Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3796

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
03/659302-16, 03/721252-16, 03/659053-19 en 03/661106-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor bedreigingen (waaronder het met een vuurwapen schieten op een woning) en voor het uitoefenen van dwang, vrijheidsberoving, mishandeling, vernieling, wapenbezit, diefstal van elektriciteit en het bezit van softdrugs.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03/659302-16, 03/721252-16 (ttz gev), 03/659053-19 (ttz gev) en 03/661106-17 (ttz gev)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 april 2021. De verdachte is, in tegenstelling tot bij eerdere zittingen, niet verschenen. Wel verschenen is zijn raadsman, die aangegeven heeft voor de inhoudelijke zitting gemachtigd te zijn. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 03/659302-16:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] met voorbedachten rade te doden door met een vuurwapen op de woning te schieten waarin [slachtoffer] zich op dat moment bevond. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een bedreiging;

feit 2: [slachtoffer] via een sms-bericht heeft bedreigd;

feit 3: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 03/721252-16:

feit 1: alleen dan wel samen met een ander of anderen, een kwekerij met

188 hennepstekken voorhanden heeft gehad;

feit 2: elektriciteit heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 03/659053-19:

feit 1: zijn moeder en stiefvader heeft gedwongen tot de afgifte van € 1.000,00. Dit is primair ten laste gelegd als afpersing en subsidiair als het uitoefenen van dwang;

feit 2: zijn moeder en stiefvader meermalen van hun vrijheid heeft beroofd (primair), dan wel dwang op hen heeft uitgeoefend (subsidiair);

feit 3: zijn moeder en stiefvader heeft gedwongen om hun huis in de verkoop te zetten;

feit 4: zijn moeder en stiefvader heeft bedreigd;

feit 5: zijn moeder en stiefvader meermalen heeft mishandeld;

feit 6: de bril en telefoon van zijn stiefvader heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 03/661106-17:

feit 1: 37,38 gram (netto) hasjiesj aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 03/659302-16:

De officier van justitie acht alle drie de feiten bewezen, gelet op de inhoud van het procesdossier en de bekennende verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen. Voor het primair en subsidiair ten laste gelegde moet vrijspraak volgen omdat er door het handelen van verdachte geen aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] zou overlijden of zwaar gewond zou raken.

in de zaak met parketnummer 03/721252-16:

De officier van justitie acht beide feiten bewezen, gelet op de inhoud van het procesdossier en de bekennende verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd.

in de zaak met parketnummer 03/659053-19:

De officier van justitie acht feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen op grond van de verklaringen die de moeder en stiefvader van de verdachte hebben afgelegd. De verklaringen komen grotendeels met elkaar overeen en het dossier bevat steunbewijs voor de verklaringen van beiden. De officier van justitie ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen te twijfelen.

Voor feit 3 moet volgens de officier van justitie vrijspraak volgen, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte dwang heeft uitgeoefend op de wijze zoals dit in de tenlastelegging vermeld staat.

in de zaak met parketnummer 03/661106-17:

De officier van justitie acht het feit bewezen op grond van de inhoud van het procesdossier en de bekennende verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten onder parketnummers 03/659302-16, 03/721252-16 en 03/661106-17 bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/659302-16 is de raadsman met de officier van justitie van oordeel dat vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder parketnummer 03/659053-19 ten laste gelegde feiten. Voor deze feiten ontbreekt het aan voldoende wettig én overtuigend bewijs. De verklaringen die de moeder en stiefvader van de verdachte hebben afgelegd, zijn inconsistent en mede daardoor ook onbetrouwbaar. Daarbij ontkent verdachte deze feiten.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de onder parketnummer 03/659302-16, 03/721252-16 en 03/661106-17 ten laste gelegde feiten zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit.

in de zaak met parketnummer 03/659302-16 1

De rechtbank acht feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 bewezen op grond van:

- het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 28 augustus 2016;2

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 15 augustus 2016;3

- de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 15 augustus 2016;4

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2016;5

- het proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 15 augustus 2016;6

- het proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 16 augustus 2016.7

Bewijsoverweging: vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Gelet op het tijdstip waarop de verdachte op de woning van [slachtoffer] heeft geschoten (midden in de nacht), de plek waar geschoten is (door de voordeur en door het woonkamerraam) en het ontbreken van aanwijzingen dat de verdachte wist dat [slachtoffer] zich op dat moment in de woning bevond, kan niet vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] gedood zou worden of dat hij zwaar gewond zou raken door het handelen van verdachte. Het met een vuurwapen schieten op de woning waar [slachtoffer] in die periode verbleef levert naar het oordeel van de rechtbank wel een bedreiging op, zodat de rechtbank het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen acht.

in de zaak met parketnummer 03/721252-16 8

De rechtbank acht beide feiten bewezen op grond van:

- het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 16 augustus 2016;9

- het proces-verbaal van aangifte namens [benadeelde] d.d. 18 augustus 2016;10

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 augustus 2016.11

Bewijsoverweging: partiële vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte feit 1 samen met een of meer andere(n) heeft gepleegd. De moeder, stiefvader en toenmalige vriendin van de verdachte ontkennen betrokkenheid bij de hennepkwekerij en het enkele feit dat het gezin over grote financiële middelen beschikte, is onvoldoende om te concluderen dat zij de hennepkwekerij samen met de verdachte geëxploiteerd moeten hebben. Dit betekent dat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

in de zaak met parketnummer 03/661106-17 12

De rechtbank acht het feit bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] d.d. 9 mei 2017;13

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2017;14

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 mei 2017.15

in de zaak met parketnummer 03/659053-19 16

Bewijsmiddelen

Op 2 december 2019 meldde [moeder verdachte] zich op het politiebureau in Weert om aangifte te doen tegen haar zoon, de verdachte. [moeder verdachte] verklaart in haar aangifte dat zij en haar man, [naam stiefvader] (de stiefvader van de verdachte, hierna aangeduid als [naam stiefvader] ), altijd naar de verdachte moeten luisteren en dat hij ook geld van hen eist. Als ze niet naar de verdachte luisteren, dan volgen er klappen. Ook scheldt hij hen uit. Afgelopen vrijdag heeft de verdachte met zijn vuist de kaak van [moeder verdachte] omhoog geslagen. Met één hand pakte hij haar kin vast en van zijn andere hand maakte hij een vuist, waarmee hij tegen haar kaak sloeg.17 Dit heeft de verdachte eerder ook al een paar keer gedaan bij [naam stiefvader] . De verdachte duwt ook wel eens zijn vingers in de neus van [naam stiefvader] .18 Op 23 november 2019 heeft de verdachte een slagersmes op tafel gelegd. Hij zei dat hij met dit mes de kelen van hen zou doorsnijden en dat hij hun koppen op de autobaan zou gooien. [moeder verdachte] acht haar zoon in staat om hen echt van het leven te beroven. [moeder verdachte] beschrijft dat ze heel erg bang is voor de verdachte en dat het geen houdbare situatie meer is. Daarom heeft zij besloten aangifte te doen.19

Verbalisant [naam 2] heeft de aangifte van [moeder verdachte] opgenomen. [naam 2] beschrijft dat [moeder verdachte] ontdaan overkwam en dat zij af en toe moest huilen. [moeder verdachte] verklaarde dat zij om kwart voor één naar de verdachte moest om hem € 1.000,00 te geven. De verdachte had dit geld nodig en [moeder verdachte] verklaarde met trillende stem dat zij bang was voor de gevolgen als ze het geldbedrag niet op tijd naar hem toe zou brengen. Tijdens het doen van aangifte is [moeder verdachte] dan ook naar haar zoon gegaan om de € 1.000,00 te geven. Daarna is [moeder verdachte] teruggekomen om de aangifte af te maken.20 [moeder verdachte] verklaarde dat de verdachte op 29 november 2019 al vroeg om het geldbedrag van € 1.000,00. De verdachte zei “Ik moet die 1000 euro hebben, hoe jullie daar aan komen is mij egaal” en hij dwong [moeder verdachte] om op de stoel in de keuken te blijven zitten. [moeder verdachte] mocht niet opstaan, ook niet om naar het toilet te gaan. De verdachte zei “Daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf”. [moeder verdachte] heeft vervolgens met [naam stiefvader] afgesproken dat zij het geldbedrag van € 1.000,00 zouden lenen van familie om dit geldbedrag aan de verdachte te kunnen geven.21

Tijdens het doen van aangifte op 2 december 2019 belde de verdachte naar [moeder verdachte] (de verbalisant was toen kort afwezig). De maatschappelijk werkster die [moeder verdachte] bij de aangifte ondersteunde, verklaarde dat zij dit telefoongesprek – dat [moeder verdachte] op de speaker had gezet – had meegeluisterd. De verdachte was tijdens het telefoongesprek alleen maar aan het schelden en schreeuwen en hij zei dingen zoals “godverdomme, heb je die 1000 euro nu al” en “zo kom ik te laat trut”.22

[moeder verdachte] heeft verder verklaard dat de verdachte op vrijdag 29 november 2019 de bril van het hoofd van [naam stiefvader] heeft geslagen, waarna de bril op de grond viel en de verdachte de bril kapot trapte. Toen [naam stiefvader] de politie wilde bellen, pakte de verdachte de telefoon van [naam stiefvader] af en gooide hij de telefoon op de slaapkamervloer kapot.23 Diezelfde dag heeft de verdachte een zware aansteker naar het hoofd van [moeder verdachte] gegooid. [moeder verdachte] had deze aansteker afgeweerd, waarna de aansteker op haar linker pols belandde. Hierdoor is er een verdikking ontstaan op de pols. De dag ervoor had de verdachte [moeder verdachte] ook al uit zijn huis getrokken, waardoor [moeder verdachte] een blauwe plek op haar linker bovenarm opliep.24

Verbalisant [naam 2] beschrijft dat zij de verdikking op de pols en een rode vlek heeft gezien.25 Op 3 december 2019 heeft [moeder verdachte] de huisarts bezocht in verband met de mishandeling door haar zoon. De huisarts beschrijft dat [moeder verdachte] klaagde over kaakklachten na een klap tegen haar kaak/kin en dat er sprake was van haematomen (blauwe plekken) op de linker pols/onderarm en linker bovenarm, dat de pols en onderarm gekneusd waren en dat zij een schaafwond op haar linkerarm had.26

[moeder verdachte] is na het doen van aangifte nog meerdere keren gehoord. Zo heeft zij verklaard dat zij ook een keer heeft gezien dat de verdachte heeft geprobeerd [naam stiefvader] te wurgen. [moeder verdachte] is toen tussen beiden gesprongen.27 De verdachte heeft [naam stiefvader] ook wel eens omver geslagen op de binnenplaats, waardoor [naam stiefvader] op de grond viel.28 Ook moesten [moeder verdachte] en [naam stiefvader] vaker van de verdachte op een stoel in de keuken gaan zitten. Ze mochten dan niet van de stoel afkomen en moesten luisteren naar wat de verdachte te vertellen had. Als [moeder verdachte] probeerde om op te staan, duwde de verdachte haar terug op de stoel en trok hij aan haar haren. Ook trok hij aan haar oorlel.29 De fysieke en psychische mishandelingen zijn volgens [moeder verdachte] rond 2017 begonnen.30

Ook [naam stiefvader] heeft aangifte gedaan tegen de verdachte. [naam stiefvader] verklaart heel bang te zijn voor de verdachte. De verdachte vroeg steeds vaker om geld. Hij deed dit op een zeer luide en dwingende toon en dreigde [naam stiefvader] te slaan als hij geen geld kreeg. Dit gebeurde iedere dag en zorgde voor veel angst bij [naam stiefvader] . [naam stiefvader] verklaart dat de verdachte in 2018 wederom geld wilde en dat hij toen zo boos werd dat hij [naam stiefvader] op de binnenplaats met beide handen, met kracht, tegen zijn borstkas duwde, waardoor [naam stiefvader] viel en met zijn hoofd op de grond terecht kwam. De verdachte heeft [naam stiefvader] wel vaker op de binnenplaats geslagen. In februari 2019 heeft de verdachte geprobeerd om [naam stiefvader] te wurgen. Dit gebeurde nadat de verdachte wederom om geld had gevraagd. Hij kneep de keel van [naam stiefvader] dicht en stopte pas nadat [moeder verdachte] tussen beiden kwam. De verdachte heeft [naam stiefvader] ook vaker geslagen. Ook pakte de verdachte hem wel eens bij zijn kaak vast.31

Op vrijdag 29 november 2019 was de verdachte weer erg agressief. Hij wilde € 1.000,00 hebben. [naam stiefvader] heeft dit geld geleend van zijn broer, zodat [moeder verdachte] het geld aan de verdachte kon geven. Diezelfde dag heeft de verdachte de bril van zijn gezicht geslagen en vervolgens de bril kapot getrapt. Toen [naam stiefvader] de politie wilde bellen, pakte de verdachte de telefoon af door de arm van [naam stiefvader] om te draaien, en gooide hij de telefoon op de grond kapot.32 De politie heeft foto’s gemaakt van de kapotte telefoon en bril.33

De verdachte heeft ook een aansteker naar [moeder verdachte] gegooid. [moeder verdachte] had hierdoor een dikke arm en heeft de dokter bezocht. 34 [naam stiefvader] heeft verder verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte samen met [moeder verdachte] in de keuken zat en dat er een vleesmes op tafel lag. De verdachte zei dat hij met het mes zou steken en dat hij hun koppen eraf zou snijden en op de snelweg zou gooien.35

[naam stiefvader] en [moeder verdachte] moesten ook wel eens van de verdachte op bepaalde plekken blijven zitten. Hij duwde hen dan op de plek waar ze moesten gaan zitten en ze mochten niet opstaan totdat de verdachte uitgepraat was.36

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat de verdachte gedurende een lange periode niet alleen enorme psychische druk heeft uitgeoefend op [moeder verdachte] en [naam stiefvader] , maar dat hij dit ook fysiek en verbaal heeft geuit door hen te mishandelen en te bedreigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan naar dagelijks taalgebruik wel gezegd worden dat de verdachte zijn moeder en stiefvader terroriseerde. Het handelen van de verdachte levert een bewezenverklaring op van feit 1 subsidiair (uitoefenen van dwang), feit 2 primair (vrijheidsberoving) en de feiten 4 tot en met 6 bedreiging, mishandeling en vernieling). De rechtbank overweegt daarover in het bijzonder het volgende.

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [moeder verdachte] en [naam stiefvader] te twijfelen. De verklaringen van [moeder verdachte] en [naam stiefvader] stemmen namelijk in grote lijnen met elkaar overeen en hun verklaringen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen die hiervoor zijn weergegeven. Dat [moeder verdachte] en [naam stiefvader] niet tijdens elk verhoor exact hetzelfde hebben verklaard, maakt hun verklaringen niet onbetrouwbaar. Hun verklaringen zijn in grote lijnen consistent, zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van andere verhoren die zij zelf hebben afgelegd. Dat zij niet beiden elke handeling van de verdachte hebben waargenomen, staat evenmin aan een bewezenverklaring in de weg. Los van het steunbewijs dat uit de bewijsmiddelen volgt, geldt immers dat niet ieder onderdeel van een tenlastelegging door twee bewijsmiddelen hoeft te worden belegd.

Van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, de afpersing, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk niet dat de verdachte geweld heeft gebruikt of heeft gedreigd met geweld teneinde het geldbedrag van € 1.000,00 te ontvangen, zodat juridisch gezien geen sprake is van afpersing. Wel volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend op [moeder verdachte] en [naam stiefvader] dat zij zich gedwongen voelden om het geldbedrag aan de verdachte af te staan. Dit levert een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde op.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen die onder feit 2 ten laste zijn gelegd en die de rechtbank bewezen acht, een wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren van [moeder verdachte] en [naam stiefvader] , mede in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen die hierboven zijn weergegeven. Uit de verklaringen van [moeder verdachte] en [naam stiefvader] blijkt namelijk dat de verdachte hen meermalen heeft gedwongen om op een stoel te gaan en blijven zitten. Indien zij probeerden op te staan, werden bedreigingen richting hen geuit of dwong de verdachte hen fysiek om op de stoel te blijven zitten, door hen terug te duwen. Onder die omstandigheden en in de gehele context bezien, is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De relatief korte duur van de daadwerkelijke vrijheidsberoving maakt dit niet anders.

Vrijspraak feit 3

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Zowel [moeder verdachte] als [naam stiefvader] hebben weliswaar verklaard dat zij zich door de verdachte gedwongen voelden om hun huis te verkopen, maar uit het procesdossier volgt niet dat de verdachte deze dwang uitoefende door de handelingen die in de tenlastelegging staan opgesomd. Om die reden moet de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 03/659302-16:

1 meer subsidiair: op 15 augustus 2016 in de gemeente Weert [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen vanaf de openbare weg met een vuurwapen gericht op een woning, gelegen aan de [adres 1] , geschoten;

2. in de periode 14 augustus 2016 tot en met 15 augustus 2016 in de gemeente Weert

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend middels een sms-bericht de woorden toegevoegd: "Ik weet wat je doet. Ik zorg er voor dat jouw moeder jou naar Marokko stuurt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. op 15 augustus 2016 in de gemeente Weert een wapen van categorie III, te weten CZ-75, en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 03/721252-16:

1. op 16 augustus 2016 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] ongeveer 188 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. in de periode 1 februari 2016 tot en met 16 augustus 2016 in de gemeente Weert met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

in de zaak met parketnummer 03/659053-19:

1 subsidiair: in de periode van 29 november 2019 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, anderen, te weten [moeder verdachte] en [naam stiefvader] , door feitelijkheden gericht tegen die anderen wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het afgeven van 1000 euro, toebehorende aan voornoemde [moeder verdachte] en [naam stiefvader] , door:

- voornoemde [moeder verdachte] te verplichten op een stoel te gaan zitten, welke zij niet mocht verlaten zonder toestemming van verdachte en daarbij dreigend en agressief voornoemde [moeder verdachte] toe te voegen: ‘daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf’ en “ik moet 1000 euro hebben, hoe jullie daar aan komen is mij egaal”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, zulks terwijl hij, verdachte, een dreigende lichaamshouding aan nam en

- voornoemde [moeder verdachte] te bellen en te schreeuwen: “godverdomme, heb je die 1000 euro nou al” en “zo kom ik te laat trut”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2. in de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, opzettelijk [moeder verdachte] en [naam stiefvader] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd in hun woning, gelegen aan de [adres 2] , immers heeft hij, verdachte, meermalen

- die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] gedwongen om op een stoel te zitten en/of op een stoel gezet en

- die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] dreigend de woorden toegevoegd “daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij hij, verdachte, een dreigende houding heeft aangenomen en

- die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] verboden om naar het toilet te gaan en

- die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] belet om op te staan, door die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] terug op de stoel te duwen en/of trekken als zij op probeerden te staan;

4. in de periode van 23 november 2019 tot en met 29 november 2019 in de gemeente Weert, [moeder verdachte] en [naam stiefvader] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een mes aan voornoemde [moeder verdachte] te tonen en dit mes op de tafel voor voornoemde [moeder verdachte] te leggen en daarbij die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, de koppen van die [moeder verdachte] en [naam stiefvader] eraf zou snijden en op de autobaan/snelweg zou gooien, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

5. in de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, zijn moeder, [moeder verdachte] en [naam stiefvader] meermalen heeft mishandeld door voornoemde [moeder verdachte] en [naam stiefvader] te slaan tegen de kaak en hardhandig bij de kaak vast te pakken en een arm van [naam stiefvader] om te draaien en aan de haren van [moeder verdachte] te trekken en zijn, verdachtes, vingers in de neus van die [naam stiefvader] te steken en die [naam stiefvader] stevig bij de keel te pakken en de keel dicht te knijpen en een aansteker tegen een arm van genoemde [moeder verdachte] te gooien;

6. op 29 november 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een bril en een telefoon, toebehorende aan [naam stiefvader] , heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 03/661106-17:

op 9 mei 2017 in de gemeente Roermond, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 37,38 gram netto hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1 meer subsidiair onder parketnummer 03/659302-16, feit 2 onder parketnummer 03/659302-16:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

t.a.v. feit 3 onder parketnummer 03/659302-16:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

t.a.v. feit 1 onder parketnummer 03/721252-16, feit 1 onder parketnummer 03/661106-17: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 2 onder parketnummer 03/721252-16:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

t.a.v. feit 1 subsidiair onder parketnummer 03/659053-19: een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 2 primair onder parketnummer 03/659053-19:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 4 onder parketnummer 03/659053-19:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 5 onder parketnummer 03/659053-19: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder en zijn vader, tot wie hij in een familierechtelijke betrekking staat, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 6 onder parketnummer 03/659053-19:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog drs. P.C. Braun heeft in de zaak met parketnummer 03/659302-16 op

20 juni 2017 een rapport uitgebracht over de geestvermogens van de verdachte. De psycholoog beschrijft dat er bij de verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en een ongespecificeerde cannabisgerelateerde stoornis. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Daarom adviseert de psycholoog om het ten laste gelegde aan de verdachte in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en acht de verdachte in de zaak met parketnummer 03/659302-16 verminderd toerekeningsvatbaar.

In 2020 is opnieuw getracht inzicht te krijgen in de geestvermogens van de verdachte. Op

24 mei 2020 heeft psycholoog drs. W.J.L. Lander een rapport over de verdachte uitgebracht en op 29 mei 2020 volgde een rapport van psychiater J.L.M. Dinjens. Omdat de verdachte weigerde mee te werken aan het onderzoek, konden de psycholoog en psychiater geen onderzoek verrichten. De rechtbank komt in de andere zaken dan ook niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel of gedeeltelijk uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat in de zaken met parketnummer 03/659302-16, 03/721252-16 en 03/661106-17 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan moet worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten voor de verschillende zaken. Daarnaast kan eventueel, als stok achter de deur, een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte opgelegd worden. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis onvoldoende rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en met de forse overschrijding van de redelijke termijn in sommige zaken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks ernstige strafbare feiten. Door het handelen van de verdachte hebben zijn moeder en stiefvader jarenlang in angst geleefd. Hij heeft hen gedwongen geld af te staan, hen meermalen van hun vrijheid beroofd en hen bedreigd, mishandeld en spullen van hen vernield. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze feiten een enorme impact hebben gehad en nog steeds hebben op het leven van de moeder en stiefvader van de verdachte. De verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven dat hij geen enkel respect voor hen heeft. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk. Daarnaast heeft de verdachte midden in de nacht met een vuurwapen geschoten op de woning waar [slachtoffer] zich bevond. Dit is een gebeurtenis die niet alleen zorgt voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid bij [slachtoffer] , maar ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Ook heeft de verdachte drugs voorhanden gehad en zich bezig gehouden met hennepteelt en de illegale afname van stroom. De verdachte houdt hiermee niet alleen een crimineel circuit in stand, maar dit soort handelen zorgt ook voor gevaarlijke situaties. Dit blijkt al uit het feit dat rondom de door verdachte aangelegde stroomvoorziening de eerste voortekenen van brand zichtbaar waren.

Verdachte ontkent een groot deel van de feiten. Met name de feiten gericht tegen zijn ouders. Hij geeft aan dat niet zij slachtoffer zijn, maar juist hijzelf slachtoffer is van dingen die zijn ouders volgens hem gedaan hebben. Hij vindt dat hij recht heeft op geld en de opbrengst van de ouderlijke woning, omdat hem veel onrecht is aangedaan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten die de verdachte heeft gepleegd, de hoeveelheid feiten en de grote impact die deze feiten hebben, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer duurt dan de periode die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder meer laten meewegen, dat uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor Opiumwet-feiten en voor wapenbezit.

Voorts heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van

15 april 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte geen meerwaarde ziet in reclasseringstoezicht en dat hij aangeeft geen hulp nodig te hebben. Gelet op de houding van de verdachte, kon de reclassering het recidiverisico niet inschatten en ook niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van de onder 5. weergegeven rapporten van de psycholoog en het rapport van de psychiater. Dit betekent dat de rechtbank er rekening mee houdt dat de verdachte, in ieder geval in de zaak met parketnummer 03/659302-16, verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht.

De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de zaken met parketnummer 03/659302-16, 03/721252-16 en 03/661106-17 de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is overschreden. Uitgangspunt is namelijk dat een strafzaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging kan worden ingesteld. De redelijke termijn is in voornoemde zaken met meerdere jaren overschreden en daar zal de rechtbank bij de strafbepaling ten voordele van de verdachte rekening mee houden.

Alles overwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend voor de door de verdachte gepleegde feiten. De verdediging heeft verzocht om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen. Gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte opleggen. De rechtbank legt de gevangenisstraf dan ook geheel onvoorwaardelijk op.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert in de zaak met parketnummer 03/659302-16 schadevergoeding. Hij vordert in totaal een bedrag van € 5.389,95 aan schadevergoeding. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

  • -

    € 143,00 aan advocaatkosten;

  • -

    € 462,95 voor de beschadiging van de tegels in het toilet;

  • -

    € 784,00 voor de bank/kussens;

  • -

    € 2.000,00 aan Marokkaanse gordijnen;

  • -

    € 2.000,00 aan immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is, met dien verstande dat het gevorderde bedrag aan advocaatkosten niet valt onder de materiële schade, maar onder de proceskosten.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De materiële schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd en de gevorderde immateriële schade is helemaal niet onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich als benadeelde partij voegen in het strafproces. Het vereiste van ‘rechtstreekse schade’ houdt in dat er voldoende verband moet bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256). De verdachte heeft diverse materiële schadeposten opgevoerd. De schadeposten zien op schade die is ontstaan aan de woning waar de verdachte met een vuurwapen op geschoten heeft. Uit het politiedossier blijkt echter dat dit niet de woning (en daarmee de inboedel) was van [slachtoffer] , maar van zijn moeder. Reeds daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [slachtoffer] degene is geweest die door het handelen van de verdachte (materiële) schade heeft geleden. [slachtoffer] noch zijn vertegenwoordigende raadsman zijn ter zitting verschenen. [slachtoffer] in de gelegenheid stellen om dit onderdeel van de vordering nader toe te lichten zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. [slachtoffer] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard

in zijn gehele materiële schadevordering.

Daarnaast vordert [slachtoffer] vergoeding van immateriële schade. Art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Niet gesteld of gebleken is dat bij [slachtoffer] als gevolg van het feit psychisch letsel is ontstaan. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachte is ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de door [slachtoffer] gevorderde immateriële schadevergoeding niet onder het bereik van artikel 6:106 BW valt. [slachtoffer] wordt daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van zijn vordering.

Gelet op het voorgaande wordt [slachtoffer] veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot heden begroot op nihil.

8 Het beslag

In de zaak met parketnummer 03/659302-16 bevindt zich een beslaglijst waarop zes voorwerpen vermeld staan, te weten drie stuks munitie, een bivakmuts, een gescheurde envelop en een dreigbrief.

De bivakmuts zal de rechtbank verbeurd verklaren, nu deze gebruikt is bij het plegen van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

De munitie wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het bezit hiervan in strijd is met de wet.

De envelop en dreigbrief kunnen worden teruggegeven aan degene die redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63, 282, 284, 285, 300, 304, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van feit 1 primair en feit 3 onder parketnummer 03/659053-19 en feit 1 primair en subsidiair onder parketnummer 03/659302-16;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van de verdachte, ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot heden begroot op nihil;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:

- 1.00 STK Muts Kl: Zwart BIVAKMUTS 830124;

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- 1.00 STK Munitie GAMEBORE 830438;

- 1.00 STK Munitie GFL 888669;

- 10.00 STK Munitie GFL 888671;

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende:

  • -

    1.00 STK Document Kl:Wit, BRIEFPOST Enveloppe 847212 gescheurde enveloppe;

  • -

    4.00 STK Document 831198 dreigbrief.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. drs. E.C.M. Hurkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 mei 2021.

Buiten staat

mr. M.M. Beije is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

in de zaak met parketnummer 03/659302-16:

1. hij op of omstreeks 15 augustus 2016 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, vanaf de openbare weg met een (vuur)wapen gericht op een woning, gelegen aan de [adres 1] , heeft geschoten, in welke woning voornoemde [slachtoffer] zich op dat moment bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet meermalen, althans eenmaal, vanaf de openbare weg met een (vuur)wapen gericht op een woning, gelegen aan de [adres 1] , heeft geschoten in welke woning voornoemde [slachtoffer] zich op dat moment bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 in de gemeente Weert [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, vanaf de openbare weg met een (vuur)wapen gericht op een woning, gelegen aan de [adres 1] , geschoten;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode 14 augustus 2016 tot en met 15 augustus 2016 in de gemeente Weert, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend middels een sms-bericht de woorden toegevoegd: "Ik weet wat je doet. Ik zorg er voor dat jouw moeder jou naar Marokko stuurt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 in de gemeente Weert een of meer wapens van categorie III, te weten CZ-75, en/of bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

in de zaak met parketnummer 03/721252-16:

1. hij op of omstreeks 16 augustus 2016 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 188 hennepstekken, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 11 lid 2 Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode 1 februari 2016 tot en met 16 augustus 2016 in de gemeente Weert met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

in de zaak met parketnummer 03/659053-19:

1.

hij op of omstreeks in de periode van 29 november 2019 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [moeder verdachte] heeft gedwongen tot de afgifte van 1000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal,

- dwingen van voornoemde [moeder verdachte] om op een stoel te gaan zitten en haar te verbieden op te staan en/of (daarbij) (dreigend) de woorden: “daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf” en/of “ik moet 1000 euro hebben, hoe jullie daar aan komen is mij egaal”, althans woorden van gelijke aard en/of () strekking toe te voegen, zulks terwijl hij, verdachte, een dreigende lichaamshouding aannam en/of

- die [moeder verdachte] te bellen en te schreeuwen: “godverdomme, heb je die 1000 euro nou al” en/of “zo kom ik te laat trut”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 november 2019 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,

te weten het meermalen, althans eenmaal, dwingen tot afgifte van 1000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte, aan verdachte door:

voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] meermalen, althans eenmaal, te verplichten (voor langere tijd) op een stoel te gaan zitten, welke zij niet mocht(en) verlaten zonder toestemming van verdachte en/of (daarbij) dreigend en/of agressief voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] toe te voegen: ‘daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf’ en/of “ik moet

1000 euro hebben, hoe jullie daar aan komen is mij egaal”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, zulks terwijl hij, verdachte, een dreigende lichaamshouding aan nam en/of

- voornoemde [moeder verdachte] te bellen en te schreeuwen: “godverdomme, heb je die 1000 euro nou al” en/of “zo kom ik te laat trut”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

(art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, opzettelijk [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd in hun woning, gelegen aan de [adres 2] , immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] gedwongen om (langdurig) op een stoel te zitten en/of op een stoel gezet en/of

- die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] (dreigend) de woorden toegevoegd “daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij hij, verdachte, (telkens) een dreigende houding heeft aangenomen en/of

- die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] verboden om naar het toilet te gaan en/of

- die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] belet om op te staan, door die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] (telkens) terug op de stoel te duwen en/of trekken als zij op probeerden te staan;

(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het meermalen, althans eenmaal, dwingen van voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] om (langdurig) op een stoel te zitten en/of die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te verbieden om zonder toestemming van hem, verdachte, op te staan, door (telkens) voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] op een stoel te zetten en/of te dwingen om op een stoel te gaan zitten en/of (daarbij) die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] (dreigend) de woorden toe te voegen “daar ga je zitten en daar kom je niet meer vanaf”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij hij, verdachte, (telkens) een dreigende houding aannam en/of die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te verbieden om het toilet te gebruiken en/of die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te beletten om op te staan, door die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] (telkens) terug op de stoel te duwen en/of te trekken als zij op probeerden te staan;

(art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het meermalen, althans eenmaal, contacteren van een makelaar om de waarde van de woning van die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te laten vaststellen

teneinde de woning van die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] (tegen hun wil) te verkopen door:

- voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te verplichten (voor langere tijd) op een stoel te gaan zitten, welke zij niet mocht(en) verlaten zonder toestemming van verdachte en/of

- ( daarbij) dreigende/agressieve taal en/of bedreigingen te uiten tegen voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] ;

(art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2019 tot en met 29 november 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes, in elk geval een scherp voorwerp, aan voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te tonen en/of dit mes op de tafel voor voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te leggen en/of (daarbij) die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, de kelen van deze [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] door zou snijden en/of de koppen van die [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] eraf zou snijden en op de autobaan/snelweg zou gooien en/of dat hij, verdachte, voornoemde [moeder verdachte] zou steken met het mes, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 3 december 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, zijn moeder, [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] meermalen, althans eenmaal, heeft mishandeld door voornoemde [moeder verdachte] en/of [naam stiefvader] te slaan tegen de kaak, althans tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam en/of (hardhandig) bij de kaak vast te pakken en/of een arm om te draaien en/af te duwen en/of aan de haren te trekken en/of zijn, verdachtes, vingers in de neus van die [naam stiefvader] te steken en/af die [naam stiefvader] stevig bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of een aansteker, in elk geval een hard voorwerp tegen een arm, althans tegen het lichaam, van genoemde [moeder verdachte] te gooien;

(art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 29 november 2019 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een bril en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam stiefvader] en/of [moeder verdachte] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

in de zaak met parketnummer 03/661106-17:

hij op of omstreeks 9 mei 2017 in de gemeente Roermond, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 37,38 gram (netto), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 11 lid 2 Opiumwet)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit Het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, gesloten d.d. 15 november 2016 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 150.

2 Pagina 121-124.

3 Pagina 49-53.

4 Pagina 6.

5 Pagina 148-150.

6 Pagina 104-107.

7 Pagina 113.

8 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Weert, gesloten d.d. 20 oktober 2016 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 260

9 Pagina 11-17.

10 Pagina 55-59.

11 Pagina 138-141.

12 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Roermond, gesloten d.d. 9 mei 2017 en doorgenummerd van pagina 1 t/m 21.

13 Pagina 4-5.

14 Pagina 17

15 Pagina 12-14.

16 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, districtsrecherche Noord en Midden Limburg, proces-verbaalnummer 2019189870, gesloten d.d. 26 februari 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 94.

17 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2019, pagina 30-32, en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 69-70.

18 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2019, pagina 30-32, en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020, blad 4.

19 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2019, pagina 30-32, het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 11 januari 2020, pagina 61-64, het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 69-71, en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 34 en 35.

21 het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 66-67, en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 34-35.

23 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 4 december 2019, pagina 41, en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 71.

24 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 4 december 2019, pagina 41, en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 11 januari 2020, pagina 64.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 36, en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 4 december 2019, pagina 41.

26 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlage, pagina 59-60.

27 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 11 januari 2020, 63-64 en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

28 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 69-70, en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020, blad 4.

29 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 11 januari 2020, pagina 63-64, het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 21 februari 2020, pagina 71, en het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

30 Het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

31 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2019, pagina 74-77, het proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 11 januari 2020, pagina 88-90, en het proces-verbaal van verhoor van [naam stiefvader] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

32 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2019, pagina 74-77, en het proces-verbaal van verhoor van [naam stiefvader] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

33 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, pagina 79-84.

34 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2019, pagina 74-77.

35 het proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 11 januari 2020, pagina 89, en het proces-verbaal van verhoor van [naam stiefvader] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.

36 Het proces-verbaal van verhoor van [naam stiefvader] door de rechter-commissaris d.d. 2 juli 2020.