Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4286

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
03/122707-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel op 2 mei 2020 in de gemeente Sittard-Geleen:

Aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Verdachte heeft bij het kruispunt het rode verkeerslicht (dat al 11,3 seconden rood licht uitstraalde) en de overstekende fietser niet gezien, terwijl hij die wel had kunnen en moeten zien. Veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen hechtenis en een rijontzegging voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/122707-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.J.M. Drykoningen, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 mei 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door zich zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (primair),

dan wel dat hij met zijn personenauto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt (subsidiair).

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat zij bewezen acht het zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van de verdachte en dat de gevolgen van dat handelen bij het slachtoffer [slachtoffer] hebben geleid tot zwaar lichamelijk letsel.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat er geen sprake is van schuld van de verdachte in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op zaterdag 2 mei 2020 heeft omstreeks 07.35 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de afrit van de Provincialeweg N297 Gelders Eind, ter hoogte van de kruising met de Limbrichterweg, gelegen buiten de bebouwde kom van Sittard in de gemeente Sittard-Geleen. Bij dit ongeval is de verdachte met een door hem bestuurde bestelauto (Mercedes-Benz) tegen een racefiets, bestuurd door het slachtoffer [slachtoffer] , aangereden. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze aanrijding letsel opgelopen. Hij werd per ambulance naar het ziekenhuis in Maastricht gebracht.2

Verkeersongevallenanalyse (VOA) en bevindingen ter plaatse

Uit het onderzoek door de VOA is gebleken dat het ten tijde van het ongeval op 2 mei 2020 omstreeks 07.35 uur licht en droog was. Het wegdek was vochtig ten gevolge van regenval eerder die dag. De aanrijding vond plaats op het kruisingsvlak gelegen op de afrit van de Provincialeweg N297 Gelders Eind, ter hoogte van de kruising met de Limbrichterweg. Ter plaatse geldt een maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Het verkeer werd geregeld middels driekleurige verkeerslichten.

Het voertuig waarin de verdachte reed, een bedrijfsauto van het merk Mercedez-Benz 639 Vito, reed kort voor de aanrijding met een gemiddelde indicatieve snelheid gelegen tussen de 58 en 61 kilometer per uur. Het zicht van de verdachte werd slechts in zeer geringe mate beperkt door de metalen ‘railing’ van het viaduct en door straatmeubilair aan de rechterkant van de rijbaan van de Limbrichterweg.

De fietser, zijnde het slachtoffer, is frontaal met de rechter voorzijde van de fiets tegen de linker flank van de bedrijfsauto aangereden. Het rechter uiteinde van de as van het voorwiel van de fiets is zodoende in aanraking gekomen met de velg van het linker voorwiel van de bedrijfsauto. Door de voorwaartse snelheid van de bedrijfsauto werd de voorzijde van de fiets tijdens de botsing naar links weggedrukt. Hierdoor kwam het slachtoffer met de rechterzijde van zijn lichaam en met de rechterflank van de fiets (band van achterwiel) in aanraking met de linker flank van de bedrijfsauto.

Uit de analyse van de verkeersregelinstallatie volgt dat de bestuurder van de bedrijfsauto de stopstreep is gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 11,3 seconden rood licht uitstraalden. Het slachtoffer is de stopstreep gepasseerd terwijl het voor hem geldende verkeerslicht minimaal 2,9 seconden groen licht uitstraalde. Het slachtoffer werd op het kruisingsvlak plotseling geconfronteerd met de voor hem rechts naderende bedrijfsauto en kon een aanrijding met deze bedrijfsauto niet meer voorkomen. De verdachte had het ongeval wél kunnen voorkomen, indien hij gevolg had gegeven aan het voor hem geldende en rood licht uitstralende verkeerslicht en hij zijn voertuig voor de stopstreep tot stilstand had gebracht.3

Op het moment dat de verkeerslichten op de Haspelsebaan en de Limbrichterweg groen licht uitstralen, zijn de verkeerslichten op de afrit van de Provincialeweg N297 Gelders Eind roodgekleurd. De verkeerslichten zijn duidelijk zichtbaar vanaf de kruising Gelders Eind, Haspelsebaan, Limbrichterweg, kijkend in de richting van Sittard.4

Getuigenverklaring

Getuige [naam] heeft verklaard dat hij op 2 mei 2020 op de Hasseltsebaan in de richting van Sittard reed. Op het moment dat hij voor het voor hem geldende rode verkeerslicht wachtte, zag hij aan zijn rechterkant op de Limbrichterweg (de ventweg naast de Hasseltsebaan) een fietser. Hij zag dat het verkeerslicht voor de fietser op groen stond en dat de fietser de kruising overstak. Het verkeerslicht voor [naam] veranderde naar groen, waarna hij verder reed. Hij zag dat het volgende verkeerslicht voor de fietser ook groen was. Dat betrof het verkeerslicht waar even later het ongeval is gebeurd. [naam] reed verder in de richting van Sittard en zag dat een busje op de afrit naar de Hasseltsebaan vanuit de richting Born kwam gereden. Het busje reed niet overdreven hard. Direct daarna zag hij het busje slingeren en zag hij de fietser op de weg liggen. Hij heeft de aanrijding zelf niet gezien. [naam] heeft zijn auto vervolgens stilgezet op de rijbaan en de hulpdiensten gebeld. Hij zag dat de verdachte ontdaan was en hoorde hem zeggen: “Wat heb ik gedaan”.5

Letsel slachtoffer

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval onder andere ernstig schedelhersenletsel (te weten een schedelbasisfractuur, een bloeduitstorting tussen het harde hersenvlies en het schedelbot, en hersenkneuzingen), uitgebreid aangezichtsletsel (bestaande uit een fractuur van het uitstekende bot achter het oor, een fractuur van een tweetal beenderige structuren tussen het achterhoofd en de bovenkant van de eerste wervel, en een fractuur van een halswervel) waaraan hij op 18 mei 2020 is geopereerd, een fractuur van het rechter sleutelbeen, en lange termijn stoornissen van de cognitieve functies opgelopen. De geschatte genezingsduur bedraagt volgens de neurochirurg op 14 juli 2020 één jaar.6

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 2 mei 2020 als bestuurder van een personenauto op de afrit van de Provincialeweg N297 Gelders Eind ter hoogte van de kruising met de Limbrichterweg betrokken is geweest bij een verkeersongeval.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Er moet met andere woorden ten minste sprake zijn van een aanmerkelijke schuld. Daarvoor moet gekeken worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan.7 Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.

De rechtbank is van oordeel dat, als wordt gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, sprake is van aanmerkelijke schuld aan het ongeval op 2 mei 2020 aan de zijde van de verdachte. De rechtbank stelt in dat verband vast dat de verdachte met een snelheid tussen de 58 en 61 kilometer per uur reed toen hij de kruising naderde. De verdachte heeft daarmee zijn snelheid bij de kruising niet voldoende aangepast aan de omstandigheden, terwijl het verkeerslicht voor zijn richting reeds 11,3 seconden rood licht uitstraalde. Gelet op het feit dat het verkeerslicht al 11,3 seconden op rood stond, en het daarvóór waarschijnlijk ook nog enige tijd op oranje moet hebben gestaan, maakt dat niet meer gesproken kan worden van een tijdelijke, dat wil zeggen kortdurende onvoorzichtigheid of onoplettendheid. De verdachte heeft, door onvoldoende vaart te minderen en door rood te rijden, niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse. Tevens heeft hij niet gezien dat het slachtoffer de weg overstak. Als gevolg daarvan heeft het ongeval plaatsgevonden. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft hierdoor onder andere ernstig schedelhersenletsel, uitgebreid aangezichtsletsel, een fractuur van het rechter sleutelbeen, en lange termijn stoornissen van de cognitieve functies opgelopen. Gelet op de aard van dit letsel, de noodzaak van medisch (operatief) ingrijpen en de geschatte genezingsduur, merkt de rechtbank dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, waardoor door zijn schuld een verkeersongeval werd veroorzaakt waarbij het slachtoffer [slachtoffer] zwaar gewond is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende omstandigheden aanwezig zijn die maken dat kan worden gesproken van aanmerkelijke schuld. De verdachte heeft niet alleen het rode stoplicht niet gezien, maar hij heeft tevens niet gezien dat het slachtoffer de weg overstak. De verdachte had zijn snelheid aan de omstandigheden moeten aanpassen en beter op de weg voor hem moeten letten. Het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om goed op de verkeerslichten en de weg voor hem te letten.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. feit 1 primair:

op 2 mei 2020 in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de Provincialeweg N297 - Gelders Eind, komende uit de richting Born en gekomen bij de kruising van die Provincialeweg met de Limbrichterweg, op welke kruising het verkeer wordt geregeld middels een driekleurig verkeerslicht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden op het moment dat een voor hem, verdachte, van links over de Limbrichterweg komende fietser reeds die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en die fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , althans diens fiets.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

t.a.v. feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij is daarbij uitgegaan van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag en de daarbij behorende strafmaat categorie van ernstige schuld aan de zijde van de verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een strafoplegging voor het primair tenlastegelegde feit aangesloten dient te worden bij de categorie ‘aanmerkelijke schuld’ van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voorts verzoekt de raadsman om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn broze medische gesteldheid, zijn slechte financiële omstandigheden, de psychische gevolgen die de gebeurtenis heeft gehad voor de verdachte, het feit dat de verdachte nooit eerder wegens verkeersfeiten in aanraking is gekomen met politie en justitie en het feit dat zijn rijbewijs reeds 6 maanden ingehouden is geweest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Hij is met onvoldoende aangepaste snelheid een kruising opgereden waar fietsers de weg moeten oversteken en heeft daarbij een verkeerslicht, dat al 11,3 seconden rood licht uitstraalde, niet gezien. Ook heeft hij de overstekende fietser op zijn rijbaan niet gezien. Als gevolg hiervan heeft hij die fietser aangereden, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen .

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de gezondheidstoestand van de verdachte, die door diabetes, hartproblemen en hoge bloeddruk zorgwekkend is te noemen. Voorts wil de rechtbank opmerken dat dit ongeval louter verliezers kent. Ook de verdachte heeft het verkeersongeval niet gewild. Het ongeval en de ernstige gevolgen hiervan voor het slachtoffer hebben een grote impact op hem gehad. De rechtbank waardeert de houding van de verdachte en de woorden die hij ter terechtzitting over het slachtoffer heeft geuit. Bovendien heeft hij verklaard nog geregeld telefonisch contact te hebben met het slachtoffer en diens moeder.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 19 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens verkeersmisdrijven, ondanks het feit dat hij reeds 40 jaren in het bezit is van een rijbewijs en vanwege zijn werk tot 2015 zo’n 100.000 kilometer per jaar reed.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, neergelegd in de LOVS oriëntatiepunten. Daarin is uitgangspunt voor het door “aanmerkelijke schuld” veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij er bij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren, tezamen met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Gelet op voornoemde feiten en persoonlijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden is, met daarbij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd waarin de rijbevoegdheid reeds aan de verdachte is ontzegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

  • -

    ontzegt aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest, bij de uitvoering van deze rijontzegging in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. R. Verkijk en mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.A. Colen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2021.

Buiten staat

Mr. N.H.W. Montulet-van der Meer en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmede rijdende over de weg, Provincialeweg N297 - Gelders Eind, komende uit

de richting Born en gekomen bij de kruising van die Provincialeweg met de

Limbrichterweg, op welke kruising het verkeer wordt geregeld middels een

driekleurig verkeerslicht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer]

, zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij,

verdachte,

in strijd met een voor hem, verdachte, geldend, rood licht uitstralend driekleurig

verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden op het moment dat een voor hem,

verdachte, van links over de Limbrichterweg komende fietser reeds dicht was

genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan

met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die fietser, zijnde voornoemde

[slachtoffer] , althans diens fiets;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen als

bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,

Provincialeweg N297 - Gelders Eind, komende uit de richting Born en gekomen bij

de kruising van die Provincialeweg met de Limbrichterweg, op welke kruising het

verkeer wordt geregeld middels een driekleurig verkeerslicht,

in strijd met een voor hem, verdachte, geldend, rood licht uitstralend driekleurig

verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden op het moment dat een voor hem,

verdachte, van links over de Limbrichterweg komende fietser reeds dicht was

genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond,

waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan

met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die fietser, althans diens fiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, Afdeling Infrastructuur, Team Verkeer, proces-verbaalnummer PL2300-2020067336, gesloten d.d. 15 oktober 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 204.

2 Een proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 15 oktober 2020, pagina’s 2 tot en met 5.

3 Een proces-verbaal van VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 7 oktober 2020, pagina’s 51 tot en met 65, met bijlagen van pagina 68 tot en met 181, in samenhang bezien met een verkort proces-verbaal van analyse VRI data d.d. 22 juli 2020, pagina’s 185 tot en met 189.

4 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2020, pagina 38.

5 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 7 mei 2020, pagina’s 35 en 36.

6 Een ander geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van de neurochirurg d.d. 14 juli 2020, ongenummerd, in samenhang bezien met een ander geschrift, te weten een brief van de neurochirurg aan de revalidatiearts d.d. 11 mei 2020, pagina 32.

7 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.