Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3973

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
ROE 21/952
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen een invorderingsbesluit. De voorzieningenrechter overweegt dat het dwangsombesluit en de hoogte van de dwangsom in rechte vast staan en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien. Van overmacht is geen sprake geweest en het was verzoekers verantwoordelijkheid om tijdig aan de last te voldoen. Toen dat door omstandigheden problematisch bleek, lag het op zijn weg om het college (nogmaals) om verlenging van de begunstigingstermijn te vragen. De voorzieningenrechter doet mondeling uitspraak en wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/952

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 29 april 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.A. Patandin),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.M. Tummers).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder een bedrag van

€ 50.000,00 bij verzoeker ingevorderd.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Verzoeker is verschenen. Verzoekers gemachtigde heeft hem bijgestaan via een skype-verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De aan verzoeker opgelegde last houdt in dat hij overtreding van artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting uiterlijk op 1 oktober 2020 diende te beëindigen en beëindigd te houden. In de last is erop gewezen dat er meer mogelijkheden zijn om de overtreding te beëindigen en dat verzoeker tijdig contact diende op te nemen als hij twijfelde over de gewenste oplossing. Op basis van in overleg met verzoeker gemaakte afspraken heeft verweerder op 1 oktober 2020 de begunstigingstermijn verlengd tot 31 december 2020.

3. Verzoeker voert aan dat hij in oktober 2020 de aannemer heeft benaderd en op 8 december 2020 een afspraak had met de aannemer. Pas omstreeks 16 december 2020 hoorde hij van de aannemer dat de temperatuur te laag was (namelijk lager dan 5 graden) om de PVC-verbindingen te kunnen lijmen. Daardoor is een vertraging van vier weken ontstaan in de uitvoering van de werkzaamheden. Verzoeker betoogt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet wist dat de werkzaamheden bij lage temperatuur niet door konden gaan. Hij rekende erop dat hij tijdig aan de last kon voldoen en vertrouwde daarbij op zijn aannemer. Door overmacht, gelegen in extreme weersomstandigheden, is dat niet binnen de termijn gelukt. Mede gelet op het feit dat hij nooit de intentie heeft gehad de overtreding voort te laten bestaan en omdat de overtreding na afloop van de begunstigingstermijn ook volledig is beëindigd, stelt verzoeker zich op het standpunt dat invordering van € 50.000,00 onredelijk en onevenredig is. Dit te meer nu namens verweerder is verklaard dat hij wellicht nogmaals een kort uitstel zou hebben gekregen als hij daar tijdig om had gevraagd.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het dwangsombesluit en daarmee de hoogte van de dwangsom in rechte vaststaat. Verzoeker heeft binnen de verlengde begunstigingstermijn niet (nogmaals) om een verlenging van de termijn gevraagd. Verzoeker heeft derhalve kennelijk berust in de dwangsomoplegging en de hoogte van de dwangsom, alsmede in de begunstigingstermijn. Tevens staat vast dat de overtreding niet binnen de begunstigingstermijn is beëindigd, zodat de last is overtreden en de dwangsom van rechtswege is verbeurd.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend (onder meer de uitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2674). Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van de een last onder dwangsom. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 115) heeft de Afdeling overwogen dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het voldoen aan de last na de begunstigingstermijn is op zichzelf geen omstandigheid als gevolg waarvan van invordering kan worden afgezien (uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012,ECLI:NL:RVS:2021:BX7685). Als dat zo zou zijn, zou een begunstigingstermijn immers nauwelijks nog betekenis hebben. Bovendien heeft het nog meerdere weken geduurd voordat de overtreding uiteindelijk volledig is beëindigd.

6. De voorzieningenrechter ziet, ook in samenhang bezien met de andere omstandigheden van het geval, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de dwangsom in dit geval in redelijkheid niet volledig kon invorderen. Van verzoeker mag worden verwacht dat hij een dwangsom van € 50.000,00 die boven zijn hoofd hangt, serieus neemt. Hij heeft dat echter kennelijk niet gedaan en door niet of niet geheel in te vorderen zou dat gedrag feitelijk worden goedgekeurd. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in diens betoog dat van een overmachtssituatie sprake is geweest. Dat de aannemer niet eerder kon starten en het beroep op te koud weer in december zijn geen bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien. Het was verzoekers eigen verantwoordelijkheid om tijdig aan de last te voldoen en tijdig met de aannemer te overleggen wat daarvoor nodig is en om vervolgens de aannemer te instrueren ervoor zorg te dragen dat hij de betreffende werkzaamheden op tijd afrondt. Dat verzoeker pas begin december een overleg heeft met de aannemer en pas medio december erachter komt dat de werkzaamheden niet op tijd klaar zullen zijn, komt dan ook voor zijn rekening. Van extreem weer kan niet worden gesproken als het in december niet warmer is dan 5 graden en zowel aannemer als verzoeker hadden dergelijke weersomstandigheden van tevoren kunnen of moeten voorzien. Ook lag het op de weg van verzoeker om, zodra (medio december) was te verwachten dat hij de last niet voor afloop van de begunstigingstermijn kon uitvoeren, verweerder om verlenging daarvan te vragen. Verzoeker was van die mogelijkheid op de hoogte. De door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden geven daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de invordering gematigd of achterwege gelaten had moeten worden. Daarbij komt als belangrijk aspect dat derden om handhavend optreden hebben verzocht en met recht over niet naleving van de milieuregels hebben geklaagd. Deze derden mogen verwachten dat verzoeker de regels (deze keer en een volgende keer) naleeft en mogen vertrouwen op adequate en doortastende handhaving door verweerder. Ten slotte heeft verweerders gemachtigde er ook terecht op gewezen dat het ongewenste precedentwerking zou hebben, indien tot matiging wordt overgegaan terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn om (gedeeltelijk) van invordering af te zien. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat er geen reden is om in het kader van het beroep tegen het invorderingsbesluit gronden die zijn gericht tegen de hoogte van de bij het dwangsombesluit vastgestelde dwangsom, alsnog te beoordelen, omdat het dwangsombesluit niet evident onrechtmatig is.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het invorderingsbesluit een gereden kans maakt in bezwaar niet in stand te kunnen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom ook geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8. De voorzieningenrechter wijst erop dat tegen zijn uitspraak geen hoger beroep openstaat. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel dat de rechtbank in een eventuele beroepszaak niet bindt.

9. De voorzieningenrechter doet wel een beroep op verweerder om vóór het nemen van het besluit op bezwaar, geen verdere invorderingshandelingen te verrichten, zodat er nog een heroverweging kan plaatsvinden of de evenredigheidstoets, gelet op alle dan bekende feiten en omstandigheden, tot gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid aanleiding kan geven, mede gelet op de mededeling ter zitting dat een tijdig gedaan verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn wellicht aanleiding had gegeven om die termijn te verlengen (waardoor het niet plegen van een telefoontje verzoeker feitelijk € 50.000,00 heeft gekost). Zoals gezegd, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor schorsing van de invorderingsbeschikking omdat naar voorlopig oordeel niet kan worden gezegd dat invordering onrechtmatig is, maar het is wel een aspect dat verweerder kan meewegen bij de heroverweging in bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

de griffier is verhinderd voorzieningenrechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 mei 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.