Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:4067

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/03/271518 / HA ZA 19-598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn medebestuurders en certificaathouders van een holding. Omleiding gelden holding. Dwangsommen verbeurd. Kan bestuurder/certificaathouder vordering jegens andere bestuurder/certificaathouder instellen wegens niet voortzetten managementovereenkomst holding? Ernstig verwijt onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/271518 / HA ZA 19-598

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E.Ph. Roelofs,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.M. Daniëls.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 15 april 2020,

  • -

    de akte van [gedaagde] ,

  • -

    de akte van [eiseres] ,

  • -

    de zijdens [eiseres] genomen akte inbrenging stukken alsmede wijziging van eis met producties 16 tot en met 18,

  • -

    de door [gedaagde] ten behoeve van de mondelinge behandeling ingebrachte producties 10 tot en met 19,

  • -

    de door [eiseres] ten behoeve van de mondelinge behandeling ingebrachte producties 19 tot en met 21,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 20 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn bestuurders van [naam bv 1] (hierna: de Holding), die zij alleen tezamen kunnen vertegenwoordigen. De aandelen van de Holding worden gehouden door een stichting administratiekantoor, welk kantoor certificaten van de aandelen in de Holding heeft uitgegeven aan partijen. [eiseres] houdt (afgerond) 40% van de certificaten en [gedaagde] houdt (afgerond) 60% van de certificaten.

2.2.

In 2014 zijn door de Holding verkocht aan Weidelco Handstede B.V. (hierna Weidelco) alle aandelen [naam bv 2] , de werkmaatschappij van de Holding waarin de ondernemingsactiviteiten werden uitgeoefend. In de koopovereenkomst is onder meer vastgelegd dat Weidelco van de Holding het bedrijfspand zou huren. Verder werd bij die koopovereenkomst vastgelegd een managementovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] door de Holding ter beschikking werd gesteld aan Weidelco voor advies en managementdiensten tegen een managementfee.

2.3.

[gedaagde] heeft, zonder toestemming van [eiseres] als medebestuurder, vanaf omstreeks februari 2016 Weidelco opdracht gegeven om hetgeen Weidelco aan de Holding verschuldigd is, te storten op een of meer niet aan de Holding toebehorende rekeningen.

2.4.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 22 januari 2019 (hierna ook: het arrest van het hof), op vordering van [eiseres] , voor zover hier van belang, onder meer het navolgende beslist (productie 1 [eiseres] ):

“Het hof:

(..) veroordeelt [gedaagde] :

A. tot het binnen vier weken nadat dit arrest aan hem is betekend:

  • -

    verstrekken van een overzicht van alle omgeleide betalingen en onttrokken gelden met bijbehorende facturen en bankafschriften, althans voor zover [eiseres] (zoals de rechtbank “ [gedaagde] ” leest) tot die afschriften geen toegang heeft, bankrekeningnummers en tenaamstelling van de bankrekeningen, waarop sinds maart 2016 betalingen verschuldigd door debiteuren van de Holding (waaronder Weidelco) zijn verricht, en,

  • -

    verstrekken van een overzicht van alle rekening courant verhoudingen die de Holding met anderen (waaronder [gedaagde] ), met uitzondering van banken, sinds maart 2016 onderhoudt of heeft onderhouden en van alle boekingen die op die rekening courant verhoudingen zijn of worden verricht;

dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat [gedaagde] , nadat dit arrest aan hem is betekend, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=;”

2.5.

De grosse van het arrest van 22 januari 2019 is op 29 januari 2019 aan [gedaagde] betekend (productie 2 dagvaarding).

2.6.

De raadsman van [gedaagde] heeft [eiseres] bij brief van 13 februari 2019, voor zover hier van belang, onder meer als volgt bericht (bijlage 1 bij productie 4 conclusie van antwoord):

“(..) Mijn memorie na verwijzing in de alimentatiezaak heb ik u doen toekomen. In deze memorie hebt u over de jaren 2016, 2017 en 2018 de bankafschriften van de rekening van de zus van de heer [gedaagde] gevonden, alsmede de daarbij horende facturen die betaald zijn, wat op zich een meer compleet en duidelijker inzicht geeft dan grootboekkaarten kunnen.

Daarnaast heeft u van mij bericht ontvangen van [naam 1] over de andere beperkte rekening-courantverhoudingen alsook over het feit dat er geen andere rekeningen zijn.(...)”

2.7.

De raadsman van [eiseres] heeft de raadsman van [gedaagde] bij bericht van 21 februari 2019 onder meer het volgende bericht (bijlage 2 bij productie 4 dagvaarding).

“(..)

Uit de stukken blijkt dat privé-rekening [rekeningnummer] gebruikt is voor de ontvangst van gelden van Weidelco. Ook van deze bankrekening dienen dan ook alsnog de afschriften te worden verstrekt over de periode februari 2016 tot op heden.

Ook blijkt uit de overgelegde stukken, dat de bankrekening “Erven [naam rekening 1] ” voor betalingen en ontvangsten namens de Holding is gebruikt. Overgelegd zijn echter alleen de afschriften over (..) 1 april 2016 tot 30 juni 2016. Er is dus nog geen inzicht gegeven in de transacties tot op heden, verzocht wordt deze alsnog te verstrekken.

Daarbij wijs ik erop, dat het dezerzijds niet mogelijk is om te verklaren dat alle noodzakelijke gegevens zijn verstrekt. (..)”

2.8.

Bij brief van 22 februari 2019 heeft de raadsman van [gedaagde] de raadsman van [eiseres] vervolgens onder meer als volgt bericht (bijlage 3 bij productie 4 dagvaarding):

“(..)

In uw mail van 21 februari jl. vraagt u afschriften van privérekening [rekeningnummer] .

De eerder aan u verstrekte stukken vermelden inderdaad – dat was mij ontschoten – een keer de privérekening. Dat was de eerste betaling van Weidelco. Die is direct doorgeboekt naar de rekening [naam rekening 2] .

Om een discussie over het al dan niet verbeuren van dwangsommen te voorkomen, treft u als bijlage dit rekeningafschrift aan.

De moeder van de heer [gedaagde] is op [overlijdensdatum] overleden. Vanaf dat moment is die rekening niet meer gebruikt. Er valt dus ook niets over te leggen.

Hier is de overtuiging dat volledig aan het arrest (..) is voldaan. (..)”

2.9.

De raadsman van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 13 augustus 2019 bericht dat hij niet alle gegevens, waar hij op grond van de veroordeling toe was gehouden, tegen het einde van de daartoe gestelde termijn heeft overgelegd. Volgens [eiseres] is daarom vanaf 26 februari 2019 een dwangsom van € 1.000,- verbeurd en is het maximum van € 100.000,- inmiddels bereikt. [eiseres] heeft [gedaagde] daarom gesommeerd tot betaling van

€ 100.000,- (productie 3 dagvaarding).

2.10.

Deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 8 november 2019 tussen [gedaagde] (de man) en [eiseres] (de vrouw), voor zover hier van belang, op reconventionele vordering van [eiseres] onder meer als volgt beslist (productie 15 dagvaarding):

“De voorzieningenrechter

(..)

In reconventie

7.4

Veroordeelt de man om aan de vrouw:

  1. een overzicht te verstrekken van alle omgeleide betalingen en onttrokken gelden met bijbehorende facturen en bankafschriften, althans voor zover de vrouw (zoals de rechtbank “de man” leest) tot die afschriften geen toegang heeft, bankrekeningnummers en tenaamstelling van de bankrekeningen, waarop sinds maart 2016 betalingen verschuldigd door debiteuren van de Holding (waaronder Weidelco) zijn verricht tot en met het moment van het wijzen van dit vonnis en alle daarop volgende bankafschriften voor zolang de man doorgaat met het omleiden van de geldstromen van de Holding naar niet aan de Holding toebehorende bankrekeningen, waartoe in ieder geval behoren alle afschriften van (..)

  2. een maandelijks overzicht te verstrekken – steeds binnen twee weken na het einde van de maand – van alle rekening-courant verhoudingen die de Holding met anderen (...), met uitzondering van banken, sinds december 2018 onderhoudt of heeft onderhouden (…),

7.5

veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat hij nalaat binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de veroordeling onder 7.4 te voldoen, indien en voor zover ten laste van de man niet reeds dwangsommen zijn verbeurd op grond van de veroordeling van de man zoals omschreven door het hof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01) in verband met een zelfde nalaten, zulks totdat een maximum van € 100.000,- zal zijn bereikt; (..)”

2.11.

De grosse van het vonnis van 8 november 2019 is op 19 november 2019 aan [gedaagde] betekend (productie 18 [eiseres] ).

2.12.

De huur die toekomt aan de Holding wordt vanaf 1 januari 2020 (weer) door

Weidelco op de bankrekening van de Holding gestort.

2.13.

De door [gedaagde] als productie 18 overgelegde brief van Weidelco aan

de Holding van 2 december 2019 houdt onder meer in:

“(…)

Met dit schrijven melden we u dat wij de met [naam bv 1] gesloten

managementovereenkomst dd 1 januari 2015 niet zullen voortzetten.

(…)

Conform contract eindigt deze overeenkomst automatisch per 31 december 2019. (…)”.

2.14.

Met ingang van 1 januari 2020 is een nieuwe managementovereenkomst gesloten

tussen Weidelco en Wipafin B.V., een nieuwe door [gedaagde] opgerichte vennootschap

waarvan bij bestuurder is (productie 19 [gedaagde] ).

2.15.

De door het hof Arnhem-Leeuwaren benoemde deskundige Poortvliet heeft op 24 juli 2020 een deskundigenbericht uitgebracht in de tussen partijen aanhangige alimentatieprocedure (productie 16 [eiseres] , productie 10 [gedaagde] ).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging eis (zie de betreffende akte en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling) dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. vaststelt dat [gedaagde] heeft nagelaten om tijdig te voldoen aan de veroordeling zoals omschreven in het arrest van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01) en/of aan het vonnis van de rechtbank Limburg van 8 november 2019 (zaaknummer C/03/267972 / KG ZA 19-405) en daarom gelet op de grond van dit arrest dan wel dit vonnis de verbeurde dwangsommen aan [eiseres] verschuldigd is ter hoogte van € 100.000,-,

2. [gedaagde] veroordeelt om het onder punt 1 genoemde bedraag van € 100.000,- op eerste verzoek aan [eiseres] te voldoen, voor zover deze verplichting niet reeds volgt uit het arrest van het hof van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01), dan wel het vonnis van de rechtbank Limburg van 8 november 2019 (zaaknummer C/03/267972 /KG ZA 19-405). Alsmede [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen de wettelijke rente over de vervallen dwangsommen vanaf 19 augustus 2019, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,

3. [gedaagde] veroordeelt tot het binnen vier weken nadat het in deze te wijzen vonnis aan hem is betekend verstrekken van overzichten, steeds tot de datum van het in deze te wijzen vonnis, van alle rekening-courantverhoudingen die de Holding met anderen (waaronder [gedaagde] ), met uitzondering van banken sinds februari 2016 onderhoudt of heeft onderhouden en van alle boekingen die op de rekening-courantverhoudingen zijn verricht, met name met “Erven [naam rekening 1] ” en mevrouw “ [naam rekening 3] ” tot 1 januari 2020,

steeds binnen twee weken vanaf het verstrijken van een kalendermaand,

dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, indien en voor zover ten laste van [gedaagde] niet reeds dwangsommen verbeuren op grond van de veroordeling van [gedaagde] zoals omschreven door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01) en/of het vonnis van de rechtbank Limburg van 8 november 2019 (zaaknummer C/03/267972 / KG ZA 19-405) in verband met eenzelfde nalaten, zulks met een maximum van € 500.000,-,

4. [gedaagde] verbiedt inkomsten, met name de door Weidelco te betalen huren en managementvergoedingen, welke toebehoren aan het vermogen van de Holding op andere bankrekeningen te laten betalen dan de bankrekening welke op naam is gesteld van de Holding bij de Rabobank dan wel – zonder toestemming van [eiseres] als medebestuurder – mee te werken aan constructies waardoor de inkomsten van het door de holding aan Weidelco verhuurde bedrijfspand, dan wel de door [gedaagde] voor Weidelco verrichte managementdiensten niet meer binnen zouden komen op de bankrekening van de Holding,

Zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, zulks met een maximum van € 500.000,-,

5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] .

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] niet (tijdig) heeft voldaan aan de veroordelingen in het arrest van het hof en van het vonnis van deze rechtbank.

3.2.1.

Er ontbrak aldus [eiseres] tegen het einde van de door het hof gegeven termijn van de bankrekening van:

  1. de erven: een belangrijk deel van de afschriften over de periode tussen februari 2016 en 31 december 2018, en alle afschriften na 31 december 2018,

  2. de zus: alle afschriften vanaf 31 december 2018,

  3. de privérekening van [gedaagde] : alle afschriften behalve het afschrift van 22 april 2016.

Van geen van de aan de orde zijnde bankrekeningen zijn volgens [eiseres] (dus) de afschriften over de periode van 1 januari 2019 tot 22 januari 2019 tijdig overgelegd (randnummer 15 spreekaantekeningen raadsman [eiseres] ). Met betrekking tot de rekening-courant verhoudingen met de erven [naam 2] en de zus van [gedaagde] heeft [gedaagde] geen enkel overzicht verstrekt.

3.2.2.

Voor de dwangsommen in het vonnis van de rechtbank geldt volgens [eiseres] het navolgende. De afschriften genoemd in de e-mail van de deskundige van 29 juni 2020 hadden, op grond van het vonnis van de rechtbank uiterlijk op 17 december 2019 moeten zijn verstrekt. Dit is niet tijdig gebeurd.

3.2.3.

Voor het onder 4 gevorderde geldt volgens [eiseres] dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door gelden van de Holding om te leiden. Aan [gedaagde] dient – kort gezegd – een verbod opgelegd te worden om dit in de toekomst (nog) te doen.

3.3.

[gedaagde] voert als volgt verweer.

3.3.1.

[gedaagde] stelt zich met betrekking tot het arrest van het hof primair op het standpunt dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. De veroordeling in het arrest van het hof ziet enkel op het verleden (tot datum vonnis: 22 januari 2019) en niet tevens op de toekomst en hij heeft tijdig en volledig voldaan aan de veroordeling in het arrest van het hof.

3.3.2.

[gedaagde] stelt zich subsidiair op het standpunt dat toewijzing van de dwangsom in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. Dit gelet op de proceshouding van [eiseres] , die zes maanden wacht om [gedaagde] erop te wijzen dat hij volgens haar niet heeft voldaan aan het arrest van het hof, terwijl er inmiddels dwangsommen ter hoogte van het volledige bedrag zijn verbeurd. Ook het verbeurd achten van de dwangsommen wegens het ontbreken van een enkel bankafschrift zou volgens [gedaagde] strijd met de redelijkheid en billijkheid opleveren. Dit zou misbruik van recht zijdens [eiseres] opleveren.

3.3.3.

[gedaagde] voert met betrekking tot het vonnis van de rechtbank van 8 november 2019 aan dat hij op 3 december 2019 alle gegevens heeft verstrekt, waartoe hij op grond van laatstgenoemd vonnis veroordeeld was. De omleiding van de geldstromen is bovendien per 1 december 2019 stopgezet. Het verstrekken van informatie is daarmee overbodig geworden. De verjaring is volgens [gedaagde] ten slotte niet tijdig gestuit (brief 2 december 2020, productie 15 [gedaagde] ).

3.3.4.

[gedaagde] bestrijdt ten aanzien van het onder 4 gevorderde dat hij iets onrechtmatigs heeft gedaan. Hij heeft weliswaar gelden omgeleid, maar hij heeft daarmee niets verkeerd gedaan. De nieuwe managementovereenkomst is gesloten nadat de managementovereenkomst met Weidelco, na 5 jaar, per 1 januari 2020, was beëindigd. Hij heeft daarover met Weidelco onderhandelingen gevoerd. [gedaagde] heeft daartoe gebruik gemaakt van een nieuwe door hem opgerichte vennootschap. Dit was volgens hem toegestaan en maakt het niet noodzakelijk om dat te verbieden onder verbeurte van een dwangsom, laat staan tot de voorgestane hoogte. Voor de huurovereenkomst met Weidelco geldt dat het geld binnenkomt op de rekening van de Holding. Ook in dit kader bestaat dan ook geen enkele reden om een dwangsom uit te spreken, laat staan een bovenmatige zoals [eiseres] vordert.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd, het desbetreffende dictum zo letterlijk mogelijk moet worden gevolgd. Voorkomen moet immers worden dat wordt gediscussieerd over wat de veroordeelde nu precies moest doen omdat een dergelijke discussie het gevaar meebrengt dat een goedwillende veroordeelde onverwacht toch dwangsommen is verbeurd. Het risico van een niet voldoende duidelijke veroordeling ligt verder bij de partij die de betreffende veroordeling heeft gevorderd. Die vordering had dan maar duidelijker moeten zijn. De rechtbank zal dus zoveel mogelijk aansluiten bij de letterlijke tekst van het dictum in de veroordelende uitspraak. Deze letterlijke tekst zal dan ook het uitgangspunt vormen bij de beantwoording van de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd. De rechtbank zal deze vraag eerst beantwoorden daar waar het het arrest van het hof betreft.

Het arrest van het hof van 22 januari 2019

Algemeen

4.2.

Het arrest van het hof is op 29 januari 2019 aan [gedaagde] betekend. De gegevens die [gedaagde] op grond de onder rov. 2.4 weergegeven veroordeling diende te verstrekken, dienden dus (allemaal) uiterlijk op 26 februari 2019 te worden vertrekt om het (deels) verbeuren van de dwangsom te voorkomen.

4.3.

Zoals reeds eerder overwogen, dient een veroordeling, bij het geven van een oordeel over het verbeurd zijn van dwangsommen, niet ruim(hartig) geïnterpreteerd te worden. In de aanhef van de veroordeling in het arrest staat “veroordeelt [gedaagde] : A. tot het binnen vier weken nadat dit arrest aan hem is betekend: verstrekken van (..) sinds maart 2016 (..)”. Dit duidt op ten tijde van het wijzen van het arrest bestaande gegevens. Noch uit de letterlijke bewoordingen van het dictum onder A, noch anderszins, valt uit het arrest van het hof op te maken dat de veroordeling onder A zich (mede) uitstrekt over nog niet bestaande gegevens ter zake de periode na de datum van het wijzen van het arrest. De veroordeling behelst, gelet hierop, dus de gehoudenheid tot het verstrekken van gegevens tot 22 januari 2019. De vraag tot overlegging van welke gegevens [gedaagde] gehouden was, gelet op de veroordeling onder A, alsook de inhoud van het arrest, wordt hierna beantwoord.

4.4.

De gegevens die [gedaagde] moest verstrekken worden in het dictum van het arrest van het hof, onder A eerste bullet point, onder meer, voor zover hier van belang, aangeduid als “een overzicht van alle omgeleide betalingen en onttrokken gelden met bijbehorende facturen en bankafschriften”. Uit rov. 3.11 van het arrest van het hof volgt dat het hof met het gebruik van de term “omgeleide betalingen” en “onttrokken gelden” in voormelde zinssnede uit zijn dictum het oog heeft gehad op “gelden/bedragen waarvoor geldt dat [gedaagde] – onweersproken – zonder instemming van [eiseres] als medebestuurder, heeft bewerkstelligd dat deze gelden/bedragen, die aan de Holding moesten worden betaald, aan [gedaagde] zijn betaald c.q. toegekomen, terwijl gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aanspraak kon maken op deze bedragen”. Deze bedragen zijn volgens het hof dan ook onrechtmatig aan de Holding onttrokken. [eiseres] heeft volgens het hof als certificaathoudster en medebestuurder recht op rekening en verantwoording ten aanzien van die onttrekkingen (rov. 3.12). Dit oordeel heeft geleid tot de veroordeling onder A van het dictum. In het verlengde daarvan is [gedaagde] , naar de rechtbank begrijpt, tevens veroordeeld tot het verschaffen van inzicht in de rekening-courant verhouding met anderen. [gedaagde] heeft immers zelf aangegeven dat hij de onttrokken bedragen in rekening-courant heeft geboekt (als een schuld aan de Holding).

4.5.

Met voormelde veroordeling is [gedaagde] niet gehouden tot overlegging van alle bankafschriften. Hij is gelet op de bewoordingen van die veroordeling enkel gehouden tot het verstrekken van de bankafschriften (en bijbehorende facturen) die betrekking hebben op het “omleiden” en/of “onttrekken” van gelden van de Holding. Aan [gedaagde] komt in dit verband dus enige mate van vrijheid toe om een onderscheid te maken tussen wat wel en niet relevant is. Dit betekent dat slechts kan worden gesproken van het verbeuren van dwangsommen, indien vaststaat dat er ten tijde van het verstrijken van de in het arrest van het hof gegeven termijn, gegevens ontbreken die betrekking hebben op de omleiding/onttrekking van gelden van de Holding. Eerst dan is sprake van het niet voldoen aan datgene waar [gedaagde] toe werd veroordeeld.

De rekening van de erven

4.6.

[gedaagde] heeft met betrekking tot deze bankrekening ten behoeve van het in het kader van de alimentatieprocedure bij het hof door Poortvliet uit te brengen rapport, als productie 11b een overzicht van de bankrekening van de erven over de periode van januari 2016 tot en met november 2019 overgelegd. Als productie 16 heeft [gedaagde] overgelegd een afschrift van 5 december 2019 waaruit blijkt dat deze rekening per 4 december 2019 is opgeheven. Op grond van deze productie 16 staat vast dat de rekening van de erven per 4 december 2019 (volgens de toelichting op productie 16 in de spreekaantekeningen van [gedaagde] 2 december 2019) is opgeheven. Vanaf 5 december 2019 konden er dus in ieder geval geen omleidingen van gelden van de Holding daarop plaatsvinden. Dat (en waaruit) op basis van de als productie 11b verstrekte overzichten zou blijken dat er concrete aanwijzingen zijn dat er, voor zover nu relevant, (nog) omleidingen van gelden van de Holding hebben plaatsgevonden op de rekening van de erven, is door [eiseres] niet gesteld. Bij gebreke aan concrete stellingen op dit punt, kan niet worden vastgesteld dat er, daar waar het de rekeningen van de erven betreft, geen uitvoering is gegeven aan het arrest van het hof van 22 januari 2019 en er daarom in dat verband dwangsommen zijn verbeurd.

De privérekening van [gedaagde]

4.7.

[eiseres] heeft niet gewezen op concrete aanwijzingen waaruit zou blijken dat op de privérekening van [gedaagde] (na april 2016) omgeleide bedragen zijn vermeld die aan de Holding toekomen. Aldus kan niet worden vastgesteld dat hij dwangsommen is verschuldigd omdat hij ter zake zijn privérekening niet heeft voldaan aan de veroordeling in het arrest van het hof van 22 januari 2019. De enkele stelling dat er op die rekening in het verleden – in april 2016 – ooit één omgeleide betaling heeft plaatsgevonden, is daartoe in elk geval onvoldoende. Dat deze omgeleide betaling maakt dat de interesse van [eiseres] in de overige afschriften alleen maar groter is geworden, maakt dit niet anders. Van doorslaggevend belang blijft of er sprake is van concrete aanwijzingen van omgeleide betalingen op deze rekening en daar heeft [eiseres] geen melding van gemaakt. Dat ten aanzien van de privérekening sprake zou zijn van het verbeuren van dwangsommen, is, gelet op het voorgaande, niet gebleken.

De rekening van de zus

4.8.

Volgens [eiseres] kan uit de door haar als productie 8 ingebrachte bankafschriften van de zus van [gedaagde] worden opgemaakt dat er, daar waar het de periode tussen 1 januari 2019 en 22 januari 2019 betreft, niet tijdig uitvoering is gegeven aan het vonnis van het hof en dat er dus dwangsommen zijn verbeurd.

4.9.

Uit voormelde productie 8 valt inderdaad af te leiden dat ook in januari 2019 nog sprake was van het “omleiden” van gelden die toekwamen aan de Holding. Op boekdatum 7 januari 2019 zijn immers drie verschillende stortingen van Weidelco ten bedrage van respectievelijk € 4.840,-, € 5.747,50 en € 504,21 vermeld. Op 7 januari 2019 heeft tevens een overboeking naar [naam bv 3] plaatsgevonden, waarbij [naam bv 1] als “overige partij” is vermeld. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was [gedaagde] op grond van de veroordeling onder A, eerste bullet point, gehouden tot overlegging van gegevens over omgeleide bedragen tot 22 januari 2019. Dat de gegevens in voormelde productie 8 eerder dan medio september 2019 zouden zijn verstrekt, wordt door [gedaagde] niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Gesteld noch gebleken is dus dat het bankafschrift waarin (onder meer) de drie stortingen van Weidelco op 7 januari 2019 voorkomt, op enig concreet omschreven moment, gelegen eerder dan medio september 2019 – ten behoeve van het onderzoek van deskundige Poortvliet – door [gedaagde] is verstrekt. Dat het overzicht ingebracht als productie 8 eerder dan medio september 2019 zou zijn overgelegd, ligt gelet op de begin- en einddatum van het overzicht -1 januari 2019 tot en met 17 september 2019 – in ieder geval niet voor de hand.

Zonder nadere, door [gedaagde] te verschaffen toelichting, die ontbreekt, acht de rechtbank het alleszins mogelijk dat de bankafschriften van de zus van [gedaagde] betreffende de omleidingen op 7 januari 2019, vóór 26 februari 2019 overgelegd hadden kunnen worden. Gesteld noch gebleken is aldus dat er een legitieme reden was op grond waarvan tijdige overlegging (binnen uiterlijk zeven weken na datum omleiding) praktisch niet mogelijk was. Dit betekent dat het bankafschrift van 7 januari 2019, zonder legitieme reden, (ruim) buiten te termijn van 100 dagen (na 26 februari 2019) is verstrekt, zodat alleen al daarom het maximale bedrag van € 100.000,- is verbeurd. [eiseres] heeft bij brief van 13 augustus 2019 (productie 3 dagvaarding) aanspraak gemaakt op de dwangsommen en de onderhavige dagvaarding waarin zij betaling vordert van de dwangsom, is aan [gedaagde] betekend op 11 december 2019, zodat van verjaring geen sprake is.

4.10.

Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd is er geen reden om het maximale bedrag te verlagen. Allereerst geeft de veroordeling in het arrest van het hof niet een dergelijke ruimte. [gedaagde] moest alle duidelijk omschreven informatie verschaffen, compleet en zonder uitzondering. Het hof heeft in zijn arrest geen handvatten gegeven voor de redenering dat als slechts 1 omleiding niet is vermeld, de dwangsom lager is. De te geven informatie moet volledig zijn. De reden van deze veroordeling – op zijn zachtst gezegd door [gedaagde] georkestreerd niet regulier betalingsverkeer – brengt met zich dat elk stuk van groot belang kan zijn. Misbruik van bevoegdheid, zoals door [gedaagde] gesteld, kan [eiseres] in dit verband niet verweten worden. Dat van de bevoegdheid tot het innen van de dwangsommen gebruik zou zijn gemaakt met een ander doel dan waartoe deze is verleend, is onvoldoende onderbouwd. Dat toewijzing van de dwangsommen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is evenmin voldoende feitelijk onderbouwd. Het bedrag is fors, maar het aan [gedaagde] te maken verwijt is zeer ernstig. Op [eiseres] rustte verder niet de verplichting om [gedaagde] gaandeweg het verbeuren daarop te wijzen, teneinde hem te behoeden voor het (verder) verbeuren van dwangsommen. De consequenties van het niet volledig voldoen aan het arrest van het hof moeten voor [gedaagde] , gelet op de inhoud van het aan hem betekende arrest, voldoende duidelijk worden geacht.

Overzichten alle rekening-courant verhoudingen

4.11.

[gedaagde] is op grond van het dictum onder A (tweede bullet point) tevens veroordeeld tot het verstrekken van “een overzicht van alle rekening courant verhoudingen die de Holding met anderen (waaronder [gedaagde] ) (..) sinds maart 2016 onderhoudt of heeft onderhouden(..) en van alle boekingen die op die rekening courant verhoudingen zijn of worden verricht”. In het kader van de alimentatieprocedure bij het hof zijn, onbetwist, tijdig verstrekt: de rekening-courant overzichten over de jaren 2016, 2017 en 2018 van de verhouding van de Holding met “rek. courant directie PW” en “rek. courant aandeelhoud” (productie 3 conclusie van antwoord, productie 9, 10 en 11 Memorie na verwijzing). Het verwijt dat [eiseres] [gedaagde] maakt, daar waar het de rekening-courant overzichten betreft, is dat er geen enkel inzicht is gegeven in de rekening-courant verhouding met de erven [naam 2] en de zus van [gedaagde] (zie randnummer 52 dagvaarding). Dit terwijl die rekening-courant verhouding volgens [eiseres] , gelet op de verstrekte bankafschriften, wel degelijk moeten zijn ontstaan. [eiseres] laat echter na om deze stelling voldoende duidelijk te concretiseren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet waaruit zou moeten volgen dat er sprake is van achtergehouden, tussen de Holding en de erven bestaande rekening-courant verhoudingen, en tussen de Holding en de zus bestaande rekening-courant verhoudingen, zodat daarmee niet overzichten van “alle” rekening-courant verhoudingen zijn verstrekt. Het gestelde onder randnummer 47 e.v. dagvaarding, wat daar ook van zij, maakt dit in ieder geval onvoldoende inzichtelijk. Deze stellingen lijken betrekking te hebben op rekening-courant verhoudingen met [gedaagde] in privé. Dat er concrete aanwijzingen zouden zijn dat uit enige rekening-courant verhouding gedurende de periode 1 januari 2019 tot 22 januari 2019 een omleiding is gefabriceerd, en [gedaagde] daarom een overzicht van die rekening-courant verhouding over die periode had moeten verschaffen, is door [eiseres] evenmin gesteld. Gelet op het voorgaande, is door [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat er, daar waar de veroordeling van het hof ziet op de rekening-courant verhoudingen, dwangsommen zijn verbeurd.

Het vonnis van de rechtbank van 8 november 2019

4.12.

De beantwoording van de vraag of in het kader van het vonnis van de rechtbank dwangsommen zijn verbeurd, is niet relevant. In dat vonnis is immers onder 7.5 van het dictum bepaald dat slechts van een veroordeling tot betaling van dwangsommen sprake kan zijn, indien niet reeds het maximum aan dwangsommen ad € 100.000,- is verbeurd in verband met het niet naleven van de veroordelingen van het hof. Dit is gelet op het voorgaande het geval. Of door [gedaagde] al dan niet (tijdig) is voldaan aan het vonnis van de rechtbank van 8 november 2019 kan derhalve onbesproken blijven.

4.13.

Het onder 1 gevorderde zal, gelet op het voorgaande, worden toegewezen op hierna te melden wijze, voor zover dit ziet op het arrest van het hof.

4.14.

Het onder 2 gevorderde zal, gelet hierop, eveneens op hierna te melden wijze worden toegewezen.

Vordering 3

4.15.

Er kan bij de beoordeling van deze vordering vanuit worden gegaan dat genoegzaam vaststaat dat [gedaagde] , kort gezegd, aan de Holding toekomende gelden heeft omgeleid. Gelet op dit vaststaande feit heeft [eiseres] belang bij haar vordering sub 3. Deze vordering is onvoldoende gemotiveerd betwist door [gedaagde] , zodat deze zal worden toegewezen, met matiging en maximering van de gevorderde dwangsom, mede gelet op het feit dat [gedaagde] al een dwangsom is verschuldigd.

Vordering 4

4.16.

Naar de rechtbank begrijpt legt [eiseres] aan het onder 4 gevorderde onrechtmatige daad ten grondslag, alsmede dat zij deze vordering (mede) instelt als certificaathouder/medebestuurder van de Holding.

4.17.

Het omleiden van de door Weidelco aan de Holding verschuldigde huur door [gedaagde] staat vast. Die daad brengt met zich dat [eiseres] belang heeft bij haar vordering voor zover inhoudende een verbod aan [gedaagde] om de betaling van huurpenningen om te leiden. Het enkele feit dat die huur sinds 1 januari 2020 weer op de bankrekening van de Holding wordt gestort, maakt dit niet anders. Het is, gelet op het eerdere gedrag van [gedaagde] , namelijk niet zodanig onvoorstelbaar dat hij in de toekomst weer de huurbetaling zal omleiden dat deze vordering nu zou moeten worden afgewezen. [eiseres] heeft dus voldoende belang bij deze vordering die daarom zal worden toegewezen, met matiging en maximering van de gevorderde dwangsom.

4.18.

Uit de brief van Weidelco voor zover weergegeven in rov. 2.13, blijkt dat de managementovereenkomst was gesloten voor bepaalde tijd en afliep op 31 december 2019. Voor zover een door certificaathouder/bestuurder [eiseres] tegen certificaathouder/bestuurder [gedaagde] ingestelde vordering als de onderhavige al mogelijk is, moeten door [eiseres] feiten worden aangevoerd waaruit valt af te leiden dat [gedaagde] met het opzet om [eiseres] over de boeg van de Holding te benadelen, Weidelco heeft bewogen om de managementovereenkomst met de Holding niet voort te zetten en inhoudelijk dezelfde overeenkomst te sluiten met een nieuwe entiteit waarbij echter per saldo niets wijzigt ten opzichte van de door tijdsduur geëindigde overeenkomst. Het is immers de Holding die de managementovereenkomst als partij heeft gesloten en het is dus de Holding die mogelijk haar bestuurder kan aanspreken wegens onzorgvuldig bestuur omdat door zijn gedrag de overeenkomst niet is voortgezet en/of door zijn gedrag de vermogenspositie van de Holding nadelig is beïnvloed. [eiseres] is bij dit alles geen partij.

Indien echter sprake is van een zeer ernstig verwijt zou een certificaathouder/bestuurder een andere certificaathouder/bestuurder mogelijk kunnen aanspreken met een vordering als de onderhavige. Een dergelijke aanspraak moet in verband met de hiervoor uiteengezette gronden terdege zijn onderbouwd. [eiseres] had ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] een zeer ernstig verwijt valt te maken wat dit betreft bijvoorbeeld een ter zake doende verklaring van Weidelco moeten overleggen ter onderbouwing van haar stelling. Zij heeft echter ter onderbouwing van haar stelling niets overgelegd, waar tegenover staat de in rov. 2.13 genoemde afscheidsbrief van Weidelco, zodat haar vordering op dit onderdeel wordt afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

4.19.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 914,00

- salaris advocaat 4.425,00 (2,5 punt × tarief € 1.770,00)

Totaal € 5.438,01

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt vast dat [gedaagde] heeft nagelaten om tijdig te voldoen aan de veroordeling zoals omschreven in het arrest van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01), en daarom op grond van dit arrest, de verbeurde dwangsommen ter hoogte van een bedrag van € 100.000,- aan [eiseres] verschuldigd is,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om het onder 5.1 genoemde bedrag van € 100.000,- op eerste verzoek aan [eiseres] te voldoen, voor zover deze verplichting niet reeds volgt uit het arrest van het hof van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de vervallen dwangsommen vanaf 19 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot het binnen vier weken nadat het in deze te wijzen vonnis aan hem is betekend verstrekken van overzichten, steeds tot de datum van het in deze te wijzen vonnis, van alle rekening-courantverhoudingen die de Holding met anderen (waaronder [gedaagde] ), met uitzondering van banken sinds februari 2016 onderhoudt of heeft onderhouden en van alle boekingen die op de rekening-courantverhoudingen zijn verricht, met name met “Erven [naam rekening 1] ” en mevrouw “ [naam rekening 3] ” tot 1 januari 2020,

steeds binnen twee weken vanaf het verstrijken van een kalendermaand,

dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, indien en voor zover ten laste van [gedaagde] niet reeds dwangsommen verbeuren op grond van de veroordeling van [gedaagde] zoals omschreven door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 22 januari 2019 (zaaknummer 200.243.837/01) en/of het vonnis van de rechtbank Limburg van 8 november 2019 (zaaknummer C/03/267972 / KG ZA 19-405) in verband met eenzelfde nalaten, zulks met een maximum van € 250.000,-,

5.4.

verbiedt [gedaagde] de door Weidelco te betalen huren, welke toebehoren aan het vermogen van de Holding op andere bankrekeningen te laten betalen dan de bankrekening welke op naam is gesteld van de Holding bij de Rabobank dan wel – zonder toestemming van [eiseres] als medebestuurder – mee te werken aan constructies waardoor de inkomsten van het door de holding aan Weidelco verhuurde bedrijfspand niet meer binnen zouden komen op de bankrekening van de Holding,

zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, zulks met een maximum van € 250.000,-,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 5.438,01,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: CB coll: