Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3902

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
8278435 \ CV EXPL 20-401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In conventie: nakoming aannemingsovereenkomst; onvoldoende gesteld voor intreden verzuim; onrechtmatige daad door ontvreemden andermans eigendom, verdeling stelplicht en bewijslast, geen voldoende en concreet bewijsaanbod dus geen bewijslevering; eigendom van te koop aangeboden roerende zaak niet op basis van verkoopadvertentie; toewijzing bij gebrek betwisting; status quo niet verder besproken: akte; te stellen eisen aan betwisting bij magere stelling. In reconventie: absolute bevoegdheid samenhang reconventie op grond van 97 Rv; verdeling stelplicht en bewijslast bij aanneming van werk, richtprijs en vaste prijs; redelijke prijs; waarschuwingsplicht bij overschrijding richtprijs; meerwerk; kwalificatie van beschikbaarstelling landbouwgrond en -opstallen niet op basis van bedoeling partijen; verrekening met pachtprijs; vordering pacht niet afdwingbaar bij gebrek aan goedkeuring grondkamer, dwingend recht; verrekenen alleen als vordering en schuld afdwingbaar, niet voldoende gesteld; vruchten van verpachte land voor pachter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8278435 \ CV EXPL 20-401

Vonnis van de kantonrechter van 14 april 2021

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.M.M. Hepkema.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 januari 2020 met producties 1-14

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1-2

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie met producties 15-22

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

[eiseres] exploiteerde met haar man, de heer [erflater] , een landbouw- en recreatiebedrijf (hierna: het bedrijf). [erflater] is in maart 2016 overleden. [eiseres] heeft de exploitatie van het bedrijf tijdelijk op een lager pitje gezet. Vanaf 2018 hebben [eiseres] en haar dochter met partner de exploitatie weer opgepakt. Het bedrijf wordt thans omgevormd van een agrarisch bedrijf met recreatieve neventak tot een recreatiebedrijf met agrarische neventak.1

2.2.

Wijlen [erflater] was een oom van [gedaagde] . [gedaagde] was van jongs af aan kind aan huis bij de familie [eiseres] en werkte ook mee in het bedrijf van zijn oom. Vanaf 2007 exploiteert [gedaagde] de eenmanszaak [handelsnaam] . Hij verhuurt grondverzetmachines inclusief machinist, verricht snoeiwerkzaamheden en heeft zich toegelegd op bestratingswerkzaamheden.2

2.3.

Na het overlijden van [erflater] zou [gedaagde] voor [eiseres] werkzaamheden uitvoeren op het bedrijf. Partijen maakten daar (mondeling) afspraken over.3

2.4.

[eiseres] heeft over het jaar 2017 op schrift gesteld (productie 2 bij dagvaarding, hierna ook aan te duiden als: “overeenkomst 2017”):4

Overeenkomst [gedaagde] en [eiseres] .

Vanaf 1 januari 2017 t/m 31 december2017.

Voor [gedaagde] :

Terhorst totaal 3 hec.2275 van provincie en kerk, tegen pachtprijs en onderhoud.

Buffer terhorst gratis tegen onderhoud.

Heijenrath 2 hec.22105 naast woning tegen pachtprijs en onderhoud.

Houtopslag tussen stal en mestopslag, en helft veestal als opslag voor stro/hooi of hout tegen een vergoeding van € 400,- p.maand.

Als mestput leeg is de klinkers erin opslaan.

Geen kiepingen van hout of dergelijke, geen silo of stro in weilanden bij Heijenrath.

Zaterdag 25 maart is de camping klaar , het hout opgeruimd en de inrittten gesplit.

Even laten weten als er iemand hooi/stro/hout komt laden of in stal opslaan.

Trekker en lader in orde maken.

Maandelijks factuur maken voor werkzaamheden.+/-€ 750,-

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Voor [eiseres] :

Maandelijks factuur maken voor huur/opslag. +/- € 750,-

1 april schuld [erflater] afgelost hebben, mits [gedaagde] Hannomag niet verkoopt.

Rekeningen van 2016 even doorlopen.

Eerste woensdag van de maand even overleggen.

[gedaagde] [eiseres]

15-03-2017 15-03-2017“

2.5.

De samenwerking werd in 2018 voortgezet. Daarover is opgeschreven (productie 4 bij dagvaarding, hierna ook aan te duiden als “overeenkomst 2018”):5

Overeenkomst [gedaagde] en [eiseres] .

Vanaf 1 januari 2018 t/m 31 december 2018.

Voor [gedaagde] :

Terhorst totaal 3 hec.2275 van provincie en kerk, tegen pachtprijs en onderhoud.

Buffer Terhorst gratis tegen onderhoud.

Heijenrath 2 hec.22105 naast woning tegen pachtprijs en onderhoud.

De heft van de veestal als opslag voor stro/hooi of hout tegen een vergoeding van € 420,- p.maand.

De hoge schuur geheel leeg maken voor 1 februari. Alle vernielingen voor 1 maart maken, anders worden ze in rekening gebracht.

Geen kiepingen van hout of dergelijke, geen silo of stro in weilanden bij Heijenrath. Dit is het laatste jaar voor hout opslag, graag alle hout verwijderen voor 2019.

Even laten weten als er iemand hooi/stro/hout komt laden of in stal opslaan.

Trekker en shover in orde maken stond in contract 2017, is niet gebeurt.

Graag geen gebruik meer van maken.

Maandelijkse verrekening voor werkzaamheden. +/-€ 770,-

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Voor [eiseres] :

1 februari varkens uit stal.

Maandelijkse verrekening voor huur/opslag. +/- € 770,-

[gedaagde] [eiseres]

01-01-2018 01-01-2018“

2.6.

In oktober 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] medegedeeld dat de samenwerking tegen het einde van 2018 werd beëindigd en niet meer zou worden verlengd. Vanaf 2019 was [gedaagde] niet meer welkom op het bedrijf.6 [gedaagde] is vertrokken en heeft onder meer brandhout, een Hanomag tractor R40, hooischudder en plateauwagen meegenomen.7

2.7.

[gedaagde] heeft twee facturen opgemaakt, gedateerd 17 november 2017 en geadresseerd aan [eiseres] .8

Bij factuur 201785 (productie 5, eerste blad, bij dagvaarding) brengt [gedaagde] in rekening:

diverse werkzaamheden camping

ad € 16.450,14
exclusief btw

€ 19.904,67
inclusief btw

Bij factuur 201787 (productie 5, tweede blad, bij dagvaarding) brengt [gedaagde] in rekening:

diverse werkzaamheden camping

ad € 21.424,00

in mindering 12 maanden opslag en stalverhuur 2017

ad € 9.000,00

in totaal

€ 12.424,00 exclusief btw

€ 15.033,04 inclusief btw

2.8.

Begin december 2018 ontving [eiseres] een derde factuur van [gedaagde] , gedateerd 3 december 2018. Bij deze factuur met nummer 201868 (productie 6 bij dagvaarding) brengt [gedaagde] in rekening:

Diverse werkzaamheden camping 2016/2017

ad € 28.874,14

€ 34.937,71

exclusief btw

inclusief btw

Het betreft een verzamelfactuur van de facturen van 17 november 2017.9

2.9.

[eiseres] stuurde daarna een op 12 december 2018 gedateerde “tegenfactuur” aan [gedaagde] voor een bedrag van € 38.297,80,10 bestaande uit:

  • -

    (2016) “Vergoeding voor behouden van opbrengsten van weilanden van ½ jaar.”

  • -

    “Huur stal/hout opslag voor ½ jaar”

  • -

    (2017) “Vergoeding voor behouden van opbrengsten weilanden.”

  • -

    “Huur stal/hout opslag”

  • -

    (2018) “Vergoeding voor behouden van opbrengsten van weilanden.”

  • -

    (2018) “Huur stal/hout opslag”

  • -

    “Gebruik Laadshovel/Trailer”

  • -

    “Hooiwender/laadwagen”

(productie 7, derde blad, bij dagvaarding)

2.10.

Vervolgens corresponderen partijen enige tijd over de verstuurde facturen (productie 7-10 bij dagvaarding).11

2.11.

Bij factuur gedateerd 13 maart 2019 (productie 7 bij dagvaarding, negende blad) brengt [gedaagde] aan [eiseres] in rekening:

  • -

    50 pakken stro verkoc” voor een bedrag van € 2.000,00 excl. btw

  • -

    40 pakken hooi,kuilvoer” voor een bedrag van € 2.600,00 excl. btw.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 25.000,00 of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag als schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan die der algehele voldoening;

II. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, waaronder het door [eiseres] betaalde griffierecht en salaris van gemachtigde van [eiseres] binnen veertien dagen na de dag waarop vonnis wordt gewezen, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

III. alsmede een bedrag van € 157,00 ter zake van nakosten indien geen betekening van het vonnis plaatsvindt, dan wel € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis aan de daarbij uitgesproken veroordeling is voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2.

Aan die vorderingen legt [eiseres] het volgende ten grondslag. Tussen partijen zijn overeenkomsten gesloten voor de jaren 2016 (mondeling), 2017 en 2018 (schriftelijk). De prestaties over en weer zouden met gesloten beurs geleverd worden. [gedaagde] is die overeenkomsten niet nagekomen. Dat is aan hem toerekenbaar. Daarnaast heeft hij onrechtmatig gehandeld door eigendommen van [eiseres] mee te nemen en/of te beschadigen. Door de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten en de onrechtmatige daad heeft [eiseres] schade geleden. De schade bedraagt:

  • -

    € 9.240,00 vanwege het niet uitvoeren van werkzaamheden in 2018,

  • -

    € 4.066,81 herstelkosten van voerhekken en de poort,

  • -

    € 8.000,00 voor de meegenomen Hanomag tractor,

  • -

    € 0.350,00 voor de meegenomen frontgewichten (7 stuks á € 50,00),

  • -

    € 5.000,00 voor de rode plateauwagen en hooischudder,

  • -

    € 5.000,00 voor brandhout.

Daarop in mindering strekt een bedrag van € 1.000,00 voor door [eiseres] van [gedaagde] afgenomen balen hooi/kuilvoer in 2017/2018. [eiseres] beperkt haar vordering tot € 25.000,00.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en vordert in reconventie dat de rechtbank (de kantonrechter begrijpt: de kantonrechter), uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    primair [eiseres] veroordeelt om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag ad € 36.827,74 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 januari 2019, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    subsidiair [eiseres] veroordeelt om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag ad € 27.587,74 incl. btw te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 januari 2019, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    meer subsidiair [eiseres] veroordeelt om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag ad € 1.120,00 incl. btw te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 januari 2019, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

primair, subsidiair en meer subsidiair

  • -

    voor recht verklaart dat [eiseres] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis tot betaling van een geldsom ex afdeling 11 boek 6 BW als gevolg van de tussen beiden vigerende rechtsrelatie, als omschreven in het fundamentum petendi van de dagvaarding;

  • -

    [eiseres] veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 4.876,00 incl. btw ter zake van het zonder instemming van [gedaagde] verbruiken van hooi en kuilvoer, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    [eiseres] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure (c.q. in reconventie), te vermeerderen met nakosten.

3.4.

Aan die vorderingen legt [gedaagde] het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Daarvan vordert [gedaagde] nakoming. [eiseres] is de overeenkomst niet nagekomen. In rekening gebracht is € 45.827,74. Daarop in mindering strekt de overeengekomen pachtvergoeding van € 9.000,00 voor het jaar 2017, zodat € 36.827,24 resteert. De pachtvergoeding over het jaar 2018 is vanwege het gebrek aan goedkeuring door de pachtkamer niet opeisbaar. Subsidiair moet ook de pachtvergoeding van € 9.240,00 over het jaar 2018 worden verrekend, zodat resteert een bedrag van € 27.587,74. Meer subsidiair vordert [gedaagde] betaling van een door [eiseres] erkende vaste aanneemsom ad € 19.360,00, waarop in mindering strekken de pachtvergoedingen over 2017 en 2018 ad € 9.000,00 en € 9.240,00, zodat resteert een bedrag van € 1.120,00. Primair, subsidiair en meer subsidiair moet [eiseres] het zonder toestemming van [gedaagde] verbruikte hooi en kuilvoer betalen. De waarde daarvan is € 4.876,00.

3.5.

[eiseres] voert verweer tegen de vorderingen in reconventie.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

in conventie en in reconventie

4.1.

[eiseres] baseert haar vordering deels op onrechtmatige daad en deels op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van (een) overeenkomst(en) die zij met [gedaagde] heeft gesloten. [gedaagde] baseert zijn vordering op dezelfde overeenkomsten. Partijen twisten over de (precieze) inhoud van die overeenkomsten. Vast staat dat [gedaagde] op het terrein van [eiseres] grondwerkzaamheden zou verrichten, zoals het verharden van een deel van het terrein. Ook staat vast dat hij een houten stal zou afbreken, opruimwerkzaamheden zou verrichten, hout zou verwijderen en herstelwerkzaamheden zou verrichten. Tussen partijen staat niet vast of en zo ja welke vergoedingen, giraal dan wel in natura, daarvoor verschuldigd waren.

4.2.

De kantonrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de rechtsverhouding tussen partijen onder de reikwijdte van een in boek 7 BW gedefinieerde bijzondere overeenkomst valt of dat alleen het algemene verbintenissenrecht van toepassing is. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat [gedaagde] , die niet in dienst was van [eiseres] , deels werken van stoffelijke aard tot stand zou brengen (en naar de kantonrechter aanneemt: ook zou opleveren) tegen een door [eiseres] te betalen prijs in geld12, welke prijs [eiseres] in haar optiek mocht verrekenen met door haar te leveren prestaties.13 Dat deel van de werkzaamheden kan dus gekwalificeerd worden als aanneming van werk als bedoeld in titel 7.12 BW. De omstandigheid dat partijen verschillen van mening over de vraag welke prijs [eiseres] daarvoor verschuldigd was en of de verrekening toelaatbaar is, maakt dat oordeel niet anders.

4.3.

Ook staat vast dat [eiseres] - al dan niet bij wijze van vervangende betaling voor de door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden - landerijen, een gedeelte van de schuur en het bedrijfsterrein ter beschikking zou stellen aan [gedaagde] . De landerijen, de schuur en het bedrijfsterrein zijn onroerende zaken. Zij werden aan [gedaagde] in gebruik verstrekt ter uitoefening van de landbouw en [gedaagde] verbond zich in ieder geval in 2017 tot de in rechtsoverweging 4.1 omschreven tegenprestatie. Er is dus tevens sprake van pacht in de zin van titel 7.5 BW.

4.4.

Nu de rechtsverhouding tussen partijen nader is geduid, zullen de conventie en de reconventie hierna afzonderlijk besproken worden.

in conventie

Overeengekomen werkzaamheden 2018

4.5.

Als komt vast te staan dat [gedaagde] de voor het jaar 2018 overeengekomen werkzaamheden niet heeft verricht, [eiseres] daardoor schade heeft geleden en [gedaagde] in verzuim is, kan de vordering tot vergoeding van schade, voor zover deze op het niet uitvoeren van werkzaamheden in 2018 ziet, in beginsel worden toegewezen. Daarbij doet in conventie niet ter zake welke afspraken voor de jaren 2016 en 2017 waren gemaakt, omdat - in de woorden van [eiseres] - “de tekortkomingen in 2017 (…) niet ten grondslag [zijn] gelegd aan de ingestelde vordering van [eiseres] ”14 en de kantonrechter begrijpt dat de volgens [eiseres] gemaakte afspraken tevens de volgens haar niet verrichte werkzaamheden uit 2016 omvatten. De gepresenteerde feiten en over en weer gemaakte verwijten ten aanzien van die jaren (2016 en 2017) zijn daarom irrelevant en deze zal de kantonrechter in conventie dan ook niet bespreken of beoordelen.

4.6.

De kantonrechter zal wel beoordelen of voldaan is aan de eisen van de wet om schadevergoeding te kunnen vorderen ten aanzien van schade die is geleden als gevolg van niet nakoming van de overeenkomst 2018 door [gedaagde] .

4.7.

Een van de eisen die uit de wet voortvloeit, is dat een schuldenaar in verzuim is. Nakoming is in dit geval niet (volledig) onmogelijk. Dat blijkt uit het aanbod van [eiseres] om ter plaatse te gaan kijken, waarbij te zien zou zijn dat [gedaagde] (de kantonrechter begrijpt: tot op de dag van vandaag) het erf niet heeft verhard.15 Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiseres] de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit volgt dat [gedaagde] in verzuim verkeert. Dit uitgangspunt brengt mee dat het aan [eiseres] is de feiten te stellen waaruit is af te leiden hetzij dat op de voet van artikel 6:82 BW ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, hetzij dat zich een van de gevallen van artikel 6:83 BW voordoet, hetzij dat op een andere grond het verzuim is ingetreden. In geen enkel processtuk is expliciet gesteld dat, laat staan hoe, het verzuim is ingetreden. Uit de gestelde tekortkoming gecombineerd met de vordering tot schadevergoeding leidt de kantonrechter wel af dat [eiseres] (ook) beoogt te stellen dat sprake is van verzuim. Dat verzuim zou dan moeten zijn ingetreden door het aanspreken van [gedaagde] op het niet hebben uitgevoerd van de volgens [eiseres] overeengekomen werkzaamheden of door het verstrijken van een fatale termijn. [gedaagde] betwist dat hij door [eiseres] is aangesproken.16

4.8.

De kantonrechter stelt voorop dat voor het intreden van verzuim op de voet van artikel 6:82 BW een schriftelijke aanmaning vereist is, waarbij [gedaagde] een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. Aan een dergelijke schriftelijke aanmaning ontbreekt het. Daarom kan in het midden blijven of [eiseres] [gedaagde] wel of niet heeft aangesproken.

4.9.

Op de voet van artikel 6:83 sub a BW treedt verzuim ook zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. De kantonrechter stelt hierbij voorop dat het bij de beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit de feitelijke gedragingen van partijen ( [eiseres] liet [gedaagde] na de gestelde termijnen de werkzaamheden voortzetten tot oktober 2018, zie hiervoor onder 2.6) en uit de (niet weersproken) stelling van [gedaagde] dat op termijnoverschrijding geen sanctie was gesteld,17 leidt de kantonrechter af dat de in de tekst van de overeenkomst genoemde data geen fatale termijnen betreffen.

4.10.

Nu [eiseres] [gedaagde] niet in gebreke heeft gesteld om [gedaagde] de mogelijkheid te gegeven alsnog binnen een redelijke termijn na te komen en [eiseres] geen aanknopingspunten heeft gegeven voor de stelling dat het verzuim op andere wijze is ingetreden, is [gedaagde] niet in verzuim komen te verkeren. Om die reden strandt de vordering van [eiseres] voor zover deze ziet op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst over het jaar 2018.

4.11.

In het midden kan daarom blijven of de door [eiseres] gestelde overeengekomen werkzaamheden (inclusief de daarbij behorende termijnen) daadwerkelijk zijn overeengekomen en niet zijn nagekomen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat, zelfs als de juistheid van de stellingen van [eiseres] zou komen vast te staan, onduidelijk is of ook daadwerkelijk schade is geleden in de omvang zoals [eiseres] stelt. [eiseres] onderbouwt in randnummer 46 van de dagvaarding deze schade immers enkel door te verwijzen naar een bedrag van € 9.240,00 dat [gedaagde] in mindering brengt op zijn vordering over de periode 2016/2017 (productie 7 dagvaarding), waaruit [eiseres] afleidt dat [gedaagde] erkent dat hij de overeengekomen prestatie voor dat bedrag niet heeft uitgevoerd. Die stelling herhaalt [eiseres] bij conclusie van repliek in conventie, zonder daarbij in te gaan op de betwisting van [gedaagde] . Het zou dus nog maar de vraag zijn geweest of [eiseres] zou hebben voldaan aan de op haar rustende stelplicht voor wat betreft de omvang van de schade (en in het verlengde daarvan of de vordering wel voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen).

Onrechtmatige daad

4.12.

De voorgaande beoordeling heeft geen invloed op door [eiseres] gevorderde overige schadeposten. Die schadeposten worden immers gegrond op een door [gedaagde] gepleegde onrechtmatige daad. Op grond van artikel 6:83 sub b BW treedt het verzuim bij een dergelijke verbintenis zonder ingebrekestelling in als de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. [gedaagde] betwist het bestaan van de verbintenis. Als het bestaan van de verbintenis kan worden vastgesteld, staat daarmee vast dat [gedaagde] deze niet terstond is nagekomen en is het verzuim dus ingetreden.

4.13.

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] niet betwist dat het aanbrengen van vernielingen en het meenemen van andermans eigendom een onrechtmatige daad vormt. Hij betwist wel dat hij die onrechtmatige daden heeft gepleegd. De kantonrechter zal hierna deze verwijten per gevorderde schadepost bespreken. Daarbij heeft wederom als uitgangspunt te gelden dat het ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiseres] is om de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit volgt dat [gedaagde] de door [eiseres] gestelde onrechtmatige daad heeft gepleegd. Anders dan [eiseres] betoogt,18 hoeft [gedaagde] dus geen bewijs te leveren van zijn stellingen, zo lang als hij maar voldoende gemotiveerd betwist dat de door [eiseres] ingenomen stellingen juist zijn.

Onrechtmatige daad: herstelkosten schade voerhekken en poort

4.14.

[eiseres] vordert € 4.066,81 aan “herstelkosten schade voerhekken en poort” en onderbouwt die vordering met een verwijzing naar foto’s (productie 3 bij dagvaarding) en de vermelding “Alle vernielingen voor 1 maart maken, anders worden ze in rekening gebracht”, zie overeenkomst 2018, geciteerd in 2.5 hiervoor. [gedaagde] betwist de veroorzaker van de op de foto’s zichtbare schade te zijn. De in de overeenkomst 2018 genoemde vernielingen zagen volgens hem op kleine vernielingen/beschadigingen aan weilanden als gevolg van gebruik, die zijn hersteld.19

4.15.

Uit de foto’s (productie 3 bij dagvaarding) blijkt dat er een deuk zit in een poort en dat een of meer voerhek(ken) beschadigd is/zijn. Dat zegt nog niets over de veroorzaker van die schade. Dat in de overeenkomst 2018 staat dat [gedaagde] vernielingen zou herstellen is in het licht van de door [gedaagde] daaraan gegeven uitleg op zichzelf onvoldoende. [eiseres] heeft weliswaar voldoende gemotiveerd weerlegd dat de door [gedaagde] gestelde herstelwerkzaamheden van vernielingen/beschadigingen als gevolg van gebruik door hem zijn hersteld en daar bewijs van aangeboden,20 maar daarmee gaat zij eraan voorbij dat zij in het licht van het verweer van [gedaagde] moet bewijzen dat [gedaagde] de vernielingen waarvoor zij betaling van herstelkosten vordert, heeft aangebracht. Daarvan heeft zij geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan. Daarom wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zal de vordering van € 4.066,81 bij eindvonnis worden afgewezen.

Onrechtmatige daad: Hanomag tractor

4.16.

[eiseres] vordert € 8.000,00 voor een Hanomag tractor die haar eigendom zou zijn en [gedaagde] in bezit zou hebben (hierna: tractor). [gedaagde] erkent deze tractor in zijn bezit te hebben, maar betwist dat de tractor eigendom is van [eiseres] . Hij stelt de tractor te hebben betaald en opgehaald en biedt daar bewijs van aan.21 [eiseres] daarentegen stelt dat de tractor door [erflater] op 20 maart 2016 op marktplaats is aangeboden,22 waaruit het eigendomsrecht van (de erven van [erflater] ) [eiseres] zou blijken.

4.17.

De kantonrechter stelt vast dat uit productie 12 bij dagvaarding blijkt dat een zekere mevrouw [gedaagde] (en dus niet de heer [erflater] ) een “Hanomag R40” op 20 maart 2016 te koop heeft aangeboden op marktplaats, maar dat zegt nog niet veel over het juridische eigendom. Iedereen kan immers zaken op marktplaats aanbieden die niet van hemzelf zijn, waarmee in beginsel geen geldige eigendomsoverdracht tot stand komt. Verder stelt [eiseres] aanvankelijk niet te weten wie de tractor heeft betaald en opgehaald en later dat aannemelijk is dat haar overleden echtgenoot [erflater] gedaagde [gedaagde] gevraagd heeft de tractor op te halen en voor hem te betalen.23 Op grond waarvan dat aannemelijk is, legt [eiseres] niet uit.

4.18.

Als de tractor, zoals [eiseres] stelt, eigendom was van [erflater] , niet werkte en niet in bruikleen aan [gedaagde] zou zijn gegeven, dan heeft [eiseres] onvoldoende uitgelegd welk doel de voorwaarde van het niet verkopen van de tractor aan het aflossen van de schuld van [erflater] dient.

4.19.

[eiseres] heeft dus, mede in het licht van de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor de stelling dat de tractor haar eigendom is. Dat [gedaagde] geen bewijs zou hebben aangeboden van zijn stelling dat geen sprake was van bruikleen is daarbij irrelevant, omdat de bewijslast van het eigendomsrecht op [eiseres] rust. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de tractor van haar is (geworden) en bovendien geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan voor haar stelling dat de tractor haar eigendom is. Bij eindvonnis zal de vordering van € 8.000,00 dan ook worden afgewezen.

Onrechtmatige daad: frontgewichten

4.20.

[eiseres] vordert zeven keer € 50,00 voor “frontgewichten” en onderbouwt de hoogte van de vordering met een verwijzing naar een website waar gangbare prijzen voor dergelijke frontgewichten te zien zouden zijn.24 [gedaagde] heeft niet betwist dat de frontgewichten van [eiseres] zijn, dat hij de frontgewichten in zijn bezit heeft en dat de gewichten een waarde van € 50,00 per stuk vertegenwoordigen. Bij eindvonnis zal de vordering ad € 350,00 daarom bij gebrek aan betwisting worden toegewezen.

Onrechtmatige daad: rode plateauwagen en hooischudder

4.21.

[eiseres] vordert € 5.000,00 voor de rode plateauwagen en hooischudder (hierna: deze zaken), die haar eigendom zijn en in het bezit zijn van [gedaagde] .25 [gedaagde] erkent dat hij deze zaken in zijn bezit heeft. Hij stelt in de veronderstelling te hebben verkeerd dat wilsovereenstemming zou worden bereikt over eigendomsoverdracht ervan aan hem, maar dat [eiseres] een waarde ver boven de dagwaarde vraagt26 en geeft te kennen met [eiseres] in contact te zullen treden “teneinde praktisch af te stemmen hoe deze goederen weer in het bezit van [eiseres] komen”.27

4.22.

Ondanks dat [eiseres] daarna een conclusie van repliek in conventie heeft genomen, weet de kantonrechter niet waar deze zaken zich thans bevinden. [eiseres] antwoordt niet op de stelling dat [gedaagde] contact zou opnemen over het teruggeven ervan; niet bevestigend en niet ontkennend. Bovendien vordert [eiseres] zonder enige onderbouwing een bedrag van € 5.000,00 voor deze zaken en betwist [gedaagde] dat het een reëel bedrag betreft. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld om bij (gelijktijdige) akte, als genoemd in het dictum van dit vonnis, antwoord te geven op de volgende vragen:

( a) Waar bevinden zich, voor zover bekend, de rode plateauwagen en hooischudder thans? Bij [eiseres] , [gedaagde] of een derde?

Indien deze zaken zich bij [eiseres] bevinden zal de vordering worden afgewezen.

Indien deze zaken zich bij een derde bevinden:

  • -

    b) Bij wie?

  • -

    c) Wie heeft de goederen daar naartoe gebracht? Of in opdracht van wie zijn de zaken daar naartoe gebracht?

Indien deze zaken zich bij [gedaagde] bevinden:

( d) Heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] zoals bij conclusie van antwoord in conventie aangekondigd contact opgenomen met (de gemachtigde van) [eiseres] ?

Zo ja:

( e) Wanneer?

Indien het antwoord op vraag (d) “ja” luidt:

( f) Waarom zijn de zaken niet teruggegeven aan [eiseres] ?

Indien het antwoord op vraag (d) “nee” luidt, is [gedaagde] gehouden om te betalen voor deze zaken. In dat geval kunnen partijen zich bij dezelfde akte uitlaten over de volgende vraag:

( g) Wat is een reële waarde met inachtneming van de nieuwwaarde, afschrijvingsduur en ouderdom van de rode plateauwagen en hooischudder in kwestie?

Voor zover de akte ingaat op andere onderwerpen, zal de akte worden geweigerd.

Onrechtmatige daad: brandhout

4.23.

[eiseres] vordert € 5.000,00 voor 100 m3 brandhout van [eiseres] dat [gedaagde] (samen met 300 m3 van [gedaagde] zelf) zou hebben meegenomen.28 [gedaagde] betwist dat hij brandhout van [eiseres] heeft ontvreemd.29

4.24.

Vast staat dat brandhout bij [eiseres] lag opgeslagen, waarvan in ieder geval een substantieel deel (drievierde) van [gedaagde] was. Dat is door [eiseres] immers gesteld30 en door [gedaagde] niet weersproken. [gedaagde] betwist dat het “media 2018 circa 400 m3” was,31 maar legt niet uit wat het dan wel was. Zo blijft in het midden of hij bedoelt dat het in een andere periode zo was, dat het minder kubieke meters waren of dat er iets anders niet klopt aan de stelling van [gedaagde] . Uit de stellingen van [eiseres]32 en de afspraken die zij op papier zette voor 2018 (zie citaat onder 2.5 hiervoor) volgt ook dat zij [gedaagde] opdracht had gegeven om alle hout te verwijderen voor 2019, welke opdracht [gedaagde] kennelijk, al dan niet tijdig, heeft uitgevoerd.33 Dat [gedaagde] ook het brandhout van [eiseres] heeft meegenomen, is bij gebrek aan een geldige grond daarvoor onrechtmatig, aldus [eiseres] .34 Zij biedt bewijs aan van de stelling dat het brandhout op de foto die als productie 21 door haar in het geding is gebracht, van [gedaagde] is.35

4.25.

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij het hout heeft verwijderd. Hij betwist dat hij “dit hout” heeft ontvreemd.36 Waarom dat zo is, legt [gedaagde] niet uit. Bij conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie betwist [gedaagde] nog de “existentie” van de door [eiseres] gevorderde schade,37 maar ook daaraan geeft hij geen nadere uitleg.

4.26.

De kantonrechter ziet zich bij deze stand van zaken voor de vraag gesteld of de magere stelling van [eiseres] in het licht van de magere betwisting door [gedaagde] voldoende is om vast te kunnen stellen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door brandhout mee te nemen dat niet van hem was en als dat zo is, of [eiseres] tot bewijslevering toegelaten moet worden. Daarbij speelt een rol dat [eiseres] niet helder en consistent is in haar stellingen. Als zij [gedaagde] opdracht geeft om alle hout te verwijderen (en/of om de stal leeg te maken), zonder daarbij in de processtukken aan te geven dat zij uitsluitend opdracht gaf om het brandhout van [gedaagde] mee te nemen en/of haar brandhout elders op te slaan, begrijpt de kantonrechter niet welk verwijt zij [gedaagde] dan maakt. Anderzijds heeft [gedaagde] niet het verweer gevoerd dat hij alle brandhout meenam omdat hij daartoe opdracht had gekregen of dat hij het brandhout van [eiseres] apart heeft gehouden en elders heeft opgeslagen.

4.27.

In dit geval waardeert de kantonrechter de stellingen van partijen als volgt. Aan beide zijden zijn de standpunten onzorgvuldig en onvolledig geformuleerd. In die zin zijn zij in evenwicht. Tegenover een magere stelling kan niet de eis gesteld worden van een uitputtend onderbouwde betwisting. Kortom: [gedaagde] heeft mager maar voldoende betwist dat hij het brandhout van [eiseres] heeft meegenomen. Zodoende is bewijslevering aan de orde indien [eiseres] – op wie ter zake de bewijslast rust – een voldoende concreet, specifiek en relevant bewijsaanbod heeft gedaan. [eiseres] heeft geen bewijsaanbod gedaan van de stelling dat zij de eigenaar is van de 100 m3 brandhout die door [gedaagde] is ontvreemd. Het bewijsaanbod dat het brandhout op de foto van [gedaagde] is, is niet relevant. Op die stelling steunt haar vordering immers niet. Aan bewijslevering wordt dus niet toegekomen en de vordering van € 5.000,00 zal bij eindvonnis worden afgewezen.

4.28.

In afwachting van de in rechtsoverweging 4.22 genoemde akte zal iedere verdere beslissing in conventie worden aangehouden.

in reconventie

4.29.

Alvorens tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [gedaagde] over te gaan, dient de vraag beantwoord te worden of de kantonrechter bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. Op grond van artikel 93 sub a Rv worden vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter behandeld en beslist. In artikel 94 lid 1 Rv is bepaald dat indien een zaak meer dan één vordering als bedoeld in artikel 93 onder a en b Rv betreft, voor de toepassing van dat artikel het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen beslissend is. De totale waarde van de vorderingen van [gedaagde] op [eiseres] overstijgt het bedrag van € 25.000,00. In beginsel dient [gedaagde] zijn vorderingen dan ook bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank “kamer voor handelszaken” en door tussenkomst van een advocaat aan te brengen. Artikel 97 Rv kan echter in afwijking van deze artikelen met zich meebrengen dat de kantonrechter – die immers bevoegd is in conventie – ook de vordering in reconventie behandelt en beslist. Daarvoor is beslissend of er zodanige samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie bestaat, dat deze zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Beide vorderingen zijn (deels) gegrond op de (niet-)nakoming van (de) aannemingsovereenkomst(en) tussen partijen waarbij de vraag of de overeenkomst juist is nagekomen een belangrijke rol speelt. Daarmee is het van belang dat de beantwoording van die vraag in één hand blijft. De vorderingen hangen derhalve zodanig samen dat het, mede vanuit proceseconomisch oogpunt gezien, ongewenst is dat de vorderingen door afzonderlijke rechters worden behandeld. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter absoluut bevoegd is van de vorderingen in reconventie kennis te nemen.

4.30.

In de inleidende rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 heeft de kantonrechter al vastgesteld dat de rechtsverhouding tussen partijen (ook) beheerst wordt door de titels 7.12 en 7.5 BW.

4.31.

Het uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering in reconventie, voor zover deze ziet op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, luidt dat op [gedaagde] de stelplicht en bewijslast rust van de stelling dat een overeenkomst tot stand gekomen is. Als [gedaagde] daarin slaagt, zal hij op grond van artikel 7:752 BW dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan hem opdracht is verstrekt voor het tot stand brengen van het werk en voorts dat het werk is opgeleverd en aanvaard. Omdat [gedaagde] zich daarbij op het standpunt stelt dat partijen geen prijs zijn overeengekomen of hooguit een richtprijs en zich dus beroept op de rechtsregel van artikel 7:752 lid 1 BW, rusten op [gedaagde] de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het door hem gevorderde bedrag een redelijke prijs betreft. Blijkens de tweede volzin van het eerste lid zijn de door [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen, relevante feiten in dat kader.

4.32.

Op [eiseres] rust de stelplicht en bewijslast van de stelling dat een vaste prijs of richtprijs is overeengekomen (en voor welke werkzaamheden).38 Indien inderdaad, zoals [eiseres] (subsidiair) aanvoert, een richtprijs is overeengekomen, rust op [gedaagde] de stelplicht en bewijslast van de stelling dat hij zo tijdig mogelijk heeft gewaarschuwd voor de waarschijnlijkheid van een overschrijding met meer dan 10% van die richtprijs. Als [gedaagde] dit niet stelt of niet slaagt in de op hem rustende bewijslast, dan heeft [gedaagde] hooguit aanspraak op de richtprijs plus 10%.

Inhoud van de betalingsafspraak

4.33.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat in 2016 een overeenkomst is gesloten zonder vaste aanneemsom, maar dat mogelijk een bedrag van € 16.000,00 exclusief btw als richtprijs op tafel is gekomen. Afgerekend zou echter worden op basis van de reële kosten. [gedaagde] voert verder aan dat hij meer werkzaamheden heeft uitgevoerd dan is overeengekomen.39 De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarmee een beroep doet op de regeling van artikel 7:755 BW (vergoeding van meerwerk).

4.34.

[eiseres] erkent dat in maart/april 2016 afspraken zijn gemaakt over door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden40 die zouden worden verrekend.41 Zij stelt dat wel een vaste prijs van € 16.000,00 is afgesproken.42 Verder betwist zij dat [gedaagde] meer werkzaamheden heeft verricht dan is overeengekomen, brengt zij ter onderbouwing daarvan een foto in het geding en doet zij een bewijsaanbod.43

4.35.

Vast staat dus dat een overeenkomst tot stand gekomen is. [eiseres] moet daarom ook betalen voor door [gedaagde] verrichte werkzaamheden die zij aan hem heeft opgedragen. Daarna is de vraag aan de orde of [eiseres] haar betalingsverplichting kan verrekenen met een vordering op [gedaagde] , zoals de kantonrechter haar beroep op overeengekomen “gesloten beurzen” begrijpt.

4.36.

Omdat [gedaagde] stelt dat mogelijk een bedrag van € 16.000,00 exclusief btw als richtprijs op tafel is gekomen, zal [eiseres] worden toegelaten bewijs te leveren van haar stelling dat een vaste prijs of richtprijs overeengekomen is. Als zij niet slaagt in die bewijsopdracht, dan kan de vordering van [gedaagde] die ziet op verrichte werkzaamheden waar opdracht voor is gegeven in beginsel worden toegewezen, ook als die werkzaamheden boven het bedrag van € 16.000,00 liggen. [eiseres] heeft immers niet betwist dat [gedaagde] een redelijke prijs in rekening heeft gebracht. Dat zij de urenstaten van [gedaagde] niet eerder heeft gezien, doet daar niets aan af. Dat zij zelf sneller en goedkoper de stal kan poetsen44 evenmin.

4.37.

Als [eiseres] wel slaagt in die bewijsopdracht in die zin dat een richtprijs is overeengekomen, dan kan de vordering tot maximaal € 16.000,00 + 10% worden toegewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] [eiseres] tijdig heeft gewaarschuwd voor overschrijding van die richtprijs. Als een vaste prijs komt vast te staan, dan zal de vordering boven de overeengekomen prijs worden afgewezen, zodat nog resteert de vordering ten aanzien van meerwerk.

4.38.

In dat kader heeft [gedaagde] gesteld dat twee verschillende soorten werkzaamheden waren overeengekomen, namelijk:

  1. werkzaamheden voor upgrade en renovatie van de camping, uitgevoerd vanaf oktober 2016, bestaande uit het verharden van de helft van het terrein, het afbreken van de houten stal en diverse opruimwerkzaamheden, waarvoor volgens [eiseres] een prijsafspraak was gemaakt, en

  2. werkzaamheden in de periode van mei tot oktober 2016, zoals het scheren van heggen, opruimen, poets en “aanwezigheid zijn op het moment dat de veearts aantrof”.45

Met de door [gedaagde] genoemde verrekening over het jaar 2016 in zijn e-mail van 14 maart 2019 (productie 7 bij dagvaarding), heeft [gedaagde] alleen de werkzaamheden sub ii bedoeld. Dat moet ook voor [eiseres] duidelijk zijn geweest, gelet op de in diezelfde mail genoemde bedragen. [eiseres] was zich daar bewust van, aldus steeds [gedaagde] .46

4.39.

De kantonrechter volgt [gedaagde] in zijn stelling dat met “verrekening” in zijn e-mail van 14 maart 2019 bedoeld is de verrekening van werkzaamheden sub ii, waar [eiseres] geen bezwaren tegen heeft geuit. [eiseres] komt namelijk tegen de door [gedaagde] daaraan gegeven uitleg en onderbouwing bij conclusie van dupliek in reconventie niet op, anders dan met de (herhaalde) stelling dat “ [gedaagde] in zijn mail van 14 maart 2019 heel duidelijk kenbaar [heeft] gemaakt dat de werkzaamheden in 2016 reeds in ruil verrekend waren.”47 Dat maakt echter nog niet dat daarmee vaststaat dat [eiseres] opdracht heeft gegeven voor meerwerk in categorie i en als dat al het geval is, dat [gedaagde] haar heeft gewaarschuwd voor daaruit voortvloeiende prijsverhoging, althans dat [eiseres] de noodzaak daarvan had moeten begrijpen. Een overeenkomstig bewijsaanbod heeft [gedaagde] niet gedaan.Van vergoeding van meerwerk dat valt in de in rechtsoverweging 4.38 aangeduide categorie ii, is dan ook geen sprake.

Betaling door [eiseres] , verrekening, gesloten beurzen

4.40.

Als vast komt te staan dat [eiseres] iets aan [gedaagde] moet betalen, en dat is het geval, dan moet de kantonrechter de vraag beantwoorden of verrekening aan de orde is, want zo begrijpt de kantonrechter het beroep op “gesloten beurzen”. Het is dan aan [eiseres] om voldoende onderbouwd te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat en welke bedragen [gedaagde] aan haar verschuldigd zou zijn geweest en dat zij bevoegd is tot verrekening. Op de overeenkomst 2017 staat een bedrag van “+/- € 750,-“ genoemd als vergoeding voor “huur/opslag” en op de overeenkomst 2018 een bedrag van “€ 770,-“. Tussen partijen is niet in geschil dat “Huur/opslag” zag op het beschikbaar stellen van de landerijen, de helft van de potstal en een gedeelte van het bedrijfsterrein48, welke stelling bevestiging vindt in de op schrift gezette overeenkomsten over 2017 en 2018.

4.41.

De kantonrechter heeft hiervoor in rechtsoverweging 4.3 al geoordeeld dat tussen partijen een pachtovereenkomst tot stand is gekomen. Voor de kwalificatie als pacht zijn de inhoud van de overeengekomen rechten en plichten beslissend en niet de benaming die partijen aan hun rechtsverhouding hebben gegeven. Niet van belang is ook dat [eiseres] niet de intentie heeft gehad om een pachtovereenkomst te sluiten/aan te gaan.49

4.42.

Artikel 7:317 BW bepaalt dat de pachtovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan, maar aan het ontbreken van die vorm verbindt de wet niet de nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. Artikel 7:321 BW voorziet in de verplichting voor partijen om de overeenkomst ter goedkeuring in te zenden aan de grondkamer binnen twee maanden nadat zij is aangegaan. Dat is kennelijk niet gebeurd. Artikel 7:322 BW bepaalt dat de verpachter, hier: [eiseres] , tot het moment van goedkeuring geen rechtsvordering tot betaling van de pachtprijs kan instellen en dus nakoming niet in rechte kan afdwingen. Van de artikelen 7:317 tot en met 332 BW kan niet ten nadele van de pachter, hier: [gedaagde] , worden afgeweken, zo bepaalt artikel 7:399 BW. Een van de eisen om te mogen verrekenen, is dat de vordering (van [eiseres] op [gedaagde] ) en de schuld (van [eiseres] aan [gedaagde] ) afdwingbaar moeten zijn. Ten aanzien van de vordering die ziet op de pachtprijs is dat niet het geval. [eiseres] heeft niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, waarom zij desondanks bevoegd is om te verrekenen. Het beroep op verrekening slaagt dus niet.

Hooi, kuilvoer

4.43.

Resteert de vordering met betrekking tot door [eiseres] verbruikt hooi en/of kuilvoer. Op [gedaagde] rust de stelplicht en bewijslast van de stelling dat [eiseres] de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde hoeveelheden hooi en kuilvoer (veertig pakken kuilvoer50) heeft gebruikt en dat de daarvoor gevorderde prijs (€ 4.876,00) een redelijke is.

4.44.

Uit de factuur waarbij [gedaagde] verbruikt stro en hooi in rekening bracht (zie hiervoor onder 2.11) blijkt dat een bedrag van € 2.600,00 excl. btw betrekking heeft op “40 pakken hooi,kuilvoer”. Het bij diezelfde factuur in rekening gebrachte stro vordert [gedaagde] niet. Hij vordert immers “betaling van een bedrag ad € 4.876,00 inl. ter zake van het zonder instemming van [gedaagde] verbruiken van hooi en kuilvoer”. Het gaat dus om een vordering van maximaal € 2.600,00 excl. btw.

4.45.

[eiseres] erkent een “beperkte hoeveelheid” hooi/silo te hebben gebruikt en biedt aan te bewijzen dat de kwaliteit daarvan slecht was. Zij schat in dat met een bedrag van € 1.000,00 alle gebruikte balen hooi/kuilvoer zijn betaald en brengt dat bedrag op haar vordering (in conventie) in mindering. Daarbij merkt zij op dat een deel daarvan afkomstig was van haar eigen land.51 Daarmee lijkt zij te betogen dat zij daarom geen of een lagere prijs voor het hooi/kuilvoer moet betalen. Dat is echter onjuist, omdat de vruchten van het verpachte land toekomen aan de pachter, [gedaagde] . [eiseres] betwist dus zowel het aantal gebruikte pakken hooi/kuilvoer, als de waarde daarvan.

4.46.

[gedaagde] heeft niet gereageerd op die betwisting. Het was wel aan hem om een nadere onderbouwing te leveren. Daarom heeft hij niet voldaan aan de stelplicht en is bewijslevering niet aan de orde, nog daargelaten dat hij op dit punt geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan. Gelet op de erkenning van [eiseres] dat zij een bedrag van € 1.000,00 verschuldigd is, zal de kantonrechter dat bedrag bij eindvonnis toewijzen en het meerdere afwijzen.

4.47.

In afwachting van de in rechtsoverweging 4.36 genoemde bewijslevering zal iedere verdere beslissing in reconventie worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2021 voor gelijktijdige akte beide partijen, teneinde zich uit te laten over de vragen en op de wijze zoals geformuleerd in rechtsoverweging 4.22,

in reconventie

5.2.

stelt [eiseres] in staat om te bewijzen dat tussen partijen een vaste prijs of richtprijs is overeengekomen,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 mei 2021 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat [eiseres] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct op 12 mei 2021 in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt - voor het geval dat [eiseres] getuigen wil doen horen -

5.5.1.

dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn,

5.5.2.

dat [eiseres] het aantal en – zo mogelijk - de personalia van de getuigen en de verhinderdagen van beide partijen en de gemachtigde(n) van partijen in de maanden juni 2021, oktober tot en met december 2021 direct op 12 mei 2020 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.3.

dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.5.4.

dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van mr. M. Driever in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het Sint Annadal 1 op een nader te bepalen dag en uur. Wellicht ten overvloede wijst de kantonrechter er op dat de partij die de getuige(n) wenst te doen horen, zelf voor de aanwezigheid van deze getuige(n) dient zorg te dragen,

in conventie en in reconventie

5.6.

bepaalt tevens dat indien partijen op voornoemde rolzitting in conventie geen akte nemen en [eiseres] in reconventie geen opgave doet noch op andere wijze bewijs bijbrengt, de zaak op vonnis zal worden gesteld,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken.

type: MD

coll:

1 Dagvaarding p. 3 randnummer 2.

2 Dagvaarding p. 3 randnummer 3-4.

3 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 3 randnummer 1.7 en p. 3 randnummer 2.1.1.

4 Dagvaarding p. 4 randnummer 7.

5 Dagvaarding p. 5 randnummer 10.

6 Dagvaarding p. 6 randnummer 14; conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 8 sub e, p. 13 randnummer 4.3.1 en p. 14 randnummer 4.4.1.

7 Dagvaarding p. 11 randnummer 33.

8 Dagvaarding p. 6 randnummer 17; conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 5 randnummer 2.2.5, p. 6 randnummer 2.2.8.

9 Dagvaarding p. 6 randnummer 18, p. 12 randnummer 37 en 39; conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 7 randnummer 2.3.5.

10 Dagvaarding p. 7 randnummer 19.

11 Dagvaarding p. 7-8 randnummer 20-26.

12 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 10 randnummer 1.1.

13 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 10 randnummer 31, p. 16 randnummer 44.

14 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. “22 van 21” randnummer 63

15 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 11 randnummer 32.

16 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 4 randnummer 2.1.4 in samenhang met p. 13 randnummer 3.1.

17 Conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie p. 6 randnummer 2.13.

18 Conclusie van dupliek in reconventie p. 2 randnummer 4.

19 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 7 randnummer 2.3.4 sub b.

20 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 13 randnummer 38: “[eiseres] met dochter en schoonzoon hebben de schade in het voorjaar 2020 zelf hersteld. (…) [eiseres] biedt ook van deze stelling weer nadrukkelijk bewijs aan.

21 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 2 randnummer 1.4, p. 14 randnummer 4.3.1.

22 Dagvaarding p.11 randnummer 34.

23 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 4 randnummer 11.

24 Dagvaarding p. 15 randnummer 48.

25 Dagvaarding p. 11 randnummer 33, p. 15 randnummer 48.

26 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 8 laatste alinea (ongenummerd) boven randnummer 2.5, p. 13 randnummer 4.3.1.

27 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 14 randnummer 4.3.1.

28 Dagvaarding p. 6 randnummer 15, p. 15 randnummer 15 en conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 16 randnummer 45.

29 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 14 randnummer 4.4.1.

30 Dagvaarding p. 4 randnummer 8 en conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 10 randnummer 29.

31 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 5 randnummer 2.2.1.

32 Dagvaarding p. 9 randnummer 27.

33 Dagvaarding p. 11 randnummer 35: “Uiteindelijk heeft [gedaagde] eind 2018 alle brandhout meegenomen en daarmee ook de circa 100 m3 brandhout van [eiseres] .

34 Dagvaarding p. 12 randnummer 36 en de twee daaraan voorafgaande zinnen.

35 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 13 randnummer 37; p. 14, randnummer 42.

36 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 14 randnummer 4.4.1.

37 Conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie p. 6 randnummer 2.14.

38 Zie hiervoor Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8182; Gerechtshof Den Haag 25 september 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0860, r.o. 3.3; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2015 ECLI:NL:GHARL:2015:6847, r.o. 5.2.; Hof Den Bosch 19 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1509, rov. 3.5.3 in navolging van HR 21 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4875, NJ 1968/290, m.nt. H. Drion.

39 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 3 randnummer 2.1.1, p. 10 randnummer 1.2

40 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 5, randnummer 16.

41 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 6 randnummer 20: “[gedaagde] bevestigt daarmee, naar de mening van [eiseres] , dat er wel degelijk mondelinge afspraken zijn gemaakt en dat met gesloten beurzen gewerkt zou worden.

42 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 6, randnummer 21.

43 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 11, randnummer 32.

44 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 9, randnummer 29.

45 Conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie p. 3 randnummer 2.1-2.2.

46 Conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie p. 3-4 randnummer 2.3.

47 Conclusie van dupliek in reconventie p. 8 randnummer 22.

48 Dagvaarding p. 8 randnummer 27; Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 5 randnummer 2.2.2 e.v.; Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 6 randnummer 20, p. 7 randnummer 23, p. 20 randnummer 58.

49 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 21 randnummer 58.

50 Conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie p. 9 randnummer 2.5.2.

51 Conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie p. 16-17 randnummer 47.