Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4217

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
C/03/291604 / HA RK 21-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het feit dat de rechter in twee eerdere zaken ten nadele van verzoekers heeft beslist levert geen grond voor wraking op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/291604 / HA RK 21-189

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

1 [verzoeker sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoekster sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. P.H.J. Nass te Gulpen,

dat strekt tot wraking van mr. J.R. Sijmonsma, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter).

1 De procedure

1.1.

Op 30 april 2021 is verzoekers advocaat, mr. Nass telefonisch bericht dat niet

mr. H.W.M.A Staal maar mr. J.R. Sijmonsma de behandelend rechter in het kort geding tussen [verzoekers] als eisende en [gedaagde] als gedaagde partij zou zijn.

1.2.

Op 3 mei 2021 heeft mr. Nass de rechter telefonisch verzocht zich te verschonen. De rechter zag hiertoe geen noodzaak.

Daarop is door mr. Nass op 3 mei 2021 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.

1.3.

De rechter heeft de wrakingskamer op 6 mei 2021 bericht dat hij niet in de wraking berust, dat hij ter zitting gehoord zou willen worden maar dat hij op de zittingsdag verhinderd is. De rechter heeft een schriftelijke reactie ingediend.

1.4.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 10 mei 2021 waar verzoekers, bijgestaan door mr. P.H.J. Nass, zijn verschenen. De rechter is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

1.5.

De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2 De gronden van het verzoek

2.1.

Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek het navolgende ten grondslag gelegd.

Verzoekers voeren aan dat de rechter reeds twee – voor hen zeer nadelige – vonnissen heeft gewezen in geschillen tussen hen en de wederpartij in het onderliggend kort geding. Verzoekers hebben de mondelinge behandeling van beide zaken als onprettig ervaren. Verzoekers zijn van mening dat de rechter het thans aanhangige kort geding naar objectieve maatstaven niet meer op niet-vooringenomen wijze kan behandelen, te meer nu de rechter in zijn vonnis van 18 december 2020 heeft geoordeeld dat verzoekers in strijd met de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv hebben gehandeld. Daarnaast bevat het eerdere vonnis van 25 september 2019 een feitelijke/juridische misslag. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie van 6 mei 2021 aangegeven dat hij in twee eerdere geschillen tussen verzoekers als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij heeft geoordeeld; enerzijds een bodemzaak in een civiel geschil en anderzijds heeft de rechter als voorzieningenrechter een vonnis gewezen in een executiegeschil tussen verzoekers en [gedaagde] . In beide zaken is geoordeeld aan de hand van de telkens in die afzonderlijke zaak (voorshands) vastgestelde feiten.

3.2.

Tijdens de behandeling van het kort geding (executiegeschil) is onder meer de waarheidsplicht van artikel 21 Rv expliciet aan de orde gesteld. De rechter is van oordeel dat een voorlopige oordeelsvorming omtrent artikel 21 Rv niet maakt dat een volgende zaak niet meer objectief door hem zou kunnen worden behandeld of dat hij daarover niet meer objectief zou kunnen oordelen. Uitgangspunt is immers dat een nieuwe zaak een nieuwe behandeling en beoordeling met zich brengt aan de hand van de dan over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden.

3.3.

Daarnaast is de rechter van oordeel dat de opvatting van verzoekers, dat een partij recht heeft op een andere rechter als zij eerder twee maal in het ongelijk is gesteld door dezelfde rechter in eerste instantie, geen steun vindt in de wet.

Verzoekers hebben geen feiten of gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de persoonlijke instelling en/of overtuiging zodanig is, dat de rechter niet objectief over deze zaak zou kunnen oordelen.

4 De beoordeling

4.1.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun – onder meer ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

4.2.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3.

In het wrakingsverzoek van 3 mei 2021 hebben verzoekers geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van de rechter, dat door verzoekers de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is (subjectieve partijdigheid). De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of de door verzoekers gestelde feiten en omstandigheden bij hen, de objectief gerechtvaardigde vrees hebben kunnen laten ontstaan dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt (objectieve partijdigheid).

4.4.

Ook ten aanzien van de objectieve partijdigheid komt de wrakingskamer tot het oordeel dat verzoekers onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die moeten leiden tot de slotsom dat er sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid bij de rechter. Het enkele feit dat de rechter in twee eerdere procedures voor verzoekers onwelgevallige beslissingen heeft genomen, betekent niet dat hem nu in de onderliggende procedure vooringenomenheid moet worden aangerekend. Immers kunnen in de nieuwe zaak die thans ter beoordeling aan de rechter voorligt andere feiten en omstandigheden worden aangevoerd die tot een ander oordeel dan in de voorgaande zaken kunnen leiden.

4.5.

Geheel ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat het wijzigen van de behandelend rechter zonder verdere opgaaf van reden – zoals in deze zaak aan de orde – tot vragen bij partijen kan leiden. De wrakingskamer geeft de teamvoorzitter van het team Burgerlijk recht dan ook in overweging op dit punt meer transparantie te betrachten.

4.6.

Op grond van het voorgaande komt de wrakingskamer tot afwijzing van het onderhavige wrakingsverzoek.

5 De beslissing

De wrakingskamer

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. C.G.A. Wouters, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2021.1

1 type: ph coll: