Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3651

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
C/03/277687 / FA RK 20-1650
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Overheidsmaatregelen in de evenementenbranche als gevolg van Covid-19 hebben ingrijpende gevolgen voor het inkomen. Onvoorziene omstandigheden. Verzoek om nihilstelling van door vader te betalen bijdrage voor jongmeerderjarige toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/277687 / FA RK 20-1650

Beschikking van 21 april 2021 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. M. Strijks;

tegen:

[de jongmeerderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de jongmeerderjarige,

advocaat: mr. R.P.F. Rober.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 7 mei 2020;

- het verweerschrift van de jongmeerderjarige, ingekomen op 5 juni 2020;

- de aanvullende producties van de man, ingekomen op 5 maart 2021;

- de aanvullende productie van de man, ingekomen op 8 maart 2021;

- de aanvullende productie van de man, ingekomen op 23 maart 2021;

- de aanvullende producties van de vrouw, ingekomen op 24 maart 2021;

- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021 en waarbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door mr. Scheers, waarnemend voor mr. Strijks voornoemd;

- de jongmeerderjarige, bijgestaan door mr. Rober.

2 De feiten

2.1.

De jongmeerderjarige is op [geboortedatum] geboren te [geboorteplaats] uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de man en [de vrouw] .

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 januari 2020 (zaaknummer C/03/266369 / FA RK 19-2514) is bepaald dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 18 augustus 2018 op nihil wordt gesteld en met ingang van 1 september 2019 op € 288,- per maand.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 mei 2020 op nihil zal stellen, althans in goede justitie een bijdrage en datum dient te bepalen.

3.2.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) op grond waarvan de onderhoudsbijdrage gewijzigd dient te worden. Hij voert daartoe aan dat hij met zijn bedrijf in de evenementenbranche - sinds de coronacrisis – geen omzet meer maakt, zodat hij niet in staat is om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te voldoen.

3.3.

Ter zitting heeft de man nog toegelicht dat hij in december 2019 aan zijn schouder is geopereerd en enige tijd niet heeft kunnen werken. Toen hij medio maart 2020 weer aan de slag kon, sloeg de coronacrisis toe. De man is technicus/ZZP-er en moet werken op dagen waarop evenementen plaatsvinden. Als deze worden afgelast – zoals nu steeds het geval is - dan is er ook geen werk voor hem. De man komt niet in aanmerking voor het garantiefonds voor evenementen, omdat dit bedoeld is voor de organisatie en bands. Hierdoor zijn zijn inkomsten teruggevallen tot onder het bijstandsniveau en is hij genoodzaakt om een beroep te doen op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), die hij vanaf 1 april 2020 ontvangt.

3.4.

De man is op eigen initiatief in overleg met de gemeente om zich te laten omscholen. Als de Tozo-regeling per 1 juli 2021 eindigt en er is nog steeds geen vooruitzicht op werk, dan zal de man in overleg met de gemeente proberen om zijn bedrijf te laten beëindigen. De man wil voorkomen dat hij failliet gaat. Ook als de man vanaf 1 juli 2021 wel weer kan werken zoals gebruikelijk was vóór de coronacrisis, dan zal hij – gelet op de slechte cijfers tot nu toe – in 2021 nog steeds geen winst kunnen maken.

Tot slot heeft de man gewezen op het eindigen van zijn onderhoudsverplichting op 18 augustus a.s. als [de jongmeerderjarige] 21 wordt.

4 Het verweer en het zelfstandig verzoek

4.1.

De jongmeerderjarige concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man en voert daartoe het volgende aan.

4.2.

Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden. De man is werkzaam als technicus en heeft een ondersteunende functie in de evenementenbranche. Naar verwachting is slechts sprake van een tijdelijke inkomensachteruitgang, die geen definitief einde aan de onderhoudsplicht kan maken. De jongmeerderjarige studeert nog en heeft geen neveninkomsten. De jongmeerderjarige verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat de onderhoudsbijdrage wordt gesteld op € 580,- per maand met ingang van 1 mei 2020, althans een zodanige bijdrage en vanaf een zodanige datum in goede justitie te bepalen.

4.3.

Ter zitting heeft de jongmeerderjarige nog toegelicht dat de man een zwaarwegende onderhoudsplicht heeft en gelet daarop is het de vraag of hij als zelfstandig ondernemer geen rekening had moeten houden met de (gevolgen van de) coronacrisis. De man onderbouwt zijn inspanningen om zijn inkomen te herstellen niet. Hij kan ook tijdelijk ander werk doen. Ook de moeder van de jongmeerderjarige is het gelukt om ander werk te vinden, waar zij niet voor opgeleid is. De jongmeerderjarige gaat ervan uit dat de man in elk geval vanaf 1 juli 2021 in staat is om zijn inkomen en het geleden verlies te herstellen, omdat veel evenementen dan ingehaald zullen worden.

5 De beoordeling

5.1.

De grondslag van het verzoek

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW kan, voor zover hier van belang, een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Gelet op de door de man overgelegde stukken met betrekking tot zijn inkomen en wat hij hierover tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat zijn inkomen zo drastisch is gedaald dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, zodat de weg naar een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdrage open ligt.

De jongmeerderjarige heeft ter zitting haar zelfstandig verzoek ingetrokken, zodat de rechtbank ten aanzien hiervan de wijziging van omstandigheden niet meer hoeft te beoordelen.

Nu de man stelt dat hij geen enkele draagkracht meer heeft om een onderhoudsbijdrage te voldoen, zal de rechtbank zijn draagkracht eerst beoordelen.

5.2.

De draagkracht

Uit de stukken van de man blijkt dat hij vanaf april 2020 inkomensondersteuning ontvangt vanuit de Tozo-regeling, omdat zijn inkomen lager is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De Tozo-regeling is voor de laatste keer verlengd bij brief van de gemeente Amersfoort van 22 oktober 2020. In die brief is het inkomen van de man vastgesteld op € 0,- per maand. Verder is het bruto inkomen van de man in 2020 blijkens zijn jaaropgaven vast te stellen op totaal € 11.936,- (€ 5.287,- gemeente Heerlen en € 6.649,- gemeente Amersfoort).

Gelet hierop alsmede op het niet betwisten daarvan door de jongmeerderjarige, staat vast dat het inkomen van de man vanaf april 2020 en tot op heden beneden bijstandsniveau ligt en dat dit inkomen vanuit de Tozo-regeling wordt aangevuld tot bijstandsniveau (in 2020: € 1.059,03 en in 2021: € 1.075,44).

Partijen verschillen van mening over de mogelijkheid tot herstel van het inkomensverlies van de man. De jongmeerderjarige heeft gesteld dat de man zijn verdiencapaciteit kan uitbreiden. De man heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat hij geprobeerd heeft om op andere manieren inkomen te verwerven (bijvoorbeeld het streamen van uitvaarten), maar dat dit niet is gelukt. De man heeft verder geen opleiding en is in gesprek met de gemeente om zich te laten omscholen. De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs te verwerven (de verdiencapaciteit). Tegen de gemotiveerde betwisting door de man heeft de jongmeerderjarige naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld en onderbouwd dat en vanaf wanneer en op welke manier de man zijn verdiencapaciteit had kunnen uitbreiden. De rechtbank neemt daarbij mee dat de maatregelen in verband met Covid-19 met ingrijpende gevolgen voor het inkomen van de man de afgelopen periode steeds zijn verlengd voor bepaalde periodes waardoor de man er niet op bedacht heeft hoeven zijn dat hij, mede gelet op zijn leeftijd van 63 (4 oktober jongstleden) en beperkte (nauwelijks) scholing en werkervaring, op een andere wijze inkomen zou kunnen en moeten gaan genereren; nog afgezien van de mogelijkheid of hij hierin binnen afzienbare tijd in het Covid-19 tijdsgewricht ook zou kunnen slagen. Tevens neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de onderhoudsplicht op korte termijn afloopt, omdat de jongmeerderjarige op 18 augustus 2021 meerderjarig wordt. Dat betekent dat zelfs met de door de man geïnitieerde en benoemde mogelijkheid van omscholen, dat doorgaans enige tijd in beslag neemt, niet aannemelijk is dat hij nog vóór het einde van zijn onderhoudsplicht in staat zal zijn om via die weg substantieel inkomen te genereren en daarmee zijn draagkracht te verhogen.

De jongmeerderjarige heeft nog gesteld dat zij verwacht dat de man vanaf 1 juli 2021 een inhaalslag kan maken met zijn bedrijf en dat zij (achteraf bezien) dan benadeeld zou worden bij toewijzing van zijn verzoek. De man heeft echter onweersproken gesteld dat zijn omzet doorgaans schommelt rond € 80.000,- en dat hij, als hij in de tweede helft van 2021 al weer op de gebruikelijke manier zou kunnen werken en omzet kan maken, naar verwachting (op basis van zijn cijfers in het verleden), geen verlies, maar ook geen winst kan gaan maken. De rechtbank overweegt dat de man in dat geval nog steeds geen draagkracht heeft om enige onderhoudsbijdrage te voldoen. De rechtbank volgt de man ook in zijn standpunt dat sprake is van een bijzondere situatie (de coronacrisis) met steeds verlengingen van ingrijpende maatregelen. De man had met de gevolgen hiervan voor zijn onderhoudsplicht in de afgelopen periode geen rekening kunnen en behoeven te houden, zodat de rechtbank zal uitgaan van de huidige inkomensgegevens van de man.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf april 2020 zeer beperkte inkomsten heeft waardoor hij niet in staat is om enige onderhoudsbijdrage te voldoen. De uitzonderlijke situatie dat het de man door de overheid de facto verboden is zijn werk te doen, maakt dat bij de bepaling van zijn draagkracht als ondernemer niet naar het gemiddelde resultaat van de laatste 3 jaar wordt gekeken, zoals de man onbetwist heeft bepleit, maar naar de situatie zoals deze is ontstaan door en vanaf de Covid maatregelen in maart 2020 (zonder duidelijke einddatum).

Nu de jongmeerderjarige geen verweer heeft gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdatum, de jongmeerderjarige buiten rechte heeft ingestemd met het in afwachting van deze beslissing niet verder incasseren van de eerder opgelegde onderhoudsbijdrage en de man tot 1 mei 2020 aan zijn verplichting heeft voldaan, komt de rechtbank het verzoek van de man niet onredelijk voor; de rechtbank zal de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 mei 2020 op nihil stellen.

5.3.

De proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 20 januari 2020 met zaaknummer C/03/277687 / FA RK 20-1650, waarbij aan de man een onderhoudsbijdrage werd opgelegd, in die zin dat deze met ingang van 1 mei 2020 wordt bepaald op nihil;

6.2.

verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 21 april 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. Schuman, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.