Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4260

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
C/03/273760 / HA ZA 20-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderbouwing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/273760 / HA ZA 20-69

Vonnis bij vervroeging van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.D.A. Quaedvlieg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E. [naam 1] .

De rechtbank zal de in het tussenvonnis van 3 maart 2021 gebruikte nummering voortzetten.

6 De procedure

6.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 maart 2021;

  • -

    de door [gedaagde] genomen akte na tussenvonnis houdende productie met productie 9 en de eveneens door [gedaagde] genomen akte uitlaten deskundige na tussenvonnis;

  • -

    het door [eiser] ingediend “B16 niet geregeld verzoek” formulier.

6.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

7 De verdere beoordeling

7.1.1

In het tussenvonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om over te leggen schriftelijke verklaringen of een gemeenschappelijke schriftelijke verklaring van [naam 1] (hierna [naam 1] ) en [naam 2] (hierna [naam 2] ) waarin deze verklaren dat de Rabo vordering op [gedaagde] van € 70.164,50 als Vennootschapsschuld gelijkelijk zou worden verdeeld tussen [gedaagde] en [eiser] en dat door [naam 1] en [naam 2] is becijferd en berekend dat van de schuld van € 70.164,50 een Vennootschapsschuld zou worden gemaakt, omdat het meerdere dat [eiser] uit de Vennootschap had gehaald op deze manier zou worden verrekend met hetgeen [gedaagde] toekwam.

7.1.2

[gedaagde] heeft alleen overgelegd een verklaring van [naam 1] . [naam 1] verklaart daarin, voor zover van belang, dat hij er de voorkeur aan geeft om met [naam 2] een gezamenlijke verklaring af te leggen, maar dat (de raadsman van) [gedaagde] bij brief van 22 maart 2021 heeft laten weten geen inzage te willen geven in de verklaring van [naam 2] . Vervolgens schrijft [naam 1] dat bij de vele gesprekken die zijn gevoerd op geen enkel moment is gesproken over de aflossing van de hypothecaire schuld uit het vermogen van de VOF. De hypotheekverlening (privé schuld van [gedaagde] ) was simpelweg bij [eiser] en/of bij [naam 1] , aldus [naam 1] , niet als zodanig bekend.

Waar in het tussenvonnis is geoordeeld dat feitelijk met niets is onderbouwd de stelling van [gedaagde] dat zijn hypothecaire lening op de woning conform afspraak met [eiser] mocht worden afbetaald en ook is afbetaald met een deel van de verkoopsom van de woning die tot het vermogen van de Vennootschap behoorde, is de rechtbank thans definitief van oordeel dat als onvoldoende onderbouwd voorbij moet worden gegaan aan de stelling van [gedaagde] dat zijn hypothecaire lening op de woning conform afspraak met [eiser] mocht worden afbetaald en ook is afbetaald met een deel van de verkoopsom van de woning die tot het vermogen van de Vennootschap behoorde.

7.2

In het tussenvonnis zijn partijen verder in staat gesteld om zich uit te laten over de vraag welke deskundige de waarde van het perceel [adres] te [plaats 1] (hierna het perceel) moet schatten en welk voorschot die deskundige hiertoe in rekening mag brengen.

[eiser] heeft in genoemd B16 formulier laten weten onvoldoende kennis te hebben om een deskundige (hij spreekt over makelaar) voor te stellen en heeft zich niet uitgelaten over het voorschot. [gedaagde] heeft voorgesteld te benoemen [naam makelaardij 1] te [plaats 2] of Hans Houben van Houben Makelaardij Hoensbroek of [naam makelaar 2] van [naam makelaardij 3] te [plaats 1] , waarbij hij een voorkeur heeft uitgesproken voor Houben. [gedaagde] heeft aangenomen dat het voorschot zal zijn de gebruikelijke taxatiekosten.

De heer [naam makelaar 2] heeft zich bereid en in staat verklaard deze opdracht uit te voeren tegen een voorschot van € 700,- incl. btw, en aldus antwoord te willen geven op de volgende vragen:

  1. wat is volgens u de waarde van het perceel [adres] te [plaats 1] ?

  2. heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak?

Het door de deskundige gevraagde voorschot bedraagt € 700,- en zal door beide partijen voor de helft moeten worden gestort.

7.3

Partijen worden in staat gesteld om nadat de deskundige heeft gerapporteerd, zich over dat rapport uit te laten. Zij kunnen zich dan tevens uitlaten over de verdere gang van zaken zoals bijvoorbeeld of zij in staat gesteld willen worden het perceel over te nemen en, indien zij dat willen, tegen welke waarde en een onderbouwing waaruit blijkt dat die wens om het perceel over te nemen, ook reëel is. Zij kunnen zich tevens uitlaten over de vraag welke makelaar kan worden ingeschakeld voor een eventuele vrij markt verkoop van het perceel.

7.4

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8 De beslissing

De rechtbank

8.1

benoemt tot deskundige:

J. Houben, verbonden aan kantoor Houben Taxaties o.z.,

Hommerterweg 204,

6431 EZ Hoensbroek,

email: info@houbentaxaties.nl,

telnr. 045-3030033 / 0654213 607;

en bepaalt dat deze de volgende vragen gemotiveerd moet beantwoorden

  1. wat is volgens u de waarde van het perceel [adres] te [plaats 1] ?

  2. heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak?

het voorschot

8.2

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door hem begrote bedrag van € 700,- inclusief btw,

8.3

bepaalt dat elke partij € 350,- moet voorschieten als het voorschot ter griffie (LDCR) en dit bedrag moet deponeren binnen twee weken nadat de betreffende partij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie (LDCR) heeft ontvangen,

8.4

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het (aanvullend) voorschot,

het onderzoek

8.5

bepaalt dat het procesdossier niet in afschrift aan de deskundige hoeft te worden verstrekt;

8.6

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

8.7

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

8.8

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

het schriftelijk rapport

8.9

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na heden een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

8.10

wijst de deskundige er op dat:

- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

8.11

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

overige bepalingen

8.12

draagt de griffier op de zaak op de rol te plaatsen:

- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht zijdens beide partijen gelijktijdig op een termijn van vier weken,

8.13

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

8.14

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.