Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3801

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
C/03/277807 / HA ZA 20-254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening; dwingend bewijs van 157/158 Rv door gedaagde ontzenuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/277807 / HA ZA 20-254

Vonnis van 28 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.E. Cuppen,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [naam onderbewindgestelde],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.H.J.G. Borger.

Partijen zullen hierna “ [eiser] ”, “de bewindvoerder” en “ [naam onderbewindgestelde] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 mei 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [naam onderbewindgestelde] , met productie,

  • -

    de rolbeslissing van 8 juli 2020,

  • -

    het herstelexploot van betekening van 23 juli 2020 aan de Bewindvoerder van onder meer de dagvaarding van 4 mei 2020,

  • -

    het vonnis van 12 augustus 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 november 2020, met aangehecht de spreekaantekeningen van mr. Cuppen,

  • -

    de akte indienen producties van [eiser] , met producties,

  • -

    de akte uitlaten producties van de Bewindvoerder,

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [naam onderbewindgestelde] kennen elkaar ongeveer elf jaar. Zij troffen elkaar als vrienden regelmatig. In de periode rond het overlijden van de moeder had [eiser] veel steun aan [naam onderbewindgestelde] en intensiveerde hun contact. Tussen hen was ook sprake van seksueel contact.

2.2.

Uit bankafschriften van [eiser] blijkt dat hij in de tweede helft van 2013 door middel van tien overschrijvingen in totaal € 12.000,00 op de bankrekening van [naam onderbewindgestelde] bij Regiobank heeft gestort onder de vermelding “lening” of “lening aan [naam onderbewindgestelde] …” of “lening …. 28 sept ….” of “lening, 8 nov … cash terugbetalen” of zonder omschrijving.

2.3.

Op 28 april 2014 is bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [naam onderbewindgestelde] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, waarbij de Bewindvoerder benoemd is tot bewindvoerder.

2.4.

[naam onderbewindgestelde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd haar handschrift en haar hand- en/of ondertekening op een vijftal handgeschreven briefjes herkend. Deze briefjes luiden als volgt:

Productie 3 bij dagvaarding:

26-12-2015 december Maastricht

€70.000 via rek. nummer Rabo t.a.v. terugbetaling lening [naam onderbewindgestelde]

Aan dhr. [eiser] [woonplaats 1] 27-12-2015 € 10.000 contant in hand

w.g. [naam onderbewindgestelde]

Productie 4 bij dagvaarding:

€ 75.000 via Bank € 20.000 cash morgen 4-01-2016 terug lening betaling

w.g. [naam onderbewindgestelde]

Productie 8 bij dagvaarding:

4 juni 2016 = Heer =

Terugbetaalde lening € 80.000 [eiser] [woonplaats 1] [naam onderbewindgestelde] [woonplaats 2]

5 juni betaalde lening terug anders wordt 6 juni aangifte gedaan

w.g. [naam onderbewindgestelde]

Productie 9 bij dagvaarding:

7-aug-2016 Maastricht

Hierbij dezen verklaar ik [naam onderbewindgestelde] geld geleend te hebben bij [eiser]

De Heer [eiser] krijgt zijn geleende geld € 70.000 via Bank deze week terug 11-08-2016

w.g. [naam onderbewindgestelde]

Productie 12 bij dagvaarding:

Terug 68/69.000 betaling lening 2012 t/m 2018 en dat geld moet terug + rente =
€ 96.000 1 januarie 2019

w.g. [naam onderbewindgestelde]

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van een bedrag van € 86.599,30 aan [eiser] vermeerderd met rente met veroordeling van de bewindvoerder in de (na)kosten van het geding.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat hij op haar verzoek sinds 2013 geld heeft geleend aan [naam onderbewindgestelde] . Hij stelt dat hij zowel per bank geld heeft overgemaakt als dat hij [naam onderbewindgestelde] geld contant heeft gegeven. [eiser] stelt dat de overeenkomst van geldlening blijkt uit de bankafschriften en de handgeschreven briefjes, die volgens hem als schuldbekentenissen hebben te gelden. [eiser] erkent dat er van de contante betalingen geen getuigen zijn. [eiser] ontkent voorts dat hij betaald heeft voor seksuele diensten van [naam onderbewindgestelde] . Hij stelt dat die dienstverlening een bonus was voor het feit dat hij [naam onderbewindgestelde] geld leende.

3.3.

De Bewindvoerder sluit zich aan bij het verweer dat namens [naam onderbewindgestelde] bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling is gevoerd.

[naam onderbewindgestelde] ontkent dat zij een bedrag van € 80.000,00 van [eiser] heeft geleend per bank of contant. Vanaf april 2014 was [naam onderbewindgestelde] onder bewind gesteld. Zij was verslaafd, het ging niet goed met haar en ook haar financiële situatie was belabberd. [naam onderbewindgestelde] stelt dat zij seksuele diensten verrichtte en dat [eiser] haar daarvoor betaalde. [eiser] dwong haar talloze briefjes te ondertekenen, waarvan zij niet begreep wat dat betekende. [eiser] maakte misbruik van haar situatie, stelt [naam onderbewindgestelde] . Zij kreeg ook wel eens geld van hem toegestopt voor boodschappen of benzine. [naam onderbewindgestelde] stelt dat uit de bankafschriften niet onomstotelijk blijkt dat [eiser] geld aan haar heeft geleend. De handgeschreven overzichten van contante betalingen zijn voorts niet te verifiëren. De zogenoemde schuldbekentenissen zijn niet alleen onder dwang getekend, maar het is, volgens [naam onderbewindgestelde] , bovendien volstrekt onduidelijk welk bedrag er dan verschuldigd zou zijn. Een deel van de beweerdelijke vordering is volgens [naam onderbewindgestelde] in ieder geval verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of [eiser] aan [naam onderbewindgestelde] geld heeft geleend en, in geval van een positief antwoord, of [naam onderbewindgestelde] dit bedrag aan hem dient terug te betalen. Voor de beoordeling van deze vraag zal de rechtbank de periode, waarover [eiser] stelt geld aan [naam onderbewindgestelde] te hebben geleend, in twee delen opsplitsen. De rechtbank maakt onderscheid tussen de periode waarover bankafschriften beschikbaar zijn, te weten de periode tussen 17 juli 2013 en 16 december 2013 en de periode waarover deze niet beschikbaar zijn, de periode na 16 december 2013.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat [naam onderbewindgestelde] niet heeft betwist dat de bankrekening waar [eiser] bedragen onder de vermelding “lening“ naar overmaakte haar bankrekening betrof. Dat er sprake was van een overeenkomst van geldlening tussen [eiser] en [naam onderbewindgestelde] staat op grond hiervan voor de rechtbank voldoende vast. [naam onderbewindgestelde] heeft bovendien niet gesteld dat zij die bedragen, die opgeteld neerkomen op een bedrag van € 12.000,00, ooit aan [eiser] heeft terugbetaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [naam onderbewindgestelde] in beginsel
€ 12.000,00 uit hoofde van geldlening aan [eiser] dient terug te betalen.

4.3.

Voor de periode na 16 december 2013 geldt dat ter zitting door [naam onderbewindgestelde] is aangegeven dat zij verschillende van de door [eiser] in geding gebrachte briefjes heeft geschreven en heeft ondertekend. In de onder rechtsoverweging 2.4 van dit vonnis vermelde briefjes staat vermeld dat [naam onderbewindgestelde] erkent een bedrag tussen € 68.000,00 en € 80.000,00 in hoofdsom aan [eiser] verschuldigd te zijn, een en ander vermeerderd met rente. In beginsel leveren deze briefjes, die [eiser] bestempelt als schuldbekentenissen, op grond van artikel 157 jo. 158 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) dwingend bewijs op van de juistheid van de daarin door [naam onderbewindgestelde] gedane verklaringen, te weten het bestaan van een vordering van [eiser] uit hoofde van een overeenkomst van geldlening op [naam onderbewindgestelde] van inclusief rente € 90.000,00. Ook een eenzijdige verklaring met betrekking tot het voldoen van een geldsom valt onder het bereik van artikel 157 lid 2 Rv, nu [naam onderbewindgestelde] immers heeft erkend de briefjes in het geheel met de hand te hebben geschreven. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv komt [naam onderbewindgestelde] vervolgens de mogelijkheid toe om daartegen tegenbewijs te leveren. Dat is niet het leveren van bewijs van het tegendeel. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door de andere partij, [eiser] , geleverde bewijs daardoor wordt ontzenuwd (HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468).

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van [naam onderbewindgestelde] het door [eiser] geleverde bewijs ontzenuwen. De stellingen van [naam onderbewindgestelde] , inhoudende dat (a) het geld een betaling vormde voor verleende seksuele diensten en (b) de briefjes onder dwang zijn ondertekend, zijn door [eiser] onvoldoende zijn weersproken. In algemene zin geldt dat [eiser] erkent, althans onvoldoende weersproken heeft dat [naam onderbewindgestelde] destijds verslaafd was, dat het niet goed met haar ging en dat hij daarvan op de hoogte was. Daar komt bij dat [eiser] onvoldoende weersproken heeft dat het geld een betaling voor door [naam onderbewindgestelde] verleende seksuele diensten vormde. De rechtbank betrekt daarbij dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat hij seks met [naam onderbewindgestelde] heeft gehad. Dat [naam onderbewindgestelde] geld nodig zou hebben gehad voor het mijnen van cryptomunten en dat de seksuele dienstverlening alleen een ‘bonus’ was, zoals [eiser] aangevoerd heeft, is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de omstandigheden waarin [naam onderbewindgestelde] destijds verkeerde, ongeloofwaardig. De rechtbank kan thans niet onomstotelijk vaststellen dat sprake is geweest van dwang bij het opstellen en ondertekenen van de briefjes door [naam onderbewindgestelde] . Het is voor de rechtbank echter wel voldoende aannemelijk geworden dat [naam onderbewindgestelde] de briefjes niet uit eigen beweging of in vrijheid opstelde en ondertekende. De dreiging dat [eiser] aangifte zou doen, welke dreiging uit verschillende andere beweerdelijk door [naam onderbewindgestelde] ondertekende briefjes blijkt, bevestigt dit beeld. [eiser] maakte naar het oordeel van de rechtbank gebruik van de instabiele persoonlijke en financiële situatie van [naam onderbewindgestelde] door haar dergelijke briefjes te laten schrijven en te laten ondertekenen. Daar komt bij dat de teksten van en de genoemde bedragen in de briefjes warrig en te weinig coherent zijn om daaraan enerzijds de conclusie te verbinden dat [naam onderbewindgestelde] op dat moment begreep wat zij opschreef, en anderzijds dat het zou gaan om, uiteindelijk, een bedrag van € 90.000,00. Aan de handgeschreven overzichten van [eiser] over de bij wijze van lening aan [naam onderbewindgestelde] contant betaalde bedragen hecht de rechtbank geen waarde, omdat [naam onderbewindgestelde] deze overzichten enerzijds betwist en anderzijds omdat er geen enkele andere verfeitelijking (bijvoorbeeld in de vorm van bewijs van door [eiser] gedane kasopnames) is gegeven. Het feit dat de toenmalige echtgenote van [eiser] thuis was en aangegeven heeft dat [naam onderbewindgestelde] aan de deur kwam, maar dat zij er nooit bij was wanneer [eiser] haar beweerdelijk contanten overhandigde, draagt aan de benodigde concretisering in ieder geval niet bij.

Kortom: de rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat in de periode na
16 december 2013 door [eiser] enig bedrag aan [naam onderbewindgestelde] in contanten is uitgeleend. In zoverre wijst de rechtbank de vordering van [eiser] af.

4.5.

Met betrekking tot de vordering die [eiser] wel op [naam onderbewindgestelde] heeft, waarover hiervoor onder rechtsoverweging 4.2 van dit vonnis, beroept [naam onderbewindgestelde] zich op verjaring.

4.6.

De verjaringstermijn van een vordering uit hoofde van een overeenkomst van geldlening is vijf jaar. De verjaringstermijn vangt aan op het moment van opeisbaarheid en niet, zoals [naam onderbewindgestelde] ten onrechte stelt, op het moment van het uitlenen van het geld. In het onderhavige geval staat vast, althans geen van de partijen heeft anders gesteld, dat [eiser] met [naam onderbewindgestelde] geen termijn van terugbetaling is overeengekomen. Op grond van artikel 7:129e BW ontstaat de opeisbaarheid van de vordering op het tijdstip dat zes weken zijn verstreken, nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat [eiser] [naam onderbewindgestelde] op een eerder moment dan bij het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak heeft aangesproken tot terugbetaling van de bedragen die voor 16 december 2013 zijn uitgeleend. Daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de termijn van vijf jaren nog niet is verstreken. De vordering is derhalve niet verjaard.

4.7.

De Bewindvoerder moet als de deels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op:
- exploot van dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat € 1.206,00 (2 punt x tarief € 603,00)

Totaal € 2.243,89.

4.8.

De rente en nakosten zullen worden toegewezen als vermeld in het dictum.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van een bedrag van € 12.000,00 aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling,

5.2.

veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.243,89, vermeerderd met de kosten van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bewindvoerder niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: