Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3800

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
C/03/278647 / HA ZA 20-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of gedaagde door in 2019 een procedure te starten tegen haar schoonvader over een vermeend recht van overpad onrechtmatig heeft gehandeld – meer in het bijzonder misbruik heeft gemaakt van haar procesrecht – jegens haar schoonvader waardoor hij schade geleden heeft. De rechtbank is van oordeel dat van onrechtmatig handelen jegens haar schoonvader geen sprake is. Ook is het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde gedraging van gedaagde en de gestelde schade niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/278647 / HA ZA 20-288

Vonnis bij vervroeging van 28 april 2021

in de zaak van

[eiser]
in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair in de nalatenschap van
[erflater],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. T.G.M. Scheers te Herten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.E. Sprenkels te Maastricht.

Partijen worden hierna genoemd [eiser] en [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met twaalf producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de dagbepaling van de mondelinge behandeling;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 april 2021, met daaraan

gehecht de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is executeur-testamentair in de nalatenschap van de heer
[erflater] , verder te noemen [erflater] .

2.2.

[gedaagde] was getrouwd met de in 2001 overleden zoon van [erflater] .

2.3.

Bij akte van 19 mei 1995 is door [erflater] aan de zoon van [erflater] en [gedaagde] geleverd een deel van het voormalige perceel met bebouwingen, [kadasternummer 1] , dat thans het nummer sectie [kadasternummer 2] heeft, gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats 2] . [erflater] bleef zelf eigenaar van [kadasternummer 3] , gelegen aan de [adres 3] te [woonplaats 2] .

2.4.

Op het perceel dat eigendom is geworden van de zoon van [erflater] en [gedaagde] , bevinden zich een bergruimte en een garage. Toegang tot de berging is enkel mogelijk via de binnenplaats van [adres 3] , dus via het perceel van [erflater] . Toegang tot de garage via de garagepoort is eveneens slechts mogelijk via de binnenplaats. De garage is daarnaast inpandig middels een deur bereikbaar via [adres 2] .

2.5.

[erflater] is na de eigendomsoverdracht gebruik blijven maken van de garage en de berging. Nadat [erflater] naar een verzorgingstehuis verhuisde, is begin juni 2018 besloten zijn pand aan de [adres 3] te [woonplaats 2] te verkopen.

2.6.

Op 12 oktober 2018 is een bod van € 299.000,00 op de woning uitgebracht onder voorbehoud van financiering en een bouwkundig rapport.

2.7.

[gedaagde] heeft in 2019 een procedure tegen [erflater] gevoerd onder meer om voor recht te laten verklaren dat ten gunste van haar een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan over het perceel van [erflater] (via de binnenplaats) van en naar de garage en de berging, althans om een noodweg over het perceel van [erflater] aan te laten wijzen. Die vorderingen zijn bij vonnis van deze rechtbank van 16 oktober 2019 afgewezen.

2.8.

In maart 2020 is de woning van [erflater] verkocht voor een bedrag van

€ 250.000,00. [erflater] is op [overlijdensdatum] overleden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater] en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de aldus door de nalatenschap van [erflater] geleden schade;

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van [erflater] van

€ 55.522,00 ter zake de geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, althans de schade op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de Wet;

3. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [erflater] door een procedure tegen hem te starten waarin zij aanspraak maakte op een recht van overpad, terwijl zij van tevoren wist dat zij geen recht van overpad had. Zij heeft daarmee misbruik gemaakt van haar procesrecht. Hij stelt dat de boedel hierdoor schade heeft geleden. De toenmalige koper die € 299.000,00 voor de woning van vader bood, is hierdoor namelijk afgehaakt. De woning kon door de procedure pas twee jaar later worden verkocht en heeft toen slechts € 250.000,00 opgeleverd. Het verschil van € 49.000,00 vordert [eiser] nu als schade van [gedaagde] naast vertragingskosten van € 6.522,00 vanwege de latere verkoop.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Zij betwist het gestelde misbruik van procesrecht. Ook betwist zij dat de koper is afgehaakt vanwege de procedure die werd gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] door in 2019 een procedure te starten tegen [erflater] over een vermeend recht van overpad onrechtmatig heeft gehandeld – meer in het bijzonder misbruik heeft gemaakt van haar procesrecht – jegens [erflater] waardoor hij schade geleden heeft.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatig handelen door [gedaagde] jegens [erflater] en evenmin van een causaal verband tussen het gestelde handelen van [gedaagde] en de gestelde schade. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Volgens de Hoge Raad is van misbruik van procesrecht sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 06-04-2012, ECLI:NL:HR:2012: BV7828).

Dat [gedaagde] een procedure verliest, betekent nog niet dat zij misbruik van procesrecht heeft gemaakt door die procedure te starten. Het ging in dit geval om een berging en een garage(poort) die alleen toegankelijk waren via het perceel van [erflater] . [gedaagde] had de overtuiging dat er door verjaring een recht van erfdienstbaarheid van weg was ontstaan en dat zij dit ook zou kunnen bewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] er een gerechtvaardigd belang bij om dit aan de rechter ter toetsing voor te leggen. Daarbij komt dat de procedure die zij voerde niet alleen handelde over het recht van erfdienstbaarheid maar ook over sloten die Hoogenboom blijkens de uitspraak onrechtmatig aan de deuren van haar garage en bergruimte had aangebracht. Ook dat maakt dat zij een gerechtvaardigd belang had bij het voeren van een procedure zoals zij heeft gedaan. Van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [erflater] door het voeren van die procedure is dan ook geen sprake. De vordering wordt alleen al daarom afgewezen.

4.4.

Ten overvloede overweegt de rechtbank met betrekking tot de gestelde causaliteit tussen het handelen van [gedaagde] en de schade nog het volgende. [eiser] onderbouwt zijn stelling dat de aspirant-koper is afgehaakt omdat deze een mogelijk langdurige procedure tussen [erflater] en [gedaagde] over het door [gedaagde] gestelde recht van overpad niet wilde afwachten, alleen met een e-mailbericht van 12 oktober 2018 van de aspirant-koper (overgelegd als productie 2 bij dagvaarding). Hierin doet de koper echter alleen een bod onder voorbehoud van financiering en een bouwkundig rapport. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de aspirant-koper van de koop heeft afgezien vanwege de perikelen rondom het vermeende recht van overpad.

[eiser] had, mede in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] bij conclusie van antwoord, zijn stelling nader moeten toelichten en onderbouwen. Dat heeft hij echter nagelaten. Ook op de mondelinge behandeling is hij hierop niet meer ingegaan. Het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde gedraging van [gedaagde] en de gestelde schade is daardoor niet komen vast te staan. Ook om die reden is de vordering niet toewijsbaar.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 937,00

- salaris advocaat 2.228,00 (2 punten × tarief € 1.114,00)

Totaal € 3.165,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.165,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.1

1 type: TN