Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4336

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
ROE 19/3504
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak is het Nederlanderschap van eiser ingetrokken, omdat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van (voorbereidingshandelingen voor) een terroristisch misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is de intrekking op de juiste wettelijke grondslag geschied. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door het intrekkingsbesluit staatloos wordt en dat er sprake is van een schending van het discriminatieverbod. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin sprake van een schending van het ne bis in idem- beginsel en kan de intrekking evenmin worden aangemerkt als een criminal charge. Het intrekkingsbesluit voldoet aan de eisen van evenredigheid en proportionaliteit en kan eveneens de Unierechtelijke toets doorstaan. Voor een beoordeling van de artikelen 3 en 8 van het EVRM is in deze beroepsprocedure geen ruimte. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 19/3504

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , feitelijk verblijvend in de Penitentiaire Inrichting te Vught, eiser

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:7387) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen J.J. van Joolingen , werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die ressorteert onder het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Overwegingen

De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Griffierecht

1. Bij brief van 13 januari 2020 heeft eiser verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht, omdat hij niet over vermogen en inkomsten beschikt. Gelet op de criteria neergelegd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282), is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser ontheven is van zijn verplichting tot het betalen van griffierecht (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3650)).

Inleiding

2. Het gaat in deze zaak om het intrekken van het Nederlanderschap van eiser op grond van artikel 14, tweede lid, van de RWN. Op grond van dit wetsartikel is het mogelijk om het Nederlanderschap in te trekken van degene die zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). Dit betreft – kort gezegd – het plegen van (voorbereidingshandelingen voor) een terroristisch misdrijf. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder tot intrekking van het Nederlanderschap heeft mogen overgaan.

De feiten

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] . In september 1999 hebben de ouders van eiser, samen met hem en zijn broers en zussen, Irak verlaten. Bij beschikking van 7 februari 2005 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij Koninklijk Besluit van 26 juli 2008 is aan eiser het Nederlanderschap verleend.

De besluitvorming

4. Op 19 juli 2018 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om eisers Nederlanderschap in te trekken. Eiser heeft daarover op 16 augustus 2018 een zienswijze gegeven en hij is op 1 oktober 2018 gehoord naar aanleiding van dit voornemen.

5. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit daadwerkelijk het Nederlanderschap van eiser ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Zoals onder 2 overwogen kan verweerder op grond van dat artikel het Nederlanderschap intrekken van een persoon die – voor zover van belang – onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf gepleegd met een terroristisch oogmerk. Omdat eiser zowel de Nederlandse als de Iraakse nationaliteit heeft, wordt hij door dit besluit niet staatloos.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de in het primaire besluit opgenomen intrekking van het Nederlanderschap gehandhaafd en de bezwaren van eiser tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

7 Eiser heeft beroep ingesteld op de hierna te bespreken gronden.

Grondslag voor de intrekking van het Nederlanderschap

8. Eiser heeft bestreden dat hij driemaal is veroordeeld voor het plegen van een terroristisch misdrijf. Verweerder baseert zich hierbij op de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:8477), 22 oktober 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:8237) en het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2791). Volgens eiser kan het vonnis van 23 oktober 2013 niet als grondslag dienen voor de intrekking van het Nederlanderschap, omdat eiser is vrijgesproken van het plegen van een strafbaar feit, inhoudende het voorbereiden van een terroristisch misdrijf. Hij is verder ontoerekeningsvatbaar verklaard en de rechtbank heeft gelast dat hij in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de duur van 1 jaar. Volgens eiser heeft verweerder de grondslag voor de intrekking ten onrechte geënt op dit vonnis. Ten aanzien van het vonnis van 22 oktober 2019 heeft eiser aangevoerd dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is waardoor het op grond van de RWN niet aan de intrekking ten grondslag mag worden gelegd. Wat het arrest van 2 oktober 2017 betreft stelt eiser zich op het standpunt dat deze veroordeling weliswaar onherroepelijk is, maar dat deze veroordeling onvoldoende is om toepassing te geven aan artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Hiervoor is volgens eiser vereist dat zijn gedrag een voldoende actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit is hier niet het geval.

9. De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor de intrekking van het Nederlanderschap in het bestreden besluit, dat hier ter beoordeling voorligt, is gebaseerd op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2017 en niet op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013. Voorafgaand aan het arrest is eiser bij uitspraak van 29 augustus 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:6681) door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, omdat hij voorbereidende handelingen voor een terroristisch misdrijf heeft verricht. Eiser wilde namelijk opnieuw naar Syrië afreizen en daar deelnemen aan de gewapende jihad. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag eiser vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren voor het plegen van voorbereidende handelingen voor een terroristisch misdrijf. Aan de deels voorwaardelijk opgelegde straf zijn – naast de algemene voorwaarde dat eiser zich voor het eind van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit – bijzondere voorwaarden verbonden.

9.1.

Van de zijde van eiser is onbestreden dat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling in de zin van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Volgens eiser kan de intrekking echter niet enkel gestoeld worden op deze onherroepelijke veroordeling, maar dient zijn gedrag daarnaast een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging te vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit betoog van eiser kan niet slagen. Het doel van de RWN ziet op de band tussen onderdaan en Staat. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de nationaliteit een formalisering is van de bijzondere band tussen het individu en de Staat. Door zijn gedrag heeft eiser echter zodanig afstand genomen van de Nederlandse Staat en de waarden die in Nederland de kern vormen van het hele bestel waardoor hij, als het ware, zelf die band met de Nederlandse Staat heeft verbroken. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat in een dergelijk geval, waarin de intrekking niet gericht is op het vergroten van de staatsveiligheid, de vraag of van eiser een actueel gevaar uitgaat niet ter zake doet. Dat actuele gevaar ligt dan als zodanig besloten in de daden waartoe eiser is overgegaan en die zodanig zijn dat de essentiële belangen van de Staat zijn geschaad.

Staatloosheid

10. Eiser heeft betoogd dat het aan verweerder is om aan te tonen dat hij door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos wordt. Het intrekken van het Nederlanderschap is namelijk een voor eiser nadelig besluit. Voor het aannemen van de Iraakse nationaliteit baseert verweerder zich enkel op de verklaringen van eiser. Er zijn geen authentieke documenten waaruit blijkt dat hij ook de Iraakse nationaliteit heeft. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij naast de Nederlandse nationaliteit ook nog de Iraakse nationaliteit of een andere nationaliteit heeft. Omdat verondersteld wordt dat eiser de Iraakse nationaliteit heeft, hetgeen hij betwist, heeft hij de afgelopen periode veel actie ondernomen om aan een Iraaks paspoort te komen. Hij heeft in dat verband een lijst overgelegd van alle activiteiten die hij op dat vlak heeft ondernomen. Uit dit verslag blijkt verder dat eiser heeft medegedeeld dat hij contact heeft gehad met de Iraakse consul in Nederland. De consul heeft aangegeven dat de door eiser overgelegde documenten, te weten de identiteitskaarten van zijn ouders en hemzelf, begin 2020 naar Irak zijn verzonden ter verificatie. Verder heeft de consul aangegeven dat de documenten in 1990 zijn opgemaakt en waarschijnlijk niet zijn afgegeven door de destijds bevoegde autoriteiten. Mocht er een positieve verificatie volgen dan dient eiser een familielid in de eerste of tweede graad in Irak te vragen dan wel te autoriseren om voor hem een Registry of 1957 (hierna: Registry) aan te vragen. Stel dat deze Registry wordt verkregen dan kan hiermee op de Iraakse ambassade in Nederland een paspoortaanvraag worden opgestart, die ongeveer vier maanden in beslag kan nemen. Hieruit volgt volgens eiser dat hij niet in staat is om een Irakees paspoort te verkrijgen.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier blijkt dat de ouders van eiser schriftelijk hebben verklaard dat zij en hun kinderen, waaronder eiser, de Iraakse nationaliteit hebben. Dit is door eiser niet bestreden. Uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Irak (hierna: het ambtsbericht) van november 2012, pagina 40 en 41 blijkt in dat kader het volgende:

Nationaliteitswetgeving

“Uit de Iraakse grondwet en de vigerende Iraakse Nationaliteitswet van 2006 volgt

dat eenieder die op basis van eerdere nationaliteitswetten de Iraakse nationaliteit

bezit, ieder kind met een Iraakse vader of moeder en ieder kind dat in Irak is

geboren van onbekende ouders of ouders met onbekende nationaliteit, de Iraakse

nationaliteit bezit.

(..) Een geboren Irakees kan zijn Iraakse nationaliteit de iure niet verliezen.

(..) Op grond van de Nationaliteitswet kan een Irakees die een andere nationaliteit

verwerft, afstand doen van zijn/haar Iraakse nationaliteit. Hiertoe dient een

schriftelijk verzoek te worden ingediend bij het Iraakse ministerie van Binnenlandse

Zaken of een Iraakse ambassade onder overlegging van de originele

nationaliteitskaart, identiteitskaart en het Iraakse paspoort van de betrokkene.

10.2.

Daarnaar gevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat hij geen actieve handeling heeft verricht, zoals hiervoor beschreven in het ambtsbericht, teneinde afstand te doen van zijn Iraakse nationaliteit. Ook anderszins is van de zijde van eiser hier niets tegen in gebracht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser niet dan wel niet langer de Iraakse nationaliteit bezit waardoor eiser niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat hij als gevolg van de intrekking van het Nederlanderschap staatloos zou worden. De omstandigheid dat eiser tevergeefs heeft getracht om aan documenten te komen via de Iraakse ambassade is in dit kader niet relevant. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht heeft gesteld, heeft eiser bij de Iraakse ambassade verzocht om reisdocumenten en niet om documenten ter vaststelling van zijn Iraakse nationaliteit. Anders dan eiser is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet zonder meer kan worden uitgesloten dat er alsnog een positieve verificatie komt en eiser bij de Iraakse ambassade in Nederland een Iraaks paspoort kan aanvragen.

Discriminatieverbod

11. Eiser heeft betoogd dat de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN in strijd is met het discriminatieverbod. Volgens eiser treft de intrekking van het Nederlanderschap enkel bipatriden. De legitimatie hiervoor is gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid. Er bestaat geen rechtvaardiging voor het verschil in behandeling van bipatriden en personen die enkel de Nederlandse nationaliteit bezitten. In de wetsgeschiedenis wordt die rechtvaardiging aangenomen, omdat het Verdrag tot beperking der staatloosheid (hierna: het Staatloosheidsverdrag) ontneming van de Nederlandse nationaliteit verbiedt wanneer dit zou leiden tot staatloosheid. Hierbij wordt echter miskend dat het Staatloosheidsverdrag staatloosheid niet verbiedt in gevallen van handelen in strijd met de belangen van de lidstaat, waaronder dus ook terroristisch handelen. De Afdeling gaat hier ten onrechte aan voorbij in haar uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3045). Een Nederlander die enkel de Nederlandse nationaliteit heeft zou op grond van het Staatloosheidsverdrag dus ook staatloos kunnen worden. Naar de mening van eiser bestaat er derhalve geen deugdelijke grondslag voor het verschil in behandeling. Volgens eiser is de intrekking hierdoor in strijd met artikel 21, eerste en tweede lid, van het Handvest van de Europese Unie. Eiser wijst verder op artikel 17 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (hierna: het EVN). Hieruit volgt dat personen met een dubbele nationaliteit op dezelfde wijze moeten worden behandeld als personen met een enkele nationaliteit. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN biedt weliswaar de mogelijkheid voor verlies van de nationaliteit wanneer er sprake is van gedrag dat de essentiële belangen van de Staat, die Partij is, ernstig schaadt, maar het biedt – anders dan verweerder stelt – geen grondslag voor een verschil in behandeling van personen met een enkele dan wel een dubbele nationaliteit. Daar komt bij dat monopatriden hun nationaliteit blijven behouden en sommige bipatriden geen afstand kunnen doen van hun nationaliteit, zoals personen die de Marokkaanse nationaliteit bezitten. Volgens eiser biedt artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen legitiem doel voor deze ongelijke behandeling. Volgens de zaak Chez van 16 juli 2015 (ECLI:EU:C:2015:480) heeft een legitiem doel twee elementen. Het moet gaan om het beschermen van het rechtsgoed als zodanig en ten tweede gaat het om de vraag in welke mate de getroffen maatregel geacht kan worden een oplossing te zijn voor het bereiken van dat doel. Eiser betwist dat aan de tweede voorwaarde is voldaan. De vraag is of het intrekken van het Nederlanderschap in het geval er sprake is van een dubbele nationaliteit wel een oplossing biedt, nu die optie niet bestaat bij Nederlanders zonder vreemde nationaliteit. Dat raakt de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de maatregel. Het afnemen van de Nederlandse nationaliteit voorkomt niet het plegen van terroristische misdrijven. De opvatting van eiser dat er sprake is van discriminatie wordt gedeeld door de VN Speciaal rapporteur racisme. Verwezen wordt naar de amicus brief van 23 oktober 2018 aan de IND waarin is opgenomen dat artikel 14 van de RWN in strijd is met, onder meer, de artikelen 1 en 2 van het Internationale Verdrag inzake de Uitbanning van Rassendiscriminatie.

11.1.

De rechtbank verwijst naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van

30 december 2020. In deze uitspraak heeft de Afdeling, onder verwijzing naar de desbetreffende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), overwogen dat de vraag moet worden beantwoord of voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat en dat bij beantwoording van die vraag moet worden beoordeeld of (1) het onderscheid een legitiem doel dient en (2) het onderscheid een geschikt middel is voor het bereiken van dat doel en (3) of tussen het middel en het doel een redelijke mate van evenredigheid bestaat. Met betrekking tot de eerste vraag heeft de Afdeling overwogen dat op zichzelf bezien de intrekkingsgrond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van het RWN op iedereen kan worden toegepast die voor de in die bepaling bedoelde misdrijven is veroordeeld. Indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn, staan het Staatloosheidsverdrag en artikel 7, derde lid, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (hierna: EVN) echter aan de maatregel in de weg, omdat het bij het EVN aangesloten staten niet is toegestaan staatloosheid te veroorzaken in andere gevallen dan die het verdrag toestaat. De doelstelling van het in artikel 14, achtste lid, van de RWN neergelegde verbod, te weten het voorkomen van staatloosheid, is legitiem omdat het voorkomen van staatloosheid een verdragsrechtelijke plicht is, die impliceert dat staten personen met één nationaliteit anders moeten behandelen dan personen met meerdere nationaliteiten. Daarentegen is er geen verdragsrechtelijk verankerd recht op meerdere nationaliteiten. Verder heeft de Afdeling (2) overwogen dat de intrekking een geschikt middel is om de hiervoor vermelde doelstelling te bereiken en (3) dat in elk individueel geval een evenredigheidsbeoordeling wordt gemaakt. De Afdeling heeft geoordeeld dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het verbod op directe of indirecte discriminatie in de zin van artikel 14, in samenhang met artikel 8 van het EVRM, artikel 21 van het Handvest van de EU en de artikelen 5 en 17 van het EVN en het Staatloosheidsverdrag.

11.2.

De rechtbank ziet in het door eiser gevoerde betoog geen reden om van dit oordeel af te wijken. Voor zover eiser stelt dat het Staatloosheidsverdrag een uitzondering maakt op het voorkomen van staatloosheid in het geval dat een persoon met slechts één nationaliteit zich schuldig maakt aan het handelen in strijd met de belangen van de lidstaat, zoals het plegen van een terroristisch misdrijf, kan dat in deze zaak niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank stelt vast dat deze in het Staatloosheidsverdrag opgenomen uitzondering op het voorkomen van staatloosheid van een persoon alleen van toepassing is indien Nederland ten tijde van de toetreding tot het Staatsloosheidsverdrag in de nationaliteitswetgeving reeds het recht had iemand zijn nationaliteit te ontnemen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat Nederland destijds in de nationaliteitswetgeving geen uitzonderingsclausule had waardoor Nederland zich bij toetreding tot het Staatloosheidsverdrag niet kon beroepen op een voorbehoud. Bovendien laat het Staatloosheidsverdrag eventuele bepalingen, die in nog sterkere mate de beperking der staatloosheid bevorderen en zijn opgenomen, hetzij in de wetgeving van een der Verdragsluitende Staten, hetzij in een Verdrag, overeenkomst of regeling tussen twee of meer Verdragsluitende Staten, onverlet. Verweerder heeft zich ter zitting dan ook terecht op het standpunt gesteld dat Nederland zich heeft aangesloten bij het EVN en dat verdrag staat geen staatloosheid toe.

11.3.

Van belang is dat het onderwerp verlenen of verliezen van nationaliteit behoort tot de bevoegdheid van de soevereine staat. Deze bevoegdheid wordt begrensd in het geval een intrekking ervan tot staatloosheid leidt. Als iemand een dubbele nationaliteit heeft is deze grens er niet. De wetgever heeft terrorisme als zodanig ernstig gezien dat de intrekking van nationaliteit bij wet is voorzien en een passende maatregel is gezien het doel, het verbreken van de banden met Nederland. Dat intrekking van het Nederlanderschap bij één nationaliteit niet mogelijk is, betekent niet dat het bij twee nationaliteiten ook nagelaten moet worden. De rechtbank acht dit onderscheid gezien het vorenstaande gerechtvaardigd. Dat geldt ook voor zover uitvoering van de regeling indirect onderscheid met zich brengt naar ras, etnische afkomst en religie. Ook zijn er, anders dan eiser betoogt, zeer gewichtige redenen, op grond waarvan het onderscheid noodzakelijk is. De doelstelling, het tot uitdrukking brengen dat eiser zich door het plegen van een terroristisch misdrijf zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat tot uitdrukking moet worden gebracht dat de banden met Nederland niet langer kunnen bestaan, is een objectieve en redelijke rechtvaardiging, op zichzelf legitiem en strookt met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN en artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, sub ii, van het Staatloosheidsverdrag. Die bepalingen voorzien uitdrukkelijk in intrekking van de nationaliteit wegens gedrag dat de essentiële belangen van de verdragsstaat ernstig schaadt. Gelet op de hiervoor gegeven uiteenzetting kan het door eiser aangehaalde rapport van de Rapporteur van de VN niet tot een ander oordeel leiden.

Ne bis in idem- Criminal charge

12. Eiser heeft betoogd dat het intrekken van het Nederlanderschap kan worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit maakt de intrekkingsmaatregel een dubbele bestraffing, omdat hij reeds is veroordeeld door de strafrechter. De intrekkingsmaatregel is daardoor in strijd met artikel 4 van het Zevende Protocol van het EVRM. Naar de mening van eiser is verweerder ook hier onvoldoende ingegaan op zijn betoog door te verwijzen naar het intrekkingsbesluit en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:9682).

12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een dubbele bestraffing geen sprake. In de uitspraak van 30 december 2020, waarbij onder meer is verwezen naar het arrest Ghoumid e.a. tegen Frankrijk van het EHRM van 25 juni 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316) heeft de Afdeling geoordeeld dat de intrekking van het Nederlanderschap naast de strafrechtelijke veroordeling niet een tweede punitieve sanctie voor dezelfde gedraging is. Hierbij is getoetst aan de drie criteria die het EHRM heeft geformuleerd in paragraaf 82 van het arrest Engel e.a. tegen Nederland van het EHRM van

8 juni 1976 (ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071). Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief, maar kunnen wel in onderlinge samenhang worden bezien.

12.2.

De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de Afdeling (1) dat de maatregel naar Nederlands recht niet strafrechtelijk, maar bestuursrechtelijk is, (2) de aard van de overtreding en het doel van de maatregel tot uitdrukking brengen dat de band met Nederland niet langer kan bestaan en dat daarbij een evenredigheidsbeoordeling plaatsvindt, en (3) dat de maatregel - naar objectieve maatstaven - niet is gericht op leedtoevoeging. Hierbij zij opgemerkt dat de rechtbank niet meegaat in de redenering van eiser dat de intrekking van het Nederlanderschap ook tot doel heeft de staatsveiligheid te dienen. Dit komt uit de wetstoelichting en de aangehaalde jurisprudentie niet naar voren, ook niet als de aspecten in combinatie met elkaar worden gezien. Dit maakt dat de doelen van de strafrechtelijke maatregelen (onder meer generale en specifieke preventie en bestraffing) wezenlijk anders zijn dan het doel van de huidige maatregel, waarmee ook de zwaarte ervan, niet zodanig is dat die maatregel alsnog als punitief moet worden aangemerkt. Ook is geen sprake van een vergelijkbare situatie met de genoemde EHRM-arresten. Weliswaar is in dit geval sprake van twee reacties op hetzelfde feit, maar er is gezien het vorenstaande geen sprake van een dermate grote samenhang tussen beide procedures dat van één samenhangende reactie of procedure moet worden gesproken. Omdat de maatregel niet als punitief wordt aangemerkt, is geen sprake van dubbele bestraffing en staat het ne-bis-in-idembeginsel niet in de weg aan de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Essentiële belangen en evenredigheid, proportionaliteit, belangenafweging en 3 EVRM

13. Eiser heeft betoogd dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er sprake zou zijn van gedrag dat de essentiële belangen van de Nederlandse Staat schaadt. Eiser ondergaat weliswaar een gevangenisstraf, maar deze is niet zodanig hoog dat daaruit reeds kan worden afgeleid dat sprake is van een blijvend gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk. Het betreft verder geen voltooid delict, maar voorbereidingshandelingen die bovendien niet gericht waren op Nederland maar op het grondgebied buiten de Europese Unie.

13.1.

Uit het wetsvoorstel “Wijziging van de rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven” (Kamerstukken 34 016) volgt dat alle misdrijven die grond kunnen zijn voor de intrekking van het Nederlanderschap misdrijven zijn die de essentiële belangen van de Nederlandse Staat ernstig schaden en dat er dan ook weinig ruimte is om af te zien van de intrekking van het Nederlanderschap. De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking. De duur van de straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Alleen in het geval van een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in het geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding vormt af te zien van intrekking van het Nederlanderschap. Uit het arrest van het gerechtshof van 2 oktober 2017 blijkt dat de kans op recidive hoog wordt ingeschat. Eiser heeft aangegeven dat nu hij niet kon uitreizen naar het strijdgebied, hij het martelaarschap in Nederland wil behalen. Verder heeft de reclassering ingeschat dat er risico is op letselschade voor willekeurige personen in de vorm van een aanslag in Nederland. Volgens het reclasseringsadvies van 14 september 2017 begeeft eiser zich al lang in een netwerk van personen die sympathiseren met Jahbat al Nusra, IS e.d. Verder is eiser bij besluit van 30 januari 2019 aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een gevangenisstraf van drie jaar niet dusdanig laag hoeven achten dat er gesproken kan worden van een bijzondere omstandigheid. Uit het arrest van

2 oktober 2017 blijkt niet dat eiser (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Het gerechtshof heeft daarbij de rapportage betrokken van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voorbereidingshandelingen ook kunnen worden aangemerkt als terroristische misdrijven. Voor zover eiser stelt dat de door hem gepleegde handelingen waren gericht op gebieden buiten de Europese Unie, kan eiser hierin niet worden gevolgd. De rechter heeft in het arrest van 2 oktober 2017 in aanmerking genomen dat eiser zich wilde aansluiten bij IS en dat deze terroristische organisatie zich ook richt op Westerse landen en niet enkel op Syrië en Irak.

14. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij het intrekken van het Nederlanderschap geen rekening heeft gehouden met zijn zeer persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.

Het is verweerder bekend dat eiser een asielverleden heeft, dat hij op tienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en nadien niet meer is teruggekeerd naar Irak. Hij verblijft bijna twintig jaar in Nederland, is hier naar school gegaan, heeft hier zijn sociaal netwerk opgebouwd en heeft hier betaalde arbeid verricht. Volgens eiser zijn de banden met Nederland sterker dan met Irak. Hij kan bovendien – anders dan in de zaak die voorlag bij de Afdeling in de uitspraak van 30 december 2020 – niet terugkeren naar Irak vanwege een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Hij kan evenmin naar zijn echtgenote in Pakistan want hij heeft geen papieren. Pakistan verstrekt hem geen papieren omdat hij zich daarvoor in Pakistan zelf dient te bevinden. Deze omstandigheden had verweerder ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 2 maart 2010 inzake Rottmann (ECLI:EU:C:2010:104) en het arrest van 29 maart 2019 inzake Tekdemir (ECLI:EU:C:2017:239), moeten betrekken bij de beoordeling van de evenredigheid. Eiser bevindt zich in de situatie dat hij geen kant op kan. Hij kan niet vertrekken uit Nederland en de Europese Unie, maar hij kan ook niet terugkeren naar Irak waarvan hij verondersteld wordt de nationaliteit te hebben. Verder had verweerder bij de evenredigheidstoets moeten beoordelen of het intrekken van het Nederlanderschap noodzakelijk is om het beoogde resultaat te bereiken.

14.1.

Ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap heeft eiser verwezen naar voornoemd arrest van het Hof van 2 maart 2010 inzake Rottmann. Naar de mening van eiser dient ook te worden beoordeeld of zijn gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Ten onrechte heeft verweerder dit niet getoetst. Naar de mening van eiser valt niet in te zien dat een dergelijke actualiteitstoets wel gemaakt dient te worden bij bijvoorbeeld een Pool, die een paar jaar in Nederland heeft verbleven, en die Nederland dient te verlaten. Eiser verzoekt de rechtbank daarom in een prejudiciële procedure aan het Hof voor te leggen of bij de intrekking van het Unieburgerschap in het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets ook, en onder meer, gekeken dient te worden of het gedrag van eiser een actuele bedreiging vormt zoals opgenomen in Richtlijn 2004/38. Verder is eiser van mening dat de door hem gepleegde strafbare feiten gedateerd zijn. Het laatste strafbare feit zou in 2015 zijn gepleegd. Eiser had toen al tien jaar de Nederlandse nationaliteit voordat verweerder besloot het Nederlanderschap in te trekken. Er is dus geen sprake van een situatie waarbij de feiten zich kort na verlening of zelfs tijdens de verleningsprocedure hebben voorgedaan. Tot slot heeft eiser zich op standpunt gesteld dat verweerder – in tegenstelling tot het arrest Ghoumid tegen Frankrijk (ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316) – eerst de rechtsgevolgen van de intrekking had moeten beoordelen en daarna had moeten beoordelen of de intrekking arbitrair was. Verwezen wordt naar het arrest Usmanov van 22 december 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:1222).

15. De rechtbank is – anders dan eiser – van oordeel dat verweerder ingevolge artikel 68a van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt waarin hij alle door eiser aangevoerde omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft vervolgens mogen concluderen dat deze omstandigheden niet opwegen tegen het feit dat eiser de essentiële belangen van het Koninkrijk heeft geschaad door het plegen van een terroristisch misdrijf. Daarbij heeft verweerder mede mogen betrekken dat eiser door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van

22 oktober 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:8237) opnieuw is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. De rechtbank heeft eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, omdat hij heeft deelgenomen aan een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, diefstal en oplichting. Voor zover eiser wordt gevolgd in zijn betoog dat hij niet kan terugkeren naar Irak op grond van artikel 3 van het EVRM, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat dit geen reden vormt om niet tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan. Door het plegen van een terroristisch misdrijf is de band van eiser met Nederland dusdanig verbroken dat die band niet meer bestaat. Daarom is het niet relevant is of eiser bij terugkeer naar Irak gevaar loopt.

Aan artikel 3 van het EVRM kan wel worden getoetst in de vreemdelingenrechtelijke verblijfsprocedure.

16. Met betrekking tot hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, overweegt de rechtbank allereerst dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij zo snel mogelijk wil vertrekken uit Nederland en de Europese Unie. Nog afgezien van de vraag welk belang eiser heeft bij het behoud van zijn Unieburgerschap, is de rechtbank ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder bij het verlies van het Unieburgerschap ook had moeten beoordelen of van eiser nog steeds een actueel gevaar uitgaat, van oordeel dat eiser in dit betoog niet kan worden gevolgd. Zoals al onder 9.1 is overwogen is de band tussen eiser en Nederland verbroken door het door eiser gepleegde terroristische misdrijf. In dergelijke zaken speelt de actualiteit van het gevaar dat van de persoon uitgaat geen doorslaggevende rol. Het gevaar vindt zijn grondslag in het terroristisch misdrijf dat in het verleden is gepleegd. Gelet hierop ziet de rechtbank in het door eiser gevoerde betoog geen aanleiding tot het stellen van het prejudiciële vragen aan het Hof.

Daar komt bij dat – anders dan eiser beoogd te stellen – de openbare orde niet in alle gevallen een rol speelt in een procedure tot intrekking van de nationaliteit. Verwezen wordt naar het arrest van het Hof van 12 maart 2019 inzake Tjebbes (ECLI:EU:C:2019:189).

16.1.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder eerst de rechtsgevolgen van de intrekking had moeten beoordelen, zoals in het arrest Usmanov – en daarna had moeten beoordelen of de intrekking arbitrair was, overweegt de rechtbank als volgt. In het arrest Usmanov ging het om een persoon van wie het Russisch Staatsburgerschap werd herroepen, nadat hij zich tien jaar geleden met zijn gezin in Rusland had gevestigd. Als gevolg hiervan verloor hij zijn identiteitsdocumenten en werd hij Rusland uitgezet onder oplegging van een inreisverbod. Vanwege de verregaande gevolgen van deze beslissing stelt het Hof in de eerste plaats vast dat de afname van burgerschap een inbreuk maakte op het privé- en gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM. In een tweede stap gaat het Hof na of deze beslissing van de Russische autoriteiten een willekeurig karakter had. Volgens het Hof had de beslissing een grondslag in de nationale wetgeving, maar was zij er niet van overtuigd dat deze ook voldoende duidelijk was. Hierdoor was er sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. In de zaak van eiser is reeds overwogen dat de door eiser gestelde belangen niet kunnen opwegen tegen de belangen van de Staat wier essentiële belangen zijn geschonden door het gepleegde terroristische misdrijf. Verder heeft de intrekking een wettelijke grondslag die voldoende duidelijk is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de benadering zoals beschreven in het arrest Usmanov, niet tot een andersluidend standpunt had kunnen leiden aan de zijde van verweerder.

Verdragsrechtelijke bepalingen

17. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of de intrekking in strijd is met artikel 3 en artikel 8 van het EVRM, artikel 3 van Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (hierna: het Anti-Folterverdrag), artikel 7, artikel 17 en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Anders dan verweerder stelt is artikel 8 van het EVRM ook van belang bij de intrekking van de nationaliteit. Hoewel deze verdragsbepaling geen recht geeft op het verkrijgen van een bepaalde nationaliteit, heeft het EHRM in meerdere zaken vastgesteld dat het onthouden van een nationaliteit wel een inmenging in het recht op het privéleven kan zijn als daarbij sprake is van willekeur. Door enkel te stellen dat er alleen in het geval van een willekeurige beslissing een succesvol beroep op artikel 8 van het EVRM kan worden gedaan, miskent verweerder dat het EHRM in veel ruimere mate de bescherming van artikel 8 van het EVRM in dit soort zaken betreft. Eiser is verder van mening dat hij dermate lang in Nederland verblijft dat het voorgenomen besluit een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht op privé- en gezinsleven.

18. De rechtbank overweegt allereerst dat aan artikel 8 van het EVRM of enig andere bepaling van het EVRM geen recht kan worden ontleend bij de verkrijging van een bepaalde nationaliteit. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van

25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV9435). Voorop staat, zoals onder 11.3 reeds is weergegeven, dat het verlies van het Nederlanderschap een nationale bevoegdheid is van de lidstaat. De rechtbank overweegt verder dat een beroep op artikel 8 van het EVRM in beginsel thuishoort in een vreemdelingenrechtelijke verblijfsprocedure en niet in een procedure tot intrekking van het Nederlanderschap. Dit is slechts anders wanneer er sprake is van willekeur. In onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de beperkingen in de door artikel 8 van het EVRM en diens equivalent in artikel 17 van het IVBPR, en artikel 19 IVBPR gewaarborgde rechten enkel zijn toegestaan wanneer deze bij wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn. Dat is in deze zaak het geval. De intrekkingsmaatregel is immers gebaseerd op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. Van willekeur is geen sprake. Daar komt bij dat eiser in de gelegenheid is gesteld rechtsmiddelen in te dienen tegen de intrekking, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt.

18.1.

Meer toegespitst op artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat het Hof in de zaak Ghoumid e.a. tegen Frankrijk heeft geoordeeld dat de intrekking van de nationaliteit alleen dat deel van het privéleven raakt dat onderdeel uitmaakt van de sociale identiteit. De rechtbank deelt in dat verband het standpunt van verweerder dat wanneer een persoon terroristische misdrijven pleegt, zijn privéleven niet langer onderdeel uitmaakt van zijn Nederlandse sociale identiteit. Gelet hierop kan eiser geen geslaagd beroep doen op artikel 8 van het EVRM.

18.2.

Voor een bespreking van artikel 3 EVRM (en impliciet artikel 3 van het Anti-Folterverdrag en artikel 4 van het Handvest) verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 15 heeft overwogen.

Rechtsgevolgen van de intrekking

19. Eiser heeft betoogd dat de intrekking in strijd is met artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. De rechtsgevolgen van de intrekking treden direct in werking en het indienen van bezwaar of beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening roept niet het gevolg in het leven dat de rechtsgevolgen worden opgeschort. Eiser ondervindt hiervan direct de nadelige gevolgen. Het aanwenden van rechtsmiddelen brengt daar geen verandering in. Eiser is daarom van mening dat hem geen daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel ter beschikking staat. Eiser verwijst in dat verband naar de Tunis Conclusions van het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen en de Involuntary Loss of European Citizenship richtlijnen. In deze conclusies en richtlijnen is bepaald dat intrekkingsmaatregelen eerst effect dienen te hebben nadat de rechtsmiddelen die daartegen mogelijk kunnen worden aangewend, zijn uitgeput. De enkele stelling van verweerder dat eiser een verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen en dat een gunstige uitspraak schorsende werking kan geven aan het voor eiser nadelige besluit, betekent niet dat niet in strijd wordt gehandeld met de hiervoor genoemde conclusions en richtlijnen en dat er sprake zou zijn van een effectief rechtsmiddel. Immers, de schorsende werking geldt pas vanaf de uitspraak van de voorzieningenrechter en niet reeds daarvoor.

19.1.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat schorsende werking is onthouden aan het indienen van bezwaar, beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening, onverlet laat dat eiser tegen de intrekking bezwaar en beroep heeft kunnen instellen en de voorzieningenrechter heeft kunnen verzoeken om aan het bezwaar schorsende werking toe te kennen door middel van het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening. Onder verwijzing naar het procesverloop bij deze uitspraak overweegt de rechtbank dat eiser zulks ook heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte eiser derhalve over effectieve rechtsmiddelen tegen de intrekking. Uit artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest vloeit niet voort dat het ingediende rechtsmiddel direct de nadelige gevolgen van het (intrekkings)besluit dient op te schorten. De door eiser aangehaalde documenten bieden geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.

Conclusie

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser heeft mogen overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen af te zien van deze intrekking is de rechtbank niet gebleken.

21 Het beroep is daarom ongegrond.

22 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken (voorzitter), en mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 mei 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 3 van het EVRM

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 8 van het EVRM

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 3 van het Anti-Folterverdrag

1. Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden („refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.

2. Bij het vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten.

Artikel 7 van het IVBPR

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. In het bijzonder mag niemand, zonder zijn in vrijheid gegeven toestemming, worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten.

Artikel 17 van het IVBPR

1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.

2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.

Artikel 19 van het IVBPR

1. Een ieder heeft het recht zonder inmenging een mening te koesteren.

2. Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze.

3. Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde rechten zijn bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden. Deze kan derhalve aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen beperkingen die bij de wet worden voorzien en nodig zijn:

(a)in het belang van de rechten of de goede naam van anderen;

(b)in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden.

Artikel 7 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit.

(..)

(..)

3. Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit ingevolge het eerste en tweede lid van dit artikel indien de betrokken persoon daardoor staatloos zou worden, behoudens in de gevallen genoemd in het eerste lid, letter b, van dit artikel.

Artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

(..)

2. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:

(..)

b. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.

(..)

(..)

(..)

(..)

(..)

8. Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.

Nadere regels met betrekking tot de RWN zijn neergelegd in de Handleiding

Rijkswet op het Nederlanderschap 2003.

Artikel 68a Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet houdt Onze Minister onder meer rekening met:

a. de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap, indien dit ten gevolge van de intrekking van het Nederlanderschap optreedt;

b. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, voor zover deze relevant zijn voor het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap.