Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3853

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
03.187809.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval met landbouwtrekker op 8 november 2019 in America, gemeente Horst aan de Maas. Verdachte reed in een voertuig dat was voorzien van een werktuig (maaiarm) dat niet conform de veiligheidsvoorschriften was bevestigd en het zicht werd (in ernstige mate) belemmerd door de maaikooi van het werktuig. Taakstraf van 180 uren. Plus voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.187809.20

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.A. Koers, advocaat kantoorhoudende te Leusden.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 april 2021. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

(primair) met zijn landbouwtrekker een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een fietser om het leven is gekomen;

(subsidiair) door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

Op 8 november 2019 vond op de Laagheideweg te America (gemeente Horst aan de Maas) een dodelijk verkeersongeval plaats waarbij een bestuurder (verdachte) van een motorrijtuig zijnde een landbouwtrekker en een fietser – [slachtoffer] – waren betrokken. [slachtoffer] is overleden aan verwondingen die hij heeft opgelopen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit bewezen, in die zin dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Dit heeft zij gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte bij de politie, het schouwverslag en het proces-verbaal van de schouw en de bevindingen van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA).

Op grond van de volgende omstandigheden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schuld in een mate die aan te merken is als aanmerkelijke tot ernstige schuld:

  • -

    de verdachte wist dat er een defect was in de maaiarmconstructie waardoor deze niet op de juiste en veilige wijze bevestigd kon worden;

  • -

    de verdachte wist dat zijn zicht vanaf de bestuurdersstoel hierdoor beperkt werd;

  • -

    de verdachte wist dat de monteur ter plaatse zou komen waarbij de afspraak was dat hij ter plaatse zou wachten op de monteur om het defect te verhelpen;

  • -

    de verdachte is ondanks het belemmerde zicht gaan rijden;

  • -

    uit de eigen verklaring van de verdachte is af te leiden dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij daarmee het risico liep dat hij iemand aan zou rijden;

  • -

    het gaat om een zeer zwaar en groot voertuig;

  • -

    er is sprake van Garantenstellung, omdat de verdachte voor zijn beroep bestuurder van dit landbouwvoertuig is;

  • -

    uit het schouwverslag blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen de aanrijding en het overlijden van het slachtoffer.

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij met zijn werkgever heeft gebeld op het moment dat hij de storing aan de maaiarm niet zelf kon oplossen. Zijn werkgever heeft de monteur gebeld en deze zou naar de verdachte toe komen. Het zou volgens de verdachte nog zeker 90 minuten duren voordat de monteur bij hem kon zijn en het was inmiddels al wat later op de dag. In november treedt de schemer al vroeg op de dag in. Bovendien waren de scholen net uit. Het was druk en de verdachte bevond zich met zijn landbouwvoertuig in een flauwe bocht op het fietspad. Er waren op dat tijdstip van de dag veel fietsers op de weg. De verdachte geeft aan dat hij het niet verantwoord vond, juist gelet op de verkeersveiligheid van de fietsers, om op die plek te blijven staan. Daarom besloot de verdachte te gaan rijden, op zoek naar een verantwoorde plek om de machine weg te zetten. Hij kon echter nergens een geschikte plek vinden. Daarop heeft de verdachte besloten door te rijden naar de loods in Ysselsteyn, waar de tractor ’s-nachts gestald staat en waar gereedschap aanwezig was om het defect te verhelpen.

Juist voor de veiligheid van anderen heeft hij deze route gekozen, in plaats van de kortere, in zijn optiek nog gevaarlijkere, route door het dorp Veulen. De verdachte reed via de Lorbaan en zag toen het latere slachtoffer fietsen. Mede door de drukte van het overige verkeer is de verdachte vervolgens, toen hij de Laagheideweg op draaide, het latere slachtoffer uit het oog verloren. Kort daarop zag de verdachte het slachtoffer voor zijn wiel omvallen. De verdachte heeft het slachtoffer zien vallen, met zijn hoofd op de klinkers.

De verdachte heeft meerdere afwegingen en keuzes moeten maken en dat hij heeft telkens de optie gekozen die voor zijn gevoel het meest veilig was. Achteraf bezien heeft hij een verkeerde afweging gemaakt, maar op dat moment heeft de verdachte de opties telkens goed afgewogen, ondanks dat hij telkens tussen twee kwaden moest kiezen.

De verdediging heeft voorts betoogd dat het ongeluk ook had kunnen gebeuren als de maaiarm goed bevestigd was geweest, dat verdachte rustig heeft gereden en dat de precieze toedracht van het ongeluk onbekend is gebleven. Er kan hem daarom onvoldoende verwijt worden gemaakt voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primaire ten laste gelegde. De verdediging heeft zich gerefereerd voor het subsidiair ten laste gelegde.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

3.2.1

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard2:

Ik heb sinds 2012 een rijbewijs voor het besturen van landbouwvoertuigen. Ik werk 45 weken per jaar gemiddeld 40 uur per week voornamelijk op de tractor waar het ongeval mee heeft plaatsgevonden.

Vandaag (vrijdag 8 november 2019) heb ik gewerkt met de tractor die is voorzien van een maai inrichting. De arm zit op een draaikolom rechts onder de cabine, eigenlijk tussen het rechter voorwiel en het rechter achterwiel. Vanochtend functioneerde alles naar behoren.

In de loop van de middag kon ik de hydraulische arm niet meer naar beneden bedienen, er zat een storing in. Ik kon deze storing niet verhelpen. Ik heb de baas gebeld. De baas deelde mij mede dat hij een monteur zou sturen om het probleem te komen verhelpen. Omdat het einde van de dag naderde heb ik zelf besloten om naar Ysselsteyn te gaan rijden. In Ysselsteyn staat de tractor gestald in een loods. De reden dat ik dat zelf had besloten was omdat daar meer gereedschap aanwezig was en dat er elektrische verlichting is. Ik heb de arm met de maaier naar voren laten gaan in de richting van de transportsteun. Omdat de arm niet meer naar beneden ging, kreeg ik hem ook niet in de transportsteun. Ik heb toen met een steeksleutel het hydraulische systeem handmatig naar beneden laten gaan, in ieder geval zover als het ging. Ik ben vervolgens richting Ysselsteyn gereden. Ik kon door de voorruit van de tractor en de arm met de maaier die ervoor hing ongeveer vanaf 10 meter en verder vooruit kijken of de weg vrij was. Ik kon tussen de 0 en 10 meter aan de rechterzijde niets zien. Ik kon pas weer wat zien als iemand naast de tractor was. Ik ben vanaf Castenray in de richting van de Paardenkop en Veulen gereden en was voornemens om binnendoor naar Ysselsteyn te gaan rijden. Ik deed dit omdat ik met die defecte hydraulische arm reed. Bij de Paardenkop waren ze aan het snoeien en moest ik onverhoopt gaan draaien en weer een andere richting kiezen. Ik besloot toen om via de Lorbaan, Laagheideweg en de Midden-Peelweg naar Ysselsteyn te gaan rijden. Toen ik via de Lorbaan bij de T-kruising met de Laagheideweg kwam moest ik rechtsaf slaan. Ik had de fietser reeds waargenomen op de Lorbaan. Ik heb hem alleen op de Lorbaan gezien. Ik heb niet gezien dat hij was afgedraaid of waar hij naartoe ging want de T-kruising met de Laagheideweg was erg druk met ander landbouwverkeer en personenauto’s. Er kwamen landbouwvoertuigen uit de andere richting over de Lorbaan. Er reed er een voor mij en er kwam verkeer uit de Laagheideweg waar ik naartoe wilde en dit vergde al mijn aandacht. Er stonden personenauto’s op de Laagheideweg die klaar stonden om de Lorbaan op te draaien. Ik ben vervolgens rechtsaf geslagen de Laagheideweg in. Ik zag dat de Laagheideweg links en rechts rode stroken heeft met een stippenlijn. Ik heb normaal de gehele breedte tussen de stippenlijnen nodig. Toen ik rechtsaf was geslagen ben ik gewoon rechtdoor gereden en zover het mogelijk was heb ik vooruit gekeken. Ik heb geen fietser aan de rechterzijde van de weg gezien. Opeens zag ik naast de tractor iemand met een fiets vallen, het was op de toerit van de boerderij. Mij schoot in een keer die fietser te binnen.

3.2.2

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse3 blijkt het volgende:

Bij het ongeval waren betrokken:

Voertuig 1: landbouwtrekker, merk Massey Ferguson, type 6290 met aanhangwagen, merk Veenhuis, type JVSK 1000;

Voertuig 2: fiets, merk Sparta, type GRN.

Het ongeval heeft plaatsgevonden ter hoogte van perceel Lorbaan 17 te America, op een recht weggedeelte van de Laagheideweg.

Het tijdstip van het ongeval was ongeveer 14.53 uur. Zonsondergang was op 8 november 2019 om 16.59 uur. Op het moment van de aanrijding was de weersgesteldheid zonnig, droog en helder.

Voertuig 1 (trekkercombinatie) verkeerde, voor zover kon worden vastgesteld, vóór het ongeval rijtechnisch niet in voldoende staat van onderhoud en vertoonde de volgende gebreken die eventueel de oorzaak van of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval:

- De giek van de maaiarm kon door een technisch gebrek niet in de punt van de werktuigdrager geplaatst worden.

De combinatie voldeed – op de voor dit ongeval relevante onderdelen – niet aan de in de Regeling voertuigen gestelde eisen.

Het uitzicht van de bestuurder van de landbouwtrekker werd belemmerd door de maaikooi van het werktuig, waardoor deze bestuurder van de fiets zeer waarschijnlijk niet kon zien.

Foto 9, met onderschrift: De maaikooi belemmerde het uitzicht naar voren. Op de plaats van het ongeval werd de storing aan de giek verholpen door [betrokkene] . De steun aan de giek kon weer in de werktuigdrager geplaatst worden. Hierdoor zou de bestuurder van de combinatie beduidend meer uitzicht naar voren hebben gehad.

Foto 11, met onderschrift: het uitzicht door de voorruit van de landbouwtrekker (opmerking rechtbank: na reparatie van de maaiarm).

De landbouwtrekker was voorzien van een gebruikershandleiding. In deze gebruikershandleiding was een hoofdstuk besteed aan de Veiligheidsvoorschriften waarbij een van de veiligheden werd benoemd ‘zorg dat tijdens de verplaatsing de steun van giek 2 goed over de punt van de werktuigdrager zit’. Dit was tijdens het voertuigonderzoek ter plaatse van de aanrijding niet het geval.

Aan de fiets werden diverse krassporen aangetroffen. Aan het einde van de linker remhendel en aan de zijkant van de linker trapper werden recente krassporen aangetroffen. De rechterzijde van de fiets had krasschade aan de bagagedrager, de beschermbeugel van de

derailleur en de rechter handvat.

De inbeslaggenomen jas van de bestuurder van de fiets werd gefotografeerd en onderzocht.

Op de achterzijde van de jas werden sporen van straatvuil aangetroffen. In de kraag zat een beschadiging. Die beschadiging was waarschijnlijk veroorzaakt door een hard scherp voorwerp.

Vermijdbaarheid

Het uitzicht naar voren van de bestuurder van de landbouwtrekker werd belemmerd door de maaikooi, de afzuigslang en de giek. De reden hiervan was dat de steun aan de giek niet over de punt van de werktuigdrager rustte. Indien de bestuurder van de landbouwtrekker niet had gereden met een defect aan de maaiarm (giek) en dit eerst had laten repareren, dan had hij beduidend meer uitzicht naar voren gehad. Hij had dan waarschijnlijk het verkeersongeval kunnen voorkomen. De bestuurder van de landbouwtrekker wist ook dat zijn uitzicht naar rechts belemmerd was. Hij had ook ervoor kunnen kiezen om verder naar links te gaan rijden en de suggestiestrook vrij te laten. In ieder geval tot duidelijk was waar de fietser gebleven was. De wegbreedte was namelijk circa 5 meter. De breedte van de landbouwtrekker was circa 2,50 meter. De fietser had met zijn vetergang een breedte van circa 1 meter nodig. Indien de bestuurder van de landbouwtrekker uiterst links had gereden bleef er circa 1,50 meter tussenruimte tussen de fietser en de landbouwtrekker. De bestuurder van de landbouwtrekker had de bestuurder van de fiets in kunnen halen zonder een ongeval te veroorzaken.

3.2.3

In het proces-verbaal schouw stoffelijk overschot is vermeld:4

De heer [slachtoffer] is op 8 november 2019 rond 15.30 uur op de SEH aangekomen. Hij kreeg een CT-scan-body en daaruit bleek dat er een zeer forse bloeding in het hoofd rechts was, verder meerdere schedel- (o.a. links temporaal met impressie bot) en aangezichtsfracturen. Ook waren er meerdere ribfracturen en een bloeding ter plaatse van de linker long en een kneuzing van de linker long en een schouderbladfractuur links. De heer [slachtoffer] is om 21.08 uur overleden.

3.2.4

Uit het schouwverslag5, opgemaakt door forensisch arts [naam arts] , blijkt het volgende:

Betrokkene was aan het fietsen en is gevallen, geraakt door een passerende tractor?

VOA:

De tractor met grote maaiarm rijdt een fietser voorbij en tikt hem zeer waarschijnlijk met de maaiarm aan (maaiarm zit rechts, fietser wordt links geraakt).

Geconstateerd wordt onder meer dat de heer [slachtoffer] zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van zijn lichaam diverse schaafwonden en blauwpaarse verkleuringen (bloeduitstortingen) heeft. Onder meer heeft hij schaafwonden aan de linkerkant van zijn hoofd en aan de linkerknie buitenzijde. Ook heeft hij blauwpaarse verkleuringen aan zijn linker oorschelp, links bekkenkam/rug en bovenop zijn linker schouder.

Evaluatie:

Volgens de VOA is betrokkene al fietsend zeer waarschijnlijk aangetikt door een maaiarm van een tractor en hierbij ten val gekomen. In het ziekenhuis blijkt er onder andere sprake van zeer uitgebreid schedel-hersenletsel met een infauste prognose en betrokkene komt te overlijden. De bevindingen bij de schouw zijn alle verklaarbaar met het beschreven traumamechanisme. Geen aanwijzingen voor een andere toedracht.

Conclusie:

Niet-natuurlijk overlijden door uitgebreid schedel- en hersenletsel door stomp inwerkend geweld. Alle letsels zijn verklaarbaar met de beschreven toedracht.

Vaststelling van de feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat:

  • -

    de verdachte op 8 november 2019 als bestuurder van een landbouwvoertuig (trekkercombinatie) heeft gereden over de Lorweg en de Laagheideweg te America, in de gemeente Horst aan de Maas;

  • -

    het voertuig waarin de verdachte reed was voorzien van een werktuig (maaiarm) welke niet conform de veiligheidsvoorschriften was bevestigd;

  • -

    de verdachte ervan op de hoogte was dat de maaiarm niet op de juiste wijze was bevestigd;

  • -

    het zicht in ernstige mate werd belemmerd door de maaikooi van het werktuig;

  • -

    de verdachte zich dit ook gerealiseerd heeft;

  • -

    de verdachte heeft verklaard dat hij aan de rechtervoorzijde geen zicht had over een afstand van 10 meter;

  • -

    de verdachte, ondanks het defect en de wetenschap dat de monteur het defect zou komen oplossen, de keuze heeft gemaakt om te gaan rijden met de trekkercombinatie;

  • -

    de verdachte de heer [slachtoffer] eerder op de Lorbaan heeft zien fietsen, maar hem uit het oog is verloren;

  • -

    de verdachte op enig moment de heer [slachtoffer] op de Laagheideweg bij het passeren met zijn trekkercombinatie heeft geraakt;

  • -

    de heer [slachtoffer] hierdoor ten val is gekomen;

  • -

    de heer [slachtoffer] later die dag in het ziekenhuis aan zijn verwondingen (uitgebreid schedel- en hersenletsel door stomp inwerkend geweld) is overleden.

Het toetsingskader

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet er in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Daarnaast dient een oorzakelijk verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Daarbij geldt dat niet in zijn algemeenheid is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Er moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en naar omstandigheden waaronder die is begaan. Daarnaast kan niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het gedrag van de verdachte wordt afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Zou de conclusie dan luiden dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, dan komt daar in geval van de verdachte – vanwege het feit dat hij beroepsmatig bestuurder is en ook in die hoedanigheid bij het ongeval betrokken was – bij, dat de Garantenstellung van toepassing is. Dat wil – in zijn algemeenheid – zeggen dat er een grotere verantwoordelijkheid rust op een persoon met een bijzondere kwaliteit. De Garantenstellung bepaalt dan (mede) de mate van schuld.

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Toepassing van het toetsingskader

Trekkers en zeker trekkercombinaties, waarbij aan een tractor nog een ander voertuig - zoals in dit geval een aanhangwagen - is gekoppeld en waarbij aan een tractor een werktuig - zoals in dit geval een maaiarm of giek - is bevestigd, zijn enorme voertuigen qua lengte en massa die vanuit dat oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de bestuurders van deze voertuigen verwachten. Dit geldt al als de voertuigen naar behoren, dat wil zeggen, conform de veiligheidsvoorschriften, functioneren. Als vervolgens de maaiarm niet correct kan worden opgehangen, waardoor het zicht voor de bestuurder van het voertuig aan de rechtervoorzijde wegvalt over de eerste tien meter (conform de verklaring van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting), is deze bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid nog essentiëler.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ter plaatse goed bekend is. Wegen als de Lorbaan en de Laagheideweg zijn wegen, die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Er rijden fietsers, waaronder -naar zeggen van de verdachte- schoolgaande jeugd; veel langbouwverkeer maakt gebruik van de wegen; op het gedeelte waar het ongeval heeft plaatsgevonden mag 60 kilometer per uur worden gereden; er zijn uitritten, er zijn geen aparte, afgescheiden fietspaden, maar suggestiestroken; en er ligt -naar de rechtbank ambtshalve bekend is, een vakantiepark vlakbij deze wegen met op gezette tijden (vaak juist op vrijdagmiddagen als voor de bezoekers de weekenden van start gaan) extra verkeer tot gevolg.

Deze combinatie vraagt om een oplettendheid en voorzichtigheid die amper tot uitdrukking te brengen is. Dit had de verdachte, juist als beroepsmatig bestuurder van een dermate groot voertuig, tot de keuze moeten brengen om niet te gaan rijden, maar om stil te blijven staan op de plek waar hij het defect constateerde en zo nodig het lokale verkeer te waarschuwen.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij, ondanks dat de monteur naar hem op weg was, is gaan rijden omdat het einde van de dag naderde en omdat in de loods in Ysselsteyn elektriciteit aanwezig was en alle gereedschap voor het repareren van het defect voorhanden zou zijn. Over overig verkeer heeft de verdachte destijds verklaard dat er veel personenauto’s en landbouwvoertuigen op de weg reden en dat het druk was rondom het tijdstip van het ongeval.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij is gaan rijden juist om de verkeersveiligheid van de fietsers te waarborgen. Ook ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het druk was rondom het tijdstip van het ongeval, maar dan met name vanwege de hoeveelheid fietsers. Hij heeft verklaard dat hij de plaats waar hij het defect constateerde geen verantwoorde stopplaats vond en dat hij daarom is gaan rijden, met het doel de trekkercombinatie op een veilige plek te parkeren in afwachting van de monteur en dat hij vervolgens, omdat hij toch al halverwege was, besloot door te rijden.

De rechtbank kent aan de verklaring die de verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd groter gewicht toe. Deze verklaring heeft hij vlak na het ongeval toen zijn herinnering nog vers was en niet kan zijn ingekleurd door het verstrijken van tijd, afgelegd. De reden die de verdachte destijds ten overstaan van de politie heeft gegeven voor het feit dat hij met het voertuig is gaan rijden, verantwoordt -gelet op het gevaar dat hij hiermee heeft veroorzaakt, het risico dat hij hiermee heeft genomen en dat zich uiteindelijk ook heeft verwezenlijkt- geenszins deze keuze. Dit geldt (ten overvloede) ook voor de reden die de verdachte ter terechtzitting heeft genoemd. Wellicht had hij het voertuig nog verder in de berm kunnen parkeren om op een meer verantwoorde wijze te wachten op de monteur, en de noodzakelijke maatregelen moeten treffen het voorbij komende verkeer tijdig te waarschuwen.

Vervolgens heeft de verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting, verklaard dat hij de fietser (het latere slachtoffer) op de Lorbaan had gezien, maar daarna uit het oog verloren was. Juist binnen eerdergenoemde verkeerde en zo gevaarlijke keuze om te gaan rijden met het defect, kon en mocht de verdachte zich dit ‘over het hoofd zien’ niet permitteren. Het was immers juist aan de rechtervoorzijde, de kant waar fietsers zich op deze weg zouden bevinden, waar de verdachte (wist dat hij) geen zicht had.

De rechtbank oordeelt dan ook dat onder deze omstandigheden, met een dusdanig defect voertuig, met een dermate beperkt zicht (geen zicht aan de rechtervoorkant over een afstand van 10 meter) op een dusdanig gevaarlijke weg te gaan rijden, geen andere conclusie rechtvaardigt dan de conclusie dat verdachtes verkeersgedrag dient te worden aangemerkt als een gedraging die aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert. Als gevolg van deze gedraging is de heer [slachtoffer] komen te overlijden.

Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit bewezen, zoals hierna omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 8 november 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmee rijdende over de Laagheideweg, zich zodanig heet gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig, terwijl dit voertuig was voorzien van een werktuig (maaiarm) dat niet conform de veiligheidsvoorschriften was bevestigd en het zicht (in ernstige mate) werd belemmerd door de maaikooi van het werktuig, een voor hem, verdachte, op die Laagheideweg, in dezelfde richting rijdende fietser van achteren is genaderd en daarbij onvoldoende heeft gelet op de weg voor hem en/of op mogelijke weggebruikers die op de weg voor hem en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding met die eerder genoemde fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , te voorkomen, waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding is ontstaan tussen verdachtes motorrijtuig en die fietser, althans de door die fietser bestuurde fiets.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uur (te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de taakstraf niet -naar behoren- wordt uitgevoerd) en daarbij een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van een straf rekening te houden met het feit dat de verdachte ongeveer een week na het ongeval al contact heeft gelegd met de nabestaanden en dit contact nog steeds onderhoudt. Verder verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met het feit dat de verdachte zijn leven moet leiden met de wetenschap dat hij betrokken is geweest bij een dodelijk ongeval. Hij heeft nooit eerder een ongeval veroorzaakt met de zware machines waar hij reeds 25 jaar mee werkt. Tot slot wijst de verdediging op het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een schuldmisdrijf in het verkeer, met een vreselijk en onomkeerbaar gevolg, te weten het einde van het leven van de heer [slachtoffer] .

De familie van de heer [slachtoffer] heeft in een brief aan de rechtbank geschreven dat zij hard zijn getroffen door het verlies van hun man, vader en opa. Toch hebben zij in hun brief de rechtbank gevraagd de verdachte niet zwaar te straffen, omdat de verdachte zijn leven lang ermee om moet gaan dat hij iemand dood heeft gereden. Tot slot geven zij aan dat ze contact hebben met de verdachte, dat hij zijn spijt heeft betuigd, dat het hen allemaal zwaar valt en dat zij als nabestaanden ook met de verdachte te doen hebben.

Het begrip en de compassie die de nabestaanden tonen in hun brief zal hopelijk voor henzelf positieve invloed hebben op de verwerking van hun verlies, maar helpt ook de verdachte in het verwerken, het een plaats geven en het ‘dealen’ (zoals de nabestaanden aangeven) met het feit dat hij een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het verlies van een echtgenoot, vader of opa teniet kan doen. Maar de rechtbank realiseert zich ook dat geen enkele straf de verdachte meer zal straffen dan het leven met het feit dat hij degene is die verantwoordelijk is voor de dood van een echtgenoot, vader en opa op 8 november 2019.

De verdachte heeft schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een aanmerkelijke verkeersfout waardoor een ander is gedood geldt als uitgangspunt een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van één jaar.

De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ter terechtzitting is duidelijk gebleken dat de verdachte de laakbaarheid van zijn handelen inziet. De verdachte kampt met een groot schuldgevoel jegens de nabestaanden en wordt zichtbaar emotioneel wanneer over de bewuste dag en de toedracht van het ongeval wordt gesproken. De verdachte zal verder moeten leven met het gegeven dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen. De rechtbank zal rekening houden met het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

De rechtbank oordeelt dat het opleggen van een taakstraf voor de duur van 180 uur (te vervangen door 90 dagen hechtenis bij het niet -naar behoren- uitvoeren daarvan) en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden (met een proeftijd voor de duur van 2 jaar) recht doet aan zowel de ernst van de gedraging, aan de wens van de nabestaanden als aan de persoon van de verdachte. De rechtbank benadrukt dat de rijontzegging voorwaardelijk aan de verdachte zal worden opgelegd, nu de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als bestuurder van landbouwvoertuigen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.C. van de Winkel, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. V.P. van Deventer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2021.

mr. S.A.M.C. van de Winkel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

(primair)

hij op of omstreeks 8 november 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede rijdende over de weg, Laagheideweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorijtuig,
- terwijl dit voertuig was voorzien van een werktuig (maaiarm) dat niet conform de veiligheidsvoorschriften was bevestigd en/of het zicht (in ernstige mate) werd belemmerd door de maaikooi van het werktuig,
een voor hem, verdachte, op die Laagheideweg, in dezelfde richting rijdende fietser van achteren is genaderd en/of daarbij niet althans onvoldoende heeft gelet op de weg voor hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg voor hem en/of (vervolgens) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft verminderd en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding of botsing met die eerder genoemde fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , te voorkomen, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn , verdachtes, motorrijtuig en die fietser,
althans de door die fietser bestuurde fiets;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 november 2019 te America, in de gemeente Horst aan de Maas als bestuurder van een voertuig (land- of bosbouwtrekker), daarmee rijdende op de weg, Laagheideweg,
- terwijl dit voertuig was voorzien van een werktuig (maaiarm) dat niet conform de veiligheidsvoorschriften was bevestigd en/of het zicht (in ernstige mate) werd belemmerd door de maaikooi van het werktuig,
een voor hem, verdachte, op die Laagheideweg, in dezelfde richting rijdende fietser van achteren is genaderd en/of daarbij niet althans onvoldoende heeft gelet op de weg voor hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg voor hem en/of (vervolgens) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft verminderd en/of niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding of botsing met die eerder genoemde fietser te voorkomen, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die fietser, althans de door die fietser bestuurde fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg Dienst regionale operationele samenwerking (LB), afdeling infrastructuur (LB), team verkeer (LB), proces-verbaalnummer PL2300-2019176624-1, gesloten d.d. 29 juni 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 91.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 8 november 2019, pv-nr PL2300-2019176624-6, p. 70-74.

3 Proces-verbaal VOA, BVH-nr 2019176624-11, p. 9-46.

4 Proces-verbaal schouw, 8 november 2019, p. 43-46.

5 Schouwverslag, 9 november 2019, p. 48-50.