Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4185

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/03/288604 / FA RK 21-594
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de ouders om hen gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige. De moeder was ten tijde van de geboorte van de minderjarige zelf minderjarig en derhalve onbevoegd tot uitoefening van het gezag. De rechtbank heeft daarom de grootmoeder moederszijde benoemd tot voogd over de minderjarige. De minderjarige groeit echter reeds sinds haar geboorte op bij beide ouders en de ouders zijn in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen. De rechtbank bepaalt dat de moeder op grond van artikel 1:253b lid 3 BW en de vader op grond van artikel 1:253c lid 1 BW wordt belast met het gezag over de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Datum uitspraak: 9 april 2021

Zaaknummer: C/03/288604 / FA RK 21-594

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

verzoekers, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

beiden wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat: mr. A.J.E. Verschuren, kantoorhoudend in Kerkrade.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: de grootmoeder,

wonend in [woonplaats] .

In zijn hoedanigheid als bedoeld in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht,

verder te noemen: de raad.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift met bijlagen van de ouders van 16 februari 2021, binnengekomen bij de griffie op 16 februari 2021;

- het F9-formulier van de ouders van 6 april 2021, binnengekomen bij de griffie op
7 april 2021;

- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 9 april 2021 en waarbij zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door mr. A.P.M. Janssen, kantoorgenoot van mr. Verschuren;

- de grootmoeder;

- een vertegenwoordiger van de raad.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie tussen de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats] .

2.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

2.3.

De rechtbank heeft de grootmoeder op 19 december 2012 belast met de voogdij over [minderjarige] .

2.4.

[minderjarige] woont bij de ouders.

3 Het verzoek

3.1.

De ouders verzoeken, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] .

Ter onderbouwing van dit verzoek stellen de ouders het volgende. De moeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog minderjarig. De rechtbank heeft de grootmoeder daarom op 19 december 2012 belast met de voogdij over [minderjarige] . Aangezien de grootmoeder dientengevolge ook met het gezag over [minderjarige] was belast op het moment dat de moeder meerderjarig werd en hierdoor weer bevoegd werd tot uitoefening van het gezag, heeft de moeder het gezag over [minderjarige] niet van rechtswege kunnen verkrijgen. Ondanks het feit dat de grootmoeder destijds is benoemd tot voogd van [minderjarige] is [minderjarige] sinds haar geboorte opgegroeid bij de ouders. De ouders hebben altijd zelfstandig de verzorging en opvoeding van [minderjarige] gedragen. Er is daarmee nadrukkelijk nooit sprake geweest van een situatie waarin de ouders niet voor [minderjarige] konden zorgen dan wel niet betrokken waren of konden zijn bij haar opvoeding. Er is tevens nooit van enige zorgen op dat gebied gebleken. Er bestaat dan ook geen gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige] door inwilliging van het verzoek worden verwaarloosd. [minderjarige] is inmiddels acht jaar oud en de ouders willen graag dat de juridische situatie aansluit bij de feitelijke situatie.

3.2.

De grootmoeder stemt in met het verzoek. [minderjarige] heeft altijd bij de ouders gewoond en de ouders hebben vanaf de geboorte van [minderjarige] zelf voor haar gezorgd.

4 Het advies van de raad

De raad adviseert het verzoek van de ouders toe te wijzen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gezag van de moeder

5.1.1.

In artikel 1:245 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat minderjarigen onder gezag staan.

5.1.2.

In artikel 1:253b lid 1 BW is bepaald dat indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat van de vrouw uit wie het kind is geboren of indien de ouders van een kind niet met elkaar zijn gehuwd dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, de moeder uit wie het kind is geboren van rechtswege het gezag over het kind alleen uitoefent, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.

5.1.3.

In artikel 1:246 BW is bepaald dat, onder anderen, minderjarigen onbevoegd zijn tot het gezag.

5.1.4.

De moeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] minderjarig en derhalve onbevoegd tot uitoefening van het gezag over [minderjarige] . De rechtbank heeft daarom op

19 december 2012 de grootmoeder benoemd tot voogd over [minderjarige] .

5.1.5.

Ingevolge artikel 1:253b lid 3 BW, in samenhang gelezen met lid 2 van dit artikel, kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten indien zij ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag en op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd werd een ander met het gezag was belast.

5.1.6.

De moeder is op 12 juli 2013 meerderjarig geworden. Zij kan daarom op grond van de voornoemde artikelen als de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken haar met het gezag over [minderjarige] te belasten. Nu de voogdij over [minderjarige] sinds

19 december 2012 bij de grootmoeder berust, kan het verzoek van de moeder ingevolge artikel 1:253b lid 5 BW slechts worden afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige] zouden worden verwaarloosd.

5.1.7.

Uit de ingediende stukken en verklaringen ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sinds haar geboorte bij de ouders opgroeit. De ouders zijn adequaat in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarom geen enkele vrees, laat staan een gegronde vrees, dat de belangen van [minderjarige] zullen worden verwaarloosd indien de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom allereerst het verzoek ten aanzien van de moeder toewijzen en bepalen dat de moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] .

5.2.

Het gezag van de vader

5.2.1.

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Ingevolge artikel 1:253c lid 5 BW kan een dergelijk verzoek ook door de moeder uit wie het kind is geboren worden gedaan. Het verzoek wordt op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2.2.

Zoals reeds overwogen groeit [minderjarige] sinds haar geboorte op bij de ouders, die haar sindsdien samen verzorgen en opvoeden. Beide ouders wensen gezamenlijk te worden belast met het gezag over [minderjarige] en hebben hiertoe ook gezamenlijk een verzoek ingediend. Daarmee is gesteld noch gebleken dat zich een van de afwijzingsgronden als genoemd in artikel 1:253c lid 2 BW voordoet. De rechtbank zal daarom het verzoek van de ouders toewijzen en bepalen dat de vader samen met de moeder zal worden belast met het gezag over [minderjarige] .

5.3.

De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub a, van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

belast [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats] en [de vader] , geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats] , gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats] ;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van S.H.J.M. Jacobs, griffier, op 9 april 2021 en op schrift gesteld op 23 april 2021.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.