser dat de Tozo-uitkering niet valt onder de categorie van bijzondere, niet op premie- of bijdrage berustende prestaties, waarvan de export kan worden beperkt. Dit betekent dat deze toch geëxporteerd dient te worden. Eiser is daarbij van mening dat het woonplaatsbeginsel niet gerechtvaardigd kan worden en bovendien niet redelijk is, zeker niet gelet op het tijdelijke karakter en het feit dat zijn zaak onderworpen is aan administratieve controles in Nederland.

Verweerschrift

4. Verweerder heeft in het verweerschrift en nadere verweerschrift toegelicht dat de periodieke uitkering op grond van de Tozo een bijstandsuitkering betreft. Dat blijkt tevens uit de door verweerder overgelegde Kamerbrief van 8 september 2020. De Europese Commissie heeft het in haar antwoord van 17 augustus 2020 aan Europees Parlementslid Jeroen Lenaers volgens verweerder niet bij het rechte eind. De periodieke uitkering op grond van de Tozo is een bijstandsuitkering en kan niet gezien worden als een bijzondere non-contributieve uitkering. De periodieke uitkering op grond van de Tozo valt niet onder de materiële werkingssfeer van de coördinatieverordening en kan dus ook niet met een beroep op deze verordening geëxporteerd worden.

Als leidraad voor de beoordeling of de Tozo onder de werkingssfeer van de Verordening valt, kan volgens verweerder het arrest van (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 2 augustus 1993, C-66/92, Acciardi, ECLI:EU:C:1993:341, worden genomen. Verweerder merkt naar aanleiding van dit arrest op dat de uitkering in de eerste plaats, aan de rechthebbenden wordt toegekend met beoordeling van “enige individuele en discretionaire beoordeling van hun persoonlijke behoeften”, en niet enkel op basis van een wettelijk omschreven positie. De afstemmingsmogelijkheid uit artikel 18 van de PW kan immers worden toegepast. Daarbij wordt de hoogte van de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm in beginsel bepaald aan de hand van de artikelen 20, 21 en 24 van de PW. Daarmee kan dus een individuele beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager worden bereikt. Dat is het kenmerk van sociale bijstand. Verweerder verwijst in dit verband naar het arrest van (thans) het HvJ EU van 16 juli 1992, C-78/91, Hughes, ECLI:EU:C:1992:331.

Verder houdt de Tozo niet rechtstreeks verband met het risico van werkloosheid. De Tozo beoogt aan zelfstandigen die aan het urencriterium voldoen, dus niet aan werknemers of gewezen werknemers, een mogelijkheid tot bedrijfsvoortzetting te bieden, niet om een risico op werkloosheid (zoals bij de IOAW) af te dekken. Met de regeling wil Nederland voorkomen dat bedrijven failliet gaan. Het betreft dus indirect een soort van bedrijfsondersteuning. Daarbij betreft het een tijdelijke uitkering, en geen structurele (maar een incidentele): de duur van de uitkering is beperkt, wordt bij nadere regeling steeds opnieuw bepaald en hangt samen met het voortduren van de maatregelen in het kader van Covid-19. De Tozo betreft tevens geen voorzetting van een of andere werkloosheidsregeling.

Tot slot is er volgens verweerder ook geen voorwaarde tot herinschakeling in de arbeid aan de bijstandsuitkering verbonden. Ook zijn de in artikel 9 van de PW genoemde arbeidsverplichtingen niet van toepassing. Als voorwaarde wordt gesteld dat de ondernemer zijn bedrijf voortzet en dat hij bij beëindiging daarvan geen recht heeft op bijstand. Om te voorkomen dat zelfstandigen werknemers moeten ontslaan en omvallen, kunnen zij bijstand op grond van de Tozo krijgen. De regering heeft dan ook in de nota van toelichting op de Tozo (onder “1.1 - Aanleiding”) overwogen dat die risico’s niet onder het normale bedrijfsrisico voor ondernemers vallen.

Het toepassingsgebied van Verordening (EG) 883/2004

5. Het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 284, blz. 43) (hierna: de Verordening) wordt in beginsel bepaald door artikel 3 (artikel 4 van de oude Verordening (EEG) 1408/71).

Kort gezegd, de Verordening ziet op wetgeving betreffende een uitputtende lijst van takken van sociale zekerheid. In het vijfde lid van artikel 3 van de Verordening staat dat deze niet van toepassing is op sociale bijstand.

6. In het arrest van het HvJ EU 12 maart 2020, C769/18, Caisse d’assurance retraite et de la santé au travail d’Alsace-Moselle, ECLI:EU:C:2020:203, wordt uitleg gegeven over artikel 3 van de Verordening.

De rechtbank acht uit dit arrest voor deze zaak de volgende tekst van belang:

“Eerste vraag

23 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de Duitse bijstand een prestatie in de zin van dat artikel vormt en dus binnen de materiële werkingssfeer van deze verordening valt.

24 Om deze vraag te beantwoorden, moet in de eerste plaats worden nagegaan of deze bijstand een socialezekerheidsuitkering in de zin van artikel 3, lid 1, van deze verordening is.

25 Vooraf dient in dit verband te worden vastgesteld dat uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat de Bondsrepubliek Duitsland niet heeft verklaard dat de federale wettelijke regeling inzake de Duitse bijstand binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. Het Hof heeft echter reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat een lidstaat heeft nagelaten om in strijd met het vereiste in artikel 9 van verordening nr. 883/2004 te verklaren dat een bepaalde wet binnen de werkingssfeer van die verordening valt, er niet toe leidt dat die wet ipso facto van de materiële werkingssfeer van die verordening wordt uitgesloten [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A (Assistentie voor een persoon met een handicap), C‑679/16, EU:C:2018:601, punt 30].

26 Volgens vaste rechtspraak van het Hof berust het onderscheid tussen uitkeringen die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 vallen en de uitkeringen die daarbuiten vallen, immers voornamelijk op de constitutieve elementen van elke uitkering, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, terwijl irrelevant is of een uitkering door een nationale wetgeving al dan niet als een socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt (arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Een prestatie kan dus als een „socialezekerheidsuitkering” worden beschouwd indien twee voorwaarden zijn vervuld: ten eerste, dat zij op grond van een wettelijk omschreven situatie wordt toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de begunstigden, en ten tweede, dat zij verband houdt met een van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien deze twee voorwaarden cumulatief zijn, valt de betrokken prestatie niet binnen de werkingssfeer van deze verordening wanneer een van beide voorwaarden niet is vervuld [arrest van 25 juli 2018, A (Assistentie voor een persoon met een handicap), C‑679/16, EU:C:2018:601, punt 33].

28 Aan de eerste voorwaarde is voldaan wanneer een uitkering wordt toegekend aan de hand van objectieve criteria die, wanneer daaraan is voldaan, recht geven op de uitkering zonder dat de bevoegde autoriteit met andere persoonlijke omstandigheden rekening mag houden. In dat verband heeft het Hof met betrekking tot uitkeringen die worden toegekend of geweigerd of waarvan het bedrag wordt berekend met inaanmerkingneming van het inkomen van de rechthebbende, geoordeeld dat de toekenning van dergelijke uitkeringen niet afhankelijk is van de individuele beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager, aangezien het gaat om een objectief en wettelijk omschreven criterium dat recht op die uitkering geeft zonder dat de bevoegde autoriteit met andere persoonlijke omstandigheden rekening kan houden (arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat slechts kan worden vastgesteld dat niet aan die voorwaarde is voldaan indien het discretionaire karakter van de beoordeling door de bevoegde autoriteit van de persoonlijke behoeften van de rechthebbende van een uitkering, bovenal betrekking heeft op het verkrijgen van het recht op die uitkering. Deze overwegingen gelden mutatis mutandis voor het individuele karakter van de beoordeling door de bevoegde autoriteit van de persoonlijke behoeften van de rechthebbende op een uitkering (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Dreyer, C‑372/18, EU:C:2019:206, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de toekenning van de Duitse bijstand niet afhankelijk is gesteld van objectieve voorwaarden, zoals met name een bepaald percentage of graad van invaliditeit of handicap.

31 Bovendien staat vast dat deze bijstand overeenkomstig de bewoordingen van § 35a van het Duitse sociaal wetboek wordt voorgesteld naargelang de individuele behoeften van het begunstigde kind, op basis van een individuele en discretionaire beoordeling van die behoeften door de bevoegde autoriteit.

32 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Duitse bijstand niet voldoet aan de eerste voorwaarde die is vermeld in punt 27 van het onderhavige arrest.

33 Gelet op de in dat punt 27 aangehaalde rechtspraak vormt deze bijstand dus geen socialezekerheidsuitkering in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 883/2004.

34 Er zij evenwel aan herinnerd dat artikel 3, lid 3, van die verordening het toepassingsgebied van die verordening uitbreidt tot de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 70 ervan. Daarom moet in de tweede plaats worden nagegaan of de Duitse bijstand een dergelijke prestatie is.

35 In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat uit de bewoordingen van artikel 70, lid 2, onder c), van deze verordening blijkt dat onder „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties” uitsluitend de prestaties worden verstaan die in bijlage X bij die verordening zijn opgesomd. Aangezien de Duitse bijstand echter niet in die bijlage wordt genoemd, vormt zij geen dergelijke prestatie.

36 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3 van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de Duitse bijstand geen prestatie in de zin van dat artikel vormt en dus niet binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.”

Beoordeling in deze zaak

7. In navolging van bovengenoemd arrest zal de rechtbank een vergelijkbare beoordeling uitvoeren.

8. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat Nederland niet heeft verklaard dat de Tozo binnen de werkingssfeer van de Verordening valt. Deze vaststelling leidt evenwel niet automatisch tot het oordeel dat de Tozo van de materiële werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

Doel waarop de Tozo is gericht

9.1.

Uit de nota van toelichting bij de Tozo (Staatsblad 2020, 118) blijkt dat de Tozo een tijdelijke voorziening betreft. Zelfstandig ondernemers met financiële problemen als gevolg van de coronacrisis kunnen een beroep doen op deze voorziening. De regeling wordt uitgevoerd door de gemeenten. Met deze regeling wordt beoogd deze zelfstandigen door aanvullende inkomensondersteuning en kapitaalverstrekking tijdelijk tegemoet te komen, teneinde hen in staat te stellen om de komende periode zo goed mogelijk door te komen en om uiteindelijk weer volledig zelfstandig in het bestaan te voorzien.

9.2.

De Tozo is gebaseerd op artikel 78f van de PW. Op grond van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen. Voor de opzet van de Tozo is in belangrijke mate aansluiting gezocht bij het bestaande Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), eveneens een besluit gebaseerd op artikel 78f van de PW.

9.3.

De PW vormt het sluitstuk van het stelsel van sociale zekerheid. De Tozo heeft als onderdeel van de PW in overwegende mate hetzelfde karakter, met dien verstande dat zij specifiek gericht is op zelfstandigen die vanwege de gevolgen van de coronacrisis in de financiële problemen zijn geraakt. Het bijstandskarakter van onderhavig besluit blijkt allereerst uit het uitgangspunt dat de zelfstandige primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Op grond van artikel 11 van de PW wordt bijstand alleen verleend indien de belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Een beroep op aanvullende inkomensondersteuning is dus eerst mogelijk nadat beschikbare eigen middelen zijn ingezet. Bovendien bestaat op grond van artikel 15 van de PW geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor betrokkene toereikend te zijn.

Voorwaarden waaronder de Tozo-uitkering wordt toegekend

10.1.

Het uitgangspunt is de kring van rechthebbenden op bijstand, zoals omschreven in paragraaf 2.2 van de PW. Het recht op bijstand is daarmee beperkt tot Nederlanders en daarmee gelijkgestelden die woonachtig zijn en rechtmatig verblijven in Nederland.

10.2.

De Tozo-uitkering wordt toegekend nadat een middelentoets is uitgevoerd om vast te stellen of het inkomen van de zelfstandige ondernemer beneden het sociaal minimum ligt.

Verder wordt de Tozo-uitkering verstrekt als aanvulling op het sociaal minimum.

10.3.

Om te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van de Tozo moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden worden hieronder toegelicht.

• De zelfstandige moet ten minste 18 jaar zijn, maar niet ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd, en voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep.

• Het bedrijf of zelfstandig beroep dient in Nederland te worden uitgeoefend. Deze eis wordt gesteld om te voorkomen dat met eventuele bijstandsverlening economische activiteiten buiten Nederland worden beïnvloed. Het is bovendien onmogelijk om vanuit Nederland de relevante omstandigheden in het buitenland te beoordelen.

• Er moet zijn voldaan aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep, zoals bijvoorbeeld ingeschreven staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en in het bezit zijn van de benodigde vergunningen.

• De zelfstandige dient te voldoen aan het urencriterium, hetgeen betekent dat de zelfstandige ten minste 1.225 uur per jaar (ofwel gemiddeld 23,5 uur per week) ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moet zijn geweest. De hoogte van dit urencriterium is afgeleid van het urencriterium op grond van artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

• Met het voldoen aan het urencriterium wordt tot uitdrukking gebracht dat de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep een reëel karakter heeft met een substantieel tijdsbeslag. Tevens wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijke afbakening bereikt. Wie niet aan het urencriterium voldoet, is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en kan eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de PW.

• Ten slotte is vereist dat de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend en de financiële risico’s daarvan worden gedragen, hetzij alleen, hetzij samen met degenen met wie betrokkene het bedrijf of beroep uitoefent. Als zelfstandige wordt derhalve niet alleen degene met een eenpersoonsbedrijf of -beroep aangemerkt, maar ook degene wiens positie in economisch opzicht daarmee overeenkomt en die werkzaam is in een samenwerkingsverband of in een rechtspersoon.

Eerste voorwaarde

11.1.

Aan de eerste voorwaarde om een prestatie als een „socialezekerheidsuitkering” te beschouwen wordt – zoals volgt uit het onder rechtsoverweging 6 weergegeven arrest van het HvJ EU van 12 maart 2020 – voldaan als de prestatie op grond van een wettelijk omschreven situatie wordt toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de begunstigden. Hieraan is voldaan wanneer een uitkering wordt toegekend aan de hand van objectieve criteria die, wanneer daaraan is voldaan, recht geven op de uitkering zonder dat de bevoegde autoriteit met andere persoonlijke omstandigheden rekening mag houden. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat de toekenning van uitkeringen die worden toegekend of geweigerd of waarvan het bedrag wordt berekend met in aanmerking neming van het inkomen van de rechthebbende, niet afhankelijk is van de individuele beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager, aangezien het gaat om een objectief en wettelijk omschreven criterium dat recht op die uitkering geeft zonder dat de bevoegde autoriteit met andere persoonlijke omstandigheden rekening kan houden.

11.2.

Als de rechtbank naar de hiervoor opgesomde voorwaarden waaronder de Tozo-uitkering wordt toegekend en naar de criteria van het HvJ EU kijkt, dan heeft verweerder weinig tot geen ruimte voor een individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de begunstigden. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de (aanvullende) inkomensondersteuning op grond van de Tozo verleend.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de afstemmingsmogelijkheid uit artikel 18 van de PW niet zal worden toegepast. Dit volgt uit het karakter van de regeling in die zin dat het een snel uitvoerbare noodregeling betreft waar geen ruimte is voor maatwerk. Dat de hoogte van de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm in beginsel wordt bepaald aan de hand van de artikelen 20, 21 en 24 van de PW maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat verweerder een individuele beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager kan doen. De criteria uit deze artikelen betreffen enkel objectieve voorwaarden.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo aan de eerste voorwaarde voldoet. Deze vaststelling leidt evenwel niet automatisch tot het oordeel dat deze uitkering een socialezekerheidsuitkering is in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Verordening. Hiervoor moet immers ook aan de tweede voorwaarde worden voldaan.

Tweede voorwaarde

12.1.

Aan de tweede voorwaarde om een prestatie als een „socialezekerheidsuitkering” te beschouwen wordt voldaan als de prestatie verband houdt met een van de in artikel 3, eerste lid, van de Verordening uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten.

12.2.

In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat deze verordening van toepassing is op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

a. a) prestaties bij ziekte;

b) moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen;

c) uitkeringen bij invaliditeit;

d) uitkeringen bij ouderdom;

e) uitkeringen aan nabestaanden;

f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;

g) uitkeringen bij overlijden;

h) uitkeringen bij werkloosheid;

i. i) uitkeringen bij vervroegde uittreding;

j) gezinsbijslagen.

12.3.

Gelet op het bepaalde in rechtsoverwegingen 9 en 10 is de rechtbank van oordeel dat de toekenning van de Tozo-uitkering geen verband houdt met de in artikel 3, eerste lid, van de Verordening genoemde eventualiteiten. De enkele omstandigheid dat in de coronacrisis aanleiding is gezien enkele regels uit de PW en het Bbz 2004 te versoepelen en dat het doel van de Tozo in die zin is verbonden met het opvangen van de gevolgen van de coronacrisis, maakt niet dat daardoor een band is ontstaan met een van de in artikel 3, eerste lid, van de Verordening genoemde eventualiteiten en dat in vergelijking met de PW het sociale bijstandskarakter is komen te vervallen. De doelstelling van de Tozo is nog steeds enkel te voorzien in een bestaansminimum voor zelfstandigen.

Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de Tozo niet voldoet aan de tweede voorwaarde. Aangezien deze twee voorwaarden cumulatief zijn, valt de betrokken prestatie niet binnen de werkingssfeer van de Verordening wanneer een van beide voorwaarden niet is vervuld. De uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo vormt naar het oordeel van de rechtbank dus geen socialezekerheidsuitkering in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Verordening.

De relatie tussen artikel 3 en artikel 70 van de Verordening

13.1.

Gelet op het hierboven in rechtsoverweging 6 geciteerde arrest van het HvJ EU van

12 maart 2020 moet in de tweede plaats worden nagegaan of de Tozo-uitkering een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 70 van de Verordening is, omdat artikel 3, derde lid, van de Verordening het toepassingsgebied van de Verordening uitbreidt tot een dergelijke prestatie.

13.2.

In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat uit de bewoordingen van artikel 70, tweede lid, onder c, van de Verordening blijkt dat onder „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties” uitsluitend de prestaties worden verstaan die in bijlage X bij die verordening zijn opgesomd. Aangezien de Tozo-uitkering niet in die bijlage wordt genoemd, vormt zij geen dergelijke prestatie.

13.3.

Dit betekent tevens dat artikel 70, derde lid, van de Verordening, waarin de toepassing van artikel 7 over de opheffing van de regels inzake de woonplaats wordt uitgesloten, evenmin van toepassing is.

Conclusie

14. De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo geen prestatie in de zin van artikel 3 van de Verordening is en dus niet binnen de materiële werkingssfeer van de coördinatieverordening valt. De Tozo-uitkering kan dus ook niet met een beroep op deze Verordening geëxporteerd worden.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde uitkering af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzitter, en

mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 mei 2021

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.