Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3861

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
03.170067.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een ongeval veroorzaakt, waardoor een slachtoffer is gedood en aan een tweede slachtoffer ernstig letsel is toegebracht. De verdachte heeft, terwijl hij er zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij na het drinken van een halve fles wodka hiertoe volstrekt niet meer in staat was, desondanks de keuze gemaakt om met een auto te gaan rijden. Daarbij komt dat hij ook te hard heeft gereden en niet heeft geanticipeerd op de wegsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.170067.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2021

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.A.M.J.M. Joosten, advocate kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 april 2021. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De nabestaande, tevens slachtoffer [slachtoffer 1] , heeft gebruik gemaakt van zijn spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair: een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander werd gedood en waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl de verdachte verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank;

subsidiair: a. heeft gereden onder invloed van alcoholhoudende drank en b. gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, in die zin dat de verdachte op een zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze heeft gereden en dat door dit rijgedrag een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden waardoor een persoon werd gedood en bovendien een andere persoon zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Hij acht dit bewezen op basis van de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, het proces-verbaal aanrijding misdrijf, het proces-verbaal rijden onder invloed, alsmede het rapport Verkeers Ongeval Analyse van de Politie eenheid Limburg. Verder blijkt uit het rapport van Eurofins Forensics dat de verdachte heeft gereden met een alcoholgehalte in zijn bloed van meer dan 2,82 milligram alcohol per milliliter bloed. Dat is vijfmaal zoveel als is toegestaan. Bovendien volgt uit een onderzoek van het NFI naar aanleiding van het ongeval dat de verdachte ten tijde van de botsing met de lichtmast heeft gereden met een snelheid tussen de 60 kilometer per uur en 90 kilometer per uur. De maximumsnelheid ter plaatse was 60 kilometer per uur. Uit de door de verdachte afgelegde verklaringen volgt dat de verdachte bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse, dat de verdachte ten tijde van die botsing met een snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en bovendien de nacht tevoren slecht had geslapen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zij het met de officier van justitie eens is dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen

Op 11 juli 2019 heeft op de voor het verkeer openstaande weg de Zwarte Plakweg te America (in de gemeente Horst aan de Maas) een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde personenauto (merk Peugeot, type 107) en twee fietsers, te weten mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en de heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ),2 waarbij [slachtoffer 2] is omgekomen en [slachtoffer 1] blijvend letsel heeft opgelopen.

Alcohol

Uit het proces-verbaal rijden onder invloed volgt het volgende:

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 11 juli 2019 om 20:47 uur de bestuurder van het bij het verkeersongeval op de Zwarte Plakweg te America betrokken voertuig gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie van G/F aan. Die dag om 22:10 uur heeft de arts I. van Rey in aanwezigheid van verbalisanten de verdachte bloed afgenomen conform het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en
op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” met het nummer TAAY8904NL (en SIN-sticker "Tegen Onderzoek" met het nummer TAAY8905NL).3

Het rapport van Eurofins Forensics4 aangaande het onderzoek van het bloed van de verdachte [verdachte] met het nummer TAAY8904NL, vermeldt als eindresultaat van de analyse van alcohol en de meetbare aangewezen stoffen (Wegenverkeerswet 1994, art 8, lid 5), na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, meer dan 2,82 milligram alcohol per milliliter bloed.

Oorzaak, toedracht en gevolgen van het verkeersongeval:

Verbalisanten van de afdeling Verkeers Ongeval Analyse van de Politie eenheid Limburg (hierna: VOA) deden onderzoek naar de oorzaak, toedracht en gevolgen van het ongeval. Het proces-verbaal van de VOA5 vermeldt als resultaten van dat onderzoek het volgende:

Wegsituatie:

Het ongeval vond plaats op de Zwarte Plakweg, ter hoogte van de aansluiting met de Raamweg, en is gelegen buiten de bebouwde kom van America. Ingevolge artikel 21

van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 geldt voor motorvoertuigen ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km per uur, hetgeen met zonebord A1 op de aansluiting van de Zwarte Plakweg met de N277 is aangeduid.

Wegverloop:

Ter hoogte van de plaats van het ongeval is op het kruisingsvlak van de Zwarte Plakweg met de Raamweg een licht verhoogd kruisingsvlak aangebracht. De verhoging betreft enkele centimeters en deze verhoging is geleidelijk uitgevoerd en vanaf alle rijrichtingen aangeduid met plateaumarkering. Bij het oprijden van het verhoogde kruisingsvlak is dit slechts beperkt merkbaar in een personenauto bij een snelheid van maximaal 60 km/uur, en heeft deze verhoging in dat geval nagenoeg geen invloed op het rijgedrag van het voertuig.

Sporen op het wegdek:

Op het wegdek van het kruisingsvlak van de Zwarte Plakweg met de Raamweg waren géén

rem/blokkeer, regelsporen of slipsporen afgetekend welke mogelijk zouden kunnen zijn

afgetekend door de banden van de Peugeot.

Vermoedelijke toedracht:

De bestuurder van de Peugeot personenauto reed over de Zwarte Plakweg, komend uit de richting van de Schaapherderweg en rijdend in de richting van de Bloemvenweg te America.

Kort voor de aansluiting van de rechts van de Zwarte Plakweg gelegen Raamweg reed de bestuurder van de personenauto aan de rechterzijde van de Zwarte Plakweg en hij reed met de rechter voorzijde de groenstrook aan de rechterzijde van de Zwarte Plakweg op. Op deze groenstrook reed de bestuurder van de Peugeot met de rechter voorzijde tegen de in de groenstrook geplaatste lichtmast, die als gevolg van de kracht van het ongeval volledig uit de grond werd gerukt. De banden van de personenauto verloren als gevolg van de botsing met de lichtmast gedeeltelijk het contact met het wegdek en de auto begon deels linksom om de hoogte-as te draaien. Als gevolg van de voorwaartse snelheid van de personenauto schoof

deze verder over de groenstrook, naar de rechterzijde van de weg in de richting van het (brom)fietspad. De personenauto schoof verder, gedeeltelijk dwars op de rijrichting, waarbij door de wielen aan de rechterzijde van het voertuig de schuifsporen in de berm werden afgetekend, het (brom)fietspad op terwijl de lichtmast door de auto werd meegesleurd.

Gezien het aangetroffen sporenbeeld was de personenauto op dat moment rechtsom om zijn hoogte-as aan het draaien terwijl deze zich richting het (brom)fietspad verplaatste. Ongeveer aan het einde van het afgetekende schuifspoor in de berm is de personenauto zeer waarschijnlijk los gekomen van het wegdek en om de hoogte-as draaiend in contact gekomen met de bestuurster van de damesfiets [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] en haar fiets. Zeer waarschijnlijk bevond de lichtmast zich op dat moment nog deels voor de personenauto en is deze lichtmast over het (brom)fietspad geslingerd en heeft daarbij het mannelijke slachtoffer op de fiets [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] en diens fiets geraakt, waardoor deze fietser gewond raakte en de berm in werd geslingerd.

Het is niet uitgesloten dat de bestuurster van de fiets met haar fiets ook nog was geraakt door de wegslingerende lichtmast. Uit het sporenonderzoek en de schade-inpassing is gebleken dat de personenauto de bestuurster van de fiets en haar fiets had geraakt terwijl de personenauto los was gekomen van de grond en om zijn hoogte-as draaide. De personenauto is als het ware over de fiets en de bestuurster alsmede de lichtmast heen gerold, waarbij de bestuurster van de fiets tussen de fiets en de personenauto ingeklemd raakte en de ernstige verwondingen opliep. De onderzijde van de lichtmast bevond zich op dat moment vermoedelijk al op het (brom)fietspad, aangezien de lichtmast onder de op zijn linkerflank

liggende fiets werd aangetroffen.

Overlijden en schouw van de vrouwelijke bestuurster van de fiets:

De vrouwelijke bestuurster van de fiets is ten gevolge van het bij het ongeval opgelopen letsel op 11 juli 2019 overleden op de plaats van het ongeval. Haar dood werd ter plaatse vastgesteld door de medewerkers van de ambulancedienst. Op 11 juli 2019 te 21:00 uur werd in het VieCuri Medisch Centrum te Venlo door de gemeentelijk lijkschouwer I. van Rhee, in aanwezigheid van verbalisanten, een schouw verricht op het stoffelijk overschot van de bestuurster van de damesfiets.

Doodsoorzaak:

Ten gevolge van het ongeval heeft de bestuurster van de damesfiets meerdere ernstige inwendige verwondingen en breuken opgelopen. Uit het verslag van de schouwarts is gebleken dat het slachtoffer is overleden als gevolg van hoogenergetisch trauma door de botsing met de lichtmast en de personenauto.

Vermijdbaarheid:

De bestuurder van de betrokken Peugeot had een aanrijding kunnen voorkomen door tijdig af te remmen voor de bocht in het wegverloop en de rijbaan te blijven volgen. De bestuurder van de Peugeot heeft ter plaatse met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur, zijn snelheid niet verminderd en het verloop van de weg niet gevolgd, maar is ter hoogte van het verhoogde kruisingsvlak rechts in de berm terechtgekomen. De bestuurder van de Peugeot had zijn voertuig niet voortdurend onder controle, hetgeen met zekerheid mede te wijten is aan het overmatige alcoholgebruik. De zich op dat moment op het (brom)fietspad bevindende bestuurster en bestuurder van de fietsen hebben geen enkele mogelijkheid gehad om te reageren op de zeer plotseling naderende personenauto.

De gereden snelheid

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 28 januari 2020 kan worden geconcludeerd dat met 99 % zekerheid is vast te stellen dat de snelheid van de Peugeot op het moment van de botsing met de lichtmast hoger was dan 60 kilometer per uur en eveneens met 99 % zekerheid dat die lager was dan 90 kilometer per uur.

Medisch

[slachtoffer 2] werd ten gevolge van het verkeersongeval dodelijk getroffen6.

De tweede fietser, [slachtoffer 1] , is op 11 juli 2019 onderzocht door de arts H. Gendera7. Uit dat onderzoek blijkt dat dit slachtoffer ten gevolge van genoemd verkeersongeval een distale femurfractuur rechts en een crurisfractuur rechts heeft opgelopen, dat op 12 juli 2019 een operatie heeft plaatsgevonden (plaatschroefosteosynthese distale femur en distale tibia rechts) en dat de geschatte duur van de genezing lang is, namelijk meer dan 1 jaar revalidatie.
Uit het schrijven van de Vakgroep Orthopedie van het VieCuri medisch centrum te Venlo8 blijkt verder dat [slachtoffer 1] gedurende 40 dagen opgenomen is geweest in dat ziekenhuis, waarna hij naar huis is gegaan om verder te revalideren, en dat 3,5 maand na het ongeval röntgenonderzoek heeft uitgewezen dat de onderbeenfractuur geconsolideerd was, maar dat de bovenbeenfractuur nog geen overtuigende consolidatie liet zien.
Verder blijkt uit een schrijven van de behandelend fysiotherapeut9 van [slachtoffer 1] dat dit slachtoffer bij deze fysiotherapeut in behandeling is geweest tot en met 26 februari 2020. De klachten waarvoor hij daar is behandeld, betroffen een inklemming van een pees in de linker schouder en aanhoudende last van het rechter been.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard10 dat hij op 11 juli 2019 met een snelheid van rond de 80 kilometer per uur over de Zwarte Plakweg te America, gemeente Horst aan de Maas, heeft gereden. Hij hoorde toen opeens een knal en hij voelde een klap tegen de auto. Hij is toen de controle over het voertuig kwijt geraakt, waarna hij rechts in de berm en op het fietspad naast de rijbaan terecht is gekomen. Hij voelt zich verantwoordelijk voor het ongeval dat vervolgens door zijn rijgedrag is ontstaan. Hij had eerder die dag ongeveer een halve fles wodka gedronken, had nauwelijks gegeten en had de nacht tevoren onvoldoende nachtrust gehad.

De overwegingen van de rechtbank

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, hetgeen in dit geval ten laste is gelegd in die zin dat het rijgedrag van de verdachte zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend was.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang. Het komt aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hiervoor bedoelde zin.

De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden genoemd in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen in onderling verband bezien, het volgende vast.
De verdachte is, terwijl hij redelijkerwijs had moeten weten dat hij volstrekt niet tot rijden in staat was, in de auto gestapt en de weg opgegaan. Hij heeft daarbij met een snelheid van minstens 80 kilometer per uur gereden waar 60 kilometer per uur was toegestaan, en is toen met die snelheid in een flauwe bocht naar links vlak na een verhoging in het wegdek zonder te remmen rechtdoor gereden, waardoor hij een lichtmast heeft geraakt die rechts naast de rijbaan stond, waardoor die lichtmast volledig uit de grond werd gerukt en met de auto is meegevoerd tot over het fietspad, waar juist het echtpaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] fietste. [slachtoffer 2] is door de impact met de lichtmast en de auto van de verdachte om het leven gekomen; [slachtoffer 1] is door de lichtmast ernstig gewond geraakt. .

De rechtbank is op basis van de aard en de ernst van het geheel van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval – te weten dat de verdachte een personenauto is gaan besturen terwijl hij moet hebben geweten dat hij daartoe door drankgebruik en slaapgebrek niet meer in staat was, te hard heeft gereden, niet heeft geanticipeerd op het verloop van de weg en de controle over de auto heeft verloren – van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend, en dat derhalve het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte is te wijten als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De mate van schuld rubriceert de rechtbank tussen ‘ernstig’ en ‘zeer hoog’.


De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, het primair tenlastegelegde bewezen, zoals hierna wordt vermeld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

op 11 juli 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de weg Zwarte Plakweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] , werd gedood en waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen zeer onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank,

heeft gereden met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid en daarbij niet de rijbaan van voornoemde weg heeft gevolgd en de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig is verloren, immers is hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig naast de rijbaan in een aldaar gelegen berm terechtgekomen en is hij tegen een in die berm staande lichtmast gebotst en heeft hij daarbij die lichtmast met zijn motorrijtuig meegevoerd,

waardoor twee fietsers, zijnde voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die aldaar op het naast de rijbaan gelegen fietspad reden, werden geraakt door die lichtmast en vervolgens is hij met zijn motorrijtuig tegen een van die fietsers aangereden, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed, meer dan 2,82 milligram alcohol per milliliter bloed te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het (primair) bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b van deze wet,

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b van deze wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier jaren alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingehouden is geweest.
De officier van justitie heeft de ernst van het bewezenverklaarde benadrukt. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet is meermalen overtreden, en sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan een dodelijk ongeval van een persoon en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een tweede persoon. Ofschoon de officier van justitie oog heeft voor de omstandigheid dat de verdachte zich verantwoordelijk voelt voor en berouw heeft getoond over hetgeen hij [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de (overige) nabestaanden heeft aangedaan, is er bij het bepalen van de strafmaat voor compassie weinig plaats. De richtlijnen van het openbaar ministerie en de LOVS oriëntatiepunten schrijven een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren voor. Vanwege het belang van een adequate strafrechtelijke reactie op een feit als dit, en mede

gelet op het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 maart 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:680) in een vergelijkbare zaak, past geen andere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van genoemde vier jaren. Mocht de rechtbank van de oriëntatiepunten willen afwijken, dan dient zij dat ter voorkoming van willekeur te motiveren, aldus de officier van justitie onder verwijzing naar het eerdergenoemde arrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Aangevoerd is dat een langdurige gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de persoon en de houding van de verdachte, niet passend is. De verdachte heeft zich vanaf de dag van het ongeval verantwoordelijk gevoeld voor hetgeen hij heeft gedaan en vooral voor het leed dat hij daardoor het slachtoffer en de nabestaanden heeft aangedaan. Hij gaat sindsdien zwaar gebukt onder gevoelens van wroeging en schaamte, en kan er nog steeds moeilijk mee omgaan. Direct na het ongeval heeft de verdachte suïcidale gedachten gehad, reden waarom hij toen op eigen verzoek, in het kader van een civielrechtelijk inbewaringstelling, in een instelling opgenomen is geweest. De verdachte is nog jong, maar het lukt hem niet een baan te krijgen of om op een goede manier deel te nemen aan de maatschappij omdat hij gediagnosticeerd is met PTSS, waarvoor hij reeds EMDR heeft ondergaan. Een gevangenisstraf is voor hem schadelijk en dient geen redelijk doel meer. Recidivegevaar is er niet, nu de verdachte geen alcohol meer drinkt. De raadsvrouw stelt voor aan de verdachte een forse taakstraf op te leggen. Ten aanzien van de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsvrouw zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de strafoplegging het volgende.
In het streven naar een zekere mate van consistentie in de straftoemeting hebben rechtbanken en gerechtshoven samen gesproken over de in de praktijk gegroeide uitgangspunten voor de sanctieoplegging, en de resultaten van dat debat vastgelegd.

Die ‘afspraken’ zijn als de zogenoemde ‘LOVS oriëntatiepunten’ gepubliceerd, als waren het bakens waarop de rechter zich kan oriënteren bij het in een concrete zaak vaststellen van de te hanteren uitgangspunten. De oriëntatiepunten kunnen worden beschouwd als ‘gestolde ervaring’: dit zijn de straffen waarvan de rechtbank weet dat zij veelal in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarmee zijn de oriëntatiepunten niet het einde, maar het begin van de motivering van een passende straf.

De oriëntatiepunten vormen geen recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO). De rechtbank is dan ook in beginsel niet gehouden om afwijken van de oriëntatiepunten of zelfs het negeren ervan te motiveren. Dat kan anders zijn, gelet op artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wanneer de verdediging of de officier van justitie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt dat op de gepubliceerde oriëntatiepunten is gebaseerd en de rechtbank desondanks tot een ander oordeel komt (ECLI:NL:HR:2011:BP2745).

Bij het vaststellen van een passende straf in een concrete zaak zal de rechtbank zich in de eerste plaats een oordeel moeten vormen over de ernst van het feit. De oriëntatiepunten kunnen hiertoe dienstig zijn. Daarnaast zal de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is begaan maar ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen van het feit voor de slachtoffers, voor zover dat nog niet voldoende tot uitdrukking komt in de ernst van het feit, in ogenschouw moeten nemen. Daarbij houdt de rechtbank de strafdoelen voor ogen, in het bijzonder leedtoevoeging gericht op generale en speciale preventie, normbekrachtiging en vergelding.

Voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 veronderstellen de

LOVS-oriëntatiepunten, afhankelijk van het oordeel over de schuld van de verdachte, een gevangenisstraf van 7 maanden tot 4 jaar. Daarbij worden drie categorieën van schuld onderscheiden: aanmerkelijke schuld, ernstige schuld en een zeer hoge mate van schuld.

Zoals hiervoor reeds is overwogen rubriceert de rechtbank de mate van schuld tussen ‘ernstig’ en ‘zeer hoog’.

Ter nadere oriëntering heeft de rechtbank gekeken naar recente voorbeelden van straffen die zijn opgelegd in min of meer vergelijkbare zaken: onder invloed van alcohol een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaken. In enkele gevallen gaat het daarbij om jarenlange gevangenisstraffen, maar in sommige gevallen ook niet:

  • -

    de rechtbank Midden-Nederland heeft overwogen dat zij van oordeel is dat de LOVS-richtlijnen (bedoeld zal zijn: oriëntatiepunten) niet zijn toegesneden op de betrokken zaak en derhalve niet geschikt zijn als uitgangspunt op basis waarvan tot strafoplegging wordt gekomen, gelet op de ingrijpende gevolgen van het ongeluk voor verdachte (zijn partner was om het leven gekomen). De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale taakstraf op (ECLI:NL:RBMNE:2020:5446);

  • -

    in zaken van qua gevolgen vergelijkbare ernst als de onderhavige (twee kinderen overleden respectievelijk een jonge vrouw overleden en anderen zwaar gewond), werd een gevangenisstraf van twee jaar opgelegd, maar daarbij was sprake van de omstandigheid dat de verdachte geen verantwoordelijkheid nam voor zijn gedraging (ECLI:NL:GHARL:2020:6373 en ECLI:NL:RBOBR:2020:2978);

  • -

    de rechtbank Amsterdam kwam tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, in een zaak waarin de verdachte na het ongeval nog asociaal rijgedrag vertoonde en weinig onder de indruk leek van wat hij had aangericht (ECLI:NL:RBAMS:2020:1969);

  • -

    aan een man die met 150-160 km/uur over de afsluitdijk reed, onder invloed van alcohol, en iemand dood reed, werd een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd (ECLI:NL:RBNHO:2020:2055).

  • -

    een (verminderd toerekenbare) verdachte die zonder geldig rijbewijs met een gestolen auto met meer dan 160 km/uur en onder invloed van alcohol een dodelijk ongeval veroorzaakte, kreeg 720 dagen gevangenisstraf waarvan 462 dagen onvoorwaardelijk (ECLI:NL:RBLIM:2021:645);

  • -

    ten slotte is 18 maanden gevangenisstraf opgelegd aan een bestuurder die een ongeval met dodelijke afloop veroorzaakte doordat hij twee keer harder reed dan toegestaan en onder invloed van alcohol verkeerde. Hij was verschillende keren eerder veroordeeld voor verkeersfeiten.

De conclusie uit dit overzicht is dat de gebruikelijke bandbreedte te vinden is tussen als ondergrens de maximale taakstraf met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, en als bovengrens een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar. Het door de officier van justitie in zijn requisitoir aangehaalde recente arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch, waarin vier jaar gevangenisstraf is opgelegd, lijkt hierop een uitzondering. Naast de ernst van het feit en de gevolgen voor de slachtoffers zullen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de bovengenoemde zaken een belangrijke rol hebben gespeeld. Zij zullen ook in dit geval voor de rechtbank in belangrijke mate mede bepalen wat een passende straf is.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft, terwijl hij er zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij na het drinken van een halve fles wodka hiertoe volstrekt niet meer in staat was, desondanks de keuze gemaakt om met een auto te gaan rijden. Daarbij komt dat hij ook te hard heeft gereden en niet heeft geanticipeerd op de wegsituatie.

De ernst van de feiten waarvoor de rechtbank in deze zaak de verdachte zal veroordelen, wordt in belangrijke mate ingekleurd door de tragische gevolgen voor de slachtoffers.

Voor rijden onder invloed van het bij de verdachte vastgestelde promillage van 2,82 zonder dat een ongeval plaatsvindt, wordt doorgaans volstaan met een forse taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanzienlijke duur.

Gevolgen voor de slachtoffers

In dit geval is er een dode te betreuren en is het tweede slachtoffer zwaar gewond geraakt. Ter zitting is gebleken hoe groot het verdriet van de familie is over het verlies van hun echtgenote, moeder en oma. Begrijpelijkerwijs spelen er ook gevoelens van verontwaardiging en onbegrip. [slachtoffer 1] heeft echter ter terechtzitting ook compassie getoond voor de verdachte. Tijdens de zitting is verder naar voren gekomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] inmiddels weer zelfstandig kan lopen, maar dat hij, inmiddels 19 maanden na het ongeval, nog steeds last heeft van het letsel aan zijn been. Door het handelen van de verdachte zijn levens ingrijpend en blijvend veranderd. De omstandigheden als ook de zeer ingrijpende, onomkeerbare gevolgen maken dat het feit zo ernstig is, dat het opleggen van een gevangenisstraf een voor de hand liggend uitgangspunt is.

De omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan

De omstandigheden waaronder de verdachte in deze zaak de feiten heeft begaan, hangen in belangrijke mate samen met zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte zat al langere tijd niet goed in zijn vel. Hij had slecht geslapen en was over zijn problemen gaan praten met zijn ouders. Eenmaal weer thuis gekomen heeft hij de onrust in zijn hoofd willen bezweren door een grote hoeveelheid alcohol te drinken. De fout die hem te verwijten is, is dat hij daarna toch in de auto is gestapt om eten te gaan halen. Daarmee heeft hij een onaanvaardbaar risico genomen, zoals ook is gebleken. De rechtbank merkt, zoals hiervoor reeds overwogen, de mate van schuld van de verdachte aan het ongeval aan als ernstig tot zeer hoog.

Daartegenover staan de omstandigheden die met de slachtoffers samenhangen: zij fietsten samen op een schijnbaar veilig fietspad en waren kansloos toen zij werden aangereden.

De persoon van de verdachte

Over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte overweegt de rechtbank verder het volgende.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte een blanco strafblad had.
Uit de rapportage van de reclassering en de daarin vermelde terugkoppeling van de psycholoog blijkt dat de verdachte een zeer groot schuldgevoel heeft door wat hij teweeg heeft gebracht. Hij kan er, zo lijkt het, nauwelijks mee omgaan dat er door zijn schuld iemand is overleden en iemand zwaar gewond is geraakt. Hij krijgt voor zijn psychische problemen, ook de problemen die hij al had en die tot zijn alcoholgebruik hebben bijgedragen, tot op heden therapie. Hij heeft een EMDR-behandeling ondergaan om het trauma van het ongeval te helpen verwerken. De verdachte heeft vanaf het begin de volle verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft spijt betuigd. Hij is ook in gesprek gegaan met de dochter van het getroffen echtpaar, die daartoe bereid was en het initiatief nam. Naar zijn zeggen heeft hij sinds het ongeval, nu ruim anderhalf jaar geleden, geen alcohol meer gedronken. Hij is als gevolg van zijn psychische toestand sinds het ongeval bovendien arbeidsongeschikt. Het advies van de reclassering is om een taakstraf op te leggen. De psycholoog denkt dat de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet kan verdragen vanwege zijn schuldgevoel en schaamte voor zijn familie.

Conclusie

Uit al deze omstandigheden maakt de rechtbank op dat de op te leggen straf weinig meer zal kunnen bijdragen aan speciale preventie en vergelding. Daartegenover staat dat de ernst van de feiten vanuit een oogpunt van generale preventie en normbekrachtiging het opleggen van een gevangenisstraf onontkoombaar maakt.

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is.

Gelet op de ernstige en onomkeerbare gevolgen van het ongeval is de rechtbank van oordeel dat deze strafoplegging recht doet aan de ernst van de feiten. Hiermee wordt niet alleen aan de verdachte maar ook aan de samenleving als geheel een signaal afgegeven dat rijden onder invloed van alcohol uit den boze is en dat het hebben van een rijbewijs een enorme verantwoordelijkheid met zich brengt. Bij het niet nemen van deze verantwoordelijkheid en het besluit om toch te gaan rijden ondanks gebruik van alcohol, wordt immers het leven van onschuldige personen in de waagschaal gelegd en in het ergste geval verwoest. Deze zaak is daarvan de trieste illustratie. Een taakstraf, zoals is gevraagd door de raadsvrouw en geadviseerd is door de reclassering, is daarom in dit geval niet passend.

De rechtbank vindt alles afwegend, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, ter zake van het bewezenverklaarde tevens oplegging aan de verdachte van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven jaren passend en geboden.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

7
7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar;

Bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van genoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. K.G. Witteman en

mr. M.G.J.M. van der Staak, rechters, in tegenwoordigheid van

C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

4 mei 2021.

Buiten staat

Mr. Verkijk en mr. Van der Staak zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(primair)

hij op of omstreeks 11 juli 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Zwarte Plakweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] werd gedood, en/of waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank,

heeft gereden met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid en/of (daarbij) niet de rijbaan van voornoemde weg heeft gevolgd en/of de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig is verloren, immers is hij, verdachte met het door hem bestuurde

motorrijtuig naast de rijbaan in een aldaar gelegen berm terechtgekomen en/of is hij, verdachte, tegen een in die berm staande lichtmast gebotst en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) die lichtmast met zijn motorrijtuig meegevoerd, waardoor twee fietsers, zijnde

voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die aldaar op het naast de rijbaan gelegen fietspad reden, werden geraakt door die lichtmast en/of (vervolgens) is hij, verdachte, met zijn motorrijtuig tegen een van die of beide fietsers gebotst, althans aangereden,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet, bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed, meer dan 2,82 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed te zijn;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 aanhef/onder a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 aanhef/onder b Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

a.

hij op of omstreeks 11 juli 2018 te America, in de gemeente Horst aan de Maas, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, meer dan 2,82 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

b.

hij op of omstreeks 11 juli 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op de weg Zwarte Plakweg heeft gereden met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid en/of (daarbij) niet de rijbaan van voornoemde weg heeft gevolgd en/of de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig is verloren, immers is hij, verdachte, met het door hem bestuurde

motorrijtuig naast de rijbaan in een aldaar gelegen berm terechtgekomen en/of is hij, verdachte, tegen een in die berm staande lichtmast gebotst en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) die lichtmast met zijn motorrijtuig meegevoerd, waardoor twee fietsers, zijnde

voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die aldaar op het naast de rijbaan gelegen fietspad reden, werden geraakt door die lichtmast en/of (vervolgens) is hij, verdachte, met zijn motorrijtuig tegen een van die of beide fietsers gebotst, althans aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt;

(art 5 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 aanhef/onder b Wegenverkeerswet 1994).

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Politie eenheid Limburg, proces-verbaal nummer PL2300-2019108651-1, gesloten d.d. 31 oktober 2019, in het digitale dossier doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 112.

2 Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 31 oktober 2019, opgemaakt en ondertekend door verbalisant R.J.M.E. Dekkers, op pagina’s 2 tot en met 7 (van het procesdossier PF).

3 Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 9 augustus 2019, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] op pagina’s 38 tot en met 42.

4 Het rapport Alcohol en Drugs in het verkeer van Eurofins Forensics d.d. 31 juli 2019, op pagina’s 1 en 3.

5 Proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse van de Politie eenheid Limburg d.d. 12 juli 2019, op pagina’s 5 tot en met 8, 15 en 16.

6 Het proces-verbaal onnatuurlijke dood d.d. 19 juli 2019, op pagina 84 (van het procesdossier PF).

7 De geneeskundige verklaring ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] d.d. 15 juli 2019, op pagina 83 (digitale pagina 76).

8 Het schrijven van Vakgroep Orthopedie van het

9 Het schrijven van [naam] van [naam fysiotherapie] te [plaats] d.d. 1 april 2020, op digitale pagina 110 van het procesdossier.

10 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 april 2021.