Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4154

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
C/03/289911 HA RK 21-148
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Toewijzing wrakingsverzoek; verzoek om telefonische bijstand bij voorgeleiding afgewezen; sprake van uitzonderlijke samenloop van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 12 mei 2021

Zaaknummer: C/03/289911 / HA RK 21-148

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. E. van Reydt te Amsterdam,

dat strekt tot wraking van:

mr. L.P. Bosma (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop

1.1.

Dit blijkt uit het navolgende:

- het wrakingsverzoek d.d. 19 maart 2021

- de schriftelijke reactie van de rechter en het proces-verbaal

- de mondelinge behandeling van het verzoek d.d. 29 april 2021, waarbij zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman.

De rechter heeft vlak vóór de zitting aan de griffier telefonisch laten weten aanwezig te zijn op de verkeerde zittingslocatie te Maastricht.

De zitting heeft daarom buiten zijn aanwezigheid plaatsgevonden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het wrakingsverzoek is gebaseerd op het volgende.

Zodra bij de advocaat van verzoeker bekend was dat zijn client voorgeleid zou worden heeft hij per e-mail van 18 maart 2021 om 14:50 uur aan het Kabinet RC navolgende laten weten:

“Naar ik zojuist heb begrepen, vindt morgen de voorgeleiding plaats van mijn cliënt, [verzoeker] . Gelet op mijn verhindering in de middagverzoek ik u de voorgeleiding ‘s ochtends te plannen. Voorts word ik graag in de gelegenheid gesteld de bijstand ten behoeve van de

voorgeleiding telefonisch te verlenen.”

Op deze e-mail is niet gereageerd.

Op 19 maart 2021 tussen 8.30 en 9.00 uur heeft de advocaat telefonisch contact opgenomen met het Kabinet RC om te vragen naar de stand van zaken. Aan hem is medegedeeld door de griffier dat de voorgeleiding om 11:00 zou plaatsvinden. De advocaat heeft daarop laten weten dat hij gelet op zijn reistijd niet om 11:00 uur op de rechtbank kan zijn en wederom gevraagd om telefonische bijstand te mogen verlenen. De griffier heeft de advocaat daarop doorverbonden met de rechter. De rechter heeft aangegeven dat er door een medewerker gisteren tevergeefs tweemaal telefonisch contact is opgenomen met de advocaat en dat de voicemail van zijn mobiele telefoon is ingesproken. De advocaat heeft daarop aangegeven geen voicemail bericht op zijn mobiele telefoon te hebben ontvangen, dat -hoewel voor de hand gelegen- een reactie per e-mail niet is verstuurd door het Kabinet RC en dat hij gelet op de reistijd niet in staat is om fysieke bijstand te verlenen om 11:00 uur te Roermond. De advocaat verzoekt wederom om het verzoek tot telefonisch bijstand te honoreren. Daarop is door de rechter aangegeven dat het beleid van het Kabinet RC is dat bijstand tijdens voorgeleidingen fysiek wordt verleend. De advocaat heeft daarop laten weten dat fysieke bijstand tijdens de voorgeleiding van 11:00 onmogelijk is, dat het rigide standpunt hem verbaast gelet op de omstandigheid dat op grond van de door de rechtspraak getroffen coronamaatregelen veelvuldig gebruik wordt gemaakt van een (telefonische) beeldverbinding en dat hij recent door dezelfde rechter de gelegenheid heeft gekregen om telefonisch bijstand tijdens een voorgeleiding te verlenen in verband met een storing in de beeldverbindingssoftware. Daarnaast heeft de advocaat laten weten dat zijn client in alle beperkingen zit, er sprake is van een omvangrijk voorgeleidingsdossier van 286 pagina’s en dat zijn client uitdrukkelijk zijn bijstand wenst, zodat waarneming niet mogelijk is. Daarop heeft de rechter aangegeven dat de advocaat de situatie maar moest oplossen en de voorgeleiding om 11:00 uur doorgang zou vinden. De advocaat heeft laten weten dat zijn cliënt nu van rechtskundige bijstand tijdens de voorgeleiding verstoken zou blijven en dat de rechter gewraakt wordt.

2.2.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

3.2.

De wrakingskamer stelt voorop dat het wrakingsverzoek niet is ingegeven door het beleid van het Kabinet dat bijstand tijdens voorgeleidingen fysiek moet worden verleend.

Het richt zich tegen de beslissing van de rechter om in de gegeven omstandigheden niet van het beleid af te wijken en telefonische bijstand bij de voorgeleiding mogelijk te maken. Dit is evenwel een procesbeslissing. Uitgangspunt is dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die (in geval van de aanwending van een rechtsmiddel) belast is met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering.

Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Van deze uitzondering is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake.

3.3.

Ter zitting is gebleken dat op 18 maart 2021 op ongelukkige wijze is gecommuniceerd tussen het Kabinet RC en de advocaat.

Vanuit het kabinet RC is geen reactie gestuurd op de e-mail van de advocaat. Evenmin is er gebeld op zijn eigen mobiele nummer, zoals onder meer vermeld onder zijn e-mailbericht en op de internetpagina van zijn advocatenkantoor.

Het Kabinet RC heeft enkel gebeld met het algemene kantoornummer van de advocaat dat doorgeschakeld is naar het mobiele telefoonnummer van zijn collega en vervolgens naar diens voicemail. Die voicemail is door de griffier ingesproken rond 16:45 uur. De collega van de advocaat heeft dit bericht niet beluisterd op donderdag(avond) en de advocaat niet (tijdig) op de hoogte gebracht van dit bericht.

De bereikbaarheid van de advocaat valt weliswaar onder diens eigen verantwoordelijkheid, maar het had gelet op de spoedeisendheid van het in kennis stellen van het tijdstip van voorgeleiding voor de hand gelegen dat het Kabinet RC in dit geval ook op andere wijze zou hebben gecommuniceerd (e-mail en/of persoonlijk mobiel nummer) dan enkel via het algemene kantoornummer. Dit geldt vooral nu er gelet op de corona-pandemie door mensen zoveel mogelijk thuisgewerkt wordt, zoals ook door de advocaat en zowel het e-mailadres als het mobiele telefoonnummer van de advocaat bij het Kabinet RC bekend was.

3.4.

De advocaat heeft vervolgens in de ochtend van 19 maart 2021 tussen 08:30 en 09:00 uur gebeld met het Kabinet RC en te horen gekregen dat de voorgeleiding van zijn client om 11:00 uur zou plaatsvinden.

Ook nadat de advocaat gesproken had met de rechter over de onmogelijkheid om fysieke bijstand om 11:00 uur te verlenen (gelet op de reistijd) en om een waarnemer te sturen (onder meer vanwege omvangrijk dossier), heeft de rechter vastgehouden aan de beslissing om de voorgeleiding om 11:00 uur te laten doorgaan (zonder de mogelijkheid van telefonisch bijstand). Dat het om een omvangrijk dossier gaat, wordt overigens onderkend door de rechter. Blijkens het proces-verbaal was er namelijk mede om die reden geen vervangende rechter-commissaris beschikbaar om de zaak na het wrakingsverzoek over te nemen.

3.5.

Al bij al is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van een uitzonderlijke samenloop van omstandigheden, die een uitzonderlijke aanpak rechtvaardigt, zeker nu het fundamentele recht op rechtsbijstand in het geding is.

Gelet op het grote belang van het verlenen van bijstand bij de behandeling van de inbewaringstelling (vrijheidsberoving), de onmogelijkheid van de advocaat om zelf fysiek de voorgeleiding bij te wonen, de onmogelijkheid om een waarnemer te sturen voor fysieke bijstand alsmede de ongelukkige wijze van communicatie tussen het Kabinet RC en de advocaat van de dag ervoor, zou het redelijk geweest zijn om te bezien welke (alternatieve, desnoods uitzonderlijke) mogelijkheden aanwezig zijn om bijstand door de advocaat mogelijk te maken. Dat is hier echter niet gebeurd. Het niet meebewegen door de rechter heeft er toe geleid dat verzoeker rechtsbijstand bij de toetsing van een ingrijpende maatregel is onthouden, waardoor minst genomen de indruk bestaat dat de rechter het recht op en het belang van rechtsbijstand voor verzoeker niet serieus heeft genomen en het zodoende heeft veronachtzaamd.

Al deze omstandigheden kunnen naar het oordeel van de wrakingskamer bij verzoeker (lees: diens advocaat) de objectief gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen is.

3.6.

De conclusie van al het voorgaande is dat het verzoek tot wraking zal worden toegewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter,

mr. R.H.J. Otto en mr. Y.J.C.A. Roeffen leden, bijgestaan door mr. N. Ouarani als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.