Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3654

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
C/03/289292 / JE RK 21-407
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek GI tot verlenging uithuisplaatsing afgewezen. De vechtscheiding en het ontbreken van contact tussen minderjarige en de vader is geen aanleiding is geweest om minderjarige uit huis te plaatsen. Geen noodzaak meer minderjarige op neutrale plek te laten verblijven. Onderzoek naar seksueel misbruik door politie is afgerond. De moeder heeft de banden met de partner die zich schuldig lijkt te hebben gemaakt aan seksueel misbruik minderjarige definitief verbroken. Relatie tussen de moeder en de vader verbeterd. Contact tussen de minderjarige en de vader loopt weer en verloopt goed. Beide ouders accepteren hulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/289292 / JE RK 21-407

datum uitspraak: 21 april 2021

beschikking afwijzing verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

hierna te noemen (GI),

gevestigd te Heerlen,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. M. van Riet,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend te [woonplaats] .

1 Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 2 maart 2021, ingekomen bij de griffie op 4 maart 2021.

Op 7 april 2021 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden.

Door de kinderrechter zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M. van Riet,

- de vader,
- een vertegenwoordig(st)er van de GI.

2 De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van 7 juli 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 8 augustus 2021.

De kinderrechter heeft, na een spoedmachtiging uithuisplaatsing op 29 oktober 2020, bij beschikking van 10 november 2020 machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een persoon uit het netwerk, dan wel in een pleeggezin, dan wel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 november 2020 tot 29 januari 2021 en de beslissing over de resterende termijn aangehouden.

Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder van 29 januari 2021 tot 29 april 2021.

3 Het verzoek

De GI heeft verzocht de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Ter mondelinge behandeling heeft de GI – na ruggenspraak te hebben gevoerd met de gezinsvoogd – het verzoek gewijzigd, in die zin dat de GI verzoekt de machtiging uithuisplaatsing te verlengen met drie maanden, onder aanhouding van de resterende termijn.

De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende –kort en zakelijk weergegeven– aangevoerd. Naar de mening van de GI is voortzetting van de uithuisplaatsing tot aan het einde van de ondertoezichtstelling wenselijk om het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] verder te verbeteren en om meer zicht te krijgen op de thuissituatie van de moeder. Dit allemaal met als doel meer zicht te krijgen op de opvoedingscapaciteiten van beide ouders om voor [minderjarige] het best passende woonperspectief te kunnen bepalen. Daarbij is het nog de vraag hoe de zorgregeling of opvoedverdeling tussen de ouders er gaat uitzien. De ontwikkelingen en gedragingen van [minderjarige] en van beide ouders zullen nauw gevolgd worden door de betrokken hulpverlening. Er wordt gezocht naar één instantie die zowel traumabehandeling voor [minderjarige] kan inzetten, de omgang tussen [minderjarige] en de vader en de moeder verder vorm kan geven en die systemische behandeling kan inzetten bij de ouders. De GI wil daarvoor Plinthos benaderen.

Ter mondelinge behandeling heeft de GI aanvullend opgemerkt dat [minderjarige] het in het algemeen goed doet, maar dat de laatste weken een verandering merkbaar is bij haar. [minderjarige] vertoont opstandig gedrag en zoekt de grenzen op. Ook stelt de GI dat nog speciale aandacht nodig is voor het broekpoepen en liegen van [minderjarige] . De GI verwacht dat Plinthos binnen drie à vier weken kan starten en dat binnen drie à vier maanden zicht zal zijn verkregen op het woonperspectief van [minderjarige] .

Volgens de GI is een termijn van drie maanden termijn noodzakelijk om de bevindingen van Plinthos mee te kunnen nemen.

4 Het standpunt van belanghebbenden

De vader stemt niet in met een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Het proces duurt veel te lang. Het is al lang duidelijk dat de situatie bij de vader veilig is voor [minderjarige] . [minderjarige] kan bij de vader komen wonen. Hij begrijpt niet waarom de GI daar niet toe overgaat. Daarbij gaat de GI er ook ten onrechte aan voorbij dat verstandhouding tussen de vader en moeder is verbeterd. De ouders zijn in staat met elkaar te communiceren, maar de GI ziet dat niet. De vader is ervan overtuigd dat hij samen met de moeder de goede lijn kan voortzetten. De vader zal alle medewerking verlenen aan hulpverlening en therapieën die nodig worden geacht.

De moeder is het ook niet eens met de verzochte verlenging. Zij is van mening dat de groep geen goede plek is voor [minderjarige] . [minderjarige] is chagrijnig na een verblijf bij de moeder, omdat ze naar huis wil en niet meer terug naar de groep. De moeder is bereid om aan alle hulpverlening en therapieën mee te werken, ook als [minderjarige] thuis is geplaatst.

De advocaat van de moeder heeft zich namens de moeder op het standpunt gesteld dat het verzoek primair dient te worden afgewezen, dan wel subsidiair dat de termijn dient te worden bekort tot maximaal drie maanden. De advocaat wijst erop dat het onderzoek naar de thuissituatie van de moeder nog steeds niet is afgerond. Er is nog steeds geen uitsluitsel gegeven over de vraag of het voldoende veilig is bij de moeder, terwijl de moeder aan alle voorwaarden heeft voldaan. De moeder heeft de woning op orde en alle banden met haar ex-partner [naam ex-partner] verbroken. De moeder staat ervoor in dat [minderjarige] niet nog een keer seksueel misbruikt kan worden. De zorgen over het broekpoepen van [minderjarige] zijn niet verminderd gedurende de uithuisplaatsing en er wordt ten onrechte een beeld geschapen dat de moeder daar iets in te verwijten valt. Bovendien kunnen de vader en de moeder beter met elkaar overweg en zijn zij in staat zelfstandig afspraken te maken over de contacten met [minderjarige] . De ouders zetten zich ervoor in om in het kader van de lopende procedure over de omgang een ouderschapsplan op te stellen. Het lijkt er sterk op dat de GI nog wil onderzoeken of er een co-ouderschap dient te komen, maar daarvoor is een machtiging uithuisplaatsing niet bedoeld. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 8 augustus 2021. Plinthos kan goed binnen het kader van de lopende ondertoezichtstelling worden gestart. Er is geen enkele noodzaak meer voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] .

Indien de kinderrechter van oordeel is dat toch een verlenging nodig is, dan verzoekt de moeder deze termijn te maximeren op drie maanden, zulks met het oog op het opstellen van een ouderschapsplan door de ouders. Voorts verzoekt de moeder in dat geval te bepalen dat [minderjarige] gedurende die termijn geleidelijk aan steeds meer bij de moeder kan verblijven.

5 De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 1:265c lid 1 BW, in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 1:265b BW, kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Naar het oordeel van de kinderrechter is een situatie ontstaan die niet langer de conclusie rechtvaardigt dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt daartoe dat er nog wel ernstige zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] . Echter, nu de moeder de relatie met [naam ex-partner] , de partner die zich schuldig lijkt te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van [minderjarige] , definitief heeft verbroken, kan niet langer kan worden gezegd dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding is bij de moeder. Het politieonderzoek naar het seksueel onderzoek is afgerond. Er is ook wat dat aangaat geen noodzaak meer om [minderjarige] op een neutrale plek te laten verblijven om haar de nodige rust en stabiliteit te bieden, hetgeen ten tijde van de beschikking van 13 januari 2021 nog wel zwaar heeft meegewogen. Voorts moet worden vastgesteld dat de moeder heeft ingezien dat niet de vader van [minderjarige] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van [minderjarige] en dat de verstandhouding tussen de ouders is verbeterd. Ook het contact tussen [minderjarige] en de vader is verstevigd, hetgeen belangrijk is voor [minderjarige] . De ouders hebben er beiden blijk van gegeven in te zien dat zij in het belang van [minderjarige] moeten samenwerken en zij willen zich inzetten voor het opstellen van een ouderschapsplan.

Opgemerkt dient te worden dat de vechtscheiding en het ontbreken van contact tussen [minderjarige] en de vader geen aanleiding is geweest om [minderjarige] uit huis te plaatsen.

De ouders ondersteunen de hulpverlening die [minderjarige] nodig heeft voor het seksueel misbruik en Plinthos zal de hulpverlening met hun medewerking kunnen starten en voortzetten. De ouders zijn onvoorwaardelijk bereid om mee te werken aan die hulpverlening. Gelet op die ontwikkelingen en bij deze stand van zaken ziet de kinderrechter geen noodzaak om [minderjarige] nog langer uit huis te plaatsen. De kinderrechter benadrukt wel dat van de moeder wordt verwacht dat zij, ook als [minderjarige] weer thuis is geplaatst, het contact tussen [minderjarige] en de vader blijft stimuleren en met name ook meewerkt aan hulpverlening om meer zicht te krijgen op haar opvoedingsvaardigheden zodat deze ook versterkt kunnen worden als dat nodig mocht zijn.

Uit voorgaande volgt dat het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige]

dient te worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch