Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3839

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB/ROE 19/1719
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid een motorrijtuig te besturen. Zijn rijbewijs is geschorst tot de uitslag van het onderzoek. Verweerder heeft eiser terecht verplicht aan het hem opgelegde onderzoek mee te werken en was gehouden zijn rijbewijs te schorsen. Niet gebleken is dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin de gevolgen van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 onevenredig uitwerken en de Regeling daarom buiten toepassing moet blijven. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/1719

beslissing van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2019 heeft verweerder eiser verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid en de geldigheid van het rijbewijs geschorst tot de uitslag van het onderzoek.

Bij het thans bestreden besluit van 3 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt een zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven aan te geven of zij op een zitting gehoord willen worden. Partijen hebben aangegeven dat zij niet op een zitting gehoord willen worden. Deze uitspraak wordt daarom gedaan zonder dat een zitting is gehouden. Omdat het onderzoek nog niet is gesloten doet de rechtbank dat hierbij alsnog.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Op maandag 25 februari 2019, omstreeks 19.20 uur vond een verkeersongeval plaats tussen een personenauto en een bestelbus, waarbij beide voertuigen werden beschadigd. Eiser reed in een personenauto vanaf de Nieuwe Markt linksaf de Prins Hendrikstraat (gemeente Echt-Susteren) op en reed tegen een geparkeerd voertuig. Op

1 maart 2019 heeft eiser wederom een verkeersongeval veroorzaakt en heeft hij de plek van het ongeval verlaten. De politie heeft mededelingen als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw 1994) gedaan.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid en is de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst. Eiser heeft op 14 maart 2019 zijn rijbewijs ingeleverd.

4. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Eiser heeft betwist dat hij een black-out had. Hij heeft zijn telefoon in de auto laten vallen en wilde deze oprapen. Voorts betwist eiser dat hij psychiatrische problemen zou hebben en is hij van mening dat de politieagenten geen artsen zijn en op eigen terrein moeten blijven. Eiser heeft inmiddels een medische keuring gehad bij neuroloog Dellemijn. Voor deze keuring moest hij € 423,15 betalen hetgeen volgens eiser woekerbedragen zijn.

6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

7. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid geschiedt ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WvW 1994 in de bij de ministeriële Regeling (de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling)) bepaalde gevallen als een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, wordt gedaan en vloeit voort uit het in laatstgenoemde artikel vermelde vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van een motorrijtuig. Het vermoeden is gebaseerd op de wegraking/black-out, als bedoeld in artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling in verbinding met de bijlage onder B, onderdeel I, bij de Regeling.

8. De rechtbank overweegt dat in het stadium van een vorderingsprocedure slechts sprake dient te zijn van een vermoeden van ongeschiktheid. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:636). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de mededeling en de daaraan ten grondslag liggende stukken in redelijkheid het vermoeden mogen ontlenen dat eiser niet langer beschikt over de lichamelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Eiser heeft weliswaar bestreden dat sprake is geweest van een black-out, doch verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank mogen uitgaan van de hem toegestuurde mutatierapporten en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Daarin staat vermeld als verklaring van eiser dat hij een black-out heeft gehad.

Verweerder was verder gehouden de geldigheid van het rijbewijs van eiser te schorsen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat zowel de oplegging van het onderzoek als de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs dwingendrechtelijk zijn bepaald in de Regeling. Er is dus geen ruimte voor een belangenafweging op basis van de persoonlijke omstandigheden van eiser. Verder is niet gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken en de Regeling daarom buiten toepassing moet blijven.

9. De rechtbank stelt vast het onderzoek naar de geschiktheid inmiddels heeft plaatsgevonden. In het rapport van 13 mei 2019 heeft de keurend arts dr. P.L.I. Dellemijn geconcludeerd dat eiser maximaal drie jaar geschikt wordt geacht afhankelijk van een rijtest.

10. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 mei 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.