Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4261

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
C/03/287432 / HA ZA 21-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex art. 843a Rv. toewijzen op kosten van eiser in incident

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/287432 / HA ZA 21-36

Vonnis in incident bij vervroeging van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van TUSCHO B.V.,

kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. D.E.A.F. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] ,

tegen

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.H.S. Verhoeven.

Partijen zullen hierna [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 30,

  • -

    de incidentele conclusie houdende vordering tot het overleggen van bescheiden ex art. 843a Rv met producties 1 t/m 4,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het incident houdende vordering tot het overleggen van bescheiden ex artikel 843a Rv.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de incidentele vordering uit van de volgende feiten:

2.2.

Bij vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2017 werd de op 31 januari 2017 ten aanzien van Tuscho B.V. (hierna: Tuscho) uitgesproken surséance van betaling ingetrokken en werd gelijktijdig het faillissement van Tuscho uitgesproken met aanstelling van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] tot curator en met benoeming van mr. J.J. Groen tot rechter-commissaris. Volgens de gegevens van het Centraal Insolventieregister is mr. B.R.M. de Bruijn per 6 maart 2020 (opvolgend) rechter-commissaris.

2.3.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] was in de periode 9 maart 1996 tot 8 januari 2016 bestuurder van Tuscho. Op 8 januari 2016 is [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] als statutair directeur teruggetreden en is de heer [naam statutair directeur] als zodanig benoemd.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

In de hoofdzaak voert [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] aan dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] primair ex art 2:248 BW aansprakelijk is voor het volledige boedeltekort. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] stelt voorts dat er sprake is van schending van de administratie- en de deponeringsplicht en dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] vordert vervolgens dat de rechtbank Limburg bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] zijn taak als bestuurder van Tuscho BV. (i) kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in art. 2:248 BW en (ii) aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement;

2. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] veroordeelt aan de boedel van Tuscho BV. het volledige boedeltekort als bedoeld in art. 2:248 lid 1 BW te voldoen nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf 31 januari 2017 (datum faillissement), dan wel vanaf de dag van het instellen van deze vordering tot de dag der algehele voldoening;

3. voor recht verklaart dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] zijn taak als bestuurder van Tuscho B.V. ten opzichte van Tuscho onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in art. 2:9 BW;

4. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] vanwege deze onbehoorlijke taakvervulling ten opzichte van Tuscho BV. veroordeelt tot vergoeding van de door Tuscho B.V. geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 dan wel vanaf 13 maart 2019 dan wel vanaf het instellen van deze eis tot de dag der algehele voldoening;

5. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] veroordeelt in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

6. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] op voorhand veroordeelt in de nakosten van € 131,00 dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt van € 199,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

7. het in deze zaak te wijzen vonnis waarmerkt als Europese Executoriale Titel.


in het incident

3.2.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. bepaalt dat [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] binnen 10 dagen na het vonnis aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] dient te overleggen, afgeven of een afschrift dient te verstrekken van:
a. e-mails en/of briefcorrespondentie en/of andere documenten in het kader van de aanbestedingen in de periode van 2012 tot en met 2015, waarbij Tuscho op welke wijze dan ook betrokken was;

b. de financiële administratie c.q. boekhouding van Tuscho over het boekjaar 2016, waaronder in elk geval de navolgende stukken:

- een overzicht van de inkomsten en uitgaven,

- een overzicht van de opbrengsten en kosten,

- de door Tuscho met derden aangegane overeenkomsten,

- beëindigde overeenkomsten, waarbij Tuscho partij was;

2. bepaalt dat indien [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] met voldoening in gebreke blijft hij een ineens opeisbare dwangsom van € 10.000,00 ten gunste van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] verbeurt, te vermeerderen met
€ 1.000,00 per dag dat [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] in gebreke zal blijven;

3. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] gunt een nader, in verband met onderhavige incidentele vordering, te bepalen termijn voor het nemen van een conclusie van antwoord;

4. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] veroordeelt in de kosten van dit incident.

3.3.

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] stelt dat het faillissement niet door enig handelen en/of nalaten van hem is veroorzaakt, maar door externe oorzaken. Alvorens te kunnen antwoorden op het in de dagvaarding gestelde, stelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] belang te hebben bij inzage in de ontwikkelingen bij Tuscho in de laatste maanden voor het faillissement. In de dagvaarding wordt ter onderbouwing van stellingen door [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] onder andere gebruik gemaakt van (financiële) administratie van Tuscho uit 2016. Deze administratie is niet als productie overgelegd, terwijl de betreffende bescheiden voor [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] van belang zijn in het kader van het kunnen voeren van verweer. Daarnaast stelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] pogingen te hebben ondernomen om de omzet van Tuscho te verhogen (inschrijving op aanbestedingen) en stelt hij ingegrepen te hebben in de kosten. Ook over deze voor zijn verweer relevante stukken beschikt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] niet.

3.4.

[eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] meent dat de door [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn en dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] rechtmatig belang noch gewichtige redenen heeft bij zijn vordering. Ten aanzien van de aanbestedingsdocumenten stelt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] onder meer dat door [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] weliswaar een lijst met 72 namen is verstrekt maar dat onduidelijk is of er een relatie met Tuscho bestaat en of deze relatie betrekking heeft op een aanbesteding waaraan Tuscho heeft deelgenomen gedurende het gevorderde tijdvak. Daarnaast stelt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] dat zijn vordering met betrekking tot de administratieplicht ziet op de periode van vóór 2016, zodat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] de door hem gevorderde administratie niet nodig heeft in het kader van zijn verweer op dit punt. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] heeft nagelaten te concretiseren van welke onderdelen van de financiële administratie hij voor welk doel inzage wenst. Voorts stelt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] dat het verweer waar [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] bewijs voor zoekt, niet zou kunnen leiden tot de conclusie dat er een andere oorzaak van het faillissement is, zodat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] geen rechtvaardig belang heeft bij zijn vordering. De vordering van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] ziet, volgens [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] , op een “fishing expedition” naar materiaal dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] eventueel zou kunnen gebruiken bij het weerleggen van het wettelijk bewijsvermoeden.

Indien de vordering van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] wordt toegewezen verlangt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] een voorschot op de kosten van € 10.000,00. De administratie van Tuscho is zeer omvangrijk, zodat het opzoeken van de gevorderde gegevens en het maken van afschriften, gelet op de omvangrijke vordering, een tijdrovende klus is. Voor het opleggen van een dwangsom is naar de mening van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] geen plaats.

4
4. De beoordeling

in het incident

4.1.1

[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] grondt zijn vordering op artikel 843a Rv. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] betwist dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van de stukken zoals hiervoor omschreven en stelt verder dat onvoldoende bepaalbaar is in welke stukken [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] inzage wil hebben.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat inzage in de aanbestedingstukken in de periode 2012 t/m 2015 niet relevant kan zijn indien een vordering is gebaseerd op gebrekkige administratie en/of op onvoldoende reactie op omzetdalingen. Het al dan niet met succes een aanbesteding binnen halen, lijkt toch invloed te hebben op de omzet. Het gaat er hierbij niet om wat [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] naar eigen zeggen steekproefsgewijs heeft gevonden, maar om wat zich daadwerkelijk in de stukken van Tuscho bevindt. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] hoeft daarbij geen genoegen te nemen met de resultaten van een door [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] gedane steekproef. De stelling van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] dat er zoveel meter administratie (121 meter) is, maakt niet dat de vordering niet bepaalbaar is: ook een speld laat zich spreekwoordelijk moeilijk vinden in een hooiberg, maar dat maakt de speld niet minder bepaalbaar, alleen maar moelijker te vinden. Kortom: met de omschrijving “e-mails en/of briefcorrespondentie en/of andere documenten in het kader van de aanbestedingen in de periode van 2012 tot en met 2015, waarbij Tuscho op welke wijze dan ook betrokken was” is voldoende bepaald welke stukken Tuscho wil inzien. Dat het zoeken daarna niet eenvoudig is, is niet relevant. Art. 843a Rv kent immers niet als vereiste dat alleen inzage mag worden gevorderd in “eenvoudig te vinden” bescheiden.

4.1.2

Zelfs als waar is dat, zoals [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] schrijft (par. 8.2) “de financiële administratie c.q. boekhouding” geen vast omlijnd begrip is, is een over het jaar 2016 beperkte vordering tot inzage in “de financiële administratie c.q. boekhouding van Tuscho over het boekjaar 2016” waarbij in elk geval als handvat is gegeven “in elk geval (i) een overzicht van de inkomsten en uitgaven, (ii) een overzicht van de opbrengsten en kosten, (iv) de door Tuscho met derden aangegane overeenkomsten en (v) beëindigde overeenkomsten, waarbij Tuscho partij was” voldoende bepaald. Welk resultaat een en ander heeft, is op dit moment niet van belang en zou vooruitlopen betekenen op de uitslag van bewijsvergaring en daarmee kunnen leiden tot een verboden bewijsprognose. Ook aan dat verweer van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] wordt daarom voorbij gegaan.

4.1.3

Afgezet tegen de vordering van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] en de grondslagen daaronder, kan niet worden gezegd dat met de inzagevordering sprake is van een in dit verband ongewenst vissen naar informatie. Nu de gevorderde stukken strekken ter onderbouwing van standpunten van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] ter zake het door hem te voeren verweer, heeft hij rechtmatig belang bij het verkrijgen van afschriften daarvan. Hetgeen nog door [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] is aangevoerd omtrent gewichtige redenen is onvoldoende feitelijk ingekleurd en onderbouwd om over te kunnen oordelen, zodat alleen al daarom daaraan wordt voorbijgegaan.

4.2.

Op grond van art. 843a Rv kan de rechter bepalen op welke wijze de inzage moet worden verschaft. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend afschriften kunnen worden verstrekt, nu hij de administratie compleet wenst te houden. De rechtbank kan zich vinden in het standpunt van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] en zal de vordering met toepassing van lid 2 van art. 843a Rv toewijzen zoals in het dictum is bepaald.

4.3.

Art. 843a BW biedt de rechtbank voorts de mogelijkheid om te bepalen dat [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] pas afschriften hoeft te verstrekken, nadat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] een voorschot op de kosten heeft betaald. De rechtbank acht het redelijk dat er kosten in rekening worden gebracht voor het doorzoeken van de administratie alsmede voor het verstrekken van de afschriften door een faillissementsmedewerker, waarbij tijdens de doorzoeking [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] desgewenst aanwezig mag zijn. De agenda van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] speelt hierbij geen enkele rol; indien hij aanwezig wenst te zijn, heeft hij zich te schikken naar de agenda van de medewerker. De voorzieningenrechter zal het voorschot bepalen op € 10.000,00.

4.4.

Het feit dat dit incident noodzakelijk is, is voldoende aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Het is de rechtbank wat dit betreft onvoldoende duidelijk waarom [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] als curator, een ex-bestuurder wiens bestuurstaak was afgelopen ongeveer een jaar vóór de dag van de faillissementsuitspraak, tegen wie hij een vordering als de onderhavige hoofdzaakvordering heeft ingesteld, niet desnoods onder begeleiding en tegen betaling van een voorschot, al eerder heeft toegestaan in de administratie nader onderzoek te doen tegen de beweerdelijke beschuldigingen. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.5.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering toegewezen met veroordeling van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak

4.6.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 21 juli 2021 voor conclusie van antwoord en opgave verhinderdata voor de bij deze gelaste mondelinge behandeling voor de periode
1 november 2021 tot en met 30 april 2022.

4.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] om binnen vier weken nadat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] een voorschot van € 10.000,00, heeft gestort, afschriften te verstrekken van de navolgende bescheiden, voor zover deze bescheiden ter beschikking staan van [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] :

- e-mails en/of briefcorrespondentie en/of andere documenten in het kader van de aanbestedingen in de periode van 2012 tot en met 2015, waarbij Tuscho op welke wijze dan ook betrokken was;

- de financiële administratie c.q. boekhouding van Tuscho over het boekjaar 2016, waaronder in elk geval de navolgende stukken:

- een overzicht van de inkomsten en uitgaven,

- een overzicht van de opbrengsten en kosten,

- de door Tuscho met derden aangegane overeenkomsten,

- beëindigde overeenkomsten, waarbij Tuscho partij was,

een en ander op straffen van een ineens opeisbare dwangsom van € 5.000,00 ten gunste van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] , te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] in gebreke zal blijven met een maximum van € 1.500.000,00;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] op straffe van verval van het hiervoor gegeven recht op afschriften, binnen twee weken na de dag van deze uitspraak het voorschot van € 10.000,- heeft gestort op een door [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] opgegeven rekening;

5.3.

veroordeelt [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident] tot op heden begroot op € 563,-,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

5.6.

verwijst de zaak naar de rol van 21 juli 2021 voor:

- conclusie van antwoord,

- opgave verhinderdata voor de bij deze gelaste mondelinge behandeling voor de periode 1 november 2021 tot en met 30 april 2022 zijdens beide partijen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: AH coll: