Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4119

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
03.233570.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 15 september 2020 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een bromfietster met duopassagier, waarbij de bestuurster van de bromfiets is overleden en de passagier zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De automobilist heeft de maximum snelheid fors overschreden en onaanvaardbare risico’s genomen met zijn rijgedrag. De rechtbank veroordeelt de automobilist wegens overtreding van artikel 6 WVW 1994 tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.233570.20

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Heerlen op [geboortedag] 2001,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J. Baltus, advocaat kantoorhoudende te Landgraaf.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 04 mei 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair: op 15 september 2020 te Voerendaal een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: op 15 september 2020 te Voerendaal zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

meer subsidiair: op 15 september te Voerendaal zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat de tenlastegelegde roekeloosheid niet bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft als beginnend bestuurder de ter plaatse geldende maximum snelheid overschreden. Daardoor was zijn remweg langer en was ook de botssnelheid hoger. Ook heeft het overschrijden van de maximum snelheid tot gevolg gehad dat medeweggebruikers een verkeerde inschatting konden maken van de snelheid, waarmee de auto van de verdachte naderde. Zij hebben erop mogen vertrouwen dat de verdachte de maximum toegestane snelheid niet zou overschrijden. Bovendien werkte het ABS-(rem)systeem van de auto van de verdachte niet naar behoren. De verdachte wist dat ook. Door deze combinatie van omstandigheden heeft de verdachte volgens de officier van justitie aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gehandeld. Hem kan daarom een ernstige mate van schuld aan het verkeersongeval verweten worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het rijgedrag van de verdachte niet als roekeloos kan worden gekwalificeerd, maar ‘slechts’ als aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend kan worden aangemerkt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 15 september 2020 omstreeks 14:15 uur heeft op de kruising van de [adres 2] en de [adres 3] te Voerendaal een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de door de verdachte bestuurde personenauto (merk [auto] ) is aangereden tegen een bromfiets (merk [bromfiets] ), met daarop als bestuurster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en als passagier [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). [slachtoffer 1] is hierbij om het leven gekomen en [slachtoffer 2] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

In het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse 2 (VOA) is – zakelijk weergegeven - het volgende vermeld :

De bestuurder van de personenauto, merk [auto] , reed op de [adres 2] . Hij kwam uit de richting van Heerlen en reed in de richting van Voerendaal. De bestuurster van de bromfiets, merk [bromfiets] , reed op de [adres 3] en wilde kennelijk de [adres 2] oversteken om haar weg linksaf in de richting van Heerlen te vervolgen. Op het kruisingsvlak van de [adres 2] en de rijstrook voor het verkeer van Voerendaal richting Heerlen kwamen beide voertuigen met elkaar in botsing.

De [adres 2] is een voorrangsweg, waar voor motorvoertuigen een maximumsnelheid van 80 km/u geldt. Ter hoogte van de plaats van het ongeval was het zicht goed.

Rijtechnische staat voertuigen

De bromfiets verkeerde in een voldoende rijtechnische staat en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak van of van invloed konden zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. De personenauto verkeerde in een onvoldoende rijtechnische staat. De achterbanden hadden een zeer laag profiel, maar gezien de weersomstandigheden was dit verder niet van invloed. Het Anti-Blokkeer Systeem (ABS) functioneerde niet naar behoren. Dit had wel invloed op het ontstaan van het ongeval.

Snelheid

Het aangetroffen sporenbeeld en de schade aan de betrokken voertuigen wijzen erop dat de bestuurder van de personenauto harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur. Een indicatief berekende snelheid komt uit op minimaal 103 km/u.

Vermijdbaarheid

De bestuurster van de [bromfiets] had het ongeval kunnen voorkomen door het verlenen van voorrang aan de [auto] , die rechtdoor over de [adres 2] reed, alvorens zelf de [adres 2] op te rijden. Ondanks de hoge snelheid van de [auto] heeft de bestuurster van de [bromfiets] de rechter, voor de rijrichting van de [auto] bestemde, rijstrook volledig overgestoken, en dus voor hem vrijgemaakt. Doordat de [auto] echter naar de andere, te weten voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook bewoog, kwamen de twee voertuigen alsnog met elkaar in botsing. Indien de bestuurder van de [auto] de ter plaatse geldende maximumsnelheid niet had overschreden, dan had de bestuurster van de [bromfiets] een grotere afstand kunnen afleggen en bijna de hele rijbaan kunnen vrijmaken. Feitelijk kan gesteld worden dat de bestuurster van de [bromfiets] in alle gevallen in staat was geweest om de rijstrook bestemd en gevolgd door de [auto] volledig vrij te maken en had zij dus feitelijk voorrang verleend aan de bestuurder van de [auto] .

De bestuurder van de [auto] had het ongeval kunnen voorkomen door te rijden met de toegestane maximum snelheid van 80 km/u. Hierdoor had hij zijn weg kunnen vervolgen zonder bestuurders handelingen te verrichten. Hij had dan niet hoeven uit te wijken en/of een dusdanige remming moeten instellen dat zijn (voor)wielen blokkeerden en het voertuig onbestuurbaar werd. Het ongeval heeft immers plaatsgevonden nadat hij met zijn voertuig op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook terecht was gekomen.

Bij een constante naderingssnelheid van 80 kilometer per uur was hij tussen de 0,32 en 0,62 seconde later ter hoogte van de botsplaats geweest. Daardoor had de bestuurster van de [bromfiets] meer tijd gehad om over te steken en had zich op een grotere afstand tot de rechter rijstrook bevonden. Ook was dan de botssnelheid tussen de 34 en 47 km/u geweest, in ieder geval aanzienlijk minder dan de berekende botssnelheid van 85 km/u.

Indien het ABS van de [auto] goed had gewerkt, was een hogere remvertraging behaald, waardoor de [auto] een kortere remweg had gehad. Bij de ter plaatse geldende snelheid van 80 km/u en een werkend ABS was de remweg tussen de 6,8 en 13 meter korter geweest. Bij een kortere remweg van 6,8 meter was de [auto] nog 6,5 meter te kort gekomen om de botsing te vermijden, maar de botssnelheid had dan maar zo’n 37 km/u bedragen. Bij een kortere remweg van 13 meter had de [auto] vóór de botsplaats stilgestaan. Een ABS-systeem moet voorkomen dat de wielen van een voertuig blokkeren en zorgt dat het voertuig bestuurbaar blijft als een noodstop wordt uitgevoerd. In dat geval had de bestuurder mogelijk nog naar rechts kunnen (proberen) te sturen. Bij draaiende wielen blijft de spoorkracht van de band namelijk behouden, zodat het voertuig niet naar links zou zijn gegleden, maar stuurbaar was gebleven. De bestuurder had zijn voertuig dan op de voor hem bestemde rijstrook kunnen houden.

In het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] 3 staat het volgende:

‘Ik kwam op 15 september 2020 met mijn auto uit Hoensbroek en ging in de richting van Voerendaal. In de buurt van ten Esschen zat de verdachte met de door hem bestuurde auto reeds achter mij. Voor mijn gevoel reed hij heel dicht achter mij. De verdachte heeft met zijn

auto twee à drie keer gepoogd mij in te halen. Hij deed deze pogingen op de volgende wijze: gas geven, dicht achterop mij rijden, naar links gaan, dan zien dat het niet gaat lukken door tegenliggers, om dan uiteindelijk weer achter mij in te voegen. Dit deed hij twee à drie keer op het genoemde weg stuk. Toen ik door de bocht in de richting van Voerendaal reed, heb ik mijn snelheid opgevoerd tot ongeveer 80 km/u. Op het moment dat ik ongeveer op 2/3 van de [adres 2] was, gezien vanaf de afslag naar Klimmen en waar het ongeval had plaats gevonden haalde hij mij met een hogere snelheid dan 80 km/u aan de linker zijde in’.

In het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] 4 staat het volgende:

‘Ik reed in mijn auto over de [adres 3] te Voerendaal in de richting van de [adres 2] . Net voor de kruising met de [adres 2] haalde ik een scooter in. Ik zag dat op deze scooter twee meiden zaten. Op de kruising met de [adres 2] zag ik een voertuig met hoge snelheid vanuit Heerlen komen. Dit voertuig viel mij direct op, omdat het met zulke hoge snelheid reed. Ik schat dat het voertuig minimaal 90 kilometer per uur reed. Ik stak de kruising over en reed in de richting van Heerlen. In mijn binnenspiegel had ik goed zicht op de situatie achter mij. Ik zag dat het voertuig welke vanuit Heerlen kwam, de scooter volop schepte. Ik zag dat de scooter aan het oversteken was’.

Het schouwverslag betreffende [slachtoffer 1] 5 vermeldt het volgende:

De (belangrijkste) letsels opgetreden als gevolg van het ongeval:

- een schedelbasisfractuur aan de linkerzijde;

- een breuk aan het linker sleutelbeen;

- een breuk aan de bovenarm/schouder links;

- enkele ribfracturen links (die ook het gevolg zouden kunnen zijn van reanimatie);

- een vermoedelijke klaplong links;

- een scheur in de aorta (lichaamsslagader).

Conclusie:

‘Niet natuurlijk overlijden ten gevolge van een verkeersongeval met als doodsoorzaak verbloeding door een scheur in de aorta als direct gevolg van de impact op de linkerzijde van het lichaam’.

De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] 6 vermeldt het volgende:

‘Uitwendig waargenomen letsel: scheurwond linker knie en kleine oppervlakkige schaafwond linker elleboog en onderarm.

Overige informatie: bekken fractuur waarvoor operatie op 17/09/20: iliosacrale schroeffixatie links. Knieschijffractuur links waarvoor geen operatie indicatie. Behandeld met gipsspalk en kniebrace. Met behulp van fysiotherapie beenspieren aansterken.

Geschatte duur van de genezing: tot 3 maanden na het ongeval onder controle geweest in het ziekenhuis, waarna geen kniebrace meer nodig was en de follow-up eindigde. Wel nog doorgang met fysiotherapie tot +/- halfjaar - jaar na het ongeval’.

De verdachte heeft ter terechtzitting – kort samengevat - het volgende verklaard 7 :

Ik was op 15 september 2020 de bestuurder van de [auto] die in botsing kwam met de bromfiets. De route van Ten Esschen naar Voerendaal ken ik goed want die rijd ik bijna dagelijks. Het klopt dat ik eerst nog een auto heb ingehaald met hogere snelheid. Toen ik ingehaald had, heb ik het gas losgelaten. Ik zag dat op de [adres 3] een bromfiets met twee meisjes stil stond. Ik ging er niet vanuit dat ze op dat moment de [adres 2] zouden oversteken, maar dat deden ze toch. Ik stuurde naar links om een botsing te vermijden en probeerde op tijd te remmen, maar ik botste met mijn auto tegen de bromfiets. Ik denk dat ik harder reed dan 80 km/u. Op het moment van het ongeluk deed het ABS-systeem het niet, en dat wist ik.

Bewijsoverwegingen

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf, als bedoeld in artikel 6 WVW 1994, moet worden vastgesteld dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het onderhavige verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarbij dient in ieder geval sprake te zijn van aanzienlijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door de verdachte. De rechtbank dient ook te beoordelen of het zeer onvoorzichtig verkeersgedrag kan worden aangemerkt als roekeloos verkeersgedrag, zoals dat mede ten laste is gelegd.

Het komt bij de beoordeling aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet alleen al uit de ernst van de gevolgen van het gedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke regels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank hecht er allereerst aan om op te merken dat verkeersdeelnemers er op moeten kunnen vertrouwen dat medeverkeersdeelnemers de verkeersregels, die ten behoeve van de veiligheid in het verkeer zijn vastgesteld, naleven. Iedere verkeersdeelnemer heeft de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 15 september 2020 in zijn [auto] over de [adres 2] in de richting van Voerendaal is gereden. De [adres 2] is een voorrangsweg en de toegestane maximum snelheid ter plaatse is 80 km/u. De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte al rijdende over de [adres 2] de toegestane maximum snelheid fors heeft overschreden. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij vlak voordat het ongeval plaatsvond door de verdachte werd ingehaald met een fors snelheidsverschil, terwijl hij zelf met een snelheid van 80 km/u reed. Ook getuige [getuige 2] heeft de verdachte vlak vóór het ongeval met een hoge snelheid zien rijden. Op basis van het proces-verbaal VOA gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte op het moment dat hij in botsing kwam met de bromfiets, met een minimale snelheid van 103 km/u reed. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend te hard te hebben gereden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte kan worden verweten dat hij zich niet heeft gehouden aan de toegestane maximum snelheid. Dit is op zichzelf al aan te merken als een ernstige verkeersfout.

De rechtbank stelt voorts vast dat de botsing van de auto van de verdachte met de bromfiets van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden op de – voor de rijrichting van de [auto] bestemde – linker rijstrook. Dit betekent dat de bromfiets de weghelft die bestemd was voor de verdachte, reeds was overgestoken. Door de te hoge snelheid van de verdachte, zijn reflex om uit te wijken naar links en zijn blokkerende voorwielen als gevolg van een niet werkend ABS-systeem, was de verdachte niet meer in staat zijn rijweg op de voor hem bestemde rechter rijbaan te vervolgen. De rechtbank neemt bij haar beoordeling voorts in aanmerking dat een niet goed werkend ABS-systeem voor voertuigen met een bouwjaar van vóór 2018 (zoals dat van de verdachte) geen reden (meer) is voor afkeuring bij een APK-keuring. De auto van de verdachte is daarom ondanks dat gebrek door de RDW goedgekeurd. De rechtbank verwijt de verdachte niettemin dat hij maanden is blijven rondrijden met een niet naar behoren werkend ABS-systeem en daarbij meermalen, zoals ook ten tijde van het tenlastegelegde feit, de toegestane snelheid heeft overschreden, en dat terwijl hij wist dat zijn ABS-systeem defect was. Hij heeft daardoor in zijn algemeenheid risico’s genomen, en in het bijzonder heeft hij risico’s genomen door gevaarlijke verkeersmanoeuvres te maken, zoals met hoge snelheid in te halen en boven de maximum toegestane snelheid te rijden en dat terwijl de verdachte voordien al meermalen is gemaand zich aan de maximumsnelheid te houden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte er op zeer lichtzinnige wijze van uit is gegaan dat de door hem genomen – naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbare risico’s – zich niet zouden realiseren. Dat wijst op ernstige onderschatting van die risico’s. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de voornoemde omstandigheden weliswaar worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig rijgedrag, maar niet zonder meer als roekeloos rijgedrag. De rechtbank merkt op dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ wordt verstaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan de rechtbank niet afleiden dat aan deze zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm in de zin van de wet is voldaan. Zij zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte ernstig tekortgeschoten is in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een motorrijtuig mocht worden verwacht.

Gelet op de hiervoor genoemde verwijtbare gedragingen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

Naar het oordeel van de rechtbank is er ook sprake van een causaal verband tussen het aan de schuld van de verdachte te wijten verkeersongeval en zowel het overlijden van [slachtoffer 1] enerzijds, als het letsel van [slachtoffer 2] anderzijds. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] is overleden aan haar verwondingen die zij heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer 2] een bekkenfractuur en een knieschijffractuur heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding. Aan de bekkenfractuur is zij geopereerd. De revalidatie is nog steeds niet afgerond. [slachtoffer 2] heeft ter terechtzitting desgevraagd te kennen gegeven thans nog tweemaal per week fysiotherapie te volgen. De rechtbank kwalificeert het door [slachtoffer 2] opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 3.4 weergegeven.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1 primair:

op 15 september 2020 in de gemeente Voerendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl het antiblokkeersysteem van verdachtes personenauto niet werkte - het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [adres 3] , met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid te naderen en op te rijden en uit te wijken op het moment dat een bestuurster van een bromfiets komende vanaf genoemde [adres 3] reeds op dit kruispunt reed, in elk geval reeds begonnen was dit kruispunt op te rijden, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bromfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] , bestuurster van die bromfiets) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] , duopassagier op die bromfiets) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf

voor de duur van 9 maanden. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd is geweest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de door de officier van justitie geëiste straf dient te worden gematigd. Hij heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de impact die het ongeval op de verdachte heeft (gehad), rekening te houden met zijn jonge leeftijd en rekening te houden met het reeds door de verdachte ondergane voorarrest. De raadsman acht een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van 3 maanden, passend, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 15 september 2020 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] is komen te overlijden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft veel harder gereden dan ter plaatse was toegestaan en hij wist dat zijn ABS-systeem defect was. Hierdoor kon hij zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen en kon hij tijdens een remmanoeuvre zijn auto ook niet meer besturen. Daardoor is hij tegen de overstekende bromfiets met daarop [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebotst. Met zijn rijgedrag, in combinatie met het feit dat hij zich ervan bewust was dat het ABS-systeem van zijn auto defect was, heeft de verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven dat hij zijn verantwoordelijkheid als bestuurder voor zijn medeweggebruikers heeft genomen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een jong meisje uit het leven is gerukt en een ander meisje zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer 1] groot en onherstelbaar leed aangedaan. Zij staan voor de moeilijke, zo niet onmogelijke, taak om het verlies van [slachtoffer 1] een plaats in hun leven te geven. De vader van [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting op indrukwekkende wijze verwoord wat het verlies van zijn dochter met hem, zijn vrouw, hun zoon en overige familieleden doet. Hun levens zijn voorgoed veranderd en zij worden dag in dag uit geconfronteerd met het verlies van [slachtoffer 1] . Ook heeft de vader beschreven dat hij kort nadat het ongeval had plaatsgevonden, ter plaatse is geweest. Hij heeft daar gezien dat zijn dochter gereanimeerd werd en zag de grote chaos eromheen. Ook de moeder van [slachtoffer 1] is ter plaatse gekomen en werd, samen met haar man, op enig moment ineens gecondoleerd door ter plaatse aanwezige politieagenten. Dit is op zichzelf al een traumatische gebeurtenis voor hen geweest.

Ook [slachtoffer 2] wordt nog dagelijks aan het ongeluk herinnerd en de lichamelijke gevolgen daarvan. Zij is fysiek gezien thans nog steeds herstellende. Ook heeft zij bij het ongeluk haar vriendin verloren.

De rechtbank moet bij de strafbepaling, naast de ernst van het feit en al het leed dat de verdachte heeft veroorzaakt, ook nog andere elementen meewegen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 7 april 2021. Hieruit blijkt dat hij reeds driemaal een strafbeschikking heeft gekregen: twee strafbeschikkingen voor overschrijding van de maximum snelheid en één strafbeschikking voor het rijden in een onverzekerd voertuig. De verdachte was derhalve een gewaarschuwd man.

Bij de straftoemeting is ook van belang de inhoud van het psychologisch rapport van psycholoog H.E.W. Koornstra, gedateerd 1 januari 2021. Hieruit blijkt dat bij de verdachte ten tijde van het ongeval geen sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zodat het bewezenverklaarde volledig aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank merkt nog op dat uit het rapport van de psycholoog blijkt dat de verdachte door zijn ouders meerdere keren is gewaarschuwd voor te hard rijden.

De reclassering heeft de verdachte in het advies van 20 april 2021 beschreven als een 20-jarige jongeman die functioneert op een beneden gemiddeld tot (laag)gemiddeld niveau. “Buiten onderhavig justitiecontact lijkt betrokkene zijn leven vrij goed op orde te hebben. Hoewel hij opgroeide onder zeer ongunstige omstandigheden, lijkt hij aardig gestabiliseerd. Zijn beide ouders zijn (gediagnosticeerd) verstandelijk beperkt c.q. zwakbegaafd en waren onvoldoende in staat hun kinderen afdoende veiligheid en structuur te bieden binnen hun heftige, ingewikkelde en agressie beladen relatie. Inmiddels is betrokkene werkzaam als zelfstandig timmerman en verhuurt hij zichzelf aan ondernemers. Hij heeft een goed inkomen en er is geen sprake van schuldenproblematiek. Daarnaast lijkt er geen sprake te zijn van middelengebruik en/of psychische problematiek.”

De reclassering schat het recidiverisico als laag in. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en de duur van de straf onder meer rekening gehouden met de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank is van oordeel dat gelet op de mate van schuld van de verdachte aan het ongeval en het feit dat als gevolg daarvan een persoon is overleden en een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, uit het oogpunt van vergelding en preventie, uitsluitend een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, passend en geboden is, gecombineerd met een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid.

Aan de andere kant houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met de nog jonge leeftijd van de verdachte en de gevolgen van strafloplegging.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht kan doen aan het verlies dat de familie van [slachtoffer 1] heeft geleden en aan het verdriet dat dit verlies nog steeds veroorzaakt en zal blijven veroorzaken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [vader] (vader van slachtoffer [slachtoffer 1] ) vordert aan materiële schade:

  1. Scooter [voornaam slachtoffer] : € 1.100,-;

  2. Handtas [voornaam slachtoffer] : € 50,-;

  3. Kleding en schoenen [voornaam slachtoffer] : € 100,-;

  4. Kettinkje [voornaam slachtoffer] : € 25,-;

  5. Reiskosten behandeling psycholoog: € 72,80;

  6. Eigen risico zorgverzekering 2021 en 2022: € 770,-;

  7. Kosten opvragen medische informatie: € 95,-;

  8. Verlies arbeidsvermogen: € 5.833,42;

  9. Reiskosten bezoek herdenkingsplaats 1 jaar: € 854,10;

  10. Kosten inrichting gedenkplaats: € 401,90;

  11. Onderhoud gedenkplaats: € 500,-.

Aan immateriële schade vordert [vader] in totaal € 30.000,-, bestaande uit € 20.000,- affectieschade en € 10.000,- shockschade. Tot slot vordert hij aan proceskosten € 40,94, bestaande uit reiskosten naar de rechtbank en naar het Openbaar Ministerie voor een gesprek met de officier van justitie.

De benadeelde partij [moeder] (moeder van slachtoffer [slachtoffer 1] ) vordert aan materiële schade:

  1. Reiskosten behandeling psycholoog: € 54,60;

  2. Eigen risico zorgverzekering 2021: € 385,-;

  3. Kosten opvragen medische informatie € 95,-.

Aan immateriële schade vordert [moeder] in totaal € 30.000,-, bestaande uit € 20.000,- affectieschade en € 10.000,- shockschade.

De benadeelde partij [broer] (broer van slachtoffer [slachtoffer 1] ) vordert € 17.500,- affectieschade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voldoende zijn onderbouwd en geheel voor toewijzing in aanmerking komen. De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarnaast moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde materiële kosten van de scooter, nu onduidelijk is of deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van de scooter van [voornaam slachtoffer] . Of de post van het verlies aan arbeidsvermogen dat door [vader] is gevorderd, voor toekenning in aanmerking komt, dient te worden beoordeeld door de civiele rechter en voor dat deel moet de vordering daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. De raadsman heeft zich verzet tegen toekenning van de kosten aangaande de herdenkingsplaats.

Aan de ouders van [slachtoffer 1] komt volgens de raadsman ieder een bedrag toe voor affectieschade van € 17.500,- , terwijl dit bedrag voor de broer van [slachtoffer 1] dient te worden bepaald op een bedrag van € 10.000,-.

De door de ouders van [slachtoffer 1] gevorderde shockschade dient volgens de raadsman te worden gematigd tot € 5.000,- voor ieder.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Materiële schade

Artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt in samenhang met artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de wettelijke grondslag voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij iemands overlijden als gevolg van een strafbaar feit. Artikel 6:108 geeft daarbij een limitatieve opsomming van de schadeposten die in aanmerking komen voor vergoeding aan een nabestaande. Die schadeposten houden, kort gezegd, verband met de derving van levensonderhoud. Verder kan degene te wiens laste de kosten van de lijkbezorging zijn gekomen aanspraak maken op vergoeding van die kosten, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Affectieschade

Artikel 6:108, leden 3 en 4, van het BW bieden voorts de wettelijke grondslag voor toekenning van affectieschade aan een uitdrukkelijk in de wet omschreven kring van gerechtigden, met daarnaast (lid 4, sub g) een mogelijkheid tot toekenning aan anderen. De benoemde kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, de ouders van de overledene (lid 4 sub c). De hardheidsclausule van lid 4 sub g ziet op een andere persoon die ten tijde van het overlijden een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 3 als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt.

Het bedrag dat voor toekenning van vergoeding van affectieschade in aanmerking komt, is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 1 van dit besluit kunnen de ouders aanspraak maken op een bedrag van € 20.000,- en is dat voor de categorie overige nauwe persoonlijke relaties € 17.500,-.

Shockschade

Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een vergoeding vanwege shockschade, die kan bestaan uit materiële en/of immateriële schade, kan worden toegewezen als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg is gebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Benadeelde partij [vader]

Materiële schade

Zoals hiervoor is uiteengezet, kent de wet een limitatieve opsomming van de materiële schadeposten van nabestaanden die in aanmerking komen voor vergoeding, te weten de schade door het derven van levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging. Onder die limitatief opgesomde schadeposten kunnen de door de benadeelde partij opgevoerde materiële schadeposten (a tot en met d) niet worden geschaard. Door of namens de benadeelde partij is niet gesteld dat deze kosten worden gevorderd namens de erfgenamen. Dit brengt mee dat deze onderdelen van de vordering geen grondslag vinden in de wet, zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat deze onderdelen niet of niet geheel door de verdachte zijn betwist, kan niet tot een andere uitkomst leiden (vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).

De schadeposten onder e tot en met h zullen hieronder in het kader van de shockschade worden besproken.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de inrichting van de gedenkplaats ad € 401,90 (post j) toewijsbaar zijn, omdat deze kosten beschouwd kunnen worden als redelijke kosten van lijkbezorging en deze kosten als zodanig ook niet zijn betwist. De onderhoudskosten voor deze gedenkplaats en de reiskosten die gemaakt worden naar deze gedenkplaats (posten i en k), vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de redelijke kosten van lijkbezorging en worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, van het BW en onder verwijzing naar het Besluit vergoeding affectieschade komt [vader] als vader van het slachtoffer in aanmerking voor een vergoeding van € 20.000,- aan affectieschade.

Shockschade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de criteria tot toekenning van shockschade in het geval van [vader] , in die zin dat hij na het ongeval direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan. Hij heeft de ravage die het ongeval teweeg heeft gebracht ter plaatse gezien, hij heeft gezien dat zijn dochter gereanimeerd werd, hij heeft ook gezien dat deze reanimatie gestaakt werd en er vervolgens een laken over haar heen werd gelegd. Dit alles heeft bij hem een hevige schok teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel in de vorm van PTSS is voortgevloeid. Door de verdediging is niet betwist dat [vader] in aanmerking komt voor shockschade.

De materiële schade in het kader van de shockschade wordt gevormd door de posten e tot en met h. De posten e, f en g acht de rechtbank voldoende onderbouwd en deze komen voor toewijzing in aanmerking. Ten aanzien van post h, betreffende het verlies aan arbeidsvermogen, overweegt de rechtbank dat een zorgvuldige beoordeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat zij de vordering op dit punt niet ontvankelijk zal verklaren.

De rechtbank ziet eveneens aanleiding voor het toekennen van immateriële schade bij wijze van shockschade en merkt daarbij op dat zij zich ervan bewust is dat geen enkel geldbedrag het aan de benadeelde partij toegebrachte leed kan wegnemen. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder de aard en de ernst van de bewezenverklaarde gedraging, de aard en de ernst van de gevolgen ervan voor de benadeelde partij, de relatie tussen de overledene en de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters plegen toe te kennen, acht de rechtbank toekenning van een bedrag aan smartengeld wegens shockschade van € 10.000,- redelijk en billijk.

Proceskosten

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten, welke niet zijn betwist, van in totaal € 40,94 kunnen worden toegewezen als proceskosten.

Benadeelde partij [moeder]

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, van het BW en onder verwijzing naar het Besluit vergoeding affectieschade komt [moeder] als moeder van het slachtoffer in aanmerking voor een vergoeding van € 20.000,- aan affectieschade.

Shockschade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de criteria tot toekenning van shockschade in het geval van [moeder] . Zij is door haar man gealarmeerd dat er iets vreselijk was gebeurd met hun dochter, waarna zij zo snel mogelijk naar de plaats van het ongeval is gegaan. Aldaar werd zij geconfronteerd met de ravage die het ongeval teweeg had gebracht en met de toegesnelde hulpverleners. Zij trof haar man volledig in paniek en ontredderd aan en kreeg van hem foto’s te zien die hij had gemaakt. Ter plaatse werd haar gevraagd naar de kleding die [voornaam slachtoffer] droeg en werd een gebroken kettinkje getoond ter identificatie. Dit alles heeft bij [moeder] een hevige schok teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel in de vorm van PTSS is voortgevloeid. Door de verdediging is niet betwist dat [moeder] in aanmerking komt voor shockschade.

De materiële schade in het kader van de shockschade wordt gevormd door de posten a, b en c. Deze posten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en deze komen voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank ziet eveneens aanleiding voor het toekennen van smartengeld bij wijze van shockschade. Voor [moeder] geldt dezelfde motivering als voor haar echtgenoot, hetgeen leidt tot toekenning van € 10.000,-.

Benadeelde partij [broer]

heeft als broer van de overledene affectieschade gevorderd. Broers (en zussen) zijn niet opgenomen in de opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een dergelijk recht toe te kennen. Dit sluit niet uit dat zij in bijzondere gevallen een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule. In de memorie van toelichting is vermeld dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De rechtbank leidt hier uit af dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen broers of zussen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is dat uitsluitend komt vast te staan dat zij een zeer goede en hechte band hadden.

Namens [broer] is aangevoerd dat hij met zijn zusje [voornaam slachtoffer] een zeer nauwe en persoonlijke betrekking had. Hij is bekend met de diagnose “syndroom van Asperger”, gecombineerd met een bovengemiddeld IQ. [voornaam slachtoffer] en [broer] hielpen elkaar met school, [voornaam slachtoffer] kookte voor [broer] wanneer hun ouders nog niet thuis waren en [voornaam slachtoffer] nam al een deel van de mantelzorgtaken van haar ouders voor [broer] over. Binnen het gezin waren afspraken gemaakt dat [voornaam slachtoffer] de verzorgende rol over [broer] in de toekomst van haar ouders zou overnemen.

Door de verdediging is niet betwist dat er tussen broer en zus een zodanige nauwe en persoonlijke relatie bestond dat [broer] in aanmerking komt voor affectieschade. Ook de rechtbank ziet voldoende aanwijzingen voor een nauwe en persoonlijke betrekking tussen beiden. Zij maakten deel uit van hetzelfde gezin en er bestond vanwege de handicap van [broer] een bijzondere zorgrelatie. Dit betekent dat [broer] in aanmerking komt voor affectieschade ten bedrage van € 17.500,-.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De vorderingen van [vader] , [moeder] en [broer] zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020. Ook zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

- legt op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [vader] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 31.339,70, bestaande uit € 1.339,70 materiële schade en € 30.000,- immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 40,94, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [vader] , van een bedrag van € 31.339,70, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 187 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 1.339,70 materiële schade en € 30.000,- immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30.534,60, bestaande uit € 534,60 materiële schade en € 30.000 immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [moeder] , van een bedrag van € 30.534,60 bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 185 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit uit € 534,60 materiële schade en € 30.000 immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [broer] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [broer] , van een bedrag van € 17.500,- bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 122 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. L.E.M. Hendriks en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van Rie, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2021.

Buiten staat

Mr. A.M. Schutte en mr. C. Reijntjes-Wendenburg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 15 september 2020 in de gemeente Voerendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -terwijl het antiblokkeersysteem van verdachtes personenauto niet werkte- het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [adres 3] , met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse veel te hoge snelheid, te naderen en/of op te rijden en/of onkundig uit te wijken op het moment dat een bestuurster van een bromfiets (snorfiets) komende vanaf genoemde [adres 3] reeds op dit kruispunt reed, in elk geval reeds begonnen was dit kruispunt op te rijden, waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bromfiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] , bestuurster van die bromfiets) werd gedood en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] , duopassagier op die bromfiets) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2020 in de gemeente Voerendaal als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door -terwijl het antiblokkeersysteem van verdachtes personenauto niet werkte- het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [adres 3] , met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse veel te hoge snelheid, te naderen en/of op te rijden en/of onkundig uit te wijken op het moment dat een bestuurster van een bromfiets (snorfiets) komende vanaf genoemde [adres 3] reeds op dit kruispunt reed, in elk geval reeds begonnen was dit kruispunt op te rijden, waardoor een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bromfiets, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2020 in de gemeente Voerendaal als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2] , -terwijl het antiblokkeersysteem van verdachtes personenauto niet werkte-, het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de [adres 3] , met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse veel te hoge snelheid, is genaderd en/of opgereden en/of onkundig is uitgeweken op het moment dat een bestuurster van een bromfiets (snorfiets) komende vanaf genoemde [adres 3] reeds op dit kruispunt reed, in elk geval reeds begonnen was dit kruispunt op te rijden, waardoor een botsing of aanrijding is

ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, afdeling Infrastructuur, team Verkeer, proces-verbaalnummer 2431-2020148912-1, gesloten d.d. 14 december 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 282.

2 Proces-verbaal VOA d.d. 10 december 2020, pagina’s 14-40.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 september 2020, pagina’s 214-215.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 15 september 2020, pagina 254.

5 Schouwverslag [slachtoffer 1] , opgesteld door forensisch arts dr. L.J.H. van Hooren, d.d. 15 september 2020, pagina’s 139-141.

6 Geneeskundige verklaring [slachtoffer 2] , opgesteld door chirurg drs. B. Meesters d.d. 18 december 2020.

7 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 mei 2021.